Ethiek

Rond de Schrift

Signalen

geen berichten



 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Onze belijdenis een dode letter of ons hartelijk geloof? 1

 

Ds. P.L. Storm

01-06-19

 

Op 22 mei 2019 hield ds. P.L. Storm, predikant van GKv Vroomshoop, een avondlezing in Leusden. De avond was georganiseerd door het comité Samen Gereformeerd dat dienstbaar wil zijn aan broeders en zusters in de vrijgemaakt Gereformeerde kerken (hierna GKv) die zich zorgen maken over de koers van de GKv; zorgen omdat de gereformeerde identiteit van de GKv onder druk staat. Meer informatie over het comité  is te vinden op www.samengereformeerd.nl.

De tekst van de lezing wordt met toestemming van de auteur en het comité hier gepubliceerd. Vandaag publiceren het eerste van twee delen.

 

Redactie een in waarheid


 

Onze belijdenis een dode letter of ons hartelijk geloof? 1

 

Ds. P.L. Storm

 

Al weer een tijd geleden hebben de organisatoren van deze avond mij om een lezing verzocht over onze belijdenis. Na wat nader overleg is op mijn verzoek daarbij de toespitsing gemaakt op de vraag of onze belijdenisgeschriften nog zo functioneren als altijd de bedoeling is geweest en ook zou moeten. ‘Wordt onze belijdenis dood papier?’, zo formuleerde ik de titel een tijdje geleden in de gauwigheid. De organisatie maakte er vervolgens van: ‘Onze belijdenis een dode letter of ons hartelijk geloof?’ En dat is wat mij betreft ook prima.

 

Wanneer het over onze belijdenis gaat, kun je aandacht vragen voor de vragen rond de binding aan de belijdenis. Hoe formuleer je het in een bindingsformulier? Welk gezag heeft de belijdenis? Is de belijdenis bindend voor alleen de ambtsdragers of voor alle kerkleden? Wat zijn de gevolgen ervan wanneer iemand tegen de belijdenis in leert? Dat soort vragen. Die vragen zijn natuurlijk ook heel actueel. Met name in verband met het zich steeds sneller voltrekkende proces van eenwording van de GKv met de NGK. Hoe belangrijk deze vragen ook zijn en hoeveel reden er volgens mij ook is voor grote zorg op dit punt, dat is niet mijn onderwerp voor vanavond. Daarover is trouwens ondertussen ook al het nodige geschreven. In Nader Bekeken bijvoorbeeld door ds. J. Wesseling die wat de samensprekingen en de synodale besluitvorming betreft de afgelopen jaren dicht bij het vuur heeft gezeten.

 

Ook al kom ik straks op een bepaald punt nog wel weer even te spreken over dit eenwordingsproces, het onderwerp van deze lezing is niet de binding aan de belijdenis. Eigenlijk gaat het me vanavond erom dat zelfs wanneer op papier wel een deugdelijke, stevige formele binding geregeld is, dat nog geen garantie is dat het met het belijdende karakter van de kerk wel goed zit. Wanneer alle aandacht in verband met de belijdenis vooral uitgaat naar de kwestie van de manier van binding eraan, loop je zelfs het gevaar dat de belijdenis voornamelijk als het hek gezien wordt waar je allemaal binnen moet blijven om moeilijkheden te voorkomen. De belijdenis zou dan in het ergste geval alleen nog ter sprake komen om aan te tonen: ik ga toch niet tegen de belijdenis in! Of: de belijdenis zegt er toch niets over?! Daarmee zou de functie van de belijdenis wel heel sterk gereduceerd worden en nogal negatief gericht zijn. Het zou op den duur juist zelfs bevorderen dat de binding eraan zelf het niet zal volhouden. Zou de belijdenis alleen nog maar gezien worden als een hek om binnen te blijven, dan zou die beperkte functionaliteit juist bevorderen dat het hek vermolmt en op den duur weggehaald zal worden.

