Ethiek

Rond de Schrift

Signalen

De bezinningsgroep Rijnsburg e.o. belegt D.V. op 26 september a.s. een voorlichtingsavond over:

Schriftgezag en hermeneutiek (Bijbeluitleg)

Spreker: dr. R.T. (Dolf) te Velde.

Plaats: kerkgebouw GKv Rijnsburg, Katwijkerweg 1a, 2231 SE Rijnsburg.
Aanvang: 20.00 uur.
Zie verder onder Nieuwe artikelen, click Schriftgezag en hermeneutiek

 


 

 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Over God’s grootheid en scheppingsorde



 

J. Peters
21-05-11

 

Een antwoord
Op 5 februari 2011 startte ik, n.a.v. een artikel in Nader Bekeken van ds. F.J. Bijzet uit Brouwershaven, een serie artikelen onder de naam ‘Afscheiden’ .
Het artikel van ds. Bijzet kopte: ‘De les van Calvijn: scheid je niet te snel af!’
Met die les van Calvijn in het achterhoofd werden door mij de kerkelijke moeiten binnen de GKV breed aan de orde gesteld en benoemd. Daar mijn artikelen een reactie waren op het artikel van Bijzet speelde op de achtergrond steeds mee of de bezwaarde broeders en zusters in de GKV nú zich bij het verlaten te snel zouden afscheiden. Op 19 februari 2011 werd in het tweede artikel een preek van ds. G.E. Geerds (Ommen) op eiw.nl geplaatst waarop ik inhoudelijk kritiek gaf in mijn derde artikel dat verscheen op 26 februari 2011.
En daarop kwam reactie. Van ds. Geerds zelf.

Reactie en beschuldigingen van ds. Geerds
Ds. Geerds reageerde met een uitgebreide mail naar eiw.nl op maandag 28 februari 2011. Bij die mail had hij een bijlage gevoegd die een nog uitgebreider antwoord bevatte op de kritiek op preek die hij hield in Capelle aan den IJssel op 31 oktober 2010. Dit uitgebreide antwoord verstrekte hij aan de kerkenraad van Capelle aan den IJssel, nadat deze hem vragen had gesteld n.a.v. de preek die hij aldaar had gehouden.
In verband met het stopzetten van de activiteiten van eiw.nl rondom die periode is zijn mail nimmer beantwoord. Pas onlangs kreeg ik de mail van ds. Geerds onder ogen met het verzoek om publiek te reageren.
Ik zal proberen daaraan te voldoen. En ik wil het proberen, omdat ds. Geerds daar recht op heeft. Hij heeft uitgebreid gereageerd en voelt zich tekort gedaan door mijn kritiek. Hij is van mening dat ik niet zorgvuldig met hem, als dienaar van Gods Woord, ben omgegaan. Hij is van mening dat bij mij het negende gebod niet functioneert.

Reactie op ds. Geerds’ beschuldigingen
Het spijt mij dat ds. Geerds door mijn artikel de indruk heeft gekregen dat ik met hem als dienaar van Gods Woord onzorgvuldig zou zijn omgegaan. Dat heb ik niet gewild. Ik heb in alle eerlijkheid getracht de woorden en inhoud van de preek van ds. Geerds goed weer te geven. Ik zal naar zijn overtuiging verkeerde woorden hebben gebruikt en verkeerde conclusies hebben getrokken. Het zij zo, maar ik heb naar eer en geweten nooit de bedoeling gehad om onzorgvuldig met hem om te gaan. Integendeel, ik heb vele malen zijn preek gelezen, literatuur erop nageslagen, anderen gehoord hierover, en nog meer. Voor ik verder ga wil ik dat gezegd hebben. Mijn excuses ds. Geerds.

Wat gaan we doen?
We gaan de mail van ds. Geerds deel voor deel doornemen en als het nodig is zijn antwoord, zijn toelichting op de preek. Zijn antwoord zal in zijn geheel worden gepubliceerd in dit artikel. Het lijkt mij dat we ds. Geerds daarmee recht doen.

Mail ds. Geerds:
“Zojuist kennis genomen van de bespreking en afwijzing van mijn preek. Het is duidelijk dat de recensent die ziet als een voorbeeld van aantasting van wat God ons in de heilige Schrift openbaart. Een zeer ernstig verwijt. Uit de inleiding van dezelfde preek ( op 31 okt.!) kan duidelijk zijn hoe ernstig ikzelf dat vind. En ook dat mijn preek juist een bijdrage wilde leveren aan het wegnemen van twijfels rond het begin van de Bijbel. Twijfels die naar ik meen niet worden veroorzaakt door wat de heilige Geest hier zegt en ook niet door zorgvuldig wetenschappelijk onderzoek (dat haar eigen grenzen in acht neemt), maar door het al te vanzelfsprekende vooroordeel waarmee mensen van 'de moderne tijd' (vanaf zeg 1800) geneigd zijn het begin van de Bijbel te lezen”.

