Ethiek

Ethiek

Signalen

De bezinningsgroep Rijnsburg e.o. belegt D.V. op 26 september a.s. een voorlichtingsavond over:

Schriftgezag en hermeneutiek (Bijbeluitleg)

Spreker: dr. R.T. (Dolf) te Velde.

Plaats: kerkgebouw GKv Rijnsburg, Katwijkerweg 1a, 2231 SE Rijnsburg.
Aanvang: 20.00 uur.
Zie verder onder Nieuwe artikelen, click Schriftgezag en hermeneutiek

 


 

 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Brief aan de Generale Synode

D.J. Bolt
30-12-05


synode@gkv.nl

Apeldoorn, 12 februari 2005

Geachte broeders,

De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken Leusden 1999 nam besluiten in een appel van de Gereformeerde kerk te Nieuwegein. Dit appel hield het verzoek in uit te spreken dat er in de Gereformeerde Kerken ruimte is om te leren dat, kort samengevat, de zondag als rustdag een goede menselijke instelling maar geen gebod van de HERE is.
De generale synode van Leusden acht de gevraagde ruimte aanwezig (Acta Leusden art 25, besluit 4.3).

Er is door ons, samen met vele anderen, revisie van dit besluit gevraagd omdat het naar ons gevoelen in strijd is met Gods heilig Woord. Echter de synode van Zuidhorn heeft tot ons diepe verdriet alle bezwaren, op één enkel ondergeschikt punt na, afgewezen (Acta Zuidhorn, art 52, besluit 2).

Ons blijft dus naar artikel 31 K.O. niets anders over dan deze besluiten voor vast en bondig te houden. Dit artikel spreekt echter ook van een 'tenzij'. Wanneer bewezen kan worden dat de besluiten tegen Gods Woord ingaan mag opnieuw herziening worden gevraagd en is heroverweging vereist.
Wij willen proberen dat bewijs te leveren en vragen uw aandacht daarvoor.

Wij bidden u de wijsheid en de leiding van de Heilige Geest toe bij al uw overwegingen en besluiten.


Met vriendelijke broeder- en zustergroeten,

D.J. Bolt e.a.   
 

_________________________
 
1 Inleiding

1.1 Synodebesluiten
Naar het oordeel van uw voorganger, de synode van Zuidhorn, zijn de bezwaren die bij haar werden ingediend " niet van dien aard dat overgegaan moet worden tot herziening van de besluiten van Leusden." Want "zij leveren (nog altijd) niet het onomstotelijke bewijs dat de door de Generale Synode Leusden 1999 getoetste opvatting in strijd is met Schrift en belijdenis."
Die opvatting komt erop neer dat er geen gebod van de HERE meer is om te rusten op de zondag; wel is de zondag als rustdag een goede menselijke instelling, die we zoveel mogelijk moeten onderhouden.
De generale synode van Leusden acht ruimte in de kerken aanwezig voor deze leer en besloot:
"dat de opvatting van ds. D. Ophoff dat de zondag als rustdag niet gegrond is op een goddelijk gebod, niet te veroordelen is." 

1.2 Ingediende bezwaren
Tegen deze opvatting dienden wij bezwaren in bij de synode van Zuidhorn. Wij vroegen uit te spreken
"dat de synode van Leusden in Besluit 4 Uitspraak 3 ten onrechte ruimte wettigde voor het uitdragen en prediken van tegenstrijdige opvattingen nl. dat het rusten van het dagelijkse werk een goddelijk gebod cq. een menselijke instelling zou zijn."
En verder "dat het rusten van het dagelijkse werk op de sabbat, dat is de rustdag, is gebaseerd op het vierde gebod"(1). 

1.3 Afwijzing
De GS Zuidhorn heeft met veel andere, ook onze bezwaren afgewezen zo blijkt uit haar besluit Art. 52.2.2. Als antwoord ontvingen wij een algemene brief met daaraan toegevoegd het commissierapport sabbat en zondag. In dat rapport kunnen wij echter onze argumenten maar slechts ten dele terugvinden.
Hoewel wij begrijpen dat een persoonlijke beantwoording veel tijd en energie vraagt heeft deze wijze van omgaan met diepgevoelde moeiten ons wel teleurgesteld. Ook de vaak koud-klinisch en juridische beschouwing van schriftgegevens en kerkelijke besluiten door m.n. de commissie sabbat en zondag leidde bij ons tot een zekere vervreemding. We hebben ons vaak afgevraagd: is dit nu een eerbiedige, gereformeerde manier van omgaan met de Heilige Schrift?

