Ethiek

Kerkverband

Signalen


Meditatie
Elke woensdagavond van 19.00 tot 19.20 uur.
Ds. M.A. Sneep en ds. H.G. Gunnink

https://kerkdienstgemist.nl/stations/788-Gereformeerde-Kerk-Groningen

Schriftoverdenking
Elke woensdagavond van 20.30 tot 20.50 uur.
Ds. C. Koster

https://dgk-lansingerland.nl/nieuws/live-kijken



 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Streven naar eenheid (2)


N. van Dijk
03-11-12

 

We vervolgen ons artikel over streven naar eenheid aan de hand van een aantal artikelen van ds. De Marie (DGK) n.a.v. de oproep tot eenheid vanuit de HHK.
Ds. De Marie noemt dan de kerkorde van 1951 die in de brief genoemd wordt. In deze kerkorde werd de binding aan de belijdenisgeschriften verder losgelaten: “de gehele kerk doet in gemeenschap met de belijdenis der vaderen (….) belijdenis van de zelfopenbaring van de Drieënige God” (art.10). Er wordt ruimte geschapen voor voortgang in het belijden, in verbondenheid met het belijden van vroeger (de ruimte die ook door K. Barth werd bepleit). Er is een historisch verband met de belijdenisgeschriften van vroeger, maar men kent hen geen inhoudelijke rol toe als Schriftuurlijke toetssteen. In het belijden zit ontwikkeling en voortgang in ontmoeting met de wereld, de inhoud van dat vernieuwde belijden wordt bepaald door de meerderheid van de kerk.
Naast ruimte voor leervrijheid is er in de kerkorde van 1951 ook een verschuiving van de opdracht van de kerk. Er wordt gesproken over het apostolaat als primaire taak van de kerk. De kerk moet vooral dienstbaar zijn aan de wereld (Wereldraad van Kerken). Ds. De Marie merkt op:

 

“In plaats daarvan dient de kerk uit te gaan van de apostoliciteit van de kerk die rust op het betrouwbare Woord van God, zoals dat door de apostelen als dienstknechten van Jezus Christus is overgeleverd. De achterliggende kerkvisie van het apostolaat als dienstbetoon aan de wereld heeft geleid tot het verder uithollen van de kerk, hoezeer ook de taak tot het verbreiden van het evangelie in deze wereld tot haar taken behoort (Mat. 28: 19). Dat apostolische fundament dient nu in de HHK weer in ere hersteld te worden”.

Hij pleit voor een terugkeer naar de voluit Schriftuurlijke kerkorde van Dordrecht 1618/1619, op deze manier “houdt men zich voluit aan de belijdenis en het geloof van de vaderen – de vaderen van Dordt - , in overeenstemming met Gods Woord”.

Ook de term ‘vaderlandse kerk’, genoemd in de brief, is aanleiding voor de Marie tot vragen. Voor veel hervormden is (was) de Nederlands Hervormde Kerk de ‘kerk der vaderen’, een ‘planting Gods’, die je nooit mag verlaten. God heeft een verbond met de vaderlandse kerk door de jaren heen, ook in de pluraliteit. Ook de HHK spreekt over zichzelf als over de ‘vaderlandse kerk’. Gedachte achter het begrip ‘vaderlandse kerk’ is dat de breedte van het hele volk gezocht moet worden: niet de belijdenis staat centraal maar Christus. Het moest een nationale kerk worden die er was om van Nederland een christelijke natie te maken. Ook ongedoopte kinderen van gelovige ouders behoorden tot deze nationale kerk. De HERE zou met de Hervormde Kerk een verbond hebben, net zoals Hij in het OT Zijn verbond met het volk Israël had gesloten. Zelfs bij ernstige dwalingen had Hij Israël niet verworpen. Zo zou Hij dat ook niet met de NHK doen. Daarom mocht deze kerk niet worden verlaten. Verschillende ‘modaliteiten’, van uiterst vrijzinnig tot uiterst behoudend, konden naast elkaar bestaan.

Ds. De Marie noemt dan een aantal bezwaren tegen deze hervormde kerkleer:

  • Men moet de kerk meer gehoorzamen dan Christus en Zijn Woord.
  • Deze kerkleer spreekt andere taal dan de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 27 – 29).
  • In het OT vielen Israël als volk en de kerk samen. Nu is het heil niet langer beperkt tot één volk, allen die geloven zijn kinderen van Abraham en de eredienst is niet langer beperkt tot één tempel en stad, maar de Here wil nu gediend worden in Geest en in waarheid (Joh. 4: 23).