Reactie:
Ik heb de lezers in de inleiding van mijn tweede artikel erop gewezen dat ds. Geerds mooi had gesproken over de grootheid van onze God in zijn schepping en het dienen van Hem. En zijn wens om als de Alpha en de Omega van zijn volk met hen samen te willen wonen. Dat Gods macht al straalde vanaf het begin van de schepping. God moest erkend worden als Schepper en tot zijn eer moeten wij leven. En ja, ds. Geerds heeft op zijn eigen wijze geprobeerd twijfels weg te nemen door te spreken over de zekerheid die we door de Heilige Geest mogen bezitten en die we belijden in de artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Volgens ds. Geerds worden twijfels juist veroorzaakt door het al te vanzelfsprekende vooroordeel  waarmee mensen van ‘de moderne tijd’ geneigd zijn het begin van de Bijbel te lezen. Dat vanzelfsprekende vooroordeel is dan dat de moderne mens denkt alles te kunnen verklaren met zijn kennis en verstand en hulp van de moderne wetenschap. Daar heeft ds. Geerds een raak punt. Wie de Bijbel leest met het idee dat deze kan worden verklaard en doorzien met het verstand heeft het mis. Wel typerend voor een mens, die hoogmoed. Wie zijn verstand voorrang geeft boven wat God ons geopenbaard heeft, en waarvan Hij wil dat dit onvoorwaardelijk wordt geloofd, gáát ook twijfelen. Die twijfel staat haaks op Gods Woord en het door de Geest geschonken geloof dat geen twijfel kent. De belijdenis die zegt in artikel 5 als ze spreekt over het gezag van de Heilige Schrift: “En zonder in enig opzicht te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten.” Om een zin verderop te belijden: “Dat doen wij…..vooral omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn”. Ik merk op dat we hier niet spreken over de moeite in het leven van Gods kinderen, waardoor ook zij wel eens aan het twijfelen slaan. Wie kent dat niet? Daar ligt het zwaartepunt in deze discussie niet. Dat ligt in het punt van hoe de Schrift als Woord van onze God moet worden verstaan met wat zij de mensenkinderen heeft geopenbaard. Geeft de Heilige Schrift de scheppingsvolgorde trouw weer en mogen we die zo geloven of doet de volgorde er niet toe en gaat het om de grootheid van onze God? Ik heb in mijn artikel aangetoond dat de volgorde van de scheppingsdagen er bij ds. Geerds niet toe doet. Naast het bezingen van de grootheid van onze God vind ik dit net zo belangrijk. De volgorde van de scheppingsdagen wordt door mij aangenomen zoals ze is geopenbaard. Een gelovige aanname, geen vooroordeel.
De bijlage (Geerds nadere verantwoording op zijn gehouden preek) spreekt anders als dat ik geloof. Daar staat aan het einde:
‘Dit – niet door Israël (!), maar door God zelf gekozen ‘openbarings-kader’ (6 dagen + de sabbat) laat zich niet ‘uit-meten’ in tijd en volgorde. Deze openbaring over het ontzagwekkende scheppingsgebeuren leent zich er niet voor om te worden gelezen en uitgelegd als een (wetenschappelijk) werkverslag (een ‘weekjournaal’), zoals wij dat van ons werk  - dat wij mensen overzien - kunnen geven. In het algemeen gesproken, heeft de openbaring van Gods grote werken eenvoudigweg een ander doel. Zie NGB artt. 2, 3, 5 en 7.)’.
Als Genesis ons het verslag biedt van het overzicht van God en dat Hij zag dat het goed was betekent voor mij ook dat God zijn dag voor mij samenvat en presenteert. Het betekent ook, dat ik niet alles te horen krijgen van wat Hij die dag precies gedaan heeft. Ook daarvan krijg ik de hoofdsom. Als ik in Marcus 4 lees: “En Hij leerde hun vele dingen in gelijkenissen, en Hij zeide tot hen in zijn onderwijs….” dan volgt daar enkel de gelijkenis van de zaaier. Zoals niet alles in het leven van de Here Jezus is opgetekend zo is ons niet alles van de schepping geopenbaard. Maar daar gaat de discussie toch niet over? Zij gaat over: wat ons is geopenbaard moet gelovig worden aanvaard. Daar hoort de volgorde van de scheppingsdagen bi
j.

Mail ds. Geerds:
“Nu is het zo dat ik er  d a a r o m  ook meteen tijd voor heb gemaakt (men lette daarop!) om te antwoorden op kritische vragen die - al heel kort na het houden van deze preek in Cappelle a.d. Ijssel, niet door de kerkenraad, maar wel door een broeder (of misschien twee) binnen die kerkenraad - bij deze preek zijn gesteld. Ik ga ervan uit dat de broeder die ervoor heeft gezorgd dat deze preek een plaats kreeg op de site van één-in-waarheid, ook kennis heeft kunnen nemen van mijn antwoord. Jammer dat mijn recensent dat antwoord niet heeft geplaatst. Dan zou meteen duidelijk worden dat hij mij dingen toeschrijft die ik juist bestrijdt. Het belangrijkste daarin is wel dat ik zou tegenspreken dat - ook al is er sprake van 'poëtische elementen' (die ook door dr. de Vries - ik ken zijn dissertatie, hij is overigens geen exegeet - niet worden ontkend) - het begin van de Bijbel wel degelijk op betrouwbare wijze de grote werken van God verhaalt! Ik wijs er evenwel op dat dit evangelie over Gods scheppingswerken een andere boodschap predikte (aan Israël) en predikt (aan de christelijke kerk van vandaag) dan er, heel begrijpelijk maar toch ten onrechte, 'veel te kort door de bocht' is 'ingelezen' ,  ten gevolge van het genoemde vooroordeel: alsof het hier gaat om zoiets als een 'weekjournaal'.  Hoe sterk dit vooroordeel is, mag blijken uit de vanzelfsprekendheid waarmee mijn conclusie (: het gaat hier niet om een 'weekjournaal') eigenlijk zondermeer als een aantasting van de betrouwbaarheid van dit evangelie over Gods scheppingswerken wordt gebrandmerkt. Dan ben je veel te snel klaar met het luisteren naar wat de Geest hier tegen de gemeente te zeggen heeft.”