1.4 Tenzij bewezen wordt
Het is ons verder ook niet erg duidelijk wat de synode nu precies voor haar rekening nam uit het commissierapport en dus als antwoord van de synode aan ons adres moet worden aangemerkt.

Want de inhoud van dat antwoord relativeert zij met: "zonder dat de synode daarmee elke bladzij eruit voor haar rekening zou nemen."(2)  Het heeft dus weinig zin om in te gaan op de door de commissie gevoerde argumentatie. Niemand kan immers meer aantonen welke onderdelen de synode als eigen valide argumenten heeft beschouwd en welke niet. De relatie tussen de ingebrachte bezwaren en de reactie van de commissie is zo geheel 'mistig' geworden.

We zien er dan ook van af om allerlei bezwaren tegen het antwoord-commissierapport in te brengen ondanks dat naar onze overtuiging het op veel punten geen steekhoudend antwoord heeft gegeven op onze bezwaren.
Slechts op één kardinaal punt willen we met schriftbewijs naar art. 31 KO nog een beroep op uw vergadering doen.


2 Kern

Ergens in het commissierapport(3)  komt de draagwijdte van Gen. 2:2,3 aan de orde.
De commissie vat de door bezwaarden ingebrachte betekenis van dit schriftgedeelte als volgt samen:
"Omdat het in Gen. 2:1-3 gaat om de Schepper, heeft Gods rusten, heiligen en zegenen van
de zevende dag van meet aan universele betekenis."
Daarop antwoordt de commissie:
"Het zal waar zijn, dat Gods rusten in Gen. 2:3 een universele betekenis heeft. Maar wie dat constateert, heeft daarmee nog niet aangetoond dat die universele betekenis bestaat in een universeel gebod om van het werk te rusten".

Deze paar zinnen raken de kern van de zaak.(4)  Híermee staat en valt uiteindelijk inderdaad het goddelijk karakter van het gebod tot rusten op de rustdag. Elk ander argument uit b.v. de kerkhistorie verbleekt daarbij.
Daarom vragen we onder beroep op artikel 31 van onze K.O. uw aandacht voor een bewijs dat de opvatting die sinds Leusden officieel in onze kerken mag worden geleerd in strijd is met Gods Woord op het punt van de universele betekenis van Gen. 2:2,3. 

3 De universele rustdag

3.1 Oorsprong
2  Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. 3  En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht. 4 Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden.

De kernvraag in heel het geding rond het vierde gebod is of God de zevende dag voor de méns gezegend en geheiligd heeft en niet alleen voor de jood.

De rustdag en daarmee een zevendaags levensritme is door de Here gecreëerd. De schepping zelf kent immers geen impliciete rustdag: geen dier b.v. rust op deze dag, in de kosmos is (tot nu toe) het ritme niet te vinden. Daarom vergt dit een expliciete scheppingshandeling: een daad bij het woord.
God rust, heiligt en zegent.
De dag is geheiligd, d.w.z. een speciaal karakter gegeven, afgezonderd van de andere dagen. En gezegend, dat is verbonden met Gods gunst en gaven.

Betekent dit nu dat deze dag ook rustdag voor de mens is?
In de eerste plaats, de Here geeft zijn zegen aan deze afgezonderde dag. Zegen betekent gunst in geestelijke of materiële zin(5) . Aan wie zou die anders moeten zijn geadresseerd dan aan de mens? God zegent toch nooit zichzelf?(6)  En hoe zou er nog sprake kunnen zijn van zegen als er na die eerste zevende dag eeuwen en eeuwen geen énkele rustdag meer gehouden zou zijn geweest: een zegen verbonden aan een niet-bestaande en niet-gevierde dag?

Daar komt bij dat de Christus zich zeer uitdrukkelijk heeft uitgesproken over de oorsprong van de rustdag. In  Mar. 2:27 zegt Hij: De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat. Gemaakt of gecreëerd zoals het er letterlijk staat!(7)  Een onmiskenbare verwijzing naar de schepping. Dáár en tóen is hij ingesteld.
Gods rustdag is een geschenk aan Adam als hoofd van de mensheid(8) .

