Ethiek

Ethiek

Signalen

De bezinningsgroep Rijnsburg e.o. belegt D.V. op 26 september a.s. een voorlichtingsavond over:

Schriftgezag en hermeneutiek (Bijbeluitleg)

Spreker: dr. R.T. (Dolf) te Velde.

Plaats: kerkgebouw GKv Rijnsburg, Katwijkerweg 1a, 2231 SE Rijnsburg.
Aanvang: 20.00 uur.
Zie verder onder Nieuwe artikelen, click Schriftgezag en hermeneutiek

 


 

 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Kruisverhoor op Zondag (9a)

D.J. Bolt
03-05-08

Eerst maar even weer opfrissen waar we zijn.
Voor ds. Wierenga is er geen aparte dag meer om te rusten. Het vierde gebod is niet meer geldig. Het enige wat voor hem over is gebleven dat is de kerkgang. Dat moet wel. Maar daarbuiten doe ieder zonder gewetensbezwaar wat hij wil (zie voor een samenvatting van zijn overtuiging [KoZ 1]).
Dat is volstrekt in strijd met wat naar mijn overtuiging het vierde gebod leert. Dat gebiedt nog steeds een dag waarop vieren en rusten is geboden en het dagelijks werk moet blijven liggen m.i.
Ds. Wierenga was bereid om zich door mij te laten 'kruisverhoren' over zijn opvatting over de betekenis van het vierde gebod.

Nu heeft het 'verhoor' een 'voordiscussie' gekregen doordat ds. Wierenga eerst over de geldigheid van de Tien Geboden als zodanig wilde spreken. Zijn stelling is dat de Wet van de Here zoals die beschreven is in Exodus 20 en Deuteronomium 5 niet meer geldig is in onze nieuw-testamentische tijd. Het is een onderdeel van de Sinaïtische wetgeving en die heeft als geheel inclusief 'het onderdeel' Tien Geboden afgedaan. Die behoort niet tot 'de papieren van het Nieuwe Testament', zoals hij dat graag uitdrukt.

In mijn (laatste) bijdrage 7 heb ik geprobeerd vanuit de Schrift en de belijdenis aan te tonen dat de Tien Geboden nog onverminderd gelden voor het volk van God en dat dat ook zo in alle(?) gereformeerde kerken geleerd wordt. Ik splitste deze bijdrage in twee delen: 7a, argumenten vanuit de Schrift en de belijdenis en 7b, argumenten uit de kerkgeschiedenis.

Met zijn bijdrage 8a, met nog aanvullingen 8aa en 8aaa, reageerde ds. Wierenga op de argumenten die ik aanvoerde vanuit de Schrift (in 7a).
Om de lijn in de discussie vast te houden had ik graag zijn antwoord op mijn aanhalingen vanuit de kerkgeschiedenis (7b) gehad. Immers daaruit valt te leren dat Calvijn de Tien Geboden volstrekt geldig en van toepassing acht op ons christelijke leven. Ja, dat hij zelfs in krasse bewoordingen veroordeelt hen die dat ontkennen.
Datzelfde meende ik ook te mogen afleiden uit onze recente kerkgeschiedenis. De leringen van ds. G. Visee en ds. J.O. Mulder die in de zestiger-jaren eveneens leerden dat de Tien Geboden als Wet van de Here, voor ons leven niet meer gelden, is door de generale synode van Hoogeveen krachtig veroordeeld.