Reactie:
Ik had inderdaad bij het plaatsen van de preek op de site van eeninwaarheid kennis van uw antwoord. Ik heb uw antwoord niet geplaatst, omdat mijn kerkenraad schreef in het plaatselijke kerkblad: “Ieder mag deze reactie lezen, maar u mag het zonder persoonlijke toestemming van ds. Geerds niet verder verspreiden”.
Ik begreep dat niet goed. Een preek die publiek werd gehouden, uw antwoord dat als samenvatting in het kerkblad werd geplaatst en dat door de gemeente in extenso was te lezen op de site van de Gereformeerde Kerk te Capelle aan den IJssel Zuid/West, mocht door de kerkenraad niet worden gebruikt om verder te verspreiden. Nu blijkt in de mail van ds. Geerds dat hij daar (achteraf?) geen moeite mee zou hebben gehad. We zullen het er maar op houden dat mijn kerkenraad op eigen initiatief verdere verspreiding wilde tegengaan. Mogelijk om verdere problemen met ds. Geerds te voorkomen. In de discussie speelt het geen rol. Ik had aan de preek genoeg, hetgeen ook uit uw antwoord en deze mail blijkt. Ik weet ook niet wie er vragen in de kerkenraad over uw preek hebben gesteld. Ik heb over uw prediking in ieder geval wel vragen aan mijn kerkenraad gesteld. Verder is het antwoord van ds. Geerds in zijn geheel opgenomen in dit artikel.

Eigenlijk is het vervolg van zijn aanhaling meer van hetzelfde. Genesis 1 gaat over de grootheid van God en ds. Geerds heeft op betrouwbare wijze de grote werken van God verhaald. Die boodschap is een andere dan wat ik erin lees namelijk, dat het hier (i.t.t. wat Geerds beweert) een weekjournaal betreft. Zo vanzelfsprekend de Bijbel lezen schept een vooroordeel, dat volgens Geerds de betrouwbaarheid van dat Woord aantast. Hier draait Geerds zijn beschuldiging om. Ik ben nu degene die het Woord aantast.
Naar mijn idee komen we zo niet verder. Geerds blijft accentueren dat het in het begin gaat om de grootheid van God. Daarin heeft hij gelijk. Maar vanuit die grootheid wil hij gaan onderbouwen dat de volgorde van de schepping niet behoeft te worden geloofd, zoals ze ons is geopenbaard.
Hij schrijft in zijn mail dat het jammer is dat ik zijn antwoord niet had geplaatst. Dan zou direct duidelijk worden dat ik hem dingen had toegeschreven die hij juist bestreed. Uit zijn antwoord is mij gebleken dat hij de grootheid van onze God en ons behoud plaatst boven de openbaring van de scheppingsvolgorde. Daar maakte ik bezwaar tegen. Dat bezwaar heb ik nog, omdat hier een onjuiste kwalificatie plaatsvindt van twee grootheden die in alle verwevenheid zelfstandig naast elkaar moeten blijven bestaan.
Geerds schrijft op pagina 1 van zijn antwoord:
Bij die manier van lezen (nl. het geloven in een scheppingsvolgorde, JP) heb ik de vraag gesteld of je zó wel zicht krijgt op wat de Geest van God hier aan Zijn volk heeft te zeggen. Vandaag niet minder dan in de dagen van Mozes. Het evangelie van het begin van de wereld en van de mensheid stelt, naar ik meen, andere én belangrijker (!) dingen aan de orde dan het verstrekken van bedoelde informatie. (Hoe benieuwd wij mensen daar ook naar kunnen zijn.). De Geest van God betuigt dit immers aan het adres van Gods gemeente in de wereld van ná (!) de zondeval. Het gaat van meet af aan om de eer van onze God en om ons behoud . En dat in één evangelie-verband.”
Let op dat, volgens ds. Geerds, Genesis 1 en 2 andere en belangrijker dingen aan de orde stellen dan het verstrekken van zó bedoelde informatie.
In dat licht lees ik zijn verklaring van Genesis als poëzie. Zo verstond ik zijn preek. 

Mail ds. Geerds:
“Aan de argumenten, die ik alle ontleen aan de tekst van de heilige Schrift zelf,  Gen. 1 (en 2) èn Ex. (de hoofdstukken over de bouw van de tabernakel), en nergens aan 'de wetenschap' (!), gaat hij geheel voorbij. Wat hij aan het eind schrijft over het aantasten van de eenheid tussen Gen. 1 en Joh. 1 en van de argumentatie van de apostel Paulus m.b.t. het onderscheid dat de HEER zelf heeft gemaakt binnen de elkaar aanvullende dienst van mannen en vrouwen is duidelijk in strijd met wat ik tot op vandaag uitdraag. Hoe functioneert hier wat de HEER ons leert in het negende gebod? (Zie de Catechismus hierover.) Dat is een oprechte klacht, want ik draag ook zelf de littekens van oppositie tegen de Gereformeerde leer en dienst.”

