Ethiek

Rond de Schrift

Signalen

DE EERSTE VROUW MAG PREKEN IN DE GKV!
GERRY BOS (60) UIT DRONTEN-ZUID heeft van classis Hattem preekconsent gekregen. Slecht ÉÉN kerk hield zich afzijdig. (ND 09-06-18)

Informatiebijeenkomst Den Bos
MAN/VROUW EN AMBT, NADER BEZIEN

Dr. P. Boonstra, predikant van de GKv Bussum-Huizen
Woensdag 20 juni 2018, 20.00 uur.
De Wederkomstkerk
Rijnstraat 20, 's-Hertogenbosch


 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Westminster Confessie 2

 

D.J. Bolt

20-05-17

 

Een groot deel van de gereformeerde/presbyteriaanse wereld heeft als belijdenis de Westminster Confession. Het is bepaald belangwekkend om daar meer van te weten. Immers, als wij zusterkerkrelaties willen aangaan met deze kerken dan is bekendheid met hun belijdenis een must.

 

Vandaag het tweede deel in deze serie van artikelen die oorspronkelijk door prof. J. Kamphuis is geschreven.
 


 

lets over de Westminster Confessie (II)

 

J. Kamphuis

 

1. Samenvatting

 

We hebben de vorige keer gezien, dat er zich al in de zestiende en in het begin. van de zeven­tiende eeuw binnen de kerken van gereformeerde belijdenis in ons werelddeel bij alle eenheid in geloof en belijdenis van geloof toch ook een grote verscheidenheid in belijdenisgeschriften is op te merken. Het gereformeerde protestantisme onderscheidt zich op dit punt duidelijk zowel van het Rooms-katholicisme als ook van het Lutheranisme.

 

Toch is die verscheidenheld geen belemme­ring gebleken om elkaar als gereformeerde kerken in blijdschap te herkennen. Het duidelijkste en meest indrukwekkende bewijs daarvan is wel geleverd op de synode van Dordrecht 1618-1619. Daar werden met beslissende hulp van buitenlandse zusterker­ken de dwalingen van de remonstranten verworpen. Die buitenlandse zusterkerken wa­ren één in geloof met de Nederlandse kerken. Zij stonden ook voor dat geloof, voor de be­lijdenis van Gods vrije genade en eeuwige uit­verkiezing. Eén in geloof, ook al hadden de afgevaardigden van de buitenlandse kerken allerlei (ook weer onderling variërende) belij­denisgeschriften .

We eindigden de vorige keer met de vraag, of dat dan nooit tot spanningen heeft geleid op die generale synode met zo veel buitenlandse afgevaardigden? We beloofden op die vraag afzonderlijk terug te komen, want er bleek in Dordrecht op het nu door ons besproken punt wèl conflictstof te liggen!

Maar dan is het juist met het oog op het ont­staan van de Westminster confessie in 1647 heel goed om op die spanningen ter Dordtse Synode nader in te gaan.

 

2. De drie formulieren van eenheid krijgen oecumenische bekrachtiging!

 

Toen met hulp van de buitenlandse afgevaar­digden de 5 artikelen tegen de remonstranten waren opgesteld, kwam het plan op nog tij­dens de aanwezigheid van deze mannenbroe­ders de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus aan een onder­zoek te onderwerpen. Een onderzoek dat zich zou concentreren op de inhoud van de leer en niet op de manier, waarop die leer on­der woorden was gebracht. En dat onderzoek moest dan gaan, zo lezen we in de Handelingen van de 144e zitting, over de vraag of er iets in deze geschriften kon worden aangewe­zen "het welcke met de waerheydt van Godes geopenbaerde Woort, oft met de Confessien van anderen Gereformeerde Kercken niet al te wel en soude schijnen te accorderen".

Er is ter synode wel beduchtheid over dit plan geweest! Zou het nu aan het einde van de ver­gadering tóch nog niet de verkeerde kant uit­gaan. Het waren altijd de remonstranten ge­weest die van een echte binding aan de belij­denisgeschriften niet wilden weten en die daarom ook altijd riepen dat iedere synode weer opnieuw de hele confessie in revisie moest nemen. Daartegen hadden de gerefor­meerden zich altijd verzet. De belijdenis moet getoetst aan Gods Woord. Maar de leden van een kerkelijke vergadering zijn aan de door de kerk aanvaarde belijdenis gebonden, omdat de kerken dáárin hun geloof in Gods Woord hadden samengevat. Wie op een concreet punt een bezwaar zou indienen, zou natuurlijk er op mogen rekenen dat zijn bezwaar alléén met de maatstaf van Gods Woord zou worden beoordeeld. Maar de be­lijdenis (zolang die in algehele revisie was) onverbindbaar achten, - daar hebben de gere­formeerden altijd "neen" tegen gezegd. Vandaar die beduchtheid tegen dit plan dat nota bene ook van de kant van de overheden, de staten generaal op de synodetafel werd ge­legd!

