Ethiek

Rond de Schrift

Signalen

geen berichten



 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Cruciale kritiek 3

 

Dr. J.M. Burger

 

De redactie van Een in waarheid heeft mij de ruimte geboden om te reageren op hun vragen bij mijn bijdrage in Cruciaal, click hier. Ik ben daar blij mee. Tegelijk heeft broeder Bolt mij opnieuw een aantal vragen gesteld. Daar wil ik graag nog een laatste keer op ingaan, om daarmee de discussie op deze website af te sluiten. Ik loop de belangrijkste dingen langs.

 

1. Waarom zeg ik dat Jezus’ dood in strikte zin geen offer was?

 

Waarom dat zo is, zeg ik kort op p. 54.

Wanneer we vanuit het Oude Testament nadenken over een offer, wat is dan een offer?

Bij de meeste offers kwam iemand met een dier naar de tabernakel of de tempel. De offeraar legde zijn handen op de kop van het dier en droeg zo als het ware zijn identiteit over aan het dier. Dat gebeurde bij een brandoffer, een vredeoffer, een schuldoffer, een zondoffer – de gave van het offer als dank, toewijding, verzoening van zonde was een gave namens de offeraar. Daarna was de priester aan zet, een officiële ambtsdrager uit de familie van Aäron. Hij slachtte het dier en verbrandde het helemaal of gedeeltelijk, en wat overbleef aan vlees werd opgegeten, door de priester of door de offeraar bij een offermaaltijd. Strikt verboden was het om een mens te offeren: het offeren van zonen en dochters is de HEER een gruwel (Deut. 12,31).

In strikte zin, dus volgens de letter van de wet, was Jezus’ dood geen offer. Niemand heeft Jezus de handen opgelegd. Hij heeft zich wel met ons geïdentificeerd, wij identificeren ons met hem. Maar dat gaat anders: doordat God zich in zijn Zoon één maakt met ons, via zijn incarnatie, via de doop, via zijn veroordeling door het Sanhedrin als godslasteraar en door Pilatus als opstandeling (zie p. 62). Bovendien was misschien wel niemand zich dit bewust toen Jezus stierf: hij sterft in mijn plaats. Pas achteraf, in geloof, belijden wij dat. Jezus werd gedood, maar niet op een gewijde plaats in een tempel. Hij werd opgehangen als een gevloekte, want wie aan een paal hangt is vervloekt (Gal. 3,13). Een altaar was nergens te bekennen. Hij werd overgegeven aan de heidenen en door ongewijde soldaten gedood, niet door een gewijde priester. Een offermaaltijd was er niet, of het moest die maaltijd zijn die vooraf al gehouden werd, bij het Pesachmaal de avond tevoren. En sowieso een mens offeren, het is de HEER een gruwel.

 

Natuurlijk is hiermee niet alles gezegd. Alles wat in het artikel volgt, laat zien wat het dan betekent dat Jezus’ dood wel een offer was en ook zo moet worden genoemd. De letter doodt, de Geest maakt levend. Naar de letter van de Thora is Jezus’ dood geen offer, naar de Geest is Hij met zijn dood er de vervulling van. Dat begrijpen is lastig voor ons, maar dat iets lastig is, is geen reden om de Bijbel aan de kant te zetten. Waarom het benoemen van problemen opgevat wordt als het weglopen voor de problemen, snap ik niet. Ik zie problemen, maar probeer ze ook aan te pakken. En daarom schrijf ik een artikel om te laten zien: wat betekent het, dat Jezus’ dood  door Jezus’ leerlingen wel als offer wordt gezien.