Reactie:
Geerds had graag gezien dat ik was ingegaan op zijn argumenten ontleend aan Genesis 1 en 2 en Exodus. Ik betwijfel de noodzaak en het nut ervan als hij in zijn antwoord op pagina 3 beweert, dat ik vastloop met mijn opvatting van ‘weekjournaal’, omdat hij dit met Genesis 2 eenvoudig heeft aangetoond. Hij beweert dat uit zijn opmerkingen, die na deze uitspraak volgen, kan blijken dat Genesis 1 helemaal niet de bedoeling hééft om te spreken van een weekjournaal. Het gemak waarmee ds. Geerds deze opmerking uit zijn mouw schudde verbaast mij ten zeerste. Als dít het argument is dat moet overtuigen dan zijn vele theologen van naam goed blind geweest en nog steeds. Het verschil tussen Genesis 1 van de schepping als feit en het begin van het verhaal van de mensheid in die schepping volgens Genesis 2 moet ook hem bekend zijn.

1.      Ds. Geerds opmerkingen bestaan o.a. uit het feit dat acht scheppingswerken plaats hadden in zes dagen. In het scheppingsverslag wordt tien keer vermeld dat het goed was. Hij noemt nog meer aantallen en merkt op dat dit alles bij het zorgvuldig lezen van de grondtekst opvalt. Leest u zijn antwoord. Ook dat van Exodus. Er zijn enkele redenen waarom ik niet ben ingegaan op die teksten.

Ik kan geen grondtekst lezen, maar neem zonder meer van Geerds graag aan dat bepaalde zaken ongetwijfeld zullen opvallen;

2.      Ik kan me niet voorstellen dat alleen Geerds dit is opgevallen ter ondersteuning van zijn bewering dat er geen sprake is van een scheppingsvolgorde. Maar deze wijze van onderbouwen in de huidige discussies over dit onderwerp ben ik nog niet eerder tegengekomen. Ik ben geen theoloog en heb maar een beperkte visie;

3.      Zijn argumentatie heeft mij niet overtuigd. Ook niet bij gewoon lezen van zijn opmerkingen;

4.      Mijn eerste indruk is dat de opmerkingen van ds. Geerds beter onder de noemer van Gods grootheid en heiligheid kunnen worden geplaatst.

 

Hij spreekt over de ‘aanvullende dienst van mannen en vrouwen’. Ik sprak in mijn artikel over de scheppingsvolgorde van man en daarna vrouw op grond van wat Paulus ons daarover leert. Ik kwam daarover te spreken in het licht van ons onderwerp. En nog steeds ben ik van mening dat wanneer de scheppingsvolgorde niet wordt erkend vroeg of laat moeiten zullen gaan ontstaan over de vrouw in het ambt. Daarmee heb ik niet willen beweren dat ds. Geerds die mening is toegedaan of dat voorstander daarvan is. In mijn artikel schreef ik dan ook: ‘Het betreft niet ds. Geerds die hier een preek over hield’.
Kennelijk heeft hij daar over heen gelezen, want Geerds wordt nu scherp. Bij mij functioneert het negende gebod niet. En die klacht vindt hij terecht. Ik heb dus het negende gebod overtreden. Dit vind ik vergezocht. Ik ga daar verder niet op, want dan maak je de zaak alleen maar erger. Ik wil wel kwijt dat ik op geen enkele manier met opzet hier de naam van ds. Geerds door het slijk wil halen als bedoeld in het negende gebod. Met eer en geweten schrijf ik mijn visie en kritiek neer. Ik sluit me op het onderhavige punt inhoudelijk aan op wat anderen eerder over dit onderwerp schreven. Het kan toch niet zo zijn dat ik tegen mijn overtuiging in van wat waarheid is Geerds’ naam en visie moet gaan verdedigen? Kortom, er mag toch wel kritiek geoefend worden? Misschien schrijf ik inderdaad wel eens te stevig, maar niet om u te krenken of af te schrijven in het licht van het negende gebod. Als ik zou weten van mezelf dat ik daar mee bezig zou zijn, zou ik er subiet mee stoppen. Ik wil dit niet op de persoon spelen. We moeten het in het grote geheel van het verval van de GKV zien. En dat u nu net die preek moest houden, het zij zo. Er zijn meerdere predikanten die er zo als u over denken (en preken?). U bent gewoon eerlijk geweest in uw preek. En ik ben dat in mijn schrijven.

Mail ds. Geerds:
In dat verband ('hoor en wederhoor')  de vrraag (tevens een verzoek): waarom wordt mijn eigen toelichting (die overigens niet komt met heel andere inzichten, maar die wel - op het punt in geding - de argumentatie nader accentueert) niet gebruikt om mijn preek gewoon eerlijk te helpen beluisteren/'bevragen' en vervolgens te toesten aan de Schriften zelf - ipv aan het eigen vooroordeel. Want die vallen niet vanzelfsprekend samen.
Het is niet zo moeilijk je af te maken van een karikatuur. Het zal de recensent wel verbazen dat ik tot op vandaag het gewraakte opstel van drs. Doedens niet eens heb gelezen. Dat heeft heel practische oorzaken. Ik draag al sinds mijn studententijd kennis van 'de zog. kadertheorie' en heb
tot op vandaag bezwaar gehouden tegen de klassieke uitgangspunten van die theorie (plaats ook kritische kanttekeningen bij de manier waarop die - ook onder ons, soms ook wel met de duidelijke intentie om een goede verklaring te komen - te gemakkelijk wordt gevolgd. (Ik doe dat dus niet!)  Ik zeg dan ook heel nadrukkelijk in mijn preek dat Gen 1 niet mag worden gelezen als 'Israëls kijk op het begin van deze wereld'. Vanuit de eigen  tijdsindeling. Maar ook wanneer je - zoals ik - die kadertheorie afwijst, blijft het zo dat de heilige Geest hier, meteen bij het begin van de Bijbel, op déze (opvallende!) wijze spreekt over Gods scheppingswerken. Dat vraagt om zorgvuldige overweging en uitleg in het verband van de Schriften. Wie meent dat alles in één oogopslag 'nogal wiedes' is, die leest over belangrijke evangelie-inhoud heen. En met een veel te grote mond.”