 

Zo beperkt is de binding aan de belijdenis trouwens ook nooit bedoeld. Het bindingsformulier van de GKv laat de ondertekenaars ervan immers verklaren dat ze van harte instemmen met de leer van de Bijbel zoals in de drie formulieren van eenheid verwoord. Van harte! De inhoud van de belijdenis hoort het hart te hebben van ambtsdragers. In het oude, klassieke ondertekeningformulier stond er daarom: “Wij beloven dat wij deze leer met toewijding zullen onderwijzen en trouw verdedigen …" Ik vind het nog altijd jammer dat deze formulering verdwenen is. Met toewijding onderwijzen wat we samen belijden, dat is heel positief. Daar begin je niet pas aan als er dwaling dreigt en er strijd voor de waarheid geleverd moet worden. Nee, dat kleurt positief wat in prediking en pastoraat en catechese gebeuren moet. Van harte, met toewijding … dat zijn uitdrukkingen die typisch horen bij de plaats die belijdenisgeschriften horen te hebben in de kerk. Dus is het inderdaad altijd weer voor de kerk een zaak van zelfonderzoek: is wat wij samen belijden nog echt een hartelijk beleden geloof waar we met toewijding voor gaan? Of dreigt het allemaal dode letter te worden?

 

Wat ik over deze dingen vanavond wil zeggen vond ik bij iemand op zo’n manier kernachtig verwoord dat ik daarmee maar begin. Dan hebt u gelijk het belangrijkste gehad. In principe kunt u daarna in slaap vallen, want wat daarna komt wil hetzelfde nog een keer zeggen met wat meer woorden en onderbouwing. Dat moet ik wel doen, anders wordt deze lezing ook veel korter dan de organisatie die deze avond belegde voor ogen stond.

 

Het gaat me om het volgende citaat dat de kwestie van de plaats van de belijdenis in het kerkelijk leven toespitst op de prediking. Want, zo zegt de betreffende spreker, de prediking is de graadmeter van de correspondentie tussen de belijdenis van de kerk en de belijdenis en het belijden van nu. Dan gaat hij als volgt verder: “Alles wat in de belijdenis voorhanden is en wat niet, of nog niet of niet meer in de prediking van nu wordt verkondigd als de schat van het Evangelie, dat wordt – kerkelijk gezien – slapend bezit. Wanneer dit zich uitbreidt, wordt het vergeten bezit. Daarbij blijft het niet. Want slapend en vergeten bezit, wordt bestreden bezit en straks geëlimineerd bezit.” (G. Boer, Tijdbetrokken vreemdelingschap, Apeldoorn 2016 p. 612)

 

Deze woorden zijn al ruim een halve eeuw oud. Ze stammen uit 1963 en komen uit een lezing die de toenmalige vooraanstaande Gereformeerde Bondspredikant G. Boer hield op de eerste conferentie van het Contactorgaan voor de Gereformeerde Gezindte. Een sowieso veelszins indrukwekkende rede. Maar in dit citaat vond ik precies verwoord welk proces in het kerkverband waarbinnen ik dien volop bezig is zich te voltrekken. Van slapend bezit, tot vergeten bezit, naar bestreden en straks geëlimineerd bezit.

 

In de rest van deze lezing wil ik wat nader onderbouwen waarom ik vind dat dit proces bezig is en waarom dat erg is. Ik wil daarbij positief inzetten. Ik wil eerst een en ander kwijt over wat bijbels gezien belijden is. Vervolgens iets over de functies die belijdenisgeschriften hebben en horen te hebben in de kerk. En tenslotte dus wat onderbouwen waarom ik vind dat er van ernstig functieverlies van die belijdenissen sprake is op het ogenblik.

 

Wat is belijden?

 

Belijden is een belangrijk begrip uit de bijbel zelf. Het is iets waar een gelovige persoonlijk en de gelovigen samen als gemeente van Christus toe geroepen worden door haar Heer en waartoe zij ook echt gebracht worden door zijn Geest. In het Grieks van het NT wordt voor belijden een woord gebruikt dat letterlijk betekent: hetzelfde zeggen. Daarbij heeft belijden ook vaak de kleur van lofprijzing. Belijden is be-amen wat de HERE zegt en er dan zelf openlijk voor uitkomen. En daarmee wil je Hem groot maken en de lof en de erkenning geven die Hem toekomt. Die uitbundige kleur heeft het bijv. in Hebr. 13:15, HSV: ‘Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn naam belijden.’

