Ethiek

Kerkverband

Signalen

De bezinningsgroep Rijnsburg e.o. belegt D.V. op 26 september a.s. een voorlichtingsavond over:

Schriftgezag en hermeneutiek (Bijbeluitleg)

Spreker: dr. R.T. (Dolf) te Velde.

Plaats: kerkgebouw GKv Rijnsburg, Katwijkerweg 1a, 2231 SE Rijnsburg.
Aanvang: 20.00 uur.
Zie verder onder Nieuwe artikelen, click Schriftgezag en hermeneutiek

 


 

 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Canada en de Nederlandse kerken – GKv (3)

 

Redactie een in waarheid

15-12-12

 

We vervolgen weer de serie over de rapportage die de Canadese broederschap heeft geschreven over hun bezoeken en bevindingen ten tijde van de zgn. buitenlandweek van de generale synode van de gereformeerde kerken vrijgemaakt (GKv).

 

Opnieuw blijkt het subcomité van de 'Canadese BBK' er in geslaagd met een aantal verslagen en commentaren een belangwekkend beeld te geven van hun ervaringen met onze kerken. Het is alsof we even in de 'keuken' van de zusterkerkrelatie mee mogen luisteren. Dat is boeiend. En ook onthullend! 


Bij hun rapportage zijn een aantal bijlagen gevoegd, te weten:

 

Bijlage 1        – Verslag bezoek GS Harderwijk 28 maart - 2 april 2011

Bijlage 2        – Toespraak tot de Synode van Harderwijk
Bijlage 3        – Interimrapport Subcomité aan BBK 9 maart 2011

Bijlage 4a      - BBK discussiestuk voor de vergadering van 19 april 2012

Bijlage 4b      - Antwoord van Subcomité op BBK discussiestuk

Bijlage 5        - 2012 Gedetailleerd rapport over de zorgen t.a.v. de GKv

 

De vetgedrukte bijlagen worden in deze aflevering aangeboden.

 

Afkortingen

De rapporteurs gebruiken de volgende afkortingen:

 

BBK     – Relations Foreign Churches (Betrekkingen Buitenlandse Kerken)

CanRC – Canadian Reformed Churches

CRCA – Committee for Relations with Churches Abroad

DKE    – Deputies for Church Unity (Deputaten Kerkelijke Eenheid)

EF      – Ecclesiastical Fellowship (zusterkerkrelatie)

FRCA   – Free Reformed Churches of Australia

FRCSA – Free Reformed Churches of South Africa

NAPARC - North American Presbyterian and Reformed Council

NRC    – Netherlands Reformed Churches (Nederlands Gereformeerde Kerken)

OPC    – Orthodox Presbyterian Church

RCN    – Reformed Churches in the Netherlands (GKv)

URCNA – United Reformed Churches of North America

TUK    – Theological University Kampen

 

 

BIJLAGE 3

 

Interimrapport van het subcomité, aangeboden aan de BBK voor bespreking op 9 maart 2011.

 

1.      SCHRIFTVISIE IN KAMPEN

 

Wij als deputaten zijn bezorgd dat er een verzwakking blijkt van de klassieke Gereformeerde Schriftvisie, zoals die in de Schrift wordt gevonden (bijv. Johannes 17:17; 2 Tim. 3:16; 2 Petrus 1:21) en beleden wordt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikelen 2 - 7.

Er zijn verschillende redenen voor deze zorgen. Samengevat zijn deze:

  1. Handhaving van Dr. Paas als universitair docent aan de Theologische Universiteit
  2. De dissertatie van Dr. Koert van Bekkum, goedgekeurd door de Theologische Universiteit
  3. Bezwaarschriften ingebracht op de Synode van Zwolle-Zuid (2008) en daar afgewezen.