Echter ds. Wierenga heeft mij te kennen gegeven dat hij op het laatste (voorlopig) niet wil ingaan. Hij vindt dat niet relevant voor onze discussie. Die zou immers over het vierde gebod gaan? Daar heeft hij natuurlijk helemaal gelijk in. Maar juist ds. Wierenga heeft de discussie hierover willen voeren in het kader van de niet-geldigheid van de Tien Geboden. Daar hebben we nu al in acht ronden over doorgesproken.
Ik vind het zeer verstrekkend als een predikant zegt en preekt "de Tien Geboden gelden niet meer". Het is m.i. dan alleszins redelijk om ook een confrontatie aan te gaan met de opvattingen van Calvijn, maar nog meer met redelijk recente besluiten van onze kerken. Die zijn immers nog volledig geldig? In elk geval lijkt de opvatting van ds. Wierenga 'tamelijk' in strijd daarmee. Het is dan toch nodig om duidelijk te maken hoe een en ander met elkaar te rijmen valt? Of misschien niet te rijmen is? En dan dus de kerkelijke weg moet worden gegaan?

Daarom heb ik ds. Wierenga een en ander maal gevraagd toch ter wille van onze discussie en onze lezers hierop in te gaan. Maar daar is hij niet toe bereid. Dat is jammer. Maar ik kan en wil ds. Wierenga natuurlijk er niet toe dwingen. Als hij niet wil antwoorden heeft hij daar ten overstaan van mij het recht toe. Maar ik betreur het wel.

Ds. Wierenga blijft dus - in elk geval voorlopig - bij zijn reacties 8a, 8aa en 8aaa met antwoorden op mijn argumenten vanuit de Schrift en de belijdenis. In deze bijdrage wil ik daar op reageren en vervolgens de vraag onder ogen zien of wij over kunnen gaan tot de bespreking van het vierde gebod.

Bolt aan ds. Wierenga

Geachte ds. Wierenga,

Evenals u heb ik onze 'correspondentie' weer doorgelezen. In uw laatste bijdrage zet u uw standpunt nog eens uitgebreid uiteen en passeren opnieuw vrijwel dezelfde argumenten die u in vorige ronden naar voren bracht. Eerlijk gezegd bekroop me wat een gevoel van teleurstelling omdat u zo weinig op mijn argumenten en tegenwerpingen ingaat. Daardoor lijkt onze discussie wat op een communicatie tussen doven te worden. En dat helpt ons natuurlijk niet verder.

Misschien is het voor de lezer het handigst dat ik uw bijdragen als uitgangspunt neem en mijn commentaar daar tussen zet. Dat lijkt ook meer op een actieve discussie. Daarbij zal ik vaak verwijzen naar wat ik reeds eerder op hetgeen door u wordt aangedragen heb geschreven, [5] verwijst bijvoorbeeld naar mijn bijdrage 5, eventueel aangevuld met een paragraaftitel. Mijn commentaar heb ik in blauw weergegeven. De onderdelen worden voorafgegaan door de initialen van de schrijver. Dat is ook handig voor degenen die deze artikelen zwart-wit afdrukken.

Commentaar op ds. Wierenga's 8a

WW
Antwoord op uw bijdrage getiteld Kruisverhoor op Zondag (7a).
Mijn nadruk op het niet meer geldig zijn van de hele OTische wetgeving (inclusief de Dekaloog) heeft niet tot doel de weg te banen om tot een stelling omtrent het vierde gebod te komen. Die nadruk heeft te maken niet met een doel, maar met een basaal leerstuk. Ik kan Paulus? uitspraken over de wet niet naar hun volle inhoud accepteren als ik niet mag concluderen dat de hele OTische wetgeving niet meer geldig is. Het is bij mij niet een zaak van dogmatiek en leer (althans niet primair!), maar van interpretatie (= exegese) . En tenslotte moet de leer en de systematische uiteenzetting daarvan in de dogmatiek uit de bijbel en de interpretatie daarvan oprijzen. Daarom zegt mij een uitspraak die U in één van uw vorige bijdragen gaf, nl (citaat) ?God heeft een blijvend verbond met zijn volk. Dat is in (= en?) blijft van alle tijden??.zo?n uitspraak zegt mij zo weinig. Wat verstaat U daar onder ?zijn volk?? Behoort tot dat volk ook bv Adam? Hebt U ooit in de bijbel gelezen dat Jahweh een verbond met Adam sloot? Hebt U ooit gelezen dat Jahweh aan Adam de tien geboden gaf, of aan Abraham.
Verder zegt U dat dat verbond is en blijft van alle tijden. Maar waar leert de bijbel dat dan? Bericht de bijbel dat Jahweh een verbond sloot met Adam?

