Ethiek

Kerkverband

Signalen


Meditatie
Elke woensdagavond van 19.00 tot 19.20 uur.
Ds. M.A. Sneep en ds. H.G. Gunnink

https://kerkdienstgemist.nl/stations/788-Gereformeerde-Kerk-Groningen

Schriftoverdenking
Elke woensdagavond van 20.30 tot 20.50 uur.
Ds. C. Koster

https://dgk-lansingerland.nl/nieuws/live-kijken



 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Onderhoudende artikel 31?

 

J.P.C. Vreugdenhil
18-03-17

 

Inleiding

 

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) hebben sinds enige tijd een nieuwe kerkorde. Blijkens een tweetal artikelen van ds. Niemeijer[1] heeft dat bij sommige mensen geleid tot onbehagen: is de inhoud van het oude artikel 31 nog wel gehandhaafd, of is er een “vrijgemaakt kroonjuweel vermist” geraakt? Hij probeert uitvoerig aan te tonen dat het hele artikel nog steeds is verwerkt in de nieuwe KO, zij het in andere woorden en met een andere nummering. Toch, na lezing en herlezing van zijn artikelen is bij mij het onbehagen alleen maar toegenomen.

 

Basis

 

Laat ik eerst summier een schets geven van de grondslag van het gereformeerd kerkrecht, dan kan ik  in het vervolg ernaar verwijzen.

 

Christus heeft alle macht en gezag over de kerk, Hij is het enige hoofd. Hij heeft aan zijn kerk op aarde ambtsdragers gegeven. Zij moeten de kerk regeren, en zijn daarbij gebonden aan de instructies die Christus hen heeft gegeven, zoals vastgelegd in de Bijbel.

 

De plaatselijke kerken vormen samen een kerkverband. In de meerdere vergaderingen, classes en synodes, komen afgevaardigden van plaatselijke kerken bijeen om die dingen te bespreken die daar thuis horen. Deze afgevaardigden, en daarmee ook de meerdere vergaderingen zelf, hebben slechts afgeleid gezag: alleen over de zaken die ze op grond van hun afvaardiging mogen behandelen. De kerkorde is er onder andere voor om duidelijk te maken wat hun bevoegdheden wel en niet zijn. Het bekende “tenzij” van het oude artikel 31 gaat dan over de situatie dat zo’n meerdere vergadering iets zou besluiten dat in strijd is met óf de Bijbel (het mandaat van Christus), óf de kerkorde (het mandaat gegeven aan de meerdere vergadering).

 

De discussie waar ds. Niemeijer op doelt, gaat over dit ‘tenzij’ van artikel 31:

 

De uitspraak [van een meerdere vergadering] zal als bindend worden aanvaard, tenzij bewezen wordt dat zij in strijd is met het Woord van God of met de kerkorde.

 

Nu wil ik Niemeijer direct toestemmen dat er best wel meer in een kerkorde mag staan over de manier waarop wordt gehandeld met de uitzonderingssituatie van dit “tenzij”. Hij maakt daar behartigenswaardige opmerkingen over. Maar ik zie hier toch drie belangrijke verschillen tussen de oude en de nieuwe kerkorde, die helaas door Niemeijer niet worden genoemd. Hieronder bespreek ik de twee belangrijkste. De derde wijs ik wel aan, maar ik werk die niet uit.

 

Het eerste verschil

 

Wat is het kerkordelijk gevolg als een classis of synode een besluit neemt dat strijdig is met hun mandaat? Wanneer we op dit punt de oude en de nieuwe kerkorde vergelijken, is het niet moeilijk een verschil in benadering te constateren. De oude kerkorde stelde: “… zal als bindend worden aanvaard, tenzij bewezen wordt…” (art. 31). Daarmee werd de aandacht gericht op de eventuele gevolgen voor het betreffende besluit: als zoiets wordt bewezen, is het besluit niet bindend, het wordt niet beschouwd als een geldig besluit.