Reactie:
Ik heb hierboven al geschreven over uw toelichting (antwoord). Om eerlijk te zijn heeft het mij niet verbaasd dat u het opstel van ds. Doedens niet hebt gelezen, maar het lag bij mij wel in de lijn der verwachting. U schrijft dat u Doedens niet hebt gelezen om praktische redenen. U draagt sinds uw studententijd kennis van de zogenaamde ‘kadertheorie’ en hebt daar tot op vandaag bezwaar tegen gehouden. U vindt dat de klassieke uitgangspunten van die theorie te gemakkelijk worden gevolgd. U wijst ze af.
Zeker, u kiest zelfstandig koers in het bepalen van het verstaan van Genesis 1 en 2. Dat moet erkend worden. Toch bent u niet helemaal los van de klassieke kadertheorie, zoals u beweert. In ‘Beknopte Gereformeerde Dogmatiek’ lees ik onder het kopje ‘de kadertheorie’ o.a.: “De kaderopvatting houdt voor hem (N.H. Ridderbos, JP) in, dat de geïnspireerde schrijver geen exact verslag bedoelt te geven van wat bij de schepping gebeurd is. Door van een achtvoudig werken Gods te verhalen brengt hij de lezer ervan onder de indruk, dat al het bestaande door God geschapen is. ‘Dit achtvoudig werken Gods zet hij in een kader: hij verdeelt het over zes dagen, waaraan de zevende dag als rustdag wordt toegevoegd”.1
Met deze aanhaling wordt duidelijk wat de kern van de kadertheorie inhoudt. En die kern vind ik terug in uw preek, antwoord en mail.
Een van de bezwaren tegen de kadertheorie is Exodus 20:11. Ik verwerkte dit vers in mijn artikel. U kent het bezwaar ongetwijfeld ook.
Ik heb in mijn artikel nog meer punten opgesomd waaruit ik concludeer dat u, ondanks afwijzing, toch overduidelijk argumenten gebruikt die we terugvinden in de (klassieke) kadertheorie.

Ik vermoed dat u mij bedoeld wanneer u in uw mail schrijft: “Wie meent dat alles in één oogopslag 'nogal wiedes' is, die leest over belangrijke evangelie-inhoud heen. En met een veel te grote mond.”
Die grote mond zal wel kloppen, maar ik wil hier gezegd hebben dat voor mij uit de Heilige Schrift niets ‘nogal wiedes is’! Ik heb net als u groot ontzag voor de grootheid en heiligheid van onze God. Maar ik geloof het! 
Ik geloof het op de manier van de tweede zin van artikel 5 van de NGB: “En zonder in enig opzicht te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten”. Door zo te geloven reken ik mij niet tot de ‘kortzichtigen’ die alles ‘nogal wiedes vinden’. Ik behoor niet tot hen die beweren dat die geleerden niet zo moeilijk moeten doen. Van mij mogen ze moeilijke en basale vragen stellen. Maar ik sluit mij aan bij de NGB die hier het geloof van alle eeuwen doet belijden. U toch ook?

Mail ds. Geerds:
“Het feit alleen dat een meelevend kerklid (terechte) zorgen heeft over bepaalde praktijken/ontwikkelingen in het kerkelijk leven van de GKv  -  ik heb die ook - brengt nietvanzelf met zich mee dat je de Bijbel zorgvuldig leest, dwz naar de bedoeling van de heilige Geest, en dat je zorgvuldig omgaat met een dienaar van Zijn Woord. Er bestaat ook veel 'theologie-met-de-klomp' die zich ten onrechte bedekt met de naam van Woord-van-God. Dat zie ik in zeer uiteenlopende en ook elkaar bestrijdende (!) richtingen gebeuren.”

sluiting en groet van mail   -

Reactie:
Ik voel mij persoonlijk aangesproken door deze woorden, maar neem het ds. Geerds niet kwalijk. Hij maakt van zijn hart geen moordkuil en benoemt wat hij denkt. En dat moet gewoon kunnen! Het is ook eerlijk en wat mij betreft geen zonde tegen het negende gebod. Van deze reactie breekt mijn klomp niet.


Naschrift

Ik betwijfel nergens de oprechtheid van ds. Geerds en zijn oprechte bedoelingen om vanuit zijn volle overtuiging te (s)preken over Gods Woord. Hij is door mij volledig serieus genomen door hem zo goed als mogelijk recht te doen naar de woorden die hij sprak en schreef.
Zijn antwoord (toelichting) is een bevestiging (hij schreef het zelf ook) van de preek die hij hield en die u kunt terug vinden op eiw.nl2
Ik blijf bij mijn mening dat de visie van ds. Geerds een kadertheoretische is en dat hij afbreuk doet aan de scheppingsvolgorde, zoals die in de Heilige Schrift is opgeschreven.
Wanneer ik bepleit ‘eenvoudig’ te geloven wat er staat geschreven zijn dat geen criteria van mensen, maar van de Bijbel zelf. Gods Woord is de waarheid3 en daarom laat ik staan wat ik lees. Geerds heeft niet overtuigend aangetoond dat de Bijbel zelf aangeeft dat het historische aspect van de volgorde kan en mag worden genegeerd. Als God zich in zijn spreken aanpast aan de mensen dan betekent dat, dat Hij in die aanpassing dan ook serieus genomen wil worden. Hij heeft zich immers aangepast aan ons en ons bevattingsvermogen? Dat lijkt op één en één is twee. Maar zo ligt het dan ook verankerd in de heilige grond van de Schrift.
Zijn accommodatie impliceert geen vrijheid van exegese op dit punt. Die vrijheid zou er zijn wanneer Gods Woord zelf de mogelijkheid biedt om het historisch scheppingsproces als zodanig te mogen verklaren. Wat op zijn beurt moet worden aangetoond vanuit de Heilige Schrift. Iets wat nog geen enkele theoloog voor elkaar heeft gekregen. Achter elke theorie over dit onderwerp zijn iedere keer weer zoveel bezwaren in te brengen, dat er niets anders overblijft dan gelovig het hoofd te buigen en te belijden wat staat geschreven. Hetgeen naar mijn mening aangeeft, en we sluiten aan bij ds. Geerds hoe groot en ondoorgrondelijk en onbegrijpelijk Gods werken zijn. Maar, en hierin verschillen we met ds. Geerds, het betekent ook dat we tot nu toe gelovig moeten blijven aanvaarden zoals het ons is geopenbaard.

