Ethiek

Kerkverband

Signalen

De bezinningsgroep Rijnsburg e.o. belegt D.V. op 26 september a.s. een voorlichtingsavond over:

Schriftgezag en hermeneutiek (Bijbeluitleg)

Spreker: dr. R.T. (Dolf) te Velde.

Plaats: kerkgebouw GKv Rijnsburg, Katwijkerweg 1a, 2231 SE Rijnsburg.
Aanvang: 20.00 uur.
Zie verder onder Nieuwe artikelen, click Schriftgezag en hermeneutiek

 


 

 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Bezwaren deel 2.3 - Details en discussies

 

D.J. Bolt

26-02-15

 

In dit deel geven we een uitgebreider weergave van de opvattingen van dr. Paas en dr. Van Bekkum met vermelding van vindplaatsen.

En verder bieden we links naar een aantal publieke discussies die in de loop van de tijd hebben plaatsgevonden.

 

Om dit Word-document te downloaden: click hier.

 


 

Dr. S. Paas

 

In het tweede hoofdstuk van zijn dissertatie Creation and Judgement: Creation Texts in Some Eighth Century Prophets[1] blijkt dat dr. Paas schriftkritische theorieën aanhangt. De Heilige Schrift heeft voor hem niet het gezag dat de Geest van God voor het gehele Woord van God claimt. We geven een aantal voorbeelden (nummers tussen haakjes verwijzen naar het proefschrift).

 

Uittocht uit Egypte – ontstaan van het volk Israël

 

In zijn dissertatie schrijft dr. Paas:

 

“Tegenwoordig bestaat er een vrij brede consensus over de gedachte dat de vroege Israëlieten zich etnisch en cultureel niet onderscheidden van de Kanaänieten, maar zich uit hen hebben ontwikkeld.”, blz. 40. Hij licht dit daarna met verschillende theorieën toe. Vervolgens stelt hij, blz. 44, de volgende vraag: “Is in de hierboven beschreven ontwikkeling nog plaats voor de overlevering van de Uittocht?”.

En hij reageert op die vraag als volgt:

 

“Opgemerkt mag worden dat een dergelijke gebeurtenis tegen de achtergrond van de gebeurtenissen aan het eind van de 13e en de 12e eeuw zonder meer voorstelbaar is. In de oostelijke Nijldelta leefden sinds mensenheugenis Aziaten in nauw contact met Egyptenaren. Onder deze vreemdelingen kunnen heel goed voorouders zijn geweest van het latere volk Israël. In elk geval kunnen de woelingen in deze periode de achtergrond hebben gevormd voor de Israëlitische herinneringen aan de Uittocht. Een exodus zou kunnen verklaren hoe de hierboven besproken, voornamelijk sociale groeperingen van zwervers en boeren zich hebben kunnen ontwikkelen tot een volk. De aankomst in Kanaän van een groep uit Egypte gevluchte of verdreven Semieten, kan in zo’n ontwikkeling een rol hebben gespeeld. Misschien, maar nu betreden wij speculatief terrein, gaat het hier om een groep die behoorde tot de stam van Levi. Deze stam had volgens de bijbelse overleveringen geen eigen erfdeel in Kanaän. De Levieten Mozes, Hofni en Pinehas droegen Egyptische namen. Verder stonden zij bekend als voorvechters van het Jahwisme. Op deze wijze kan wellicht ook een deel van de bovengenoemde religieuze discontinuïteit tussen de Laat-Bronscultuur en die van de IJzer I-nederzettingen worden verklaard. Zo’n gebeurtenis verklaart in elk geval waarom het latere Israël zijn ontstaan steeds weer terugvoerde op een onderdrukking in en een bevrijding uit Egypte. Hun grote leider en wetgever Mozes was volgens het Oude Testament opgevoed aan het hof van de farao. Deze tradities zijn zo doorlopend aanwezig dat het onwaarschijnlijk is dat zij niet de ervaringen weerspiegelen van tenminste een deel van de vroege Israëlieten.