 

Gods volk wordt geroepen om Gods naam te belijden. En om zijn Zoon Christus als enige Heer en Verlosser te belijden (Rom. 10:9,10). En wie dat laatste doet krijgt als prachtige belofte van Christus zelf: ‘Ieder dan die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is’ (Mat. 10:32, HSV). Deze woorden zijn door Christus allereerst gericht aan zijn leerlingen die Hij eropuit gaat sturen om als apostelen zijn evangelie in de wereld te verkondigen. Die wereld zal aangewezen zijn op geloof aan wat de apostelen verkondigd hebben om Christus te leren kennen en zelf als Heer en Verlosser te kunnen belijden. Een persoonlijke band met Hem is onmogelijk zonder geloof in de leer over Hem. Door zijn Geest heeft Christus er zelf voor gezorgd dat zijn apostelen die leer betrouwbaar konden verkondigen. Hij had dat hen beloofd in Joh. 16: 12-15. En ook dat er wereldwijd mensen aan hun getuigenis geloof zouden gaan hechten en tot belijden ervan gebracht zouden worden. Zo gebeurt met het wereldwijde volk van God van na Pinksteren wat al het voorrecht en de opdracht was voor Gods volk tijdens het Oude Testament: ze ontvangen Gods woorden, bewaren die en komen er openlijk voor uit (zie bijv. Deut. 6:4-9, Ps. 147:19, vergelijk Rom. 3;2, 9:4).

 

Omdat de HERE op deze manier zijn woorden aan zijn volk toevertrouwt, wordt de kerk dan ook aangesproken op de bijzondere positie en verantwoordelijkheid die zij daarmee in de wereld krijgt. Paulus typeert de kerk als ‘zuil en fundament van de waarheid’ (1 Tim. 3:16, HSV). De kerk moet de haar toevertrouwde waarheid niet ondergraven of laten ondergraven, maar dragen, zoals een zuil een dak draag en een fundament een gebouw. Maar, zo zou je kunnen vragen, die waarheid zelf is toch het fundament van kerk (vgl. 1 Kor. 3:11, Ef. 2:20)? Dat is zeker waar. Het is de door God geopenbaarde waarheid die de kerk fundeert. Maar de kerk heeft die waarheid vast te houden en uit te dragen in een wereld waar alles wat van de mensen zelf vandaan komt zo onvast is als wat. De gemeente van Christus is naar haar aard een belijdende kerk.

 

Paulus spreekt in zijn brieven aan Timoteüs en Titus dan ook regelmatig over de gezonde leer (1 Tim. 1:10, 2 Tim. 4:3, Tit. 1:9, 2:1) of over de goede leer (1 Tim. 4:6). Hij kan waarschuwen voor gedrag waarmee ‘de Naam van God en de leer’ gelasterd wordt (1 Tim. 6:1, HSV). De naam en de leer in één adem! Twee verzen verder benadrukt hij daarom het grote belang van het zich houden ‘aan de gezonde woorden van onze Here Jezus Christus en aan de leer die in overeenstemming is met de godsvrucht’. En in vers 12 spoort Paulus Timotheüs aan om de goede strijd van het geloof te strijden en het eeuwige leven te grijpen, ‘waartoe u ook geroepen bent en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen’. De voorbeelden zouden te vermenigvuldigen zijn van apostolische aansporingen in het Nieuwe Testament om de leer van Christus trouw te bewaren en te belijden (bijv. Ef. 4:15, Tit. 1:9, 2:7,10, 1 Joh. 2:23,24, 4:2, 4:1-6, 2 Joh. 7-11, Jud. 3). Daaruit wordt duidelijk dat wanneer de kerk belijdt, zij ook een grens trekt. De grens tussen waarheid en leugen, tussen gezonde leer en dwaalleer. Om zo te zeggen: haar orthodoxie (dus haar zuiverheid in de leer) dient haar doxologie (dat is haar lofprijzing).

 

Het belijden is een opdracht aan de kerk als gemeenschap der heiligen. Die gemeenschap strekt zich ook uit naar de geslachten die belijdend aan haar vooraf zijn gegaan. Je deelt met hen dezelfde leer van de waarheid. Ook wie persoonlijk zijn geloof belijdt stemt daarmee tegelijk in met het koor van belijders dat de kerk naar haar aard is. Samen met alle heiligen kom je verder in het kennen van de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte van de liefde van Christus die alle kennis te boven gaat, schrijft Paulus in Ef. 3: 18v. Een belijder stemt in met wat Paulus in Tit. 1:3 ‘ons gemeenschappelijk geloof’ noemt. Want er is maar één geloof (vgl. Ef. 4:4,5). Christus Jezus wordt ‘de Apostel en Hogepriester’ genoemd van ‘onze belijdenis’ (Hebr. 3, 1, vgl. 4:14). De belijdenisgeschriften van de kerk zijn ontstaan om de eenheid te beschermen en bevorderen van dat koor van belijders dat met haar lofprijzend antwoord het Woord van haar God heeft gehoord en wil uitdragen.

