Ethiek

Rond de Schrift

Signalen

Vier berichten

26-09-18 Lezing Amersfoort
Spreker: Dr. B. van Egmond
'De betekenis van onze geloofsbelijdenissen'
De Lichtkring, Laan naar Emiclaer 1, Amersfoort.
20.00 uur, kerk open 19.30 uur.
Organisatie Comité Samen gereformeerd

 

20-10-18 Logos Conferentie 9 te Opheusden
Accent: Natuurwetenschappen.

 

02-11-18 Informatieavond Rijnsburg
Spreker: dr. P. Boonstra, GKv Bussum-Huizen
Kerkgebouw: Katwijkerweg 1B Rijnsburg
20.00 uur, kerk open om 19.30 uur.
Organisatie Studiegroep Midden-Nederland

23/24-11-18 Logos Tweedaags congres
'Geloof is de sleutel tot kennis'.
Verder info:
www.oorsprong.info


 


 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Nieuwe hermeneutiek en nieuwe vrijzinnigheid

 

Dr. P. Boonstra

17-03-18

 

Deze Kroniek kan gezien worden als een vervolg op de Kroniek waarbij ik ingegaan ben op het verschil tussen ‘oude en nieuwe hermeneutiek’ (NB, dec. 2017). Op de vraag: wat is er op dit moment toch aan de hand in onze kerken?, gaf ik het antwoord: ‘onze kerken zijn besmet door het virus van de nieuwe hermeneutiek’. Het is belangrijk dat we het gesprek hierover aangaan, zo eindigde ik toen.   

 

Het is de bedoeling om daar nu verder op in te gaan. Want om het gesprek te dienen is het belangrijk om, naast hermeneutiek, ook een ander heikel punt ter sprake te brengen: vrijzinnigheid. Er ligt namelijk een verbinding tussen nieuwe hermeneutiek en vrijzinnigheid. Eerder heb ik dat al eens kort aangestipt. In de bespreking van het synodebesluit rondom ‘M/V en ambt’ schreef ik: ‘een andere manier van omgang met de Schrift drijft je zomaar in handen van een postmoderne vrijzinnigheid’ (NB, sept. 2017). Dat wil ik hier nu verder uitwerken.

 

Daarvoor is het nodig dat we beginnen met de vraag: wat is vrijzinnigheid? Deze vraag is nog niet zo simpel te beantwoorden. Of beter gezegd: er is heel snel sprake van misverstand.

 

Een goed voorbeeld daarvan is het boek Nederlander met de Nederlanders van Robert Plomp.[i] Zoals de ondertitel aangeeft, wil het boek zowel een positieve als ook een orthodoxe visie bieden op drie heikele kwesties: homoseksualiteit, wetenschap en vrouw in het ambt. Dat wil zeggen: de schrijver bepleit dat we als christenen rondom deze onderwerpen positief kunnen staan. Dat het volkomen bijbels is om te pleiten voor: het goedkeuren van homoseksuele relaties, het onbekommerd omgaan met de resultaten van de wetenschap en het dienen van de vrouw in het ambt. Het verwarrende hierbij is dat de schrijver in alle toonaarden ontkent dat hij de vrijzinnige kant op wil gaan. Er is hem alles aan gelegen de Bijbel te laten spreken. Hij noemt zichzelf en zijn visie naast positief toch zeker ook nog orthodox!

 

En juist dat is inzicht gevend. Het boek laat duidelijk zien hoe de schrijver dénkt de Bijbel te laten spreken, terwijl hij tégen de Bijbel ingaat. Of anders gezegd: hoe de schrijver dénkt orthodox te zijn, terwijl hij uiteindelijk vrijzinnig is.