 

Hoewel de verhalen van Uittocht en Intocht een theologische reflectie zijn, is daarmee dus niet gezegd dat zij volkomen los van die gebeurtenissen zijn. De consequente verbinding van Israëls ontstaan met Egypte in de bijbelse overleveringen, moet ons daarom aansporen om de mogelijkheid van Egypte als de mogelijke kraamkamer van een aantal religieuze voorstellingen van Israël serieus te overwegen.” , blz. 44-46.

 

“We mogen ervan uitgaan, gezien de resultaten van het nieuwere onderzoek, dat Israël aanvankelijk een Kanaänitisch volk was, dat naast andere goden El vereerde. In de loop van de 12e eeuw werd de basis gelegd voor Israëls latere functioneren als zelfstandige natie. De komst van een ‘exodusgroep’, die mogelijk voor een deel bestond uit religieuze ijveraars, is daarbij waarschijnlijk een stimulerende factor geweest.”, blz. 332.

 

Kennelijk is voor dr. Paas níet beslissend, wat God de Heilige Geest ons in de Bijbel zélf zegt namelijk dat de voorvaderen van het volk Israël met ongeveer 70 personen naar Egypte gegaan zijn en eeuwen later als een volk dat uit hen gegroeid is, naar Kanaän zijn getrokken. En dat dit volk in geloofsgehoorzaamheid dit land heeft verovert en er ging wonen. Volgens dr. Paas zou een deel van het latere volk zo’n soort achtergrond kúnnen hebben. Met de andere stammen zou het wezenlijk ánders liggen.

 

Maar de HERE spreekt volstrekt anders in Zijn Woord. God de Heilige Geest laat ons weten dat het hele volk afstamt van Abraham, Isaäk en Jakob en zijn 12 zonen[2].

In een tijd van grote hongersnood deed de HEERE hen naar Egypte trekken en hun nakomelingen zijn eeuwen later onder Zijn leiding als het volk Israël naar Kanaän, het aan hen beloofde land, gegaan[3]. Dr. Paas gaat hier op een ongeoorloofde manier mee om. Hij noemt die geschiedenissen 'theologische reflecties', menselijke verhalen die iets over God willen zeggen. Hier denkt de mens, de wetenschapper uit te maken wat waar en betrouwbaar en wat niet. Het Woord is voor hem niet meer de enige absoluut betrouwbare bron.

 

Israël en het beeld van God als Schepper

 

Israëls beeld van de HEERE als de Schepper zou beïnvloed zijn geweest vanuit de gedachten die de Egyptenaren en de Kanaänieten over sommige van hun goden hadden, volgens dr. Paas. Hij schrijft, blz. 53 van zijn dissertatie,

 

“Niet alleen is de oergod Atum een aspect van Amun, hetzelfde geldt voor de zonnegod Re. Amun is tegelijk oer-, schepper- en levensgod. Deze absolute scheppingsmacht werd ook door Israël toegekend aan zijn God. De rol die El speelde in de Kanaänitische teksten, kan zijn beïnvloed door deze Egyptische theologie van Amun-Re. Incidenteel werd ook JHWH met deze belangrijkste god van het Nieuwe Rijk vereenzelvigd. De notie van een almachtige en verheven schepper hoeft daarom in dit vroege stadium aan Israël niet onbekend te zijn geweest. Deze aspecten van JHWH moeten niet noodzakelijkerwijs worden afgeleid uit latere ervaringen van Israël in een snel groter wordende wereld. Ook in de geschiedenis van het volk in Palestina zelf kunnen daarvan de wortels worden gezocht.”

 

De eerste conclusie aan het einde van zijn dissertatie, blz. 344, trekt is dan ook:

 

“Het scheppingsgeloof in Israël heeft Kanaänitische wortels en is mogelijk beïnvloed door Egyptische voorstellingen.”

 

Hier wordt opnieuw de Schrift onrecht aangedaan want het is HEERE Zelf is Die Zich steeds weer aan Zijn volk geopenbaard heeft als de Almachtige die hemel en de aarde geschapen heeft[4]. Hij gaf bevel dat ‘iets’ moest komen en: ‘het was er'[5]! Het vierde gebod herinnert daaraan. Het geloof in de HEERE, ook als de Almachtige Schepper, is absoluut niet het resultaat van heidense beïnvloeding, maar is enkel en alleen te danken aan Gods openbaring aan Zijn volk.

