Ethiek

Rond de Schrift

Nieuwe artikelen
Signalen



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

De rechtvaardiging voor vrouwelijke predikanten in onze zusterkerken

 

Dr. C. Van Dam*

07-10-17

 

De synode Meppel van onze Nederlandse zusterkerken heeft ingestemd met de bevestiging van vrouwen in alle kerkelijke ambten. Al eerder hebben wij de argumenten voor het bevestigen van vrouwelijke ouderlingen overwogen en ze niet overtuigend bevonden. Deze synode heeft ook verklaard dat er Bijbelse gronden waren voor de bevestiging van vrouwen in het ambt van predikant. Vijf argumenten werden gegeven. We willen graag elk argument kort overwegen.

 

Profetessen

 

De eerste grond van de synode was:

 

“Reeds in het Oude Testament is sprake van profetessen (Ex. 15:20,21; Recht. 4:4-7; 2 Kon. 22:14) of van profetisch optreden van vrouwen (1 Sam. 2:1-10). Ook in het NT, reeds voor de uitstorting van de Heilige Geest, lezen we over profetisch optreden van vrouwen. Te denken valt aan Maria en haar Magnificat (Luc. 1:46-55). Verder lezen we over de profetes Hanna, die zij aan zij met de profeet Simeon profeteerde ter gelegenheid van de voorstelling van Jezus in de tempel, en die de Heer ook dag en nacht in de tempel diende (Luc. 2:36-38).”

 

In een vorig artikel, click hier, zagen we hoe Mirjam (Ex. 15:20-21) en Debora (Richt. 4:4-7), die beiden als profetes optraden, uitzonderingen waren zowel wat betreft hun plaats in de geschiedenis van verlossing, als wat betreft de specifieke inhoud van hun profetisch ambt. Hun werk kan niet dienen als een paradigma en grond voor vrouwelijke deelname in het ambt van ouderling, inclusief dat van lerende ouderling, de predikant als verkondiger van het evangelie.
De verschijning van de profetes Hulda (2 Kon. 22:14) en het noemen van Jesaja's vrouw als profetes (Jes. 8:30) zijn ook zeldzame uitzonderingen te midden van de vele mannelijke profeten die op andere plaatsen worden genoemd. In feite zijn er, afgezien van de net genoemde voorbeelden, geen andere voorbeelden van ware profetessen in het Oude Testament.
De lofzang van Maria, het Magnificat, heeft overeenkomsten met het Oudtestamentische lied van Hanna (1 Sam. 2:1-10), maar zij wordt ook, net als Hanna, geen profetes genoemd.
Wat betreft Anna, de profetes, haar profetische activiteit bestond uit het “dag en nacht God dienen met vasten en bidden” in de tempel. Toen Jezus werd voorgesteld “beleed zij eveneens de Heere, en zij sprak over Hem tot allen die de verlossing in Jeruzalem verwachtten” (Lukas 2:37-38 HSV).

 

Alle voorbeelden van profetessen onderstrepen het feit dat God ieder die Hij wil opwekken, ook kàn opwekken tot speciale dienst. Maar zulke voorbeelden vormen geen model voor ons om te volgen, vooral niet omdat God elders in de Schrift duidelijke richtlijnen voor het ambt van lerende ouderling geeft (1 Tim. 3:1-7; Titus 1:5-8). De eerste rechtvaardiging om de vrouw tot het ambt van predikant toe te laten is daarom niet overtuigend.

De volgende drie gronden handelen elk over het profeteren.

 

Profeteren in de Nieuwtestamentische kerk

 

Het tweede argument dat de synode Meppel gebruikte om bevestiging van vrouwen in het ambt van predikant te rechtvaardigen luidt als volgt:

 

“De vervulling van de Pinksterbelofte (Joël 3:1-2; Hand. 2:17-18) is dat zonen en dochters, ouderen en jongeren in de gave van de profetie delen. Het Nieuwe Testament tekent die werkelijkheid. De apostelen en de andere leerlingen, waaronder mogelijk de vrouwen (Hand. 1:14) traden op de Pinksterdag, gezalfd door de Heilige Geest op als Jezus' getuigen (Hand. 1:8; 2:4-8). Ook op andere plaatsen is sprake van vrouwen die profeteren. (Hand. 21:8; 1 Kor. 11:4-5).”