Maar Jezus' uitspraak zegt niet 'met zoveel woorden' dat de sabbat direct aan de mens opgedragen is.(9)  Het gaat in Gen. 2:3 immers nog om Gods rustdag en niet om de sabbat(dag)?

Het vierde gebod kan ons hierover echter meer licht verschaffen.

3.2 Zevende dag en sabbatdag
Wanneer Israël in de woestijn de wet van de HERE ontvangt maakt ook het vierde gebod daarvan deel uit:
8 Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; 9 zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; 10 maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. 11 Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die.(Ex 20).(10) 

In Gen. 2 wordt alleen gesproken van de zevende dag, niet van 'sabbatdag'. Maar hier schrijft de HERE zelf: "daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die". Dat deed Hij bij de voltooiing van zijn schepping. Niet zegent  maar zegende.
Toen! Verleden tijd! (11) 
De sabbatdag bestaat dus al sinds de schepping en is kennelijk gekoppeld aan de zevende dag.
 
3.3 De toevoegingen van Mozes
Echter, de motiveringen van het vierde gebod in Ex.20 en Deut. 5 verschillen. Deut. 5 verwijst naar de verlossing uit Egypte en niet naar de schepping. Er zijn mensen die daaruit concluderen dat de motieven voor het vierde gebod latere toevoegingen van Mozes zijn. Dat zou volgens hen ook uit de teksten van het vierde gebod zelf blijken. Want het eerste gedeelte is in de tweede persoon geschreven: Gedenk, gij zult, ?Maar in de motiveringen staat: "Want in zes dagen heeft de HERE"?en niet: Want in zes dagen heb Ik ?
Dus is de kerntekst, in deze redenering, dan: Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt?.noch de vreemdeling die in uw steden woont; de rest is toegevoegde motivering van Mozes.
Als dit juist is kan de motivering van het vierde gebod dus ook zo worden geparafraseerd: "?daarom zegende de Here de sabbat op de Horeb en heiligde die toen op de berg". Dan vervalt op dit punt het eerdere argument dat de Here de rustdag voor de mens in het paradijs zegende en heiligde. 

Maar wij geloven dat de gehele tekst van het vierde gebod van goddelijke oorsprong is.
Immers Ex.20 begint met de indrukwekkende tekst: "Toen sprak God al deze woorden?"
Al deze woorden.
En hij schreef die wet met zijn eigen vinger.
Ook de motivering van het vierde gebod dus.
 
Bovendien leidt het idee van latere toevoegingen aan Gods wet tot ontoelaatbare conclusies als ze consequent wordt toegepast. Vergelijk het derde gebod: Gij zult de naam van de Here niet ijdel gebruiken, want de Here zal niet onschuldig houden die zijn naam ijdel gebruikt. Dus niet: Gij zult Mijn naam niet?en Ik zal niet onschuldig houden... Moeten we per consequentie dan het derde gebod ook voor een toevoeging van Mozes houden? En een deel van het vijfde gebod: ?opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HERE, uw God, u geven zal?

Wij zouden deze teksten gewoon zo willen lezen als bijvoorbeeld een vader tegen zoon zegt: Ik wil niet dat je dat doet want vader vindt het niet goed. (12)  Het zou toch vreemd zijn daaruit te concluderen dat het motief later bij de uitspraak van de vader is toegevoegd? De manier van zeggen benadrukt de vader-relatie: ik vind het niet goed als je vader. Zo ook in het  vierde gebod: Ik zegende en heiligde als jullie Verbondsgod. Juist door die toevoeging krijgt het vierde gebod nog meer reliëf.

Wij zien dus geen ruimte voor het idee van een motivering die later door Mozes zou zijn toegevoegd.(13) 
De sabbatdag bestaat al sinds de schepping en is daar gekoppeld aan de zevende dag.
En dát de sabbatdag bekend was vóór de wetgeving op de Sinaï kan ook niemand ontkennen: in Ex. 16 wordt onbekommerd over deze dag gesproken als een gebod en wet van de Here. Het moet opvallen dat de Here ook zelf in het voorzien van dagelijks brood voor zijn net verloste volk - zes dagen wèl en de zevende dag géén manna - het geschapen ritme in acht laat nemen!  