 

Dr. P. Boonstra

Het begint allemaal bij het uitgangspunt dat hij kiest om de genoemde onderwerpen in de Bijbel te benaderen, namelijk de bijbeltekst waarin Paulus aangeeft: ‘voor de Joden ben ik als een Jood geworden en voor de niet-Jood een niet-Jood en voor de zwakken een zwakke’, en dat alles om hen ‘te winnen voor het evangelie’ (1 Kor. 9: 20vv). Deze tekst wordt losgemaakt uit zijn context om zo als bril te dienen waardoor andere teksten bekeken worden. Bijvoorbeeld de voorschriften van Paulus over de plaats van de vrouwen in de gemeente. Plomp begint met te stellen: ‘als wij Paulus lezen moeten we het eerder genoemde 1 Korinthe 9 in ons achterhoofd houden’ (p. 75). Wat betekent dit? Plomp geeft aan: ‘Juist als het gaat om menselijke verhoudingen blijkt dan telkens dat Paulus de culturele context volgt’ (p. 76). Hieruit kan dan door hem de volgende conclusie getrokken worden: ‘als de Griekse christenvrouwen het offer konden opbrengen om, hoewel ze vrij waren in Christus, zich te schikken naar hun mannen, dan moeten postmoderne Nederlandse christenmannen toch ook in staat kunnen zijn om de vrouw naast zich te accepteren, thuis, in het ambt en op de kansel.’ (p. 91)

 

Hier gebeurt wat ik eerder, in het kader van de exegese van 1 Tim. 2, ‘redeneren vanuit een andere tekst’ heb genoemd, waarmee iets anders bedoeld is dan ‘Schrift met Schrift’ vergelijken. Met behulp van wat ergens anders in de Bijbel gezegd wordt, wordt namelijk datgene wat in de tekst staat weggezet of onderdelen uit de tekst genegeerd (NB, april 2017). Zo kun je de Bijbel laten zeggen wat je wilt. Of anders gezegd: je kunt de Bijbel normatief laten zijn op de momenten dat jíj dat wilt. Het is niet de Bijbel die dat bepaalt, maar uiteindelijk ben jij dat. En dat is precies waar vrijzinnigheid voor staat. Met vrijzinnigheid wordt in de kern bedoeld: het vrij willen zijn van hoger gezag.[ii] In dit geval, het hogere gezag van de Bijbel.  

 

Maar het boek van Plomp laat ook nog iets anders zien. Namelijk dat het een ánder soort vrijzinnigheid betreft dan de openlijke vrijzinnigheid van mensen als Nico en Carel ter Linden of Harry Kuitert. De vrijzinnigheid van dit boek is verhullender en daarom moeilijker te herkennen. Zelfs de schrijver herkent het bij zichzelf niet! Hoe kan dat?

 

Laten we daarvoor eerst kijken naar het verschil tussen deze twee vormen van vrijzinnigheid. De openlijke vrijzinnigheid is een die uitgaat van het menselijke verstand. Wat niet met het verstand in overeenstemming gebracht kan worden, wordt verworpen. Je zou dit de oude vrijzinnigheid kunnen noemen.

 

Deze oude vrijzinnigheid is gebaseerd op wat genoemd wordt: het modernisme. De vader van dit modernisme is Descartes; bekend van zijn uitspraak: ‘Ik denk, dus ik ben’. Wat bedoelde hij daarmee? Dat je verstand, je redeneren, het vaste punt is om je zekerheid te zoeken. Wat het menselijk verstand niet kan bevatten is niet zeker of niet waar. Toegepast op de Bijbel: niet het Woord van God geeft zekerheid voor de waarheid, maar het menselijk verstand.[iii] Het gevolg hiervan is dat datgene wat erin de Bijbel staat en wat niet met het verstand te rijmen is, niet aanvaard kan worden. Het meest duidelijke voorbeeld is de opstanding. Volgens de natuurwetenschap is een opstanding uit de dood onmogelijk; dus dat Christus daadwerkelijk is opgestaan uit de dood, kan niet echt gebeurd zijn. En zo is de verklaring ontstaan dat dit op een andere manier ‘waar’ moet zijn. Bijvoorbeeld dat het betekent dat de Here Jezus in de harten van de discipelen is opgestaan. Op deze manier kun je van de opstanding van Christus zeggen: ‘het is wel waar, maar niet echt gebeurd’ (een uitspraak van Nico ter Linden).