 

Dr. Paas schetst zelfs het geloof in de HERE Zelf steeds weer als een godsdiensthistorische ontwikkeling. Daarbij wordt in de Schrift dan gezocht naar de aanwijzingen voor die ontwikkeling, in plaats dat de Schrift gelezen wordt als de betrouwbare, door de Geest zelf ingegeven, neerslag van de openbaringshistorie. Hij verdedigt herhaaldelijk

 

“dat JHWH  hoogstwaarschijnlijk een Israëlitische afsplitsing was van de Kanaänitische El” (in deze formulering op blz. 202, vgl. blz. 46v., blz. 332).

 

Wij kunnen dit niet te rijmen met wat God Zelf bekendmaakt in Zijn Woord: God die Zichzelf en zijn heil vanaf het begin openbaart. Zoals we het belijden in vraag en antwoord 19 van de Heidelbergse Catechismus: “Waaruit weet u dat? Uit het heilig evangelie. God heeft dat eerst zelf in het paradijs geopenbaard. Daarna heeft Hij het door de heilige aartsvaders en profeten laten verkondigen. Ook heeft Hij dat evangelie van tevoren laten afbeelden door de offers en andere schaduwachtige gebruiken die Hij in de wet had voorgeschreven. Tenslotte heeft Hij het door Zijn eniggeboren Zoon vervuld.”

Dr. Paas komt hier geheel in strijd met wat de HEERE Zelf in Zijn Woord bekend maakt en wat gereformeerde kerken belijden.

 

Dr. Paas en de inspiratie

 

Ook buiten zijn dissertatie heeft Paas zich vergelijkbaar uitgelaten. In een artikel dat hij in 2001 in het tijdschrift Wapenveld heeft geschreven (de 51e jaargang, nummer 5, blz. 4-14) is in de lijn van zijn proefschrift te lezen dat hij Genesis 1-3 niet ziet als hoofdstukken die ons laten zien hoe het historisch in het begin van de geschiedenis gegaan is. Het gaat er volgens hem in deze hoofdstukken níet om, dat de HEERE ons vertelt, hóe het toen gegaan is. Maar veel meer dat ons 'verteld' wordt[6], dát de HEERE de Schepper is en waarom Hij de schepping gemaakt heeft:  

 

“In deze betekenis zijn Genesis 1-3 dus in de eerste plaats gericht op het leven hier en nu. Zij gaan over ons. Zij beschrijven ons in onze geschapenheid, maar ook in onze verlorenheid en gebrokenheid. Daarmee interpreteren en verdiepen zij ons bestaan. Het is juist dit ‘oer’-karakter van deze vertellingen dat hen ervoor behoedt van ons afgesneden te worden als ‘sprookjesachtige verhalen uit een ver verleden’. Zo is Genesis in staat om de kloof van de geschiedenis te overbruggen en ons eigen bestaan existentieel te omarmen.”

()

“Ik hecht eraan dat het niet ongeloof in God als Schepper is of ongeloof in sprekende slangen dat mij op dit spoor heeft gezet. Het is niet zo dat ik geloof dat het in Genesis 1-3 beschrevene niet kan. God kan alles. En wellicht is het zo gebeurd. Maar ik geloof dat dat eenvoudig niet de goede vragen zijn om mee te beginnen. Genesis 1 wil niet zeggen dat God precies toen-en-dan en zo-en zo met de wereld begonnen is. In zijn geheel eigen literaire vorm wil dit hoofdstuk vooral iets zeggen over de zin en het fundament onder ons bestaan hier en nu. Dat is zijn actualiserende kracht en bij uitstek een middel om de historische kloof te overbruggen. Met andere woorden, Genesis 1 wil zeggen dat en waarom God de wereld en ons heeft geschapen. De vraag hoe en wanneer Hij dat heeft  gedaan mag best gesteld worden, maar zal vanuit dit hoofdstuk nauwelijks kunnen worden beantwoord. Het is alleen vanuit een diepe eerbied voor het Woord van God dat ik deze weg wil gaan. Gods Woord spreekt met absoluut gezag, inderdaad. Het wordt dan des te belangrijker om na te gaan wat Gods Woord precies zegt.”