Hoe komt het dat er van Genesis tot Ex. 16 verder geen enkele referentie voorkomt aan de sabbatdag? Is dat toch niet een 'bewijs' dat de sabbatdag pas in Exodus gestalte krijgt en misschien specifiek voor Israël is bedoeld? 
Nee, ook dat is een onaanvaardbaar argument.
Want de andere geboden komen ook niet nadrukkelijk in dit bijbelgedeelte aan de orde. Zou bijvoorbeeld het gebod van de Here om het huwelijk niet te breken niet hebben gegolden in en vanaf het paradijs en pas van kracht zijn geworden bij de wetgeving op de Sinaï? De vraag stellen is haar beantwoorden(14) . Waarom zou hier voor het vierde gebod een uitzondering moeten worden gemaakt?

Bovendien als het vierde gebod alléén voor Israël zou zijn bedoeld is het logisch dat ook van de andere geboden te vinden. De tien geboden hebben dan geen operationele betekenis meer voor ons. En die consequentie is ook wel getrokken(15) . Maar we lopen dan hopeloos vast bij het onderwijs van de Here Jezus zelf. Hij wilde geen 'punt of komma' van de wet afdoen (Mat 5:17, 18) en gaf voortdurend aan de geboden van zijn Vader serieus te nemen: b.v. Joh 14: 15, 21, 23; 15:10; 1 Joh 5: 2,3.(16)

Maar, zou vervolgens kunnen worden gevraagd: is het rusten in het vierde gebod dan misschien typisch voor het volk Israël? In dat geval kan het rusten op onze wekelijkse sabbatdag vervallen.
Echter, sj-b-t-dag betekent toch rustdag?(17)  En de Here heeft toch de dag geheiligd dat is onderscheiden van de andere dagen? De Here Jezus zegt: de sabbat is geschapen om de mens. Niet maar een zevende dag maar de sj-b-t/rustdag is aan de mensheid gegeven!

Er is meer te zeggen over het vierde gebod in dit verband.

3.4 Het vierde gebod om te gedenken
Het vierde gebod kent in Deuteronomium 5 een tweede verwoording:
12  Onderhoud de sabbatdag, dat gij die heiligt, zoals de Here, uw God, u geboden heeft. 13 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, 14 maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw rund, noch uw ezel, noch uw overige vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij; 15  want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de Here, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm; daarom heeft u de Here, uw God, geboden de sabbatdag te houden.

In deze tekst wordt het gebod om te rusten niet gebaseerd op de schepping maar gekoppeld aan de opdracht te gedenken. Om de grote daden van de Here te gedenken en Hem daarvoor te loven en te danken.
Is deze tekst in tegenspraak met die in Exodus? Nee, integendeel, de teksten vullen elkaar prachtig aan. Want in Exodus schept God als het ware de rust en de ruimte om de toewijding aan Hem van Deuteronomium mogelijk te maken. Zijn dag is gave en tegelijk opgave. Rust en lofprijzing, vrij en blij.(18)  Om de grote daden van de Here te verkondigen.

Houdt het vierde gebod misschien alleen nog gedenken in? Dus wel eredienst, om het nieuwtestamentisch te zeggen, maar geen rust?
Maar juist in de verwoording van het gebod in Deuteronomium zijn deze twee zaken zo mooi gekoppeld. In het vierde gebod is 'gedenken' niet los van de heiliging van de dag des Heren te verkrijgen.
Trouwens, hoe zou men anders ook 'gedenken' gestalte kunnen geven op deze dag? Naar de kerk en naar het werk? Luisteren, loven en tegelijk zwoegen, zweten? 
Wat is het leven goed als het wordt ingericht naar de wijsheid van het gebod van de HERE!

3.5 Voor alle tijden
Uit bovenstaand schriftbewijs concluderen wij dat de rustdag bij de schepping is ingesteld en voor alle mensen geldt. Een rustdag die gedenken én rusten inhoudt zoals in het vierde gebod wordt gemotiveerd met verwijzing naar het rusten van God en het gedenken van zijn verlossing.
De enige vraag die nog moet worden beantwoord, is of de Schrift misschien ergens aangeeft dat de rustdag op een bepaald moment niet meer behoeft te worden geheiligd.