De nieuwe kerkorde kiest een heel andere invalshoek. De aandacht gaat vooral uit naar wie zo’n besluit moet uitvoeren:

“De uitvoering van een besluit kan niet van iemand worden verlangd als …” (art. F72.4). De positie van de bezwaarden wordt geregeld, maar de geldigheid van het besluit blijft vooralsnog onaangetast, in ieder geval totdat een volgende meerdere vergadering zich erover heeft gebogen[2]. Niemeijer schrijft: “Besluiten van een kerkelijke vergadering die door een kerkenraad niet uitgevoerd kunnen worden, behouden wel rechtskracht” (p. 20). Bezwaarden krijgen als het ware nog wel enige vrijheid om bezwaard te zijn, maar ze worden in een uitzonderingspositie geplaatst.

 

In het kort: de oude KO zei “niet bindend”; de nieuwe KO zegt: ”zulke besluiten behouden wel rechtskracht”. Alle pogingen van Niemeijer om te laten zien dat de nieuwe KO probeert de positie van bezwaarden zorgvuldig te regelen, doen aan dit fundamentele verschil niets af.

 

Het tweede verschil

 

De oude KO sprak over “tenzij bewezen wordt dat [een besluit] in strijd is met het Woord van God of met de kerkorde” (art. 31). De nieuwe formulering luidt: “als dit hem persoonlijk in zijn geweten in strijd brengt met Gods Woord” (art. F72.4)[3]. Het “bewijs” van vroeger is nu vervangen door “persoonlijk in zijn geweten”: een verschuiving van het meer objectieve naar het meer subjectieve. Ik heb niet kunnen vinden dat Niemeijer aandacht geeft aan dit verschil.
 

Twee opmerkingen wil ik hierbij maken:

  1. “Bezwaard zijn” heeft onder de nieuwe kerkorde een lagere drempel dan onder de oude. In de oude situatie moest er “bewezen” worden, en dat vergt hard en zorgvuldig werk. In de nieuwe situatie is een beroep op het geweten feitelijk al genoeg. Daar komt geen bewijs meer aan te pas, en uiteindelijk kan geen kerkenraad het meer narekenen.
     
  2. Het is mij niet duidelijk hoe de kerken eraan kunnen ontkomen dat tuchtprocedures vastlopen op deze nieuwe regeling. Als niemand gedwongen kan worden te handelen tegen zijn geweten, hoe kun je dan nog tucht uitoefenen over verkeerd gedrag? Zodra iemand verklaart te handelen overeenkomstig zijn geweten, houdt elke dwang en tucht op. Als die man uit 1 Korintiërs 5:1 simpelweg verklaart dat het verstoten van de vrouw van zijn vader tegen zijn geweten in gaat, welke tucht is dan, volgens de nieuwe KO, nog mogelijk?
    Om het dichter bij huis te brengen: denk aan het recente ‘homo-besluit’ van de CGK synode, en de reactie van CGK-Zwolle daarop. Volgens de oude KO zou ‘Zwolle’ gebonden zijn aan het besluit, volgens de nieuwe KO zouden ze het niet hoeven uit te voeren. 

Een noodzakelijk verband

 

Het bovenstaande was vooral een observatie: er zijn verschillen tussen de oude en nieuwe kerkorde. Daar wil ik nog iets verder op doorgaan. Het wordt een zoeken en tasten naar de achtergronden van de gesignaleerde verschillen, en naar de gevolgen ervan.

 

Het is merkwaardig dat deze ingrijpende verschillen zo weinig zijn uitgelegd. Eigenlijk kom je, ook in de Acta van de synodes, geen andere uitleg tegen dan wat ook Niemeijer schrijft in zijn artikelen: er is geprobeerd de uitzonderingssituatie van de oude KO in betere regelingen te vangen. En het lijkt erop dat de verschillen ongemerkt binnengeslopen zijn. Maar dan nog blijft de vraag: hoe is het zo gekomen?

Als je erover nadenkt, valt het op dat de twee gesignaleerde verschillen met elkaar samenhangen. Om preciezer te zijn: het tweede verschil maakt het eerste noodzakelijk.