 

Ondanks Paas' goede intentie het Woord van God recht te doen doet hij dat in de praktijk niet, hij zit feiten niet als echte historie maar meer als theologische vertellingen. Zijn diepe eerbied is er pas nadat hij zijn eigen historische (on)waarde aan Gods scheppingsgeschiedenis heeft gegeven[7]. Hij gaat in zijn schrijven nog veel verder dan dr. Geelkerken in 1926 die vanwege zijn meningen over Gen. 2 en 3 geen predikant meer in de Gereformeerde Kerken kon blijven. Die uitspraken van Assen 1926 hebben in onze kerken nog steeds rechtskracht!

De schriftkritische reconstructie waarbij de oudste Bijbelgedeelten als de jongste worden beschouwd (de 5 boeken van Mozes) volgt hij kritiekloos. Bijvoorbeeld


“Of de schepping van de wereld reeds voor de staatsvorming binnen Israëls gezichtsvermogen lag, is moeilijk te zeggen. Er is geen tekstmateriaal dat dit aangeeft, zoals er hoe dan ook nauwelijks oudtestamentische teksten zijn uit die periode”, blz. 333, vgl. dr. Paas over de datering van de zgn. bronnen ‘P’ en ‘J’ in de eerste hoofdstukken van Genesis, blz. 69vv.).

Vergelijkbare ideeën ontvouwde dr. Paas in Theologia Reformata 4, december 2003. Een paar citaten:

"Vrij algemeen wordt tegenwoordig aangenomen dat de godsdienst van het Oude Testament (een strikte verering van JHWH alleen) niet samenviel met de godsdienst van het historische volk Israël in de periode die door het Oude Testament wordt beschreven. Met andere woorden, het Oude Testament is het document van het geloof van een bepaalde groep in Israël. Het verraadt keuzen en selectie, ontwikkeling, afwijzing en kritiek."

"'Echt' monotheïsme (het bestaan van slechts één godheid wordt erkend) is vermoedelijk een vrij late ontwikkeling in Israël. Dit strijdt niet met het beeld dat het Oude Testament zelf laat zien. Ook daar vinden we aanwijzingen dat in Israël voor de ballingschap van tijd tot tijd andere goden dan JHWH werden erkend en vereerd. Zelfs geven oude teksten de indruk dat ook de schrijvers van het Oude Testament aanvankelijk het bestaan van andere goden wel erkenden, al waren deze oneindig inferieur aan JHWH."

"Ik denk dat we ons serieus moeten afvragen in hoeverre het Oude Testament ons bijvoorbeeld in de wetgeving meer een profetisch ideaal schildert dan een historische werkelijkheid en dat in de historische boeken bepaalde 'historische vertekeningen' niet zozeer geschiedvervalsing zijn, maar een profetisch oordeel over een bepaalde praktijk, gegoten in een tendentieuze beschrijving."

'Historisch' is niet 'exact-historisch', vindt dr. Paas. 'Historisch' kan weleens de feitelijkheid van het Oude Testament helemaal niet kan dekken, maar meer een 'tendentieus' beeld geven van Israëls profeten uit veel latere tijd en die hun ideeën 'projecteerden' op de geschiedenis van Gods volk. Of, de Bijbelse geschiedenissen vertellen ons niet hoe het is gegaan maar hoe het had moeten gaan volgens "een bepaalde groep".

Ieder die onvoorwaardelijk aan de historiciteit van het ontstaan van Israël en het verbond wil vasthouden zoals dat ons in de boeken van Mozes door de Heilige Geest is geopenbaard kan hierin niet meegaan. Het is geheel in strijd met ons gereformeerde schriftgeloof omdat hier de afgrond van de schriftkritiek zichtbaar wordt.
Déze laatste uitlatingen van dr. Paas zijn niet gedaan in een historisch-kritische academische ambiance, waarin gegevens uit de Schrift niet op goddelijk gezag worden aanvaard, maar in een tijdschrift dat pretendeert vanuit de Schrift te denken en te publiceren!