Wij hebben dat gezocht maar niet kunnen vinden.
Nergens geeft de Schrift aan dat het universele sabbatsgebod om te gedenken wel en om te rusten niet meer zou moeten worden geëerbiedigd. Alle keren dat de sabbat ter sprake komt in het Oude en Nieuwe Testament is het rustaspect duidelijk aanwezig. Zelfs tot na de dood van de Here Jezus, Luc. 24:1.
En als de Here Jezus, in het ogen van de Farizeeën het rusten op de sabbat schendt antwoordt Hij nooit dat het rusten is vervallen maar brengt Hij zijn speciale verhouding tot de sabbat in geding: Hij is niet onderworpen aan de sabbatsinstelling want Hij is Eigenaar-Heer van zijn eigen creatie.   
Hebr. 4 is daarmee volkomen in lijn wanneer de schrijver meldt dat er een sabbatsrust voor het volk van God blijft. Compleet met verwijzing naar Gods rusten na de schepping. Er wordt hier op geen enkele wijze aangegeven dat nu de rustdag wel vervallen is en er alleen nog sprake zou zijn van geestelijk en toekomstige rust. 

3.6 De sabbat van de Colossenzen
Maar Col. 2:16 'suggereert' toch wel dat er met Christus een eind aan de onderhouding van de sabbat is gekomen?:
2:16 Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, 17 dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is. 

Sommigen trekken de simpele conclusie: de sabbat is een schaduw van Christus, Christus is gekomen, dus de sabbat is vervallen, dus het vierde gebod is vervallen.

Maar we moeten wel het tekstverband in rekening brengen. Want er is in de gemeente van Colosse sprake van een bepaalde wijsbegeerte, een filosofie (vers 8). Er is sprake van gewilde nederigheid en zelfs engelenverering (vers 18). Men wil kennelijk een hoger geestelijk niveau bereiken door zich ver te houden van bepaald voedsel (vers 20, 21). Sommigen beschouwen zich door geestelijke bespiegelingen als ingewijden (vers 18). Maar Paulus noemt ze opgeblazen  vleselijke denkers die bezig zijn met voorschriften en leringen van mensen (vers 22).
Een eigengereide godsdienst met waardeloze nederigheid, zelfpijniging en zelfbevrediging! (vers 23) 

Gaat het hier over een goddelijke instelling als het vierde gebod? Gaat het Paulus hier om mensen die de geboden van de Here in dankbaarheid willen naleven?
Dat is niet geloofwaardig.
Het gaat hier om een valse leer, mogelijk van een ascetische/filosofische groep, waarin Christus als God en zijn verlossing niet meer centraal staan. Dáár waarschuwt hij tegen:
Laat je niet meeslepen door mensen met hun religie, voortkomend uit de tijdgeest. (vers 8b).

Zó kunnen de verzen 16 en 17 worden begrepen. Kennelijk heeft de groep in haar religie ook elementen van de joodse ceremoniële voorschriften opgenomen als voorschriften voor eten en drinken (19)  en typisch joodse feestdagen.
Scherp ageert Paulus hiertegen door de kern van het evangelie neer te zetten in termen ontleend aan de rechtspraak (vers 13-15):
Wij hadden de doodstraf verdiend
om onze overtredingen en verdorvenheid.
Er was een dagvaarding met bewijs van schuld
op basis van getuigende inzettingen.
Maar de dagvaarding is vernietigd
want deze is aan het kruis gespijkerd
duivel en helse machten zijn overwonnen
wij zijn vrijgesproken door ontwapend bewijs
!

Dàn zegt Paulus: Laat niemand dus over u oordelen - rechtspraak! - op basis van allerlei oudtestamentische (sabbat)schaduwachtigheid. Want uw vrijspraak is echt waar omdat Christus werkelijkheid is!  
  
Alles wat in de joodse onderhouding en viering van de sabbat verwees naar Christus is tot een einde gekomen. Maar uit Paulus' vermaning in deze contekst afschaffing van de universele sabbatdag te willen destilleren is onterecht.  

