Ethiek

Rond de Schrift

Signalen


Meditatie
Elke woensdagavond van 19.00 tot 19.20 uur.
Ds. M.A. Sneep en ds. H.G. Gunnink

https://kerkdienstgemist.nl/stations/788-Gereformeerde-Kerk-Groningen

Schriftoverdenking
Elke woensdagavond van 20.30 tot 20.50 uur.
Ds. C. Koster

https://dgk-lansingerland.nl/nieuws/live-kijken



 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Zekerheid van het geloof

Recensie: J.P.C. Vreugdenhil, Zekerheid van het geloof; Heidelberg tegenover Westminster?

 

Wilbert J. Heeringa

14-11-20

 

Inleiding

 

Bij Stichting Gereformeerd Maandblad[i] is een brochure verschenen van de hand van br. J.P.C. Vreugdenhil onder de titel 'Zekerheid van het geloof: Heidelberg tegenover Westminster?'[ii] In deze brochure vergelijkt de auteur het spreken over de zekerheid van het geloof in de Westminster Standaarden met het spreken over hetzelfde onderwerp in de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels.

 

De Westminster Standaarden (WS) omvatten een geloofsbelijdenis, een grote catechismus en een kleine catechismus. De drie documenten werden opgesteld in de jaren 1643-1649 door de Westminster Assembly, een raad van theologen en leden van het Engelse parlement die waren aangesteld om de kerk van Engeland te herstructureren.[iii] Vooral Presbyteriaanse kerken[iv] hebben deze documenten als hun belijdenisgeschiften, precies zoals wij de Drie Formulieren van Eenheid hebben.

 

De vergelijking die Vreugdenhil in de brochure maakt is wel heel actueel. Immers, de Liberated Reformed Church of Abbotsford - de enige zusterkerk van DGK - heeft grote bezwaren tegen de Westminster Standaarden.[v] Nadat DGK en de LRCA een zusterkerkrelatie hadden gesloten, gaf de Generale Synode van Hasselt 2011 de deputaten buitenlandse betrekkingen de opdracht tot het verrichten van een grondige studie “naar de Westminster Confessie (in samenhang met de Westminster catechismus), met name m.b.t. de Schriftuurlijkheid van de kerkvisie en de verbondsvisie in deze geschriften.” Bijna alle deputaten kwamen toen tot de conclusie dat een zusterkerkrelatie met een kerk die de WS als belijdenis voert niet verantwoord is, tenzij de WS fors wordt aangepast, of - en liever nog - de WS ingeruild wordt voor de Drie Formulieren van Eenheid. Deze conclusie werd onderbouwd in een lijvig rapport. De conclusie van de deputaten was voor velen onverwacht omdat de Gerformeerden Kerken in Nederland in de laatste eeuwen altijd banden hadden gehad met kerken die de WS als belijdenisgeschriften hadden.
 

De Generale Synode van Groningen 2014 die zich over dit rapport moest buigen, heeft dit rapport niet voor haar rekening genomen.[vi] Deze synode heeft zich zelfs niet daadwerkelijk geconfronteerd met de inhoud van dit rapport. Zij meende dat er binnen de kerken onvoldoende expertise was om het rapport te beoordelen. Het is dan ook moedig van br. Vreugdenhil dat hij dit wel aandurft. Wie het leest ziet wel dat hij daarbij niet over een nacht ijs is gegaan. Dat verbaast niet als we lezen dat hij na zijn pensioen in 2016 een Master of Theological Studies behaalde aan de Mid-America Reformed Seminary in de Verenigde Staten, en nu werkt aan een dissertatie op het gebied van de homiletiek (preekkunde).

 

We willen nu iets uit de brochure aan u doorgeven, maar niet alles, we hebben namelijk liever dat u deze brochure zelf leest en overdenkt.
 

Wat is het probleem?

 

In de Heidelbergse Catechismus lezen we in Zondag 7 vraag & antwoord 21 dat waar geloof

 

een stellig weten [is] waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Tegelijk is het een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus.