 

Deze oude vrijzinnigheid is gaandeweg van vorm veranderd. Dat alles onder invloed van wat genoemd wordt: het postmodernisme. De vader van dit postmodernisme is Nietzsche. Hij heeft erop gehamerd dat absolute normen en waarheden niet bestaan. Onder zijn invloed is de gedachte in onze dagen gemeengoed geworden dat ieder mens ‘zijn eigen waarheid heeft’. Dat betekent dat wat jij gelooft dat waar is, waar is. Oftewel, de nadruk ligt niet meer op wat je met je verstand voor waar kan houden, maar op wat je gevoel, je intuïtie, je ervaring zegt dat waar kan zijn. Wat voor jouw gevoel mogelijk of passend is – of zoals het tegenwoordig klinkt: wat jij wel of niet kan ‘meemaken’ – dat geeft de doorslag.

 

Kort gezegd: bij het postmodernisme ligt de nadruk niet meer op de rationaliteit (zoals bij het modernisme), maar op de irrationaliteit.[iv] Gevolg daarvan is dat vrijzinnigheid niet meer zozeer te maken heeft met de autonomie van het verstand; dat wil zeggen: dat je verstand de doorslag geeft of je iets aanneemt. Maar bij de nieuwe vrijzinnigheid kan gesproken worden over de autonomie van je gevoel; wat naar jouw gevoel (en geloof) waar is, dat is waar. Daardoor is er bij de nieuwe vrijzinnigheid sprake van ‘de autonomie van de gelovige mens’.[v] De waarheid ligt niet in het Woord van God of wat de kerk als waarheid uit dat Woord in de belijdenis heeft omschreven (orthodox). De waarheid ligt ook niet in het menselijke verstand waar het Woord van God ondergeschikt aan wordt gemaakt (oude vrijzinnigheid). Maar de waarheid ligt in de gelovige mens zelf: wat jij voor waar aanneemt (dus ‘jouw waarheid’), dááraan maak je het Woord van God ondergeschikt.

 

Hoe gaat dat laatste in zijn werk? In de eerste plaats zoek je in de Bijbel naar teksten die jouw geloof het beste verwoorden. Deze teksten bestempel je dan als: belangrijke teksten. Immers, ze komen overeen met hoe jij het ook ziet, wat jij ook kunt beamen en wat jij helemaal mee kunt maken. Vervolgens gebruik je deze teksten om van andere teksten te kunnen zeggen dat ze klaarblijkelijk minder belangrijk zijn. Of in ieder geval, verwoorden ze niet datgene wat volgens jou God ons nú wil zeggen. Ze zijn daarom niet één op één voor jou toepasbaar. Sterker nog: vanuit de hoofdtekst moeten deze teksten worden aangepast. Zo kan Plomp bijvoorbeeld stellen: ‘Zoals Paulus de christenen opriep geen aanstoot te geven en met de Grieken een Griek te zijn, zullen wij met de Nederlanders een Nederlander moeten zijn’. Om dan vervolgens te concluderen: ‘Als wij het homohuwelijk af blijven keuren, scheppen we een kloof tussen ons en de postmoderne Nederlandse cultuur zonder dat daar dwingende Bijbelse redenen voor zijn.’ (p. 165) Maar het punt is: die dwingende Bijbelse redenen zijn weg gefilterd. Het feit dat je een hoofdtekst kiest, maakt dat daarmee andere teksten daaraan ondergeschikt zijn. In ieder geval zijn die andere teksten dan niet meer dwingend. Op deze manier kun je de Bijbel laten zeggen wat je wilt. En dat zal ook niet stoppen bij de door Plomp genoemde onderwerpen.