 

Dr. K. van Bekkum

 

Dr. Van Bekkum promoveerde op het proefschrift From Conquest to Coexistence (hier afgekort CtC) dat veel stof deed opwaaien. In zijn pas verschenen Intocht en Sola scriptura’ (verder afgekort als I&S) verweert Van Bekkum zich tegen de kritiek. Van Bekkum wil de historische betrouwbaarheid van de Bijbelse geschiedschrijving verdedigen door de Bijbelse geschiedenis ondogmatisch te confronteren met nieuwe archeologische gegevens uit het oude Nabije Oosten. Om met ongelovige wetenschappers te kunnen discussiëren aanvaardt hij in eerste instantie hun argumenten en onderzoeksmethoden als valide.
Maar hoe werkt die retorische context verder uit in de praktijk bij dr. Van Bekkum?

 

In Jozua 10:13 staat: “En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich aan zijn vijanden had gewroken (…) De zon stond stil in het midden van de hemel en haastte zich niet om onder te gaan, ongeveer een hele dag”. Dr. Van Bekkum ontkent dit wonder in zijn dissertatie. Toch verklaart hij dat "het wonder staat". Maar het 'wonder' is net iets anders dan wel gedacht” (I&S p5). Het zou hier gaan om een oosterse beeldspraak, een vertelconventie, waarbij zon en maan worden gepersonifieerd en gezien worden als onderdeel van Gods hemelse hofhouding. Hij beroept zich voor die gedachte o.a. op Psalm 148:3, Richt.5:20, Jesaja 24:21-23, Joël  3:15-16 en met name Habakuk 3:11.

Inderdaad vindt in de Schrift personificatie van de elementen en natuurverschijnselen plaats om Gods strijdende grootheid te benadrukken. Maar het gaat niet om een soort 'hemelse hofhouding'. De zon- en maanstilstand in Habakuk 3 kan eenvoudig worden opgevat als het verduisterd worden van het licht, vergelijk Joël. En Richt. 5:20 is een poëtisch element in het lied van Debora. Maar in Joz. 10 gaat het om 'gewone' schepselen zon en maan die hun Schepper naar believen kan manipuleren, hetgeen nog eens bevestigd wordt in vers 13.

 

Volgens Van Bekkums oud-oosterse vertelconventie wordt Jozua's veroveringstocht van meerdere dagen getekend als een overwinning op één enkele dag. Het stilstaan van de zon en de maan is niet meer dan een metafoor:

“De verlenging van de dag om de vijand in één keer te verslaan moet worden begrepen als een retorische strategie die een weerspiegeling is van een gebruikelijke literaire techniek van het oude Nabije Oosten waarbij een grote militaire overwinning wordt samengetrokken tot één enkele tijdsduur” (CtC p250).

 

Van Bekkum verdedigt deze uitleg door de poëtische regels uit het oudere (en dat dus gezagvoller zou zijn) boek van 'De Oprechte' waarin Jozua de zon en de maan beveelt stil te staan, op te vatten als de primaire bron en het commentaar dat door de schrijver van het Boek Jozua daaraan is toegevoegd te beschouwen als een overdrijving 'van secundair belang' (CtC p250).

 

Van Bekkum redeneert het afgebeden onbegrijpelijk grote kosmische wonder weg en

speelt delen van de Schrift tegen elkaar uit waarbij ouderdom van teksten als criterium fungeert wat het grootste gewicht heeft. En dat ook nog op basis van de aanvechtbare aanname dat het boek Jozua niet uit de tijd van Jozua zelf afkomstig is, maar ontstaan zou zijn in de vroege koningentijd[8].

 

Waarheidsclaim en waarheidswaarde

 

Volgens Van Bekkum is er verschil tussen de geschiedenis en de manier waarop deze door de bijbelschrijver wordt verwoord. De Bijbelse geschiedschrijving is een vorm van beeldende kunst, waarbij gebruik wordt gemaakt van vertelconventies: artistieke constructie, simplificatie, selectie, suggestief detail, retorische overdrijving en het gebruik van anachronismen (CtC p31-2, p557) en ook het spelen met een spanning tussen ideaal en werkelijkheid. Voorbeelden: Jozua's ideologisch geladen beschrijving van de pas latere werkelijke grenzen van het land ten tijde van David en Salomo. In Jozua gaat het dus om de ideale grenzen. Het is wel geschiedenis máár vertelde geschiedenis[9]. Fictieve geschiedenis dus. Zo is volgens Van Bekkum ook de synode van Assen (1926) in de fout gegaan door geen oog te hebben voor metaforische elementen in het scheppingsverhaal volgens bepaalde vertelconventies en er dus geoordeeld werd dat een slang een slang, spreken spreken, en een boom een boom is (G.Ch. Aalders).