 

Toen Petrus verkondigde dat Joëls profetie bezig was vervuld te worden (Hand. 2:17-18), legde hij het indrukwekkende schouwspel uit dat alle gelovigen, jong en oud, mannelijk en vrouwelijk, spraken over “de grote werken van God” (Hand. 2:11). Daarom is profeteren, zoals Petrus uitlegt, het vertellen van de grote daden van God. Je kunt zeggen dat vanwege de door de van de Geest ontvangen bekwaamheid om de reddende daden van God aan anderen te vertellen, alle gelovigen bekwaam zijn gemaakt het evangelie van Jezus Christus te verspreiden. In deze zin hebben alle gelovigen het profetische ambt en de profetische roeping. Zoals we in de Heidelbergse Catechismus belijden, delen we in de zalving van Christus en als profeten “belijden wij zijn naam” (Zondag 12). De vervulling van Joëls profetie op de Pinksterdag hield echter meer in dan dit algemene profetische ambt van alle gelovigen.

 

De context van Petrus' verwijzing naar Joëls profetie is dat de Heilige Geest neerdaalde op de gelovigen en zij “begonnen te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken” (Hand. 2:4). Het gevolg was dat toen mensen kwamen kijken naar wat er gebeurde, zij de machtige werken van God ieder in zijn eigen taal hoorden (Hand. 2:8, 11). Als reactie op degenen die met dit spreken in andere talen de spot dreven, verklaarde Petrus dat Joëls profetie in vervulling ging. Zo was niet alleen de gave van profetie, maar ook het spreken in andere talen bij deze vervulling betrokken.

 

In het licht van het bovenstaande kun je Joëls profetie niet gebruiken om de vrouw in het ambt te rechtvaardigen. De vervulling van deze profetie gaat hier niet over. Bovendien als het gaat om het verspreiden van het Evangelie in een officieel ambt, heeft Christus zijn apostelen speciaal aangesproken om zijn getuigen te zijn (Hand. 1:8; Markus 16:13; Lukas 24:48; vgl. Hand. 13:31, 47; Kol. 1:23).

 

Het tweede argument noemt ook “vrouwen die profeteren” (Hand.21:9; 1 Cor. 11:4-5)” Dit brengt ons bij de derde en vierde grond van de synode.

 

De derde grond om vrouwen te roepen tot het ambt van predikant is:

 

“De Schriftuurlijke duiding is dat 'iemand die profeteert spreekt tot mensen, en wat hij zegt is opbouwend, troostend en bemoedigend' (1 Kor. 14:3). Deze wijze waarop geprofeteerd wordt kan voor mannen en voor vrouwen gelden.”

 

De vierde grond voor vrouwelijke predikanten is dat

 

“Het nieuwtestamentische profeteren is wat de inhoud betreft in de gereformeerde traditie opgevat als uitleg van de heilige Schrift en door de Geest geleid toepassen op het heden, en wel in de prediking.”

 

Als we deze gronden nader bezien is de kernvraag: Wat wordt bedoeld met 'profeteren' in de Schriftgedeelten waar het synodebesluit naar verwijst?

Om die vraag te beantwoorden zullen we onze aandacht met name op 1 Korinthe vestigen, omdat hier het bewijs voor de derde grond vandaan komt. Profetie is een bijzondere gave van de Geest (1 Kor. 14:1, 14), die zowel aan mannen als aan vrouwen werd gegeven (1 Kor. 11: 4-5); vgl. ook Hand. 21:9). Het gaat om het geven van openbaring die van God afkomstig is. Dit blijkt duidelijk uit het hechte verband tussen profetie en openbaring in 1 Korinthe 14. De apostel instrueert:

 

“En laten twee of drie profeten spreken, en laten de anderen het beoordelen. En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat dan de eerste zwijgen. Want u kunt allen, de één na de ander, profeteren, opdat allen leren en allen bemoedigd worden. En de geesten van de profeten zijn aan de profeten zelf onderworpen.” (1 Kor. 14:29-32).

 

Deze verzen zijn onderdeel van de instructie van de apostel Paulus voor een ordelijke eredienst. Opvallend is dat hij eerder dit gedeelte introduceerde met de woorden:

 

“Telkens wanneer u samenkomt, heeft iedereen wel een psalm, of hij heeft een onderwijzing, of hij heeft een andere taal, of hij heeft een openbaring, of hij heeft een uitleg. Laat alles gebeuren tot opbouw” (1 Kor. 14:26).

 

Door “openbaring” hierbij in te sluiten is het duidelijk dat hij op profetie duidt, zoals zijn daarop volgende instructies dan ook laten zien (vv. 29-32).

 

Het openbaringskarakter van profetie wordt ook gezien doordat de apostel de gave van profetie nauw verbindt met het begrijpen van “alle geheimenissen”. Hij schreef:

“En al zou ik de gave van de profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis bezitten... maar ik had de liefde niet, dan was ik niets” (1 Kor. 13:2).