Vraag?
Ds. Geerds gebruikte in zijn antwoord en tijdens de vroege dienst van 31 oktober 2010 het voorbeeld van een ingenieur die aan tafel zijn kinderen vertelt hoe hij de Erasmusbrug bouwde. Hij wilde de kinderen kort, goed en duidelijk laten beseffen wat een majesteitelijke en een wonderlijke schepping Hij bouwde en hoeveel vertrouwen ze mogen hebben in die Schepper.
Wat voor volgorde zou deze ingenieur zijn kinderen in de bouw van die brug hebben voorgehouden?
Eerst de overspanning en dan de pylonen?

 

Bijlage

Antwoord van ds. Geerds aan de kerkenraad te Capelle aan den IJssel.

                                                 
Hooggeachte broeders,

Uw vragen waardeer ik als opbouwend kritisch. Ik proef daarin de eerbied en de liefde voor de heilige Schrift, en daarin voor de HEER, onze God. Het is bij mijzelf precies die drijfveer die mij ertoe heeft gebracht om over het begin van de Bijbel te preken, én om het zó te doen.
Er heerst immers nogal wat (wel begrijpelijke, maar naar ik meen misplaatste) onzekerheid/verlegenheid en zelfs twijfel rond het begin van de Bijbel. Die is bedenkelijk. En ook gevaarlijk voor het met overtuiging staan in het geloof.  Dat is immers evenzeer in deze tijd de weg waarlangs wij delen in Gods genade in Christus. (De inleidende zinnen van mijn preek.)

Het was en is mijn bedoeling die twijfel weg te nemen door het terzijde schuiven van een m.i. onjuiste vraagstelling, die dikwijls op dit indrukwekkende begin van de Bijbel is/wordt gelegd.
Zowel van de kant van on-gelovigen als bij Schriftgetrouwe christenen (bij de laatsten m.i. mede door de probleemstelling van die eersten) is dat meestal déze vraagstelling: ‘geloof jij (nog) dat de wereld is ontstaan/geschapen in zes dagen (van 24 uur?) en dat wat hier staat een historisch bericht is – naar onze moderne begrippen (!) -  van duur en verloop van het scheppingsproces? Deze vraagstelling heb ik samengevat in de typering ‘weekjournaal’.

(De zevende dag – die, opvallend !, niet wordt afgesloten, maar openstaat naar de beoogde toekomst! -  blijft bij deze vraagstelling doorgaans zelfs geheel buiten beeld! Terwijl dit scheppingsverhaal duidelijk maakt dat onze God juist dáármee de kroon op heel zijn scheppingswerk zette!) 

Bij die manier van lezen heb ik de vraag gesteld of je zó wel zicht krijgt op wat de Geest van God hier aan Zijn volk heeft te zeggen. Vandaag niet minder dan in de dagen van Mozes. Het evangelie van het begin van de wereld en van de mensheid stelt, naar ik meen, andere én belangrijker (!) dingen aan de orde dan het verstrekken van zó bedoelde informatie. (Hoe benieuwd wij mensen daar ook naar kunnen zijn.). De Geest van God betuigt dit immers aan het adres van Gods gemeente in de wereld van ná (!) de zondeval. Het gaat van meet af aan om de eer van onze God en om ons behoud . En dat in één evangelie-verband.

Ook in deze preek heb ik mij nauwgezet willen houden aan de klassiek gereformeerde regels voor de uitleg van de heilige Schrift (zie mijn attenderen op wat de NGB over de heilige Schrift zegt):
1. lees haar als het betrouwbare getuigenis van de Geest van God (dat het karakter heeft van evangelie)
2. let op het doel van de openbaring (NGB artt. 2 en 5)
3. laat op een beslissende wijze de heilige Schrift zichzelf verklaren; ‘vergelijk Schrift met Schrift’:

De eerste twee uitgangspunten hebt u – naar ik meen - moeiteloos kunnen herkennen in deze preek. Al hebt u vragen over mijn uitleg van wat het karakter en de strekking van dat getuigenis is. De betrouwbaarheid van het begin van de Bijbel heb ik in mijn preek met volle overtuiging verkondigd. Ik heb benadrukt dat de Geest van God Zelf hier zijn betrouwbaar evangelie-getuigenis geeft over het majesteitelijke, ontzagwekkende en wonderlijke scheppingswerk van onze God en Vader – waar geen mens bij stond (Job 38 : 14). Het voltrok zich ver over de grenzen van ons bevattingsvermogen (ook van de knapste wetenschappers!). 