Maar gereformeerde exegeten hebben nooit bezwaar gemaakt tegen een mogelijke figuratieve manier van uitleg, zolang de tekst daarvoor maar voldoende, klaarblijkelijke aanleiding toe geeft. Nooit is de stelling verdedigd dat elk Schriftwoord letterlijk moet worden genomen.

 

Van Bekkums wil met zijn begrip 'vertelde geschiedenis' wel vasthouden aan wat de tekst zegt, de waarheidswaarde, maar tegelijk de 'claim' van de tekst, de waarheidsclaim anders opvatten. Zo kun je de tekst wat anders laten zeggen dan altijd is gedacht. Deze benadering spoort niet met de algemene verzekering aan 'heel de Schrift' vast te houden en doet afbreuk aan de Schrift. De meest schandelijke ketterijen worden immers zo verdedigd met een beroep op de Schrift.

Om nu de 'waarheidsclaim' van de tekst te vinden gaat Van Bekkum buiten-Bijbelse gegevens gebruiken als ‘check’ (judge) op de uitleg van de Bijbel. Bijvoorbeeld archeologische vondsten.

 

De check

 

Het gaat Van Bekkum er niet om de Bijbel te onderwerpen aan het menselijk oordeel maar alleen een onderzoekshypothese te testen. Maar de cruciale vraag is: wát geeft de doorslag als de Schrift als haar eigen uitlegster verschilt met de archeologie of andere informatie? De Schrift, zeiden gereformeerden altijd: sola Scriptura, zo spreekt de HERE.

Echter dr. Van Bekkum wil niet alleen een menselijke onderzoekshypothese, maar ook de waarheidsclaim van de tekst zelf ter discussie wil stellen (CtC p31-2). Want volgens hem is het onmogelijk is om een precieze definitie van Bijbelse historiografie te geven zonder de uitkomsten van de exegetische arbeid te testen in een dialoog met de artefactische gegevens (CtC p2).  Daarmee wordt het sola Scriptura-beginsel principieel op de tocht gezet.

Zo schrijft hij:

 

“Noch de vorm van de ideologisch geconstrueerde chronologieën, noch de overtuiging dat er geen goddelijk plan is achter de geschiedenis, kan de vraag beantwoorden wat de aard is van de historische waarheidsclaim in een tekst als Exodus 12:40 of 1Koningen 6:1. Alleen een nauwkeurige historiografische analyse van het chronologische kader van deze verzen, inclusief de verhalen binnen dat kader, kan leiden tot een hypothese die hun historische waarheidsclaim bepaalt. En alleen door deze waarheidsclaim in dialoog te brengen met artefactische gegevens kan haar waarheidswaarde worden getest” (CtC p34).

En:

“Uiteindelijk is er meer dan een waarheidsclaim, er is ook een waarheidswaarde. Daarom vereist de monoloog van de tekst een dialoog met de monoloog van het artefact” (CtC p35).

 

Dus pas na de dialoog tussen tekst en artefact kan de betekenis van een tekst worden vastgesteld. Als Van Bekkum zegt: “Niets van wat de tekst zegt wordt als niet-historisch aan de kant geschoven” (I&S p7) dan moet wel in rekening worden gebracht dat hij de vrijheid claimt om na 'de test' de betekenis van een tekst te vervangen door een andere en de waarheidswaarde dáárvan als 'historisch' te beschouwen. Dat heeft grote consequenties.

 

Gevolgen

 

Dr. Van Bekkum erkent dat de Bijbel in zichzelf betrouwbaar is (autopistie). Maar tegelijk stelt hij dat het mogelijk is dat de bijbelschrijver gebruik maakt van historiografische conventies met mythische fragmenten of technieken van de koninklijke historiografie. Zo is z.i. een integere optie dat niet David Goliath heeft verslagen maar een van zijn generaals. Zo ging dat in het oude Nabije Oosten. Het verhaal over Davids strijd met de Filistijnen is in geestelijke en historisch zin exemplarisch, volgens hem.