 

Maar de beduchtheid week, toen duidelijk werd wat de bedoeling was.

De remonstranten hadden voortdurend ge­suggereerd dat er ook wel van alles te kritise­ren was op de Nederl. Geloofsbelijdenis en de Heid. Catechismus en dat de Nederlandse kerken met hun belijdenis eigenlijk maar een geïsoleerde positie innamen.

Nu was het dan een prachtige gelegenheid om in alle rust en openheid tegen de buitenlandse afgevaardigden te zeggen: hoe oordeelt u over onze belijdenis? In de vraagpunten die speelden in het geding met de remonstranten wàs al een prachtige, fundamentele éénheid openbaar geworden. Hoe goed zou het niet zijn als de broeders uit het buitenland duide­lijk zouden laten zien dat zij van harte kon­den instemmen met de belijdenis, zoals die hier in de Nederlanden door de kerken en de gelovigen vast was gehouden, ook in tijden

van bloedige vervolging!

Nu, de buitenlandse afgevaardigden hebben aan het verzoek van de Nederlandse broeders voldaan en ze hebben zich daar niet met een "Jantje van Leiden" van afgemaakt! Maar op de 146e zitting konden ze meedelen dat de belij­denis van de Nederlandse kerken in alles overeenkwam "met de waerheyt in de heilighe Schriftuere uytghedruct" als ook "met de Confessien van andere Gereformeerde Kerc­ken wel accordeerde".

En dan volgt de vermaning van de broeders uit het buitenland:

 

"in dese rechtsinnige Godsalighe en eenvoudige Confessie des geloofs stantvastelijc te willen volherden, deselve den na-comelinghen onvervalscht te willen naertalen, ende lot de comste toe onses Hee­ren Jesu Christi, onvervalst te willen bewaren".

.

Dat is een rijk monument geweest in de geschie­denis van de Nederlandse kerken!1 We mogen rustig zeggen, dat de drie formulieren van eenheid van de Gereformeerde Kerken in Ne­derland oecumenisch zijn bekrachtigd. Voor ­zover de kerken in Europa zich bewogen op de weg van het gereformeerd protestantisme hebben zij van harte "ja" op "onze", op de Nederlandse belijdenis gezegd!

 

3. Maar er was wèl een wanklank!

 

Ik kan me goed voorstellen dat m'n lezeres­sen zeggen: en wat heeft dat nu allemaal te maken met de Westminster Confessie van 1647?

Het is waar: ik stel het geduld ook wel lang op de proef! Maar mag ik toch nog iets meer een beroep op de welwillendheid doen? Dan wordt het straks des te duidelijker van hoe­veel betekenis het voor ons – ja óók voor ons in Nederland! - is geweest dat het in de En­gels sprekende wereld is gekomen tot een be­lijdenis als nu in de Westminster Confessie, voor ons ligt.

Het verhaal van de Dordtse synode lijkt tot nu toe zo harmonieus.

Maar er zat wel een' addertje onder het mooie gras!

Toen de zaak van de buitenlandse bekrachti­ging van de Nederl. Geloofsbelijdenis aan de orde kwam heeft de voorzitter van de syno­de ds. Johannes Bogerman, één uitzondering gemaakt. Niet alleen zou er niet gesproken [worden] over de manier van formuleren maar eveneens niet over de regering en de orde van de kerk. Dàt zou wel gebeuren ná het vertrek van de buitenlandse broeders. En dat gold niet alleen de Kerkorde. Want Bogerman noemt nadrukkelijk de artikelen 31 en 32 van de Geloofsbelijdenis die niet behoeven "geexamineert" te worden.2 Slaan we nu die ar­tikelen op dan zien we dat ze handelen over de ambten in de kerk en over de orde en de tucht in de kerk.

En we treffen dan in art. 31 die prachtige be­lijdenis aan, die de doodsteek is voor de hiër­archie (zoals de kerken daaronder hadden ge­zucht toen ze in het roomse diensthuis waren):

 

"Wat de dienaren des Woords betreft, zij hebben, waar zij ook staan, gelijke macht en gelijk gezag, omdat zij allen dienaren van Je­zus Christus zijn, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd van de kerk".

 

Maar het was juist op dit voor de kerk zo levensbelangrijke punt dat er een ingrijpend verschil was tussen de Nederlandse kerken èn de Engelse Staatskerk, de Anglicaanse kerk. Die was toentertijd, voor het overige in de leer wel degelijk gereformeerd. Maar dat kon niet gezegd worden op het punt van de kerkregering. Die Staatskerk had wèl de band met Ro­me verbroken. Maar verder was de hiëarchi­sche ordening gebleven. Een aartsbisschop en vele bisschoppen en daaronder de presbyters en de diakenen. En de Engelse koning, die zich uiteindelijk tegen het remonstrantisme keerde, was een fel voorstander van de bis­schoppelijke kerkregering in de meest strikte zin van het woord (de bisschop als opvolger van de apostelen). Wie in Engeland zich daartegen keerden. werden zelfs streng vervolgd! De eerste afgevaardigde van Engeland op de Dordtse synode wàs nota bene ook een bisschop!