 

Om dat te doen, gebruiken ze alle offers. En je hebt Hemelvaart en Pasen erbij nodig. Jezus is het lam zegt Johannes de Doper al. Jezus zelf claimt de nieuwe tempel te zijn. Voor zijn dood geeft hij brood en wijn en trekt daarmee alle lijnen van uittocht en Pesachfeest naar zichzelf toe. Daarom wordt hij het Paaslam genoemd; hij is zoenmiddel (Rom. 3,25); de hele grote verzoendag uit Leviticus 16 wordt op Jezus betrokken in de Hebreeënbrief. Hij is de ware hogepriester die niet sterft maar eeuwig leeft (Pasen), die door de Geest zich aan de Vader geofferd heeft (Goede Vrijdag als climax) die met zijn bloed het echte heiligdom in de hemel is binnengegaan (Hemelvaart). Alles uit de Thora wordt uit de kast getrokken om te laten zien: de Messias Jezus is de vervulling van al die offerwetten. Hij is de nieuwe tempel, Hij is het ware offer.

 

Waarom dan moeilijk doen? Waarom is het belangrijk te zien dat Jezus’ dood in strikte zin, volgens de letter van de wet, geen offer was? Omdat je dan ook eerlijk kunt zien wat er gebeurt als een Jood zoals Paulus tot bekering komt, en Jezus niet meer naar het vlees kent, maar naar de Geest (2 Kor 5,16). De leerlingen hadden niet meteen door wat de impact van Jezus’ dood is. Zij moesten Jezus’ dood als offer te leren zien. Als wij begrijpen welk proces Jezus’ leerlingen doorgemaakt hebben, kunnen wij ook zelf meer met die offerwetten. Als wij gaan zien hoe ze wel en niet van toepassing zijn op Jezus, op welke manier Hij er de vervulling van is, dan gaan ze des te meer spreken over Hem. Het lezen en christelijk begrijpen van de offerwetten is er dus bij gebaat om te zien langs welke weg je van deze offers bij Jezus uitkomt. Ik ben bang dat de offerwetten ons anders niets meer zeggen. Het gaat mij erom, te laten zien wat die offerwetten ons te zeggen hebben, ook als ze op het eerste gezicht ver van ons af staan.

 

Dat Jezus’ dood in strikte zin geen offer was, is een Bijbels-theologische waarneming, die niets te maken heeft met het volgende, een theologie-historische waarneming.

 

2. Waarom zeg ik dat een dogmatische verwoording als ‘Jezus brengt een offer door plaatsvervangend onze straf te dragen als betaling van onze zonden. Zo geeft hij de geëiste genoegdoening aan God en verwerft Hij ons heil’ op deze manier niet in het Nieuwe Testament terug te vinden is?

 

Het is nu eenmaal zo dat er dingen zijn waar na de afsluiting van de canon over doorgedacht is. Daardoor zijn er formuleringen gegroeid die je zo niet in de Bijbel terugvindt. Nergens in de Bijbel staat letterlijk dat God ‘drie-enig’ is. Nergens in de Bijbel staat letterlijk dat Jezus een goddelijke en een menselijke natuur heeft. Begrippen als ‘drie-eenheid’ en ‘natuur’ worden door theologen bedacht om iets in de Bijbel op formule te brengen, maar ze staan niet zelf in de Bijbel. Zo staat ook het woord ‘genoegdoening’ niet in de Bijbel. Als ik me niet vergis, wordt het woord genoegdoening (satisfactio) sinds de kerkvader Tertullianus gebruikt, en komt dat woord uit de context van het boete-sacrament. Dat wil niet zeggen dat met dit begrip niet dingen uit de Bijbel op formule gebracht kunnen worden. Maar letterlijk komt dit woord niet in de Bijbel voor.

 

Een ander punt is dat het beeld van ‘betalen’ in het Nieuwe Testament net als in Zondag 1 van de HC een persoonlijk beeld is: er worden mensen vrijgekocht. We zitten hier primair in de sfeer van de slavenmarkt: je wordt vrijgekocht uit de slavernij van de zonde. Het gaat daarbij over onszelf. Ik ben zelf gekocht. Nu heb ik een nieuwe Heer en eigenaar. Ik ben niet meer van mezelf.  Maar nergens staat letterlijk in de Bijbel dat Jezus de ‘schuld van onze zonde’ betaald heeft. De gedachten dat Jezus niet alleen onszelf, maar daarin ook ons ‘heil’ gekocht (verworven) heeft, of dat hij ‘weldaden’ van heil verworven heeft, stamt uit de tijd van de Reformatie. Melanchton en Calvijn zijn deze manier van zeggen gaan gebruiken.