Die betrouwbaarheid staat of valt niet - en dat is mijn ‘punt’ bij uw vragen - met zijn al of niet voldoen aan onze criteria voor wat als een historisch betrouwbaar verhaal mag gelden. Of anders gezegd: als ik – met argumenten, die ik aan de tekst zelf ontleen – aanwijs dat dit getuigenis duidelijk niet het karakter draagt van een zakelijk registrerend werkweek-rapport/‘week-journaal’ (: in zoveel tijd en in deze volgorde verliep dit grote werk), dan doe ik daarmee geen enkele afbreuk aan het feitelijke karakter van Gods scheppingswerk. Ik wijs alleen – geargumenteerd – aan dat de Almachtige zich hier kennelijk (!) aanpast aan het door Hemzelf gegeven (!) ‘referentie-kader’ van de zes + één- daagse week.  Aan hoe Hijzelf zijn volk de tijd van hun leven, werken en ‘adem scheppen’ leerde beleven. In het toekomstgerichte patroon dat Hij daaraan gaf. En waarin zij met Hem, hun machtige God en Vader, mee mogen  -  naar Zijn-toekomst-met-zijn-schepping.

En wat het 3e betreft: mijn argumenten heb ik nergens ontleend aan wetenschappelijke theorieën. (Hoe bruikbaar die ook  zijn gebleken bij het onderzoeken van de wereld waarin ook wetenschappers hun taak hebben ontvangen van hun Schepper, en als regel ook heel integer uitvoeren - zolang die ‘hypothesen’ niet pretenderen de plaats te willen innemen van Gods openbaring!) Maar uitsluitend aan de aandachtig gelezen tekst van Gen. 1 (en 2) zelf, en aan het vervolg-boek, Exodus: de opvallend terugkerende motieven rond de bouw van de tabernakel. Ook de afsluitende profetie van de Bijbel (Openbaring) bevestigt, naar ik meen, de strekking van de inzet van de heilige Schrift, zoals ik die in de preek heb uitgelegd.

De structuur van dit scheppingsverhaal wordt met reden uniek genoemd. Met de term ‘scheppingsballade’ heb ik willen aangeven, dat het hier ‘op een verheven toon’ wel degelijk gaat over de (historische) grote scheppingswerken van onze God (!), maar dat het niet in de gewone vertelvorm gebeurt (zoals verderop over de aartsvaders). (Daar moet je eerbiedig op letten.)  De zo bondig samenvattende verhaalvorm vertoont opvallende ‘poëtische’ elementen, al is het niet de ‘poëzie’ van de psalmen. Het is wel ‘ver-dicht-e’ taal. Daar mag je niet overheen lezen, want dan veroorzaak je zelf misverstanden. (Zie verderop.)

Het is een ‘ballade’ op-het-ritme-van-de-week. Op het stramien van die prachtige indeling van de tijd, die de HEER zelf aan zijn volk had gegeven. De volkeren rondom kenden die niet! Een wijze van vertellen die Israël verstond en die ook vandaag Gods kinderen begrijpen. (Men leze Calvijn en ook iemand als K.Schilder over de wijze waarop de Almachtige zijn openbaring aanpast/accomodeert aan wat Hij zijn kinderen wil laten beseffen.)
De Geest van God verhaalt ‘op een verheven toon’ (‘ballade’), maar tegelijk heel begrijpelijk en aanschouwelijk, Gods majesteitelijke en wonderlijke schepping van de wereld, waarin wij onze bijzondere plaats ontvingen. Hij sprak en het gebeurde! En ook zijn kinderen ‘zien het voor hun ogen gebeuren’. En vooral: Hij geeft hun ‘houvast’ aan Zijn grote werken. Hij wil niet alleen bewondering en ontzag bij ons opwekken, maar ook vertrouwen in, en verlangen naar, wat HIJ met Zijn schepping, en in het bijzonder met ons, zijn mensen, voor heeft.

(In de vroege dienst gebruikte ik voor deze aan het begrip van zijn volk aangepaste openbaring  het voorbeeld van de manier waarop een ingenieur aan tafel aan zijn kinderen vertelt hoe hij – met zijn staf – de Erasmusbrug bouwde: samenvattend, in grote stappen, maakt hij hun kort en goed duidelijk, wat hij hen als zijn kinderen wil laten beseffen. Dat geldt zelfs oneindig versterkt in de relatie van deze Bouwmeester tot ons kleine mensjes (zie mijn verwijzing naar Job 38 v.v.): bij alles wat ons is geopenbaard en wat menselijke onderzoekers allemaal mogen ontdekken, blijft het meeste een indrukwekkend Geheim. (Vergelijk de openbaring over de menswording van God de Zoon en over zijn opstanding uit de doden. Die staan evenzeer onomstotelijk voor ons vast als grote werken van God, maar tegelijk blijven ze voor ons verstand een groot Geheim.)