 

De intrigerende vraag is nu: hoe komt het dat iemand, die aangeeft zelf niet vrijzinnig te willen zijn, toch in handen valt van deze nieuwe vorm van vrijzinnigheid? En precies hier ligt naar mijn idee een verbinding met het onkritisch overnemen van gedachten uit de nieuwe hermeneutiek. Opvallend is namelijk wat Plomp aan het slot van zijn boek zegt: ‘Op dit moment is het belangrijkst om te erkennen dat de Bijbel gelezen moet worden tegen een bepaalde culturele achtergrond, en dat dit begrijpen vervolgens vertaald moet worden naar onze context.’ (p. 167) In deze éne zin zijn de drie kenmerken van de nieuwe hermeneutiek te ontdekken (zie ‘Oude of nieuwe hermeneutiek’ NB, dec. 2017). Allereerst wordt aangegeven dat de Bijbel gelezen moet worden tegen een bepaalde culturele achtergrond. Oftewel, we moeten uitgaan van het feit dat Bijbelschrijvers kinderen van hun tijd waren en dat de boodschap van hun teksten opgesloten zit in hun tijd (tijdgebonden zijn). Vervolgens wordt de nadruk gelegd op het begrijpen. Het is niet voldoende om uit te leggen wat een tekst zegt, maar het gaat erom dat wij de tekst begrijpen. En dat begrijpen is niet alleen verstandelijk maar ook gevoelsmatig, in de zin van: we moeten het kunnen ‘meemaken’ anders heeft het ons niets te zeggen. Dat betekent, ten slotte, dat er volgens de nieuwe hermeneutiek een (transculturele) vertaling nodig is naar onze context. De voorschriften die in de Bijbel gegeven worden moeten worden overgezet naar onze tijd. En juist dat ‘gevoelsmatig begrijpen’ en dat ‘overzetten naar de tijd van vandaag’ is een valstrik. Wat jij, als gelovige of religieuze mens voelt, is het ijkpunt geworden. Het voelt misschien heel ‘barmhartig’ of ‘missionair’ of ‘liefdevol’, maar uiteindelijk betekent het dat de Bijbel slechts als bron kan fungeren en niet meer als norm.

 

In de kern ligt hier een wereld van verschil. Dat blijkt uit de positie die je als lezer ten opzichte van de Bijbel inneemt. Bij de Bijbel als norm is je positie dat je eronder staat; er is sprake van onderschikking. En bij de Bijbel als bron is je positie dat je erboven staat. In ieder geval kun jij bepalen wat nog wel normatief is en wat niet. Bij de Bijbel als bron creëer je een soort ‘terreurvrije ruimte’.[vi] Want zó wordt een norm ervaren: als een stukje terreur over je leven. Het irriterende van de Bijbel als norm is dat hij zich met gezag (het is het Woord van God!) bemoeit met jouw leven.[vii] En dus ook met hoe jij de dingen ziet en voelt. Door de Bijbel te zien als bron kun je je ontworstelen aan deze irritatie en kun je tegelijk tóch het idee hebben dat je de Bijbel niet aan kant schuift.  

 

Een ander boek waarin van dezelfde soort vrijzinnigheid sprake is als in het boek van Plomp is geschreven door Brian McLaren en heeft als titel Een nieuw christendom. Het is vertaald uit het Engels en notabene uitgegeven bij De Vuurbaak, een van oorsprong gereformeerde uitgeverij![viii] De stelling in dit boek is dat we de Bijbel niet moeten benaderen alsof het ‘een becommentarieerd wetboek’ is, maar dat we de Bijbel meer moeten zien als ‘een draagbare bibliotheek’ (p. 110). ‘Wetboek’ en ‘bibliotheek’ zijn andere woorden voor dezelfde zaak. De Bijbel is niet meer norm (wetboek), maar slechts bron. Immers, een bibliotheek is een plaats waar je naar toe kunt gaan om naar believen boeken te lenen en te lezen waar jij je winst mee kan doen. In de woorden van McLaren: “De bijbelse bibliotheek is (…) een met zorg uitgekozen serie oude documenten die van het grootste belang zijn voor mensen die meer willen weten over en willen horen bij de gemeenschap van mensen die God zoeken.” (p. 113)

 