En ook al werd hij formeel door de Dordtse synode niet in zijn rang erkend, feitelijk ge­beurde dat maar al te vaak. Hij werd toch wel beschouwd en behandeld als de voorzitter van de buitenlandse afgevaardigden. Hij ont­ving alle égards (tot in het financiële toe) van de voornaamste. Het was dan ook maar een enkele, die zich tegenover hem durfde keren. Hier mag met eer de naam van prof. Goma­rus worden genoemd, die op een bepaald ogenblik in de discussie nuchter opmerkte: hier, in deze vergadering, telt geen rang, hier wegen alleen argumenten.


 

Het was een prachtig ogenblik, toen de bui­tenlandse kerken zich van heler harte ac­coord verklaarden met de belijdenis van de Nederlandse kerken.

Maar tegelijk moeten we zeggen: het was een zwak ogenblik, toen een wezenlijk punt van verschil onder tafel werd gewerkt!

Hoe zwak dat ogenblik was; bleek dan ook al direct bij de behandeling van de Geloofsbelijdenis. De Engelsen waren het eerst aan de beurt. De bisschop nam het woord en hij te­kende protest aan tegen wat we hierboven uit art. 31 hebben geciteerd, dat er gelijkheid is onder de dienaren van het Woord, die allen dienaren van de Christus [zijn, die] de enige Bisschop van de kerk is. Dat was niet naar Christus' instelling, zo was zijn mening. Dat was ook niet in overeenstemming met de oudheid(dat wil dus zeggen: met de vroeg-christelijke kerk). En hij daagde de geleerden ter synode uit om het tegendeel te bewijzen. Was trou­wens de ellende in de Nederlanden niet ver­oorzaakt omdat men hier géén bisschoppelijke regering kende, zodat het werd: zoveel hoofden, zoveel zinnen.

Niemand heeft op de synode de uitdaging van de bisschop aangenomen. Men heeft zich aan de "afspraak" gehouden. Maar zodoen­de kon de bisschop het triomfantelijke gevoel hebben, dat de broeders ter synode in hun hart toch wel overtuigd waren van de voortreffelijkheid van het bisschoppelijke (epi­scopale) stelsel van kerkregering.

Daarmee hebben dan de Nederlandse kerken een mogelijkheid voorbij laten gaan om hen die vanuit de Schrift in Engeland oppositie voerden tegen de kerkelijke hiërarchie een hart onder de riem te steken.

Het is ook op een gereformeerde synode niet alles goud wat er blinkt!

 

4. Tussentijdse balans

 

Het ogenblik van diepe zwakte, dat we moe­ten opmerken in het werk van die synode, waarvoor we in zoveel opzichten tot vandaag toe dankbaar zijn, houdt voor ons ook een lering in.

Het is deze: de variatie in beliidenisgeschriften behoeft geen afbreuk te doen aan de één­heid in geloof, die variatie betekent dikwijls zelfs een rijkdom, waar we heel erg dankbaar voor mogen zijn. Zo kunnen we ook van el­kaar leren. We kunnen ook leren elkaar te verdragen wanneer de één eens iets anders heeft geformuleerd dan de ander. Dat is ook openhartig op de synode gezegd, toen even het punt aan de orde kwam wat er moest worden verstaan onder het "nedergedaald in de hel" uit de Apostolische Geloofsbelijde­nis. Toen bleek er verschil op het punt van de oorspronkelijke betekenis van die woorden. Maar van de Nederlandse kant werd toen gezegd: laten die broeders dan hun mening houden en wij de onze. En van de kant van die broeders (het waren weer de afgevaardigden uit Engeland) werd verklaard dat de uitleg die de Heid. Catechismus in zondag 16 aan deze woorden geeft, op zichzelf genomen zeker geheel in overeenstemming met de Schrift geacht kon worden.

Maar het gaat fout, wanneer een onderdeel van de belijdenis wordt dóódgezwegen uit angst voor moeiten.

Er moet ook nadrukkelijk worden gezegd, dat het hier maar niet een afgeleid en een on­dergeschikt punt van de orde in de kerk be­treft. Daarvan hebbende de Gereformeerde Kerken in de Kerkorde nadrukkelijk gezegd, dat dáárom buitenlandse kerken niet mogen worden afgeschreven. Maar we hebben hier te maken met de confessionele kern van de kerkregering. De artikelen 30 tot 32 zijn om zo te zeggen de belijdenis-basis, waarop de kerkorde is opgetrokken.

 

Wordt vervolgd