 

Wat zeggen nu de Westminster Standaarden daarover? De Westminster Geloofsbelijdenis zegt in hoofdstuk 18 dat ware gelovigen

 

zich in dit leven stellig ervan verzekerd weten dat zij in staat van genade leven. Zij mogen roemen in de hoop op de heerlijkheid van God, welke hoop hen nooit beschaamd zal maken (18.1).

 

Dat lijkt goed aan te sluiten bij de Heidelbergse Catechismus. Maar de Westminster Geloofsbelijdenis voegt daar nog het volgende aan toe:

 

Deze onfeilbare zekerheid behoort niet zó tot het wezen van het geloof, dat een ware gelovige niet soms lang moet wachten en op veel moeilijkheden stuit eer hij daaraan deel krijgt (18.3). Onderstreping WJH.

 

Het kan ware gelovigen overkomen dat de zekerheid van hun zaligheid op verschillende manieren wankelt, afneemt en onderbroken wordt. … Toch zijn ze nooit helemaal verstoken van het zaad van God en het leven des geloofs …, waaruit door de werking van de Geest, deze zekerheid te zijner tijd weer levendgemaakt kan worden, en waardoor zij intussen bewaard worden voor totale wanhoop (18.4).

 

In de Grote Catechimus lezen we in vraag & antwoord 81:

 

Zijn alle ware gelovigen er altijd van verzekerd dat ze op dat moment in de staat van genade zijn en zalig zullen worden?

 

Aangezien de verzekerdheid der genade en zaligheid niet tot het wezen van het geloof behoort, kunnen ware gelovigen wel eens lang moeten wachten tot ze haar krijgen. En nadat ze haar genoten hebben kan zij verzwakt en onderbroken worden door veelvuldige beroeringen, zonden, verzoekingen en gevoel van verlatenheid. Toch worden ze nooit zonder de aanwezigheid en steun van de Geest van God gelaten, die hen ervoor bewaart dat ze in uiterste wanhoop zouden vervallen. Onderstreping WJH.

 

In zijn commentaar op vraag & antwoord 81 schrijft Geerhardus Johannes Vos:

 

This means that true saving faith in Christ may exist without assurance of salvation in the believer’s own mind. A person may have true faith, and be really saved, without being sure of his salvation in his own consciousness. Onderstreping WJH.

 

In het meerderheidsrapport schrijven de deputaten nu:

 

Zowel de WGB (hoofdstuk 18, par. 3) als de WGC (V&A 81) stellen dan dat de zekerheid niet tot het “wezen” van het geloof hoort. In WGB 18, par.3 kan dit nog enigszins goed geduid worden als daar gesteld wordt: de zekerheid behoort niet zó (zozeer) tot het geloof, dat een ware gelovige niet soms lang moet wachten voordat hij er deel aan krijgt. Met andere woorden, zelfs een ware gelovige moet  wel eens lang wachten voor dat hij zeker is van zijn geloof. Maar WGC V&A 81 stelt toch veel scherper: de zekerheid behoort niet tot het wezen van het geloof.

 

Er lijkt dus een verschil te zijn tussen de Heidelbergse Catechismus die klip en klaar spreekt van een ‘stellig weten’ en ‘vast vertrouwen’ als de kenmerken van geloof, terwijl de WS zegt dat zekerheid niet (zozeer) tot het (wezen van) het geloof behoort.

 

De spanningen opgelost

 

In artikel 14.3 van de Westminster Belijdenis lezen we over ‘reddend geloof’:

 

Dit geloof verschilt in graden: het is zwak of sterk. Het kan vaak en op verschillende manieren aangevallen en verzwakt worden. Toch behaalt het de overwinning. Het groeit in velen op tot een volle verzekerdheid door Christus, Die zowel de Auteur en de Voleinder van ons geloof is.

 

Br. Vreugendehil wijst erop dat de WS het verkrijgen van de zekerheid van het geloof hier beschrijft als een soort proces, waarbij de zekerheid verkregen wordt “door het gebruik van de gewone genademiddelen: prediking, sacrament, gebed, en ook door het herkennen van Gods gaven in het eigen leven.”