In dit laatste citaat wordt opnieuw de verbinding verwoord die er ligt tussen de nieuwe vrijzinnigheid en de nieuwe hermeneutiek. McLaren spreekt namelijk over de Bijbel als over ‘een serie oude documenten’. En juist dat is de belangrijkste aanname die naar ons toekomt vanuit de nieuwe hermeneutiek. Dat we de Bijbel zó moeten benaderen. Als een oud boek. Maar juist déze aanname, zo blijkt hier, drijft je in de armen van vrijzinnigheid (de Bijbel als bibliotheek). En dat is op zich logisch. Door de Bijbel te bestempelen als oud heeft hij als vanzelf afgedaan als norm. Immers, iets wat oud is, kan voor ons nu niet meer normatief zijn; wij leven in zo’n andere tijd. Maar om de Bijbel niet helemaal af te schrijven is er een tussenweg: de Bijbel als bron! Dat geeft je het idee de Bijbel volledig serieus te nemen. Toch stel je je daarmee wel boven de Bijbel en doe je precies datgene wat de Bijbel verbiedt. Zoals Petrus in zijn tweede brief zegt: de Bijbel laat geen eigenmachtige uitleg toe (2 Petr. 1: 20).

 

Zowel het boek van Plomp als het boek van McLaren laat zien dat er een direct verband bestaat tussen het overnemen van gedachten uit de nieuwe hermeneutiek èn het in handen vallen van een postmoderne, nieuwe vrijzinnigheid. Anders gezegd: het gedachtegoed van de nieuwe hermeneutiek geeft je ‘tools’ in handen om de Bijbel naar je hand te zetten. Wanneer je dat doet als gelovig mens, is het moeilijk te herkennen; zul je niet het gevoel hebben vrijzinnig te zijn. Terwijl je als autonoom gelovig mens bepaalt welke norm je kiest.

 

Op mijn Kroniek Oude of nieuwe hermeneutiek kreeg ik de opmerking of ik aan het einde wellicht niet te grote woorden heb gebruikt. Dat er sprake zou zijn van een virus als het gaat om de beïnvloeding door de nieuwe hermeneutiek. Echter, gezien het bovenstaande, dat er een nauwe relatie ligt tussen nieuwe hermeneutiek en nieuwe vrijzinnigheid, zou ik zeggen: de woorden zijn niet te groot, maar eerder niet groot genoeg. Er moet een zeer ernstige waarschuwing klinken. Wanneer we als kerken met elkaar belijden dat de Bijbel niet zomaar een boek is, maar het op Schrift gestelde geopenbaarde Woord van God (NGB, artikel 3); en wanneer we zeggen dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat (NGB, artikel 7), dan past ons uiterste zorgvuldigheid. Dat we de regels die wij toepassen om de Bijbel te lezen kritisch onder de loep nemen omdat we beducht zijn voor élke vorm van vrijzinnigheid.[ix]

 

Het gaat erom dat we ook vandaag de wacht houden bij de Bijbel als norm. Wanneer je gedachten overneemt uit de nieuwe hermeneutiek heeft dit onherroepelijk tot gevolg dat je de Bijbel als norm ondermijnt. En zodra je dat doet, heeft dat verstrekkende gevolgen. Want wat voor de oude vrijzinnigheid gold, geldt ook voor de nieuwe vrijzinnigheid: vrijzinnigheid heeft geen kinderen. Wie zich niet onderwerpt aan het Woord van God zet een spoor uit dat doodloopt. De autonomie van de gelovige mens betekent uiteindelijk dat je zelf nog denkt te geloven terwijl je geloof meer en meer een lege huls wordt (gevuld met de dingen waarmee jíj het hebt gevuld; ván eigen gedachten en bijzondere ervaringen tot rituelen en religieuze handelingen). Het is niet meer het ware geloof waar de catechismus over spreekt in Zondag 7, namelijk dat ‘ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft’. Alles. Dus ook datgene wat schuurt met je gevoel, met de cultuur waarin je leeft en beweegt. 