 

De oude kerkorde verwijst naar één norm, de Bijbel[4]. Dat is eenduidig. Maar de nieuwe kerkorde hanteert als richtsnoer een combinatie van Bijbel plus persoonlijk geweten. Dat is niet meer één norm, maar daarvan zijn er in de GKv zo’n honderdduizend! Wat moet je met zo’n hoeveelheid? Een besluit ongeldig verklaren omdat er één persoon is die het “persoonlijk in zijn geweten” onaanvaardbaar vindt? Dan kan er bijna geen besluit meer genomen worden. Kijken naar 10%, 50% of 70% van al die gewetens? Dat werkt toch niet? Bovendien, op de meerdere vergadering is zo’n besluit al genomen door een – hopelijk representatieve – groep mensen. Juist vanwege die grote hoeveelheid “persoonlijke gewetens” kan het niet goed anders dan het besluit als geldig te laten staan.

 

Naar mijn mening accepteert de nieuwe kerkorde hier een drastische verschuiving in de grondslag van het kerkverband, van de ene Bijbel naar de vele combinaties van geweten plus Bijbel. Ik vraag me af: Waar is deze verschuiving verantwoord? En is hierover overleg geweest met buitenlandse zusterkerken?

 

De geest van de tijd?

 

Hoe komt het dat deze verandering door zo weinigen is gesignaleerd? Zou het zijn omdat die verschuiving zo goed past bij de geest van onze tijd? Het is gemakkelijk overeenkomsten met die tijdgeest te constateren; of die overeenkomsten toevallig zijn of niet, blijft een andere vraag. Betreffende deze geest van onze tijd wijs ik op het volgende:

  • De oude formulering gaat uit van de overtuiging dat de Bijbel zo duidelijk is, dat je op grond daarvan dingen kunt bewijzen, en dat die bewijzen algemene geldigheid hebben. Zoiets als we lezen in Handelingen 9:22: “Saulus …. bracht de Joden … in verwarring door te bewijzen dat deze de Christus is”. De duidelijkheid of doorzichtigheid van de Bijbel was een belangrijk onderdeel van het “sola Scriptura” van de Reformatie.
     
  • De duidelijkheid van de Bijbel wordt door velen in onze tijd geproblematiseerd. Teksten, documenten, hebben volgens hedendaagse inzichten geen betekenis meer, maar kunnen betekenis krijgen in een wisselwerking tussen tekst en lezer, of tussen tekst en uitlegger of tussen tekst en uitleggende gemeenschap. Dit leidt onvermijdelijk tot een veelvoud van betekenissen. Binnen deze visie kun je niet zinvol spreken over tegenstrijdigheid tussen een besluit en de Bijbel; er is hoogstens tegenstrijdigheid tussen uitleggingen ervan.
     
  • Deze opvatting over uitlegging komt men tegen onder namen als “postmodernisme” of “nieuwe hermeneutiek”, zaken die binnen de vrijgemaakte kerken in discussie zijn, en door buitenlandse zusterkerken zeer kritisch benaderd worden.
     

Dat is voor mij de vraag: Is er op deze manier al een stuk “nieuwe hermeneutiek” ingevoerd in de officiële papieren van de GKv, of heeft deze wijziging in de kerkorde een andere en minder omstreden oorzaak? Wat mij betreft gaat het daarbij niet om de vraag met welke intentie deze verandering is binnengekomen, maar om de vraag wat ze feitelijk betekent.

 

NOTEN

[1] In Nader Bekeken, december 2016, p. 346-349, en januari 2017 p. 18-21.

[2] Dit “totdat” doet denken aan de discussies uit de tijd van de vrijmaking over het verschil tussen “tenzij”of “totdat”in artikel 31 KO.

[3] In deze twee citaten komt ook even het derde verschilpunt naar voren: in de nieuwe KO wordt niets meer gezegd over strijdigheid met de kerkorde. Maar dit verschilpunt wil ik hier niet verder uitwerken.

[4] Strikt genomen: Bijbel en kerkorde, dat zijn er eigenlijk twee. Ik signaleerde eerder al dat de nieuwe KO die tweede helemaal weglaat. Voor de eenvoud doe ik dat ook in deze discussie. De KO is zozeer ondergeschikt aan de Bijbel, dat dit hier zonder bezwaren kan.