 

Dit alles wordt bevestigd in onze ‘eigen’ Dordtse leerregels in hoofdstuk I artikel 12: “Van hun eeuwige en onveranderlijke verkiezing tot behoud worden de uitverkorenen, ieder op zijn tijd, verzekerd, zij het niet bij iedereen even sterk en in gelijke mate.” Ook hier wordt de zekerheid beschreven als een doorgaand proces, niet als een zekerheid die altijd aanwezig is zodra iemand gelooft.

 

Hoe verhoudt vraag & antwoord 21 uit de Heidelbergse Catechismus (HC) zich nu tot dit alles? Graag geef ik u door wat Vreugdenhil over deze vraag en antwoord zegt in paragraaf 3.3 van de brochure. Allereerst maakt het antwoord onderscheid tussen een ‘stellig weten’ en een ‘vast vertrouwen.’ Kijken we nu preciezer naar het ‘vast vertrouwen’ dan valt het op dat er staat dat de Heilige Geest dat in mijn hart werkt (onvoltooid tegenwoordige tijd), en niet : heeft gewerkt (voltooid tegenwoordige tijd). Maar over de ‘vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid een eeuwig heil’ lezen we dat ze door God geschonken zijn, dat is wel weer voltooid tegenwoordige tijd.

 

En nu betrekt br. Vreugdenhil daar antwoord 1 van Zondag 1 bij. Daar lezen we dat de Heilige Geest mij zekerheid geeft (onvoltooid tegenwoordige tijd), en niet: heeft gegeven (voltooid tegenwoordige tijd). Tegelijk zegt de HC daar dat Jezus Christus voor mijn zonden heeft betaald en mij uit de macht van de duivel heeft verlost (voltooid tegenwoordige tijd).

 

En zo blijkt er geen spanning te bestaan tussen de Heidelbergse Catechismus en de WS als het gaat over de zekerheid dat ook ìk deel heb aan ‘vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil’. Want beide belijdenissen spreken over deze zekerheid als een voortgaand proces in het leven van de gelovige.

 

We zien ook in beide belijdenissen dat het de Geest is die werkt aan die zekerheid: de Heilige Geest werkt in mijn hart zekerheid (Heidelbergse Catechismus, antwoord 21), de werking van de Geest maakt de zekerheid levend (Westminster Geloofsbelijdenis 18.4),  de aanwezigheid en steun van de Geest van God bewaart voor wanhoop (Westminster Grote Catechismus, antwoord 81).

 

De “Marrow men”

 

Br. Vreugdenhil schrijft ook over de Marrow Men, een groep predikanten binnen de Kerk van Schotland tussen 1717 en 1722 die benadrukte dat redding vrij en onvoorwaardelijk aangeboden wordt aan een ieder die in geloof op Christus ziet. Daartegenover stonden de ‘gematigden’ die vonden dat redding pas aageboden kan worden als voldaan is aan de voorwaarden van geloof en berouw. Iemand kan Christus alleen ontvangen als die de zonde verzaakt heeft.[vii]

 

Over deze Marrow Men schrijft Vreugdenhil dat ze

 

zowel Calvijns nadruk op de zekerheid van het geloof [wilden] aanvaarden, als het onderwijs in de Westminster documenten. Zij maakten een onderscheid tussen de “zekerheid van geloof” en de “zekerheid van gevoel”: Zekerheid van geloof, de wortel, is, volgens de definitie van de Broeders (d.w.z. de Marrow Men) het wezen van het geloof en duidelijk de essentie ervan. Zekerheid van gevoel, de vrucht van het welwezen van het geloof, is daarentegen niet altijd aanwezig bij het geloof en dus niet de essentie ervan. Onderstreping WJH.

 

Mijn vraag hier is of je dit kunt verbinden aan antwoord 21 van de Heidelbergse Catechismus, waarbij het ‘stellig weten’ de wortel van het geloof is, en het ‘vast vertrouwen’ (vertrouwen is immers ‘gevoel’) de vrucht van het geloof. De wortel is dan het zeker weten dat alles in Gods Woord betrouwbaar is. De vrucht is het zeker weten dat ook ìk voor eeuwig gered ben.