 

Ten behoeve van het onderlinge gesprek is het nodig om op nog een ding te wijzen. Het valt me namelijk op hoe vaak en hoe snel de oproep klinkt om elkaar vooral te vertrouwen en lief te hebben. Die oproep is terecht, maar mag niet een opening zijn om ruimte te bieden aan het overboord gooien van bijbelse principes. Ja, en die vraag wil ik hier openlijk stellen: is de oproep tot vertrouwen en liefde niet anders dan een oproep tot het accepteren van elkaar als autonoom gelovig mens? En is daarom elke vorm van kritiek of elk kritisch oordeel niet al bij voorbaat ‘verdacht’ en liefdeloos? Het wordt namelijk ervaren als een aanslag op jouw persoonlijk geloof. Maar dat staat toch op gespannen voet met ons belijden van de Bijbel als het Woord van God en zodoende de enige norm voor ons leven? Daaruit volgt dat het in de eerste plaats niet het belangrijkste is dat wij elkáár vertrouwen en liefhebben, maar dat wij de Schriften vertrouwen en liefhebben.

 

Of zou het werkelijke probleem misschien zijn dat menigeen in onze kerken zich al langzamerhand verwijderd heeft van dit belijden? En zou dat daarom niet het eerste moeten zijn dat in een onderling gesprek aan de orde zou moeten komen? In plaats van de ander op te roepen tot vertrouwen en liefde, elkaar bevragen op ons belijden en de consequenties die wij daaraan verbinden? Dat is waar kerkleden recht op hebben. Met het oog op de nieuwe vrijzinnigheid is het niet voldoende om te zeggen dat je bijbels wilt zijn. Je zult je moeten verantwoorden over de manier waarop je de Bijbel benadert. Van boven of van beneden: de Bijbel als bron of de Bijbel als norm.

 

NOTEN


[i] Robert Plomp, Nederlander met de Nederlanders. Een positieve, orthodoxe visie op homoseksualiteit, wetenschap en vrouwelijke leiders. Amsterdam 2016.

[ii] Gerard Dekker, Van het centrum naar de marge. De ontwikkeling van de christelijke godsdienst in Nederland. Kampen 2006, 74. Dekker citeert hier de omschrijving uit de eerste editie van de Christelijke Encyclopedie; de omschrijving is van Groen van Prinsterer.

[iii] Descartes zelf heeft het gevaar van zijn theorie voor het bijbelse geloof ingezien. Hij heeft dan ook gewaarschuwd dat zijn methode niet mocht worden toegepast op zaken van de godsdienst. Vgl. Frederika Oosterhoff, Het postmodernisme in bijbels licht. Bedum 2004, 14.

[iv] Frederika Oosterhoff, Het postmodernisme in bijbels licht, 23.

[v] Zo wordt in de derde editie van de Christelijke Encyclopedie ‘vrijzinnigheid’ omschreven: ‘Theologische stroming die principieel nadruk legt op de autonomie van de gelovige mens’ (geciteerd via Dekker, a.w., 74).

[vi] In de literatuur is deze term, die teruggaat op Lyotard (een postmodern filosoof), gebruikt voor het pastoraat en de preek. Ik gebruik deze term dus nu als aanduiding van een andere visie op de Bijbel.

[vii] In het verlengde hiervan staat de preek die in onze traditie gezien wordt als het bedienen van de sleutelmacht. Het ongehoorde en irriterende van de prediking en de predikant die het Woord verkondigt, is dat het zich met volmacht ‘bemoeit’ met het leven van anderen. Vgl. G.C. Berkouwer, De Heilige Schrift II. Kampen 1967, 390.

[viii] Brian D. McLaren, Een nieuw christendom. Tien vragen die het geloof veranderen. Barneveld 2017. Originele titel: A New Kind of Christianity.

[ix] Op een andere reactie die ik kreeg hoop ik later in te gaan, namelijk de vraag of er leesregels te formuleren zijn met het oog op wat tijdbepaald is in de Bijbel en wat niet?

 

 

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Nader Bekeken van februari 2018, jaargang 25 no 2. Het mocht met toestemming van de schrijver hier worden overgenomen.
Een korte samenvatting ervan door R. Sollie-Sleijster hebben we al in de vorige editie opgenomen, Signalen 62,.