A.        Handhaving van Dr. Paas als docent aan de Theologische Universiteit.

 

Onze waarnemingen

 

We zijn dankbaar voor de goede elementen in de dissertatie van Dr. Stefan Paas, die we gebruiken in de herziene Engelse versie: Creation and Judgement: Creation Texts in Some Eighth Century Prophets (Oudtestamentische Studiën 47; Leiden: Brill, 2003). [Schepping en Oordeel: Teksten over de schepping bij een paar profeten uit de achtste eeuw, eiw].

Tegenover de huidige Schriftkritische standpunten is zijn voornaamste stelling dat een scheppingsgeloof onder de profeten uit de achtste eeuw werd gevonden.

Wij zijn echter zeer teleurgesteld dat hij zichzelf volledig identificeert met een ‘godsdienst-historische benadering’ (20-31). We zouden hebben verwacht dat hij, als Gereformeerd wetenschapper, duidelijk zou hebben verklaard dat hij, hoewel hij de godsdienst-historische benadering niet aanhangt, toch deze benadering zal gebruiken om aan te tonen dat men, zelfs op basis van die veronderstellingen, een scheppingsgeloof kan verdedigen bij de profeten uit de achtste eeuw. Zoals de dissertatie er nu ligt, blijkt op geen enkele manier dat de schrijver zich distantieert van de schriftkritische benadering, inclusief alle onbijbelse veronderstellingen die ermee samengaan.

 

Laten we binnen de beperkingen van dit rapport het bovenstaande zo kort mogelijk illustreren. 

  1. Dr. Paas schrijft op blz. 24:

    " Het lijkt voor deze schrijver fundamenteel om allereerst en bovenal vast te stellen dat godsdiensthistorie een historie is van godsdienst in het kader van historische gebeurtenissen en niet een historie van God. Met andere woorden, het verklaren dat YHWH een afgeleide is van El, is geen uitspraak over de theologische werkelijkheid van de goddelijke waarheid. Het is alleen maar een vaststellen dat in de eerste perioden van Israëls godsdienstgeschiedenis de vereerders van God grotendeels dezelfde eigenschappen aan YHWH toedichtten als aan El werden toegedicht, en dat de Kanaänitische El-verering in  hoge mate de bron was van de concepten, waarvan het volk Israel gebruik heeft gemaakt om hun geloof in hun God vorm te geven."

    We zouden op het bovenstaande graag als volgt willen reageren:
    • Om een onderscheid te maken tussen “de theologische werkelijkheid van de goddelijke waarheid” en de “historische manifestatie” (zoals in de Schrift wordt beschreven) is het scheiden van wat de Schrift vertelt over de actuele werkelijkheid. 
    • Is de godsdienst van Israel gebaseerd op openbaring van God of is het gebaseerd op menselijke fantasie? Om te zeggen dat “de Kanaänitische El-verering in grote mate de bron vormde van de concepten die het volk Israel gebruikte om hun Godsgeloof vorm te geven” is het ontkennen dat God door zijn Mozaïsche openbaring hun geloof heeft vormgegeven. 
    • Het is verontrustend om te zien dat dit alles wordt gekwalificeerd als zijnde “fundamenteel voor deze schrijver” (namelijk Dr. Paas).
       
  2. Dr. Paas merkt op dat andere beperkingen in de historische methode impliceren dat het “geen ‘bovennatuurlijke’ openbaringen toestaat” (25) en dat religie wordt uitgelegd ”als een MENSELIJKE (zijn nadruk) activiteit” (26). Terwijl hij erkent dat ”er voor een dieper begrip van het Oude Testament en voor een theologische beoordeling van de godsdienst van het oude Israel, meer dan een historische benadering vereist is”,  bevestigt hij niettemin dat “voor het theologisch lezen van het Oude Testament niet aan de historische benadering van de godsdienst van het oude Israel kan worden voorbijgegaan.” (27-28).