 

Br. Vreugdenhil verwijst vervolgens naar het commentaar van A.A. Hodge op artikel 18.3 van de Westminster Geloofsbelijdenis die een vergelijkbare tweedeling noemt, namelijk zekerheid met betrekking tot de waarheid van Christus enerzijds (wel essentie van het geloof), en de zekerheid dat we gered zijn, rustend op het gevoel en als vrucht van het geloof anderzijds (behoort niet tot de essentie van het geloof). Wanneer nu artikel 18.3 spreekt over ‘onfeilbare zekerheid’, gaat het over de zekerheid van gevoel.

 

Overzicht

 

Met enige voorzichtigheid kunnen we bovenstaande misschien schematisch zo samenvatten:

 

 

Ten slotte

 

De brochure van br. Vreugdenhil biedt veel om over na te denken. Graag beveel ik deze brochure bij u aan.[viii] Veel van wat hij schrijft bewaart ons voor dopers denken, met name als het gaat om de ‘zekerheid van het geloof’. Het kàn bij de gelovigen daadwerkelijk ontbreken aan zekerheid over hun redding, als ze zien op hun zonde en schuld. Denkt u maar aan David als hij bidt: “Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht” (Psalm 51:6). Of Psalm 88:15: “HEERE, waarom verstoot U mijn ziel? Waarom verbergt U Uw aangezicht voor mij?”

 

In zijn verklaring over artikel 18.3 en 18.4 van de Westminster Geloofsbelijdenis schrijft G.I. Williamson daarover:

 

There are many exhortations in  the Bible urging believers to strive for, and attain unto, this assurance (Heb. 10:22; 6:11; 2 Pet. 1:10). But if all believers were required to have full assurance as the essence of saving faith, there would be no need to exhort them, because, being believers, they would on this view already have it.

 

In dezelfde lijn schrijft Vreugdenhil als hij wijst op de sacramenten:

 

Als toch de sacramenten bestemd zijn voor de gelovigen, waarom hebben zij dan nog deze bevestiging (verzekering) nodig, als geloof al een volledige zekerheid zou inhouden? Maar antwoord 81 voegt toe dat de sacramenten zijn bestemd voor hen die “begeren hoe langer hoe meer hun geloof te versterken”.

 

Tegelijk wijzen beide schrijvers erop dat dat vaste vertrouwen er wel behoort te zijn. Williamson:

 

But such exhortations also teach us that believers may and ought to attain unto full assurance even though it is not the essence of faith. “And we desire that each one of you show the same diligence to the full assurance of hope” (Heb. 6:11). Onderstrepingen zijn oorspronkelijk.

 

Vreugdenhil:

 

Dat vertrouwen behoort bij het geloof, het behoort er  te zijn, net zoals zonde er niet behoort te zijn.

 

Daarom gaf de HEERE de gelovigen de middelen om dat vertrouwen te verkrijgen: Zijn Woord, de prediking, de sacramenten. De manier waarop met name het Heilig Avondmaal ons verzekert, wordt heel mooi beschreven in antwoord 75 van de Heidelberge Catechismus. Zo zeker als ik brood en wijn uit de hand van de ouderling ontvang en met de mond geniet, zo zeker is het dat ik deel heb aan het gekruisigd lichaam en vergoten bloed van de Heere Jezus Christus. De Heilige Geest gebruikt dit wondermooie sacrament om dat vaste vertrouwen in ons te werken.

 

NOTEN


[i]Dit is een stichting binnen de Gereformeerde Kerken Nederland die het blad ‘Weerklank’ uitgeeft evenals verschillende boeken en brochures, zie: https://www.gereformeerdmaandblad.nl/info/ .

[vi]Een minderheidsrapport dat door één van de deputaten werd ingediend heeft deze synode eveneens niet voor haar rekening genomen.