 

De kerk heeft haar belijdenissen alleen kunnen formuleren en bindende kracht kunnen geven vanuit haar geloof in de eenheid, de volkomenheid en de duidelijkheid van de Bijbel. In het belijden van de kerk gaat het altijd om het samen begrepen Woord. Gods volk kan en moet het doen met wat haar geopenbaard is (Deut. 29:29). In het belijden gaat het om het weerkaatsen van ontvangen licht (Ps. 119:105,130, 1 Petr. 1:19). Het is het naspreken van het ene Woord van de ene Spreker. Wie deze katholiek-gereformeerde overtuigingen over de Heilige Schrift prijsgeeft, zal in een belijdenisgeschrift nooit meer kunnen zien dan een strikt persoonlijke expressie van geloofsbeleving, zonder enige normerende én samenbindende waarde. De belijdenis zal dan ook zeker steeds verder functieverlies moeten gaan lijden naarmate in een kerkgemeenschap het huidige postmoderne gekritiseer van elke waarheidsclaim gemeengoed gaat worden, omdat wij over niet meer zouden beschikken dan over onze beperkte inzichten over wat waarheid zou zijn. Zeker, wij kennen ten dele. De belijdende kerk verwoordt de waarheid niet allesomvattend en uitputtend. Bij lange na niet zelfs. En toch, om de eerder genoemde G Boer nog eenmaal te citeren uit een andere publicatie: “Maar dit ten dele kennen verhindert niet dat de waarheid als waarheid gekend wordt. De waarheid is geen samengesteld geheel waarvan de één dit deel en de ander weer een ander deel zou kennen, maar de waarheid is integraal, al kennen wij haar ten dele…. Om de waarheid te kennen, moeten wij uit de waarheid zijn. Daarom ontloopt de kerk de waarheidsvraag nooit. Dat is zichtbaar op de knooppunten van de kerkgeschiedenis. De Ketters hebben de kerk gedwongen op bepaalde punten te zeggen: Dat is de waarheid en dat is de leugen,” Aldus trefzeker ds. Boer. (G. Boer, Tijdbetrokken vreemdelingschap, Apeldoorn 2016 p. 594) 

 

Functies van de belijdenis

 

Nu is de dwaalleerwerende functie niet de enige of zelfs eerste functie van de belijdenis. En dat brengt me bij het volgende onderdeel: Welke functies heeft onze belijdenis eigenlijk? Ik zou dan de volgende zes functies willen noemen en kort toelichten:

 

(1) De belijdenis is allereerst een lofoffer van de kerk. In het spraakgebruik van de Schrift is het woord ‘belijden’ nauw verwant aan het ‘loven’ zo zei ik al. De naam en het werk van Vader worden geëerd en geprezen wanneer zijn kinderen Hem zijn eigen woorden laten terug horen. In zondag 12 belijden we dat christen zijn het op zó’n manier deel hebben aan Christus’ zalving met de Heilige Geest is, dat je als profeet zijn naam wilt belijden en als priester jezelf als levend dankoffer aan Hem gaat offeren (v/a 32 HC). In het belijden vloeien het profetische en priesterlijke van het christenleven heel mooi ineen. De belijdende woorden van de kerk zijn allereerst naar boven gericht!

 

(2) De belijdenis heeft vervolgens ook de functie van bindmiddel. Dat geldt voor de gelovigen samen in een gemeente. En ook voor kerken samen in een kerkverband. In haar belijdenis drukt de kerk uit wat je samenbindt én waar je aan gebonden bent. De kerk schermt zich ook ermee af, zowel tegen wat de beleden leer weerspreekt als tegen wat daarbovenuit wil binden. Belijden brengt samen onder het ene Woord, bij de ene Heer en zo aan zijn ene tafel. Daarom vraagt de kerk ook instemming met haar belijdenis aan ieder die belijdend lid van de kerk wil zijn en toegang verlangt tot het avondmaal. En dus niet alleen de ambtsdragers.