 

Een derde punt is dat de verbinding tussen een offer en het plaatsvervangend dragen van straf niet direct gelegd wordt in de Bijbel. Er zijn wel teksten die daar aanleiding toe geven (Jes. 53; Rom. 3,25-26). De Bijbel zegt ook heel helder dat Jezus onze straf gedragen heeft (Jes. 53,5); dat hij voor ons een vloek geworden is (Gal. 3,13). Maar de verbinding leggen tussen een ‘offer’ en het ‘dragen van straf’ is iets wat de lezer, de theoloog doet. Er is alle reden om dat te doen, maar er is meer te zeggen over het offer, en de Bijbel zegt er ook meer over.

 

Waarom benadruk ik dit? Omdat ik wil dat we echt de Bijbel lezen en niet omdat we vanuit de traditie al denken te weten wat er staat, voorbij gaan aan wat er echt staat. Als het spreken van de Bijbel rijker is dan wij denken, laten we daar dan toch naar luisteren!

Waarom dit in zou gaan tegen de vele teksten die Bolt noemt, snap ik niet. Natuurlijk zijn wij gekocht met Jezus bloed en is Jezus gestorven als een verzoening van onze zonden. Lees mijn artikel.

 

En natuurlijk moeten we meer doen dan goed de Bijbel lezen en woorden onderscheiden. Lees de inleiding (p. 12-15): je kunt niet blijven staan bij het onderscheiden van taalvelden. Al die taalvelden samen zeggen iets over de betekenis van Jezus’ dood. En die taalvelden worden gecombineerd in het Bijbelse spreken, ze hebben elkaar nodig. Artikel 21 uit de NGB laat dat op een prachtige manier zien.

 

3. De kern van de zonde is geen moreel probleem, maar ligt in onze relatie met God.

 

Onder invloed van de Verlichting zijn wij gaan denken dat zonde primair een probleem is van de ethiek. Zomaar wordt dan de tweede tafel van de wet leidend om te begrijpen wat zonde is; en dingen als vloeken, niet naar de kerk gaan. Maar als je echt wilt begrijpen wat zonde is, zul je toch moeten beginnen bij het eerste gebod: geen andere goden. Daar zit de kern van wat zonde is. Wie zonder God leeft, heeft maar niet een moreel probleem, die leeft zonder de levensbron, ver van God en zijn heerlijkheid (Rom. 3,23). We zijn in de macht van de zonde geraakt (Joh. 8,34) en moeten daaruit vrijgekocht worden. Dat probleem is veel groter dan een moreel probleem. Ons hart is een bron van kwaad geworden, leren we van Jezus. Het kwaad is niet buiten ons, het zit ons in het bloed, juist omdat onze relatie met God verbroken is. De enige oplossing om ons hiervan te verlossen, is radicaal: de doodstraf voor de zondaar en de opstanding van de gerechtvaardigde nieuwe mens: niet alleen dat Christus voor ons sterft, maar ook dat wij met Christus sterven en opstaan.

 

4. Het offer van Jezus is zijn levenslange toewijding aan God

 

Waar het mij om gaat, is om in termen van het taalveld van de offers in de tempel hetzelfde te zeggen als wat ook in termen van gehoorzaamheid gezegd kan worden: het offer van Jezus is zijn actieve en passieve gehoorzaamheid: zijn actieve gehoorzaamheid in heel zijn leven aan als Gods geboden, en zijn gehoorzaamheid in zijn lijden. Die volkomen toewijding, dat is dat Jezus zijn missie volbrengt en door zijn toegewijde leven en dood ons mensen te maken die aan God gewijd zijn (p. 59). Zo doet Jezus wat in de boekrollen geschreven is, en voert Hij Gods wil helemaal uit – oftewel, Hij vervult de Schrift door zijn missie volledig uit te voeren. Wat was zijn missie? Het hart van mensen zoeken en dat veranderen, een missie die voortkomt uit liefde voor mensen (p. 62). Wat is daarvoor nodig? Kijk op diezelfde pagina 62: dat Jezus zich een maakt met ons onheilige leven om ons daarvan te bevrijden, om ons gebrek aan toewijding mee te nemen in zijn dood, om onze onheiligheid weg te nemen, onze doodstraf te dragen. Zijn dood is de vernietiging van onze zonde en onze dood. Tegenover onze onheiligheid plaatst hij zijn volledige toewijding en heiligheid, de volledige toewijding waarmee hij zijn missie volbracht. En elders: Jezus ondergaat de veroordeling van de zonde en draagt de schuld ervan (p. 59). Want natuurlijk, God straft het kwade en ruimt de misdadigers op (p. 64). Maar wel zo, dat Hij in zijn Zoon mensen door de doodstraf heen trekt naar eeuwig leven. En zo, dat ons leven een aan God toegewijd leven kan worden, evenzeer een offer aan God.