 

Van Bekkum vindt het niet op voorhand verwerpelijk te veronderstellen dat de bijbelschrijver bewust elementen in de tekst heeft verwerkt om deze een ouder en dus respectabeler aanzien te verschaffen. Bijvoorbeeld, de ijzeren strijdwagens zouden in Jozua's tijd nog helemaal niet hebben bestaan; er zouden toen nog geen Filistijnen in Kanaän hebben geleefd; Jozua nooit met zijn leger in Kadesh Barnea, Baäl Gad en Misrephot zijn geweest (CtC p352). Ondanks dat Jozua dit gewoon als vaststaande historische feiten vermeldt (zie o.a Joz.10:41; 11:17,8). En het gebod om de Kanaänitische volken te verdelgen dateert Van Bekkum mogelijk in de periode na de Intocht i.p.v. ervoor zoals de Bijbel verhaalt in Deut.20:17.

 

Discussies

 

Degenen die meer willen weten van de achtergronden van de bezwaren geven we een uitgebreide maar lang niet uitputtende verwijzing naar eerdere door ons en anderen gepubliceerde artikelen en documenten. De teksten kunnen eenvoudig worden opgeroepen door de titel van het item in de lijst te clicken. Ook kunnen ze op de site eeninwaarheid.info of eeninwaarheid.nl zelf gemakkelijk via het zoeken van (een deel van) de titel. 

 

T.a.v. dr. Paas

Een discussie over de Emmaüs 1
Een discussie over de Emmaüs 2
Een discussie over de Emmaüs 3
Een discussie over de Emmaüs 4
Een discussie over de Emmaüs 5

Bijbel en wetenschap (1) - De visie van dr. Stefan Paas e.a.

Bijbel en wetenschap (2) - De visie van dr. Stefan Paas e.a.

Bijbel en wetenschap (3) - De visie van dr. Stefan Paas e.a.

Synodeverslag week 23 - Verklaring ds. H.G. Gunnink

Onbegrijpelijk ontstellend bedroevend

Paas en Paulus

 

 

T.a.v. dr. Van Bekkum

Verovering en vestiging. Jozua 9-13 en het archeologische onderzoek I

Verovering en vestiging. Jozua 9-13 en het archeologische onderzoek II

Verovering en vestiging. Jozua 9-13 en het archeologische onderzoek III

Verovering en vestiging. Jozua 9-13 en het archeologische onderzoek IV

Verovering en vestiging. Jozua 9-13 en het archeologische onderzoek V

Verovering en vestiging. Jozua 9-13 en het archeologische onderzoek VI

Verovering en vestiging. Jozua 9-13 en het archeologische onderzoek VII

Over Intocht en Sola scriptura Een antwoord op een weerwoord
Preken die breken - Onrust in Drachten 3
 

T.a.v. dr. E.A. de Boer

Eerbied voor het hoge Woord

De dagen van Genesis 1 – derde ronde

De dagen van Genesis 1 - een voortgezet gesprek (1)

De dagen van Genesis: een voortgezet gesprek (slot)

Nogmaals de Dagen van Genesis

 

NOTEN

[1] Stefan Paas, Oudtestamentische Studiën 47, Leiden, Brill 2003.

[2] Gen.17:15-17; 46:1; Ex.1:1vv; Ps.78:52-55; 105; en vele andere plaatsen.

[3] Ex.1:1vv; Ps.78:52-55; 105; en vele andere plaatsen.

[4] Gen.1:1.

[5] Gen.13:3-2:1.

[6] Vergelijk het spreken van prof.dr. B. Kamphuis op de conferentie te Hamilton, januari 2014, click hier.

[7] Een simpele vergelijking met een verkeersdeelnemer die zegt verkeerslichten volstrekt te respecteren: alleen, de lichten zeggen dat het verkeer geregeld wordt, niet precies hoe. Daar kun je je eigen interpretatie aan hechten (hetgeen niet weinig weggebruikers doen).

[8] Zie voor een nadere onderbouwing Over Intocht en Sola Scriptura, click hier.

[9]Vergelijk Hamilton en Hermeneutiek (3) – Genesis 1, click hier.