 

(3) De belijdenis wil in de derde plaats ook bescherming bieden. De gemeente van Christus heeft recht op het Woord van haar Heer. Daarom kan er geen leervrijheid in de kerk zijn en worden ambtsdragers nog weer eens extra nadrukkelijk aan de leer van de belijdenis gebonden door ondertekening van een bindingsformulier. Leervrijheid voor de prediker betekent hoordwang voor de gemeente, zo luidt een bekende uitspraak die, dacht ik, van K. Schilder stamt. En het is waar. De prediking en het kerkelijk onderwijs moeten betrouwbaar zijn. Ook de prediker zelf wordt daarmee beschermd tegen zichzelf en zijn zomaar te snelle enthousiasme over eigen vondsten en ontwikkelde inzichten. De belijdenis vormt een kritische tegeninstantie tegenover die inzichten. Ze stimuleert tot toetsing ervan en geeft de leerregel voor verkondiging en onderwijs. Ze beschermt op die manier tegen willekeurige bijbeluitleg en bevordert een uitleg die recht doet aan de eenheid en samenhang binnen de Schrift. En ze helpt oog te houden voor de rode draad binnen de Schrift zoals de kerk die vanaf de vroegste eeuwen in de Schrift heeft herkend. In dit verband typeert prof. J. van Bruggen ergens de verhouding van de oudkerkelijke belijdenisgeschriften tot de apostolische brieven van het NT fraai als ‘een explicitering van het impliciete’. (‘Het apostolisch evangelie als geloofsbelijdenis’, in: P.H.R van Houwelingen (red.), Apostelen – Dragers van een spraakmakend evangelie, Kampen 2010, p. 170)

 

(4) De belijdenis is in de vierde plaats ook een onderscheidingsteken van de zuiverheid van het geloof tegenover de ketterij. Belijdenisgeschriften vinden hun geboorteuur nogal eens in een tijd van strijd tegen dwaling. Ook al draagt een belijdenisgeschrift op die manier uiteraard de kleur van de strijd in de ontstaanstijd, toch is ze daarmee niet snel ook weer verouderd. Want zij kiest haar wapens uit het onveranderlijke Woord van God. Dat houdt de in de belijdenisgeschriften aangereikte bewapening effectief. Hoeveel oude dwalingen presenteren zich niet regelmatig opnieuw in wat andere jasjes? Met haar belijdenis help de kerk zichzelf om op de weg te blijven van de katholieke kerk. Hoe ook gekleurd door de ontstaanstijd, de kerk wil er toch nooit een eigen groepscode mee formuleren, maar juist bewaard blijven bij het ene fundament van de kerk, Christus en zijn leer.

 

(5) De belijdenis heeft ook een apologetische functie. Dat als vijfde. Ze is een publiek getuigenis van de kerk voor het forum van de wereld. De Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft die bedoeling zelfs vooropgezet. Op de titelpagina van de oorspronkelijk uitgave werd door Guido de Brès als motto 1 Petr. 3:15 geciteerd. De oproep van Petrus dus om ‘altijts bereydt’ te zijn om verantwoording af te leggen aan iedereen ‘die daar rekenschap begheert van der hope die in v is’.

 

(6) En last but not least valt ook de belangrijke catechetische functie van de belijdenis te noemen. De kerk geeft er onderwijs mee in de leer van Gods Woord. Al in het OT dringt de HERE aan op goede geloofsoverdracht van de ene generatie naar de andere (bijv. Deut. 6: 1-9, 20-25, 11:1-8, 18-21, Joz. 4:21-24, Ps. 78:1-8). Petrus roept kerken op om niet verzeild te raken op dwaalwegen en om de standvastigheid niet te laten varen. Daarom dringt hij in 1 Petr. 3: 17v. aan op groei in de genade en in de kennis van onze Here en Redder Jezus Christus. Nieuwe generaties moeten daarin meegenomen worden, zodat ook zij bewaard zullen blijven bij hetzelfde geloof. Belijdenisgeschriften spelen daarbij een belangrijke rol. In het kerkelijk onderwijs ga je dan samen aan de voeten zitten van de gelovigen die als belijders ons zijn voorgegaan en ons de goede belijdenis leren. De Heidelbergse Catechismus is juist voor deze onderwijzende functie speciaal gemaakt. De taal van Gods Woord moet de kinderen eigen gemaakt worden. Ook met behulp van de antwoordende taal van de kerk. Zo worden nieuwe generaties zover gebracht dat zij met hun ‘ja’ op de vragen bij de openbare geloofsbelijdenis hun plaats gaan innemen in het koor van de kerk die ‘amen’ zegt op het beloftewoord van haar Heer. 

 

Wordt vervolgd