 

5. Was het offer van Jezus nodig?

 

Nee en ja.

 

Nee: onze zonde is niet nodig. We maken God toch niet tot auteur van de zonde? En wat al helemaal niet nodig is, is de manier waarop God erop reageert. God zou groot gelijk hebben gehad, als hij na het gouden kalf met Mozes alleen verder gegaan was om opnieuw te beginnen. Jezus zou groot gelijk hebben gehad als hij zijn volksgenoten spuugzat geweest was en elders met een groepje leerlingen opnieuw was begonnen. Niemand kon van Jezus eisen dat hij zou bidden ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen’.

 

Het bijzondere is dat God zo níet heeft gereageerd. Niet voor niets staat er in Jesaja 53: ‘Wie gelooft wat wij gehoord hebben?’ Hoe God op mensen reageert is wonderlijk, verbazingwekkend, liefdevol. Voor we dingen gaan zeggen over ‘Jezus moest sterven om de Schrift te vervullen’, moeten we eerst andere dingen zeggen: wat noodzakelijk is, is dat onze wereld in de soep loopt. Zo, met deze in zonde gevallen mensen, kan het niks worden. Dat God met Adam, Abraham, Israël, bij Mozes, na Saul met David, na de ballingschap, bij Jezus, steeds weer verder gaat, is volstrekt niet noodzakelijk. Het is alleen dankzij een God die veel meer doet dan we van hem kunnen vragen en verwachten. Een ongekende wonderlijk liefdevolle God.

 

Ja: als je de Bijbel met de kennis van Christus leest, zie je inderdaad: God had een wonderlijk plan. God koos deze wonderlijke weg: steeds weer keert Hij het kwaad van mensen ten goede. God geeft zijn Zoon niet zomaar. In het verworpen worden, in het uit de weg ruimen van die lastige Jezus, in het oneerlijke proces, in de onterechte veroordeling, in de kruisiging door heidenen, daarin geeft God zijn Zoon en daarin geeft de Zoon zichzelf. Deze weg is de door God gekozen manier om te doen wat Hij (verbazingwekkend genoeg kennelijk) wil: zijn schepping en de mensheid niet opgeven, eerlijk en rechtvaardig zijn, trouw zijn aan de slachtoffers van onrecht, het kwade straffen, misdadigers opruimen (de oude mens sterft), vrede en recht brengen, zonder dat er een lege aarde overblijft (p. 64). Zo is er verzoening van zonde, zo komen hemel en aarde weer bij elkaar, zo kan God trouw zijn aan zichzelf, zijn liefde en zijn gerechtigheid. Maar dat mag je pas zeggen, wanneer je gezien hebt hoe God reageert op mensen die hem het bloed onder de nagels vandaan halen. Want pas dan kun je echt zeggen: zo wordt God geëerd – onze prachtige, machtige God.

 

6. Weten we nu hoe het offer werkt?

 

Nee, volgens mij niet. We zijn het helemaal eens dat er door Jezus offer en bloed verzoening is: Christus heeft door zijn offer en bloedstorting aan het kruis onze zonden verzoend en zó ons van Gods toorn over onze zonden verlost. Maar dan blijft het toch nog een geheim?