De predikant schrijft:


“In de kerk gaat het om geloofsgehoorzaamheid, en dat is verbondsgehoorzaamheid. En deze gehoorzaamheid vraagt dat men in het verbond Christus trouw blijft als het ene Hoofd van de Kerk, en niet dat men een ontrouw instituut trouw blijft”.

Over de kerkleer zal dus ook in de HHK verder gesproken moeten worden. Ds. De Marie spreekt de hoop uit dat de belijdenis van de kerk werkelijk kan functioneren als formulier van enigheid: “Wat zal dat reden zijn tot grote vreugde bij allen die willen leven in verbondsgehoorzaamheid naar Gods wil”.

 

In zijn artikelen noemt ds. De Marie nog enkele reacties op de brief, o.a. vanuit de HHK zelf, waarin opgemerkt wordt dat de situatie binnen de HHK nog niet is uitgekristalliseerd, eenheid heeft zijn tijd nodig.
Een andere reactie kwam van ds. Van der Wolf (toen nog verontrust binnen de GKV, nu predikant van de GKN). Ook hij spreekt zijn waardering uit voor de brief en hoopt op een bredere eenheid met alle ware gereformeerde belijders.

In een laatste artikel merkt ds. de Marie op dat

“als de verschillen niet zijn terug te voeren op Schrift en belijdenis en kerkorde, ze geen belemmering mogen vormen voor het komen tot eenheid, als ze dat wel doen, binden we ons aan zaken die boven de Schrift uitgaan”.

 

Hij geeft nog een citaat door uit een brochure van dr. W. van Vlastuin (“Moeten we toch mee”, 1999): 


De oorzaak van het onheil moeten we niet allereerst zoeken in die delen van de kerk waar het bloed van Jezus geen waarde heeft. Wij staan schuldig. We zijn zelfgenoegzaam. We beroemen ons (onbewust) op onze gehoorzaamheid, onze meelevendheid en onze financiën. Terwijl we niet zien dat ook in de gereformeerde beweging van de hervormde kerk zoveel verwatering is: polarisatie, wereldgelijkvormigheid, modernisme en individualisme.
Verootmoediging is heel concreet; we belijden niet algemeen onze schuld, maar noemen de zonde ook bij haar naam. Was er onder de gereformeerden in de Nederlandse Hervormde kerk niet veel te weinig lijden aan de kerk? Was er een opkomen voor het recht van de belijdenis in de hele breedte van de kerk? Waren we niet tevreden met de ruimte die men ons gaf? Hebben wij de Heere in dat oordeel aangeroepen?
Verootmoediging gaat nog dieper als we de vrijzinnigheid, losbandigheid, verscheurdheid en ongehoorzaamheid aan Gods Woord als onze persoonlijke schuld voelen.
Er is ook nog een ander aspect aan de schuldbelijdenis. Is het niet hoog nodig dat wij als kerk onze schuld belijden richting de Afscheiding en de Doleantie? Hoe hebben wij ons gedragen tegenover ds. Ledeboer en ds. Kohlbrugge! Het proces van kerkelijke vereniging is alleen geestelijk als we ons kerkelijk voor de breuken in de historie verootmoedigen. (pag. 5,6).
Erkenning van schuld is alleen oprecht als we met de beleden zonden breken. Als het onze zonde is geweest dat we niet zijn opgekomen voor het recht van God op geheel onze kerk zullen we dit thans met dubbele kracht moeten doen. Spreken over Gods gericht is alleen geloofwaardig als het samengaat met een oproep tot bekering en reformatie.
Zolang de nieuwe kerk nog geen feit is, zal het besef van Gods ongenoegen over onze kerkelijke situatie de oproep tot reformatie des te klemmender maken. Als we erkennen dat de nieuwe kerk een oordeel van God is, dan zal ons hele gedrag hiervan een belijdenis zijn. Het oordeel van God kunnen we alleen maar vrezen! Bij Gods oordelen past geen gemoedelijke glimlach, maar huiver en ontzetting. (pag. 6).
Zeker kunnen we niet ontkennen dat dezelfde Christus in de gereformeerde gezindte buiten de Nederlandse Hervormde Kerk aanwezig is. Laten we met hen de eenheid zoeken en gestalte geven. (pag. 38)”.

 

Ds. de Marie spreekt zijn hoop uit dat dit geluid mag blijven doorklinken in de HHK.

 

Inmiddels zijn we veel jaren verder, we weten niet hoe hoog de kerkelijke eenheid op het prioriteitenlijstje van de HHK en de andere kerken staat. Maar nu er een nieuw vergaderseizoen is aangebroken leek het ons goed deze artikelen weer eens onder de aandacht te brengen.