3.7 Beperking
We zien in deze bewijsgang verder af van overwegingen m.b.t. de overgang van zevende dag naar eerste dag. En ook van de zaak van de definitie van 'dag'. Belangrijk onderwerpen, maar ze leiden in het kader van dit schriftbewijs af van de kern waar het om gaat.
Naar onze overtuiging is het van doorslaggevende betekenis de grondslag van onze rustdag te vinden waar die wordt gegeven. Wordt die verlaten dan blijven we tevergeefs tobbend zoeken naar schriftwoorden en kerkelijke uitspraken "met (precies) zoveel woorden" en van "volstrekt dwingend" kaliber.
Want we zien dan voorbij wat er in de eenvoud van de Schrift wordt gegeven.

3.8 Conclusie
Met het bovenstaande menen wij voldoende vanuit de Schrift te hebben bewezen dat de rustdag bij de schepping aan de mens is gegeven als een universele instelling voor de mens en dus in gedenken én in rusten ook nog voor ons geldt. 

4 Een nieuwe leer

De deputaten sabbat en zondag hebben voor de synode van Amersfoort een rapport over rusten en vieren op de zondag geschreven, getiteld 'Zondag, Heerlijke dag'. Daarin ontwikkelen zij een nieuwe ethiek en kerkelijk onderwijs inzake het vierde gebod. Zij stellen voor dat de kerken dit onderwijs aannemen en als leer van de kerk gebruiken in het kerkelijk onderwijs en als getuigenis voor de wereld.

Wij hebben dit rapport uitgebreid bestudeerd. Het is ons gebleken dat de daarin voorgestelde leer de 'andere mening' vertolkt n.l. dat het rusten op de eerste dag van de week niet gegrond is op het vierde gebod maar op een kerkelijke besluit. En dat de deputaten wensen dat de kerken die leer tot het niveau van de leer van de kinderdoop, samenstelling canon en drie-eenheid verheffen.
Echter mede op grond van het schriftbewijs als gegeven in het vorige hoofdstuk zijn we van mening dat het nieuwe onderwijs in de kern tegen de Schrift ingaat. 
Wij hebben onze bezwaren op het deputatenrapport uitvoerig gedocumenteerd. We zullen het u separaat doen toekomen.
 

5 Verzoeken

We willen u graag de volgende twee verzoeken doen.

Verzoek 1
Wij verzoeken u op grond van het schriftbewijs in hoofdstuk 3 de ruimte die GS Leusden Acta besluit 25.4.3 biedt om te leren dat het rusten op de rustdag niet door de Here wordt geboden, weg te nemen.

Verzoek 2
Wij vragen u bij de beoordeling van het deputatenrapport Zondag, Heerlijke dag, en de daarin voorgestelde besluiten ons commentaar mee te overwegen zoals we dat u op korte termijn zullen toezenden.