DJB
God heeft alle eeuwen zijn volk gehad, te beginnen met Adam en Eva en hun kinderen.
Dat begon al in Gen. 2 :

En de HERE God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren. En de HERE God legde de mens het gebod op: Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven.

Verbond tussen God en mens met opdracht, zegen, eis en straf.
Als de mens dit verbond verbreekt en hij moet sterven, vernieuwt God het. Met beloften en vervloekingen (Gen. 3):

En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.

Zeer beknopt en tegelijk zéér verstrekkend. In dit nieuwe (vernieuwde) verbond ligt reeds onze redding en zaligheid besloten. Heel de verdere Schrift is de uitwerking daarvan, cumulerend in de komst van Jezus Christus, zijn dood, opstanding en hemelvaart, en straks zijn wederkomst.
Dit 'Adammietische' verbond is als een knop van een bloem. Alles zit er al in, het ontvouwt zich in de loop van de tijd in omvang, helderheid en pracht.

De 'gang van zaken' in het paradijs zou een 'blauwdruk' genoemd kunnen worden van wat de Here in de verdere geschiedenis met zijn volk doet. Steeds als het volk weer zijn verbond schendt brengt Hij het tot bekering en vernieuwt zijn verbond. Niet met individuen, zo denken evangelischen, maar met een volk. Omdat Hij zich een volk vergadert, een heilige natie, een koninklijk priesterschap. Daar gaat het om.
Zo begint Paulus in Rom. 5 niet bij Mozes maar bij Adam, als het 'verbondshoofd' in wiens schuld de mensheid deelt.

WW
Paulus spreekt in Rm 5 rustig over de tijd dat er geen wet was (vs 13). Hij zegt rustig dat de wet er later bij kwam (vs 20). En wanneer kwam die wet er bij? Ze werd door engelen aan een bemiddelaar gegeven (Gl 3, 19) en die bemiddelaar was Mozes. En wij weten uit voldoende gegevens dat die wet werd gegeven aan Israël, en wel in het kader van een bij de Sinaï gesloten verbond. In het licht van dit spreken van Paulus is uw zoeven geciteerde uitspraak een stukje leer waarvoor geen basis te vinden is in de bijbel.

DJB
Inderdaad is de wet door God in geschreven vorm aan Mozes gegeven. Dat is duidelijk genoeg. Uw opvatting is, als ik u goed begrijp, dat er vóór Mozes geen wet was en na de komst van Christus Gods wet ook niet meer geldt, wet-loze tijdperken dus. Dat verwerp ik nadrukkelijk zoals ik daarover al in mijn bijdrage [2] schreef:

"Het is dan toch onmogelijk om Gods geboden tegelijk te zien, samen met het Oude Verbond, als "verouderd, versleten"? Dat zou toch ook wel heel merkwaardig zijn? Want het is toch Gods wil dat we, om maar een voorbeeld te noemen, geen overspel doen, geen echt breken? Dat was toch al zo in het paradijs 'van den beginne'? Het zevende gebod begon toch niet bij Mozes op de berg? Het kreeg toen wellicht zijn 'volgnummer' maar echtbreken was voor Adam en Eva toch ook geen enkele 'optie'? Het feit dat God op de Horeb zijn wil expliciet in stenen tafelen heeft geschreven kan toch niet betekenen dat daarvoor de inhoud van Gods geboden 'een vrije kwestie was?
Net zomin als nu voor ons?"