Een geheimenis is dat wat God moet openbaren. Het is verborgen voor menselijke wezens. De apostel Paulus zag zichzelf als beheerder van de geheimenissen van God (1 Kor. 4:1), wat inhoudt dat God hem gebruikte om te openbaren wat anders verborgen zou zijn gebleven. Zoals toen hij de Korinthiërs schreef:

“Zie, ik vertel u een geheimenis: Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin” (1 Kor. 15:51-52).

Zo schreef hij ook aan de christenen in Rome:

“Ik wil niet dat u geen weet hebt van dit geheimenis, dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan” (Rom. 11:25-27).

 

Dr. Richard Gaffin, emeritus professor van het Westminster Theologisch Seminarie, heeft, gedetailleerder dan hier mogelijk is, laten zien dat de openbaring die door de profeten in de Nieuwtestamentische kerk werd gegeven, “op één lijn stond met en in dezelfde geest was als de geïnspireerde openbaring die door Paulus en de andere apostelen was ontvangen en verkondigd”.

Bovendien richtte openbaring die door profetie werd gegeven zich niet op “individualistische, zuiver plaatselijke belangen, maar betreft, samen met de apostolische openbaring, de redding in Christus met haar rijke en veelvuldige implicaties voor het geloof en het leven van de kerk.”(1)

Het is dan ook niet moeilijk te begrijpen dat “wie profeteert, spreekt tot mensen woorden van opbouw en vermaning en troost” (1 Kor. 14:3).

 

Maar wel moet erkend worden dat zo'n bijzondere profetische openbaringsgave onderdeel van de grondlegging van de kerk was en daarom een tijdelijke gave. Als we daarom zien dat “het fundament van de apostelen en profeten” gelegd is, “waarvan Jezus Christus zelf de hoeksteen is” (Ef. 2:20), dan is het duidelijk dat zulke bijzondere profetische gaven niet langer aan de kerk worden gegeven. Daaruit volgt dat de Nieuwtestamentische gedeelten die over profetie gaan en in het besluit worden genoemd, niet toepasbaar zijn als gronden voor de bevestiging van vrouwen in de ambten in de kerk van vandaag. (2)

 

Is de Schrift duidelijk?

 

Het slotargument:

 

“Hoewel er veel onzekerheid is rond de precieze uitleg van het apostolisch voorschrift inzake zwijgen, laat vergelijking van 1 Kor. 14:34 met 1 Kor. 11:5 en 14:26 zien dat dit voorschrift in ieder geval niet opgevat kan worden als een absoluut verbod tot (s)preken in de eredienst.”

 

Dit laatste argument gaat uit van het feit dat de Schrift niet duidelijk is, omdat “er veel onzekerheid is rond de precieze uitleg van het apostolisch voorschrift inzake 'zwijgen'”.

Maar is dit wel waar?

De apostel schreef:

“Wanneer u samenkomt, heeft iedereen wel een psalm, of hij heeft een onderwijzing, of hij heeft een andere taal, of hij heeft een openbaring, of hij heeft een uitleg” (1 Kor. 14:26).

Deze woorden weerspiegelen de situatie in de tijd van de apostel, toen God bijzondere openbaringsgaven en talen/tongen gaf, zowel aan mannen als aan vrouwen, (1 Kor. 14:4-5). Waar nu de canon van de Schrift is afgerond, bestaat er geen reden te veronderstellen dat God doorgaat met het geven van nieuwe gezaghebbende openbaring door de gave van profetie. Maar in de apostolische kerk werden openbaringen ontvangen, al moest men wel in staat zijn te onderscheiden tussen ware en valse profetie of openbaring (1 Kor. 14:29). In die context gelastte Paulus dat vrouwen moesten zwijgen: want het beoordelen van profetie kon inhouden het uitoefenen van gezag over een mannelijke profeet, wat niet gepast was voor vrouwen, want “hun was bevolen onderdanig te zijn” (1 Kor. 14:36). Het feit dat vrouwen vooral moesten zwijgen binnen die bijzondere context, was zo belangrijk, dat dit bevel zelfs drie maal werd herhaald (1 Kor. 14:34-35).

 

Een basisprincipe dat onder de eis voor vrouwen om te zwijgen ligt, is dat zij onderdanig moeten zijn in overeenstemming met de scheppingsorde, zoals ook de Wet leert, dat wil zeggen de Vijf Boeken van Mozes, en met name Genesis hoofdstuk 2 (1 Kor. 14:34; vgl. 11:8-9). Op dezelfde wijze zegt Gods Woord op een ander plaats:

 

“Een vrouw moet zich laten onderwijzen in stilheid, in alle onderdanigheid. Want ik sta niet toe dat een vrouw onderwijs geeft, en ook niet dat zij de man overheerst, maar ik wil dat zij zich stil houdt. Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva” (1 Tim. 2:11-13).