______________________________________

1 Brief van 23 februari 2002.
2 Rapport sabbat en zondag, p3.
3 Onderdeel 1.2.1.2.
4 We gaan voorbij aan de wel heel erg summiere samenvatting van de bezwaren en  bepaald te simpele beantwoording van de commissie.
5 Bijbelse kernwoorden, 1980, pag 152.  Gods zegen kan zowel geestelijke als materiële welvaart betekenen.
6 Wel wordt God soms gezegend door mensen, b.v. in Ef 1:3. Daar komen beide betekenissen tegelijk voor. Prof.J. van Bruggen in CNT Efeze: "In het eerste geval wordt met zegenen 'prijzen' bedoeld en in het tweede geval is zegenen 'doen delen in weldaden'."
7 Prof.J. van Bruggen zegt in CNT Markus hiervan: " Dit vers wordt wel eens opgevat als een algemene uitspraak (zo in de Groot Nieuws Vertaling: "De sabbat is er voor de mensen en niet omgekeerd"). Dit is echter niet mogelijk. Jezus spreekt niet over de aard van de sabbat, maar over de instelling ervan. Hij herinnert aan de tijd dat de sabbat werd gemaakt (egeneto). De sabbat kwam er 'om de mens': er staat nadrukkelijk een enkelvoud. Gedacht is aan de mens die God schiep op de zesde dag. Nadat de HERE de mens, man en vrouw, had gevormd, rustte Hij op de zevende dag. De HERE heeft de mens niet geschapen als stoffering voor de rustdag, maar omgekeerd. Op welke wijze dit ook na de zondeval gerealiseerd kon worden, is nader aangegeven in de wetten van Mozes. Men kan vers 27 niet lezen als een soort breekijzer in die wetten, alsof dit vers een gebruiksbeperkende regel was bij de wetten van de HERE. Die wetten bleven in ere in vers 26 ("niet geoorloofd"). En in vers 28 volgt geen algemene conclusie voor het relativeren van de wetten over de sabbat. Er komt een speciale conclusie met betrekking tot Jezus. Deze speciale conclusie komt in de lucht te hangen, wanneer vers 27 een algemene stelregel zou zijn (is dan ieder  mens ook 'heer over de sabbat'?). Zij sluit alleen aan bij vers 27, wanneer wij dit vers blijven lezen als een herinnering aan de schepping. Uiteindelijk was de sabbat een geschenk voor Adam. En nu komt Jezus als 'de zoon van de mens', als de tweede Adam. Als zodanig heeft Hij ook weer het vrije gebruiksrecht over die sabbat, vrij als Adam en niet gebracht onder de wet die vanwege de zonde er bij moest komen voor Adams nakomelingen.
8. R. van Kooten, Heiligt mijn Naam en Mijn dag, p148: "Christus heeft het over de instelling  van de sabbat. Wanneer en waarom heeft God de sabbat gemaakt? Dit gebeurde na de zesde dag, na de schepping van Adam en Eva. Aan die mens gaf God de sabbat. God liet de mens delen in Zijn sabbat. Zo bedoelt God met de gaven van de sabbat de mens te laten delen in Zijn zegen. (?)
Christus (ziet) de sabbat als gave van God aan de mens.  Adam is dé mens, maar Adam is ook de vader van de mensheid. Gods dag is gave aan héél de mensheid, aan Jood en Griek."
9 Dit is in lijn met wat de deputaten eerder publiceerden in allerlei kerkbladen.
10 Vergelijk ook Ex. 31:10-17.
 Weliswaar bestaat de verleden tijd niet in het Hebreeuws, echter uit de context is duidelijk dat gerefereerd wordt aan een gebeurtenis in het verleden. Vertalingen van de bijbel in (voor ons) vreemde talen laten dan ook steeds de verleden tijd zien.
12 In deze manier van uitdrukking zit ook iets van nadruk op de verhouding tussen de partijen. Met ?vader' wordt gerefereerd aan de gezagsverhouding. Dat past heel goed in de Tien Geboden. Het spreekt ook sterk in het tweede gebod waar het expliciet is uitgedrukt in: "Ik, de Here, uw God".
13 De (extra) motivering van Deut. 5 kan gezien worden als door de Here gegeven uitleg van het vierde gebod (ds Joh. Francke, Van sabbat naar zondag, pag. 89). 
14 T.a.v. dit gebod weten we zelfs dat de Here Jezus expliciet naar de schepping verwijst, Mat 19.
15 Di G. Visee, J.O. Mulder e.a. in de kerkstrijd van de zestiger jaren van de vorige eeuw.
16 Zelfs als Gods wet geen universele betekenis zou hebben en alleen voor Israël zou gelden dan nog 'ontkomen we er niet aan'. Want het nieuw-testamentische volk van God is toch het nieuwe geestelijke Israël? Zijn verbond met Abraham geldt toch ook ons, gelovigen uit de heidenen (Rom 9)? Of wil men het vierde gebod op één lijn zetten met de nationale geboden voor Israël? Daar is echter in het geheel geen argument voor te ontlenen aan de Schrift.
17 Vergelijk Ex 16:23.
18 R. van Kooten, Heiligt mijn Naam en Mijn dag, p86,87: Over sj-b-t in Gen 2:2: "Het werkwoord sj-b-t betekent  'ophouden' (zie ook Gen 8:22; Joz 5:12). Het "ophouden" is hier meer dan alleen maar ophouden met iets. De structuur en de herhalingen geven iets feestelijks aan, wat wij straks ook zien bij de extra offers die op de sabbat in het heiligdom gebracht worden."
19 Zie b.v. Num 6:3.