    In antwoord hierop zouden we graag willen vragen hoe dit mogelijk is. Als de Schrift Gods openbaring is en authenticiteit in zich zelf heeft, wat voor positiefs zou het onderzoek van de Schrift, uitsluitend onderworpen aan de menselijke rationaliteit en zonder acht te slaan op Gods werk, dan mogelijk nog kunnen opleveren? Elk resultaat zal een ondermijning van de Schrift zijn, want als men zich eenmaal aan de restricties van de historisch-kritische school onderwerpt, zijn de resultaten voorspelbaar. Vergelijk de volgende onbijbelse conclusies, waartoe Dr. Paas komt
    • Gen. 2:4b-25 wordt toegeschreven aan een auteur, Yahwist genoemd, die mogelijk tijdens de vroege- of de middenperiode van de monarchie heeft geschreven, en van Gen. 1-2:4a wordt gezegd dat het een priesterlijk document is, dat dateert uit de Perzische periode (na de ballingschap) (32-34). Wat Genesis zegt is daarom van weinig belang voor de geschiedenis van de scheppingstheologie van voor de ballingschap (36). In het licht van dit alles concludeert Paas ook dat “de eerste verwijzingen naar het geloof van Israel in YHWH als Schepper van de wereld uit de vroege koningenperiode stammen” (49).

      Het bovenstaande is in openlijke tegenspraak met wat de Schrift ons bevestigt over wat er is geschied. Indien men niet het getuigenis van Genesis 1 en 2 wil accepteren, moet men dan niet eveneens Gods openbaring over het vierde gebod op de berg Sinaï ontkennen? Want volgens Paas wist Israel niet van de schepping tot de periode van de vroege monarchie.
       
      • Vanwege het aannemen van de historisch-kritische methode en die van de godsdienst-historische school, trekt Paas meer conclusies die rechtstreeks in strijd zijn met de Schrift, zoals: 
      • het scheppingsgeloof van Israel heeft een Kanaänitische achtergrond en is mogelijk beïnvloed door Egyptische ideeën (49, 121-132, 437)
      • Israel is ontstaan uit migranten en uit de Kanaänitische bevolking, in ongeveer 1175 BC. “de stammen die bekend werden als Israel” (113-114)
      • de verhalen van de Exodus en de Verovering van Kanaän zijn ideologische of theologische  reflecties, die misschien enige historische waarde hebben (120) 
    • Paas beschouwt de schepping als een mythe, samen met veel van Genesis 1-11 (104). Voor Paas is een sleutelelement bij een mythe dat het buiten de tijd staat, buiten de historie (102). “Gebeurtenissen geregisseerd door God in een tijd die buiten de onze staat, worden in het bijzonder in de Oergeschiedenis (Gen. 1-11) gevonden. … We zouden kunnen zeggen dat Israel van Kanaänitische oorsprong was… en daarom ook was geworteld in een mythisch denkklimaat. Op deze manier is het mogelijk om aan de mythe te denken als één van de fundamenten (en misschien wel het fundament bij uitstek) van Israels godsdienst” (104).

Anderen die bezwaren kenbaar hebben gemaakt.

 

Zoals u weet, zijn wij niet de eersten die dit soort bezwaren kenbaar hebben gemaakt. Soortgelijke zorgen werden in een officieel bezwaarschrift naar voren gebracht door 7 predikanten. Zij wijzen erop, gebruik makend van de Nederlandse editie van zijn dissertatie, dat Dr. Paas schriftkritische theorieën aanhangt, die geen recht doen aan de Schrift en zijn goddelijk gezag. Naar onze mening zijn deze bezwaren gerechtvaardigd. Maar de TUK heeft verzoekschriften om de benoeming van Dr. Paas opnieuw te bezien afgewezen.