Misschien kan de geschiedenis van Sodom en Gomorra dat, ook in het licht van Rom. 5, nog verder verhelderen.
De Schrift zegt dat "de mannen van Sodom nu waren zeer slecht en zondig tegenover de HERE."1 De Here oordeelt zelf: "Het geroep over Sodom en Gomorra is voorwaar te groot, en haar zonde is voorwaar zeer zwaar"2. Zonder een wet zoals die in steenformaat werd gegeven op de Sinaï werd hun zonde al de maat gemeten. De Here Jezus refereert ook aan deze steden als hij zijn oordeel uitspreekt over Israëls steden die Hem niet willen aanvaarden: "het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor die stad"3. Dat is ook helemaal in lijn met wat Paulus zegt in het Rom. 5: 20:

Maar de wet is er bijgekomen, zodat de overtreding toenam; waar evenwel de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden,

Heidenen zijn niet te verontschuldigen ook al kennen zij de (geschreven) wet van God niet. Immers:

Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet; immers, zij tonen, dat het werk der wet in hun harten geschreven is, terwijl hun geweten medegetuigt en hun gedachten elkander onderling aanklagen of ook verontschuldigen.4

De Here zegt als het ware: jullie mogen mijn wet dan wel niet op een geschreven blaadje hebben, maar de manier waarop jullie doen en laten, waarop jullie elkaar aanklagen of elkaar vrijspreken, en hoe jullie geweten spreekt, bewijst dat jullie mijn wet toch kennen!
De wet van God bestaat óók als die niet uitgeschreven en in die vorm niet bekend is.
Wel is het zo dat hoe meer wij Gods wil en wet uit zijn geopenbaarde Woord kennen, hoe zwaarder onze ongerechtigheid door God toegerekend wordt. En ook hoe meer genade Hij ons bewijst als we het offer van zijn Zoon in geloof aannemen.
Kortom, Gods wet is van en voor alle tijden. Wat hij van de mensen in het paradijs heeft gevraagd is niet anders dan wat Hij van de mensen tussen paradijs en Sinaï eiste. En wat Hij Israël gebood is niet anders dan wat Hij óns op het hart bindt.

WW
En als dan de bijbel ook nog leert dat dat verbond waarbinnen de Dekaloog werd gegeven is verouderd en verjaard, dan zeg ik, en dat in overeenstemming met uitdrukkelijke uitspraken van Paulus, dat ook de Dekaloog is verouderd en verjaard.

DJB
U herhaalt deze argumenten zonder helaas in te gaan op wat ik daar uitgebreid over heb geschreven in 3/DEEL 1. Ik heb met veel tekstverwijziging laten zien dat het nieuwe verbond niet verschilt van het oude op al de punten die in Jer. 31:31 beloofd worden namelijk:

 

  • Ik zal hen tot God zijn en zij zullen Mij tot volk zijn.
  • Mijn wet zal Ik in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven.
  • Ik zal hun ongerechtigheden vergeven en hun zonde niet meer gedenken.

 

Ik kom dan vervolgens tot de conclusie:

"Hét fundamentele nieuwe van het Nieuwe verbond is dat het is gegrond in het offer van Jezus Christus aan het kruis. Dát is het nieuwe! De HERE heeft de beloften die Hij Zijn volk in de loop van de eeuwen gaf in grote trouw en liefde werkelijkheid laten worden. Er is hét fundament onder geschoven. Hij gedacht aan Zijn Verbond met Adam, Noach, Abraham en David. Wat zij niet konden bewerken en ook niet werkelijkheid hebben zien worden23 dat heeft God in het centrum van de eeuwen gerealiseerd door Zijn eigen Zoon te offeren als verzoening voor alle zonden."

Graag nodig ik u uit omdat alsnog te overwegen.

Wordt vervolgd


NOTEN

____________________________________________________________


1 Gen. 13:13.
2 Gen. 20:18.
3 Mat. 10:15.
4 Rom. 2: 14,15.