 

Met andere woorden: het past vrouwen in haar positie tegenover mannen niet om publiek in de kerk te spreken. Deze ongepastheid wordt niet tot de apostolische kerk beperkt, omdat de reden voor de onderdanigheid van vrouwen op de scheppingsorde van mannelijk en vrouwelijk is gebaseerd. (3)

 

In het licht van het bovenstaande is het slotargument van de synode Meppel niet overtuigend en doet onrecht aan de helderheid van de Schrift, vooral in het licht van de Bijbelse vereisten voor het leer- en predikambt, zoals klip en klaar elders in de Schrift duidelijk wordt gemaakt (1 Tim. 3:1-7; Titus 1:5-8), en het verbod dat een vrouw in de kerk niet mag onderwijzen (1 Tim. 2:12). Indien een bepaald gedeelte van de Schrift niet volledig helder voor ons is, moet het in het licht van duidelijker gedeelten worden uitgelegd.

 

Conclusie

 

Het is heel moeilijk om niet het gevoel te krijgen dat de egalitaire cultuur van onze tijd een enorme invloed op de redenering van de synode Meppel heeft gehad, vooral als we overwegen dat de Schrift het ambt om te leren en te prediken duidelijk voor daarvoor gekwalificeerde mannen heeft gereserveerd. In dit verband is het interessant op te merken dat zelfs een seculiere Joodse historicus niet onder de indruk is van de zogenaamde Bijbelse argumenten die, typerend genoeg, uit de kast worden gehaald om vrouwen tot het kerkelijk ambt toe te laten. De Bijbel is gewoon te duidelijk over de eis tot bevestiging van mannen in het kerkelijk ambt.

Hier volgt wat Yuval Noah Harari in zijn boek Homo Deus (De Mens is God) had te zeggen over de aanvaarding van homohuwelijk en vrouwelijke ambtsdragers: “Waar kwam deze aanvaarding vandaan? Niet van het lezen van de Bijbel.” Vervolgens legt hij uit dat het van culturele krachten als Michel Foucaults The History of Sexuality of Donna Haraway's “A Cyborg Manifesto” afkomstig is. Maar echte gelovigen kunnen niet toegeven dat zij hun ethiek op deze mensen baseren,

 

“Dus gaan zij terug naar de Bijbel ... en doen een grondig onderzoek …. totdat zij vinden wat ze nodig hebben: één of andere leerspreuk, parabel of regel die, als deze maar creatief genoeg wordt geïnterpreteerd, betekent dat God het homohuwelijk zegent en dat vrouwen in het ambt van priesters kunnen worden bevestigd. Dan doen zij alsof het idee uit de Bijbel komt, terwijl het in feite van Foucault afkomstig is. De Bijbel wordt als een bron van gezag achter de hand gehouden, zelfs al is de Bijbel niet langer een ware bron van inspiratie.”

 

Moet er nog meer worden gezegd?

 

NOTEN



(1) Richard B. Gaffin, Jr., Perspectives on Pentecost: Studies in New Testament Teaching on de Gifts of the Holy Spirit (Phillipsburg, NJ: Presbyterian and Reformed, 1979), 62.

(2) Over het fundamentele karakter en de afsluiting van de gave van profetie, zie Gaffin, Perspectives on Pentecost, 93-102.

(3) Voor een meer gedetailleerde Bijbelse bespreking dan hier mogelijk is, zie bijv. George W. Knight III: The New Testament Teaching on the Role Relationship of Men and Women (Grand Rapids: Baker, 1977), 29-32, 36-40.

(4) Yuval Noah Harari, Homo Deus: A Brief History of Tomorrow (Toronto: Signal, 2015), 275-76, met dank aan ds. D. de Jong, die mij op dit gedeelte attent maakte. (in mijn exemplaar bl. 321-322 – Harvill Secker 2016 – Penguin Random House UK – vert.)

 

 

*Dr. Cornelis Van Dam is emeritus professor Oude Testament van het Canadian Reformed Theological Seminary in Hamilton, Ontario, Canada.

 

Dit artikel is eerder verschenen in Clarion van 8 september 2017 en is een vervolg op een op 28 juli 2017 in Clarion gepubliceerd artikel over het besluit van de synode Meppel 2017 om de vrouw tot het ambt van ouderling toe te laten.

 

Vertaling: R. Sollie-Sleijster