 

Ook  Prof. J. Douma heeft geprotesteerd in een artikel in het Nederlands Dagblad van 3 april 2009 (op de site van het ND geplaatst op 6 april 2009 - zie: http://www.nd.nl/artikelen/2009/april/06/dissertatie-stefanpaas-botst-met-godsopenbaring).  Zijn bezwaren komen overeen met die welke hierboven zijn beschreven. Hij hoopte op een antwoord van de TUK. Kampen heeft met een artikel van de hand van Prof. Kwakkel geantwoord, waarin deze het werk van Dr. Paas verdedigde. De voornaamste argumenten zijn: 

  • Zijn werk is een Oudtestamentische dissertatie en wanneer men een dissertatie schrijft, heeft men te werken volgens de methode en principes van de godsdienst-historische school. Men kan zijn persoonlijk geloof niet delen of aannemen dat de Bijbel betrouwbaar is.
  • Als u wilt weten wat Paas gelooft, zou u zijn boeken over evangelisatie en kerkplanting moeten raadplegen.
  • Paas was in staat om te laten zien dat de profeten Jesaja, Amos en Hosea in de HEER als Schepper geloofden. Hij heeft die conclusie getrokken tegenover wetenschappers die handhaven dat een scheppingsgeloof pas van na die profeten stamt.
  • Het oudtestamentische onderwijs in Kampen gaat niet in een historisch-kritische richting. Het was echter voor Paas onrealistisch om zijn dissertatie vanuit een Gereformeerd standpunt te schrijven.
  • Het verschil tussen mythe en historie is veel kleiner bij Paas dan Douma stelt en Paas’ idee van de mythe komt overeen met wat Douma schrijft, namelijk dat wat God en Jezus Christus voor ons hebben gedaan in onze geschiedenis, de basis vormt voor ons geloof.

Een paar van de bovengenoemde punten werden ook door Paas vermeld in het interview met het Nederlands Dagblad (laatst herzien 6 april 2009).

 

Onze evaluatie

 

De redenen voor de weigering van de TUK om de benoeming van Dr. Paas te heroverwegen of te herroepen zijn niet erg overtuigend. Ons antwoord is, kort samengevat, als volgt: 

  • Een Christen, ook een Christenwetenschapper, kan niet twee gescheiden levens leiden - het ene als gelovige, het andere als een schriftkritische geleerde die zijn onderzoek op onbijbelse veronderstellingen baseert. Alles wat we doen, moet tot eer van God worden gedaan (vgl. 1 Cor. 10:31). Het leven is één. Het is daarom niet iets om trots op te zijn dat men voor de echte standpunten van Paas naar een aantal van zijn andere geschriften moet gaan.
  • Het lezen van de dissertatie van Dr. Paas laat heel duidelijk de indruk achter dat hij staat achter wat hij beweert. We hebben hier al eerder wat van geanalyseerd. Nergens distantieert hij zich bij ons weten duidelijk van zijn methodologie. Hij geeft eerder de sterke indruk dat hij gelooft in wat hij schrijft. Paas identificeert zichzelf met de manier van denken van de godsdienst-historische school.
  • Bovendien, in tegenstelling tot wat door het antwoord van Kampen wordt gesuggereerd, laat hetgeen Paas op een populaire manier in de periodiek ’De Wapenveld’ schrijft, iets zien van dezelfde kritische veronderstellingen. Hij heeft later op zo’n manier in ’De Wapenveld’, nummer 51:5 (2001) geschreven,  dat daaruit blijkt dat de historiciteit van Genesis 1 en 2 niet belangrijk voor hem is. Maar, “en wellicht is het zo gebeurd” als in Genesis wordt verhaald. De boodschap en niet of het inderdaad is gebeurd, is belangrijk. Maar wat is het nut van de boodschap, als de gebeurtenis waarop deze is gebaseerd, nooit heeft plaats gevonden? (Voor het hele artikel, zie http://www.wapenveldonline.nl/viewArt.php?art+424). Dus, in het licht van Paas’ benadering van de historiciteit van Genesis 1, is het moeilijk om de verklaring van Kampen te accepteren, dat Paas’ benadering slechts een kwestie is van het trachten te voldoen aan academische vereisten.
    Zijn schriftkritische houding blijkt ook elders.
  • Het commentaar van Kampen dat het verschil tussen mythe en historie bij Paas kleiner is dan Douma beweert, is niet erg duidelijk en helpt ons daarom niet veel verder. Paas’ gebruik van de mythe in het artikel in ’De Wapenveld’ gaat voorbij aan de geschiedenisvraag, die voor hem van secondair belang is.
  • Wij accepteren met blijdschap het feit dat het doceren in Kampen niet in een historisch-kritische richting gaat.