Dat je met de opvatting van Gen 1 als een soort van (modern) ‘weekjournaal’ meteen binnen de Bijbeltekst zelf (!) vastloopt, heb ik eenvoudig aangetoond door te wijzen op de scheppingsvolgorde die even verderop (in hoofdstuk 2), in de belichting van de plaats van de mens in Gods schepping, rustig anders wordt verteld: eerst de mens en daarna pas de planten, struiken en bomen. De heilige Geest doet dat kennelijk zonder zichzelf (meteen al ‘op de volgende bladzijde’) tegen te spreken. (Juist als gelovige mag ik d a t  wel met een gerust hart vergeten…!)
Dat hoofdstuk 1 die (moderne) bedoeling ook niet hééft, blijkt – als je aandachtig leest - uit de opzettelijke wijze waarop  a c h t (!) scheppingswerken zo gelijk mogelijk worden verdeeld over  z e s (!) scheppingsdagen. De opvallende herhalingen in deze ‘ballade’ kunnen niemand ontgaan die dit opvallende begin van de Bijbel leest. Met kennelijke opzet wordt precies 10 x vermeld dat God sprak (daar lijkt een verwijzing in te liggen naar de 10 woorden van het verbond, Ex 20), precies 7x dat God vaststelt dat alles is gemaakt zoals Hij het heeft bedoeld (‘goed’) (terwijl er 8 scheppingswerken worden vermeld!) en precies 7x gebruikt de Hebreeuwse grondtekst hier het woord voor ‘scheppen’ (niet elke keer zo vertaald). Bij zorgvuldig lezen van de (grond-)tekst valt dit op. Het zal ook zeker niet de bedoeling zijn dat wij daar ‘overheen lezen’. Daarvoor is de structuur van dit scheppingsverhaal te zorgvuldig gecomponeerd. Het is voor mij dan ook een kwestie van eerbiedig lezen én in rekening brengen.
Rond de wijze waarop  God wil (gaan) wonen onder zijn volk (2e helft Exodus), lees je opvallende overeenkomsten/motieven die herinneren aan de bouw en inrichting van deze wereld en van het leven daarin, en vooral van het doel daarvan. In Exod. 24: de 6 + 1 dagen als ‘tijdpad’ naar de nauwkeurige instructies aan Mozes voor de bouw van de tabernakel – in precies zeven godsspraken. In Exod. 31 die opvallende afsluiting daarvan met de zeer nadrukkelijke aparte herhaling van (alleen)  het 4e gebod! Let ook op de woorden waarmee het verslag van de bouw van de tabernakel wordt afgesloten. Opvallende overeenkomsten met wat in Gen.1(en begin van 2) wordt vermeld na Gods scheppingswerken.
  - Aan het einde van de Bijbel, zie je hoe deze God (de Alpha) ook in luisterrijke majesteit, alles herstellend en vervullend, aan het einde van de geschiedenis van deze hemel en aarde zal staan (als de Oméga). Geprofeteerde werken van de Almachtige, die wij in het volste vertrouwen op Hem mogen verwachten, maar die – als wij vragen ‘hoe dat zal zijn’ - evenzeer een machtig, maar daarom niet minder vertrouwenwekkend Geheim zijn en in hoge mate voor ons zullen blijven.   
Het was goed en het wordt (ondanks onze zondeval) toch helemaal goed. Daar mogen wij vandaag met heel ons hart en met heel ons verstand op vertrouwen. Want de HEER, onze God, is de Alpha en de Oméga. Die Zijn (nadrukkelijk geopenbaarde) doel (zie de zevende dag, waarmee Hij blijkens het evangelie van Gen 2 : 2  zijn scheppingswerk bekroonde, en die daar niet – zoals de andere dagen - wordt ‘afgesloten’(!)), niet heeft laten varen.

Kort samengevat:

Het begin van de Bijbel vertoont een opvallende (zelfs uniek te noemen) structuur.
Het verhaalt op een verheven toon (‘ballade’) en op een manier die speciaal is aangepast aan en toegesneden op het zin-volle verstaan van Gods kinderen/Gods volk (‘op het ritme van de, alleen aan hén gegeven, week’),

dat de HEER - Hij die in Christus onze Vader is - deze wereld schiep en ons onze uitzonderlijke plaats gaf
dat Hij het  vol majesteit en wijsheid schiep, als een prachtig samenhangend geheel, waarin alles aan Zijn bedoeling beantwoordde
dat Hij het schiep met een heel bepaald doel: om zijn koninklijk domein te zijn, waarin Hij wil wonen te midden van zijn mensen, zijn volkeren
dat u en jij en ik dat doel van ons bestaan niet mogen missen (wij mogen leven en werken op de basis van  Z i j n  grote werken, tot zijn lof, om in te gaan in Zijn rust)

(Noot: De Israëliet zal bij ‘dagen’ hebben gedacht aan gewone dagen van 24 uur. Het lijkt me geen geslaagde, hoezeer ook begrijpelijke, ‘harmonisatie-poging’ om die uit te leggen als ‘tijdperken’ – zo lang durend als door de wetenschap aannemelijk wordt geacht.
Dit – niet door Israël (!), maar door God zelf gekozen ‘openbarings-kader’ (6 dagen + de sabbat) laat zich niet ‘uit-meten’ in tijd en volgorde. Deze openbaring over het ontzagwekkende scheppingsgebeuren leent zich er niet voor om te worden gelezen en uitgelegd als een (wetenschappelijk) werkverslag (een ‘weekjournaal’), zoals wij dat van ons werk  - dat wij mensen overzien - kunnen geven. In het algemeen gesproken, heeft de openbaring van Gods grote werken eenvoudigweg een ander doel. Zie NGB artt. 2, 3, 5 en 7.)

 

Met een hartelijke broedergroet,

G.E. Geerds

Ommen, 5 november 2010.

 

NOTEN
____________________________________________________________

1 Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, van Genderen/Velema, p.255
2 http://www.eeninwaarheid.nl/indexzoek.php?cat=20&item=3111&zoekwoord=afscheiden
3 Joh. 17