 Onze conclusies 

  • Wij betreuren het dat de benoeming van Dr. Paas werd gehandhaafd ondanks gerechtvaardigde kritiek. We zouden mogen verwachten dat iedere predikant die er zulke standpunten op nahoudt, op staande voet zou zijn geschorst. Deze standpunten zijn in strijd met de Schrift en onze Belijdenisgeschriften. We oordelen natuurlijk niet over het persoonlijk geloof van Dr. Paas. We beoordelen alleen wat hij schrijft.
  • Door het tolereren van de benoeming van Dr. Paas ondanks de bezwaren die tegen zijn wetenschappelijk werk zijn ingebracht, zal de TUK in de toekomst waarschijnlijk niet langer in staat zijn om iemand ter verantwoording te roepen als het om schriftkritische standpunten gaat. Het lijkt ons dat de episode Paas, als het hierbij wordt gelaten, Kampen weerloos zal maken tegen toekomstige tolerantie van schriftkritisch en mensgericht onderwijs, dat de Schrift en zijn Auteur niet eert. Geen tuchtmaatregel nú  zal dan ook elke  tuchtmaatregel in de toekomst zeer moeilijk te maken.
  • De zaak is ernstig, want uiteindelijk spreken we hier niet enkel over een methode, maar over een ideologie van ongeloof. De ideologie bepaalt hoe we de feiten rangschikken en hoe we er tegen aan kijken. De duidelijke betekenis en bedoeling van de Schriften hebben niet langer het laatste woord, maar de mens. Zie bijv. Eta Linnemann, Wissenschaft oder Meinung? Anfragen und Alternatieven (1986), dat in het Engels is vertaald als: Historical Criticism of the Bible: Methodology or Ideology? (1990).

    Wij vrezen dat deze benadering uiteindelijk de integriteit van de Theologische Universiteit zal aantasten en de standpunten van studenten en toekomstige predikanten zal beïnvloeden.

B.        De dissertatie van Dr. Koert van Bekkum goedgekeurd door de Theologische Universiteit

 

De dissertatie van Koert van Bekkum, ‘From Conquest to Coexistence’ [Van Verovering tot Co-existentie, eiw] werd op 18 maart 2010 verdedigd en door de senaat van de TUK cum laude gewaardeerd. Een gepubliceerde editie van dit werk is nog niet beschikbaar. Deze dissertatie heeft veel tegenspraak uitgelokt en de punten, hieronder door ons naar voren gebracht, zijn niet alleen van ons. Anderen hebben soortgelijke kritiek geuit. We noemen speciaal Dr. J. Douma, die als emeritusprofessor van de TUK zeer ernstige kritiek op zijn website heeft geplaatst, evenals Dr. E. de Boer en Dr. R. van Houwelingen (De Reformatie nr. 85-oktober 2010-blz. 393-394), die beiden doceren aan de TUK, en Ds. Joh. De Wolf (Nader Bekeken-juli 2010-blz. 246-250). Anderen die kritiek geuit hebben, zouden vermeld kunnen worden. Over deze dissertatie zou veel gezegd kunnen worden, ook veel positieve dingen. We beperken ons echter tot het behandelen van de twee belangrijkste zorgen. 

  1. Methodologisch beschouwt Van Bekkum geschiedschrijving in het Oude Testament als een soort beeldende kunst, een karakterisering die ingecalculeerd moet worden, samen met de verwachtingen en het geloof van die gemeenschap, om zó het wezen van zijn historische waarheidsclaim te bepalen. De waarheidswaarde van de tekst kan worden beoordeeld door de resultaten van het bovenstaande in dialoog te brengen met het artefact bewijs (31-32) (archeologisch bewijs). Het effect hiervan is dat de rechtstreekse historische claims van de Schrift opzij worden gezet. Bijvoorbeeld, 1 Koningen 6:1 geeft aan dat de Exodus 480 jaar voor Salomo’s vierde jaar als koning plaats vond. Maar deze datum accepteren,  is volgens Van Bekkum een “oplossing van een lui mens” (33). Volgens Van Bekkum is het methodologisch niet correct om Bijbelse data maar zonder meer te accepteren. “De literaire kunstzinnigheid en het gebruik van genreconventies in de tekst moeten eerst bestudeerd worden” (33).
    Tenslotte overheerst de huidige interpretatie van archeologisch bewijsmateriaal het bijbels getuigenis terwijl de traditionele interpretatie zelfs niet wordt besproken. Het onderscheid door Van Bekkum gemaakt tussen waarheidsclaim en waarheidswaarde (32) biedt geen hoge dunk van de Schrift en behoort verworpen te worden.
     
  2. Een consequentie van zijn methodologie is dat de gebeurtenis van de zon die stil staat (Jozua 10:12-14) op een metaforische manier wordt geïnterpreteerd. Dit is in tegenspraak met de klaarblijkelijke bedoeling van de tekst, zoals die ons gegeven is en zoals die ook is verstaan in de eerste interpretaties van dit gedeelte, zoals we zien in Targum Jonathan, de Septuagint, en Josephus (Jewish Antiquities, V.61). Het is daarom zeer teleurstellend dat in zijn ingewikkelde kritische analyse van de tekst, de manier waarop de tekst altijd begrepen is, niet echt behandeld wordt. Alleen problemen die Van Bekkum met de traditionele interpretatie verbonden ziet, worden fel belicht. Vrijwel geen positief commentaar wordt naar voren gebracht ter ondersteuning van de traditionele interpretatie (241).
    Het onderliggende probleem is zijn methodologie, waardoor hij de Bijbelse tekst (aanvankelijk alleen het poëtische gedeelte) onderwerpt aan bepaalde regels van literaire kritiek. Vervolgens eindigt hij  met het niet meer kunnen zien wat de tekst werkelijk zegt (237-250). Het eindresultaat is dat, volgens Van Bekkum, de tekst betekent dat de zon en de maan niet echt stil stonden. Veeleer “wordt het verlengen van de dag om de vijand in één keer te verslaan verstaan als een retorische strategie, een literaire techniek die gewoon was in het antieke Nabije Oosten.  Die techniek trekt gebeurtenissen van een grote militaire overwinning samen in één enkel tijdsbestek” (250).

Deze benadering die de geest van de schriftkritische wetenschap ademt, is in contrast met bijvoorbeeld de behandeling die J.H. Kroeze in zijn commentaar op Jozua geeft (Jozua. Commentaar op het Oude Testament (1968), 135-136) of M.H. Woudstra (Joshua. New International Commentary on the Old Testament, 1981) 176. De laatste merkt terecht op dat “rationaliserende methoden die het doel hebben aan de moderne wetenschappelijke geest te voldoen, vermeden moeten worden… het Bijbelse standpunt van de wereld als door God geschapen, die aan elk hemellichaam zijn plaats en functie toewees (Gen.1:16), staat een behoorlijk letterlijke kijk op de hier beschreven gebeurtenissen toe” (176).

 

Veel meer zou gezegd kunnen worden en is gezegd in de Nederlandse Gereformeerde pers (zoals hierboven opgemerkt). Onze zorg als deputaten is echter het feit dat de TUK een dissertatie met zulke methodologische principes heeft kunnen goedkeuren. Betekent dit dat Kampen niet langer de traditionele Gereformeerde visie van de Schrift, als helder en haar eigen uitlegster, vasthoudt? Als het Oude Testament niet langer bedoelt wat het zegt, waar eindigen we dan?

 

We beseffen wel degelijk dat er vrijheid van exegese is. We zijn ons er ook van bewust dat Van Bekkum in de Epiloog van zijn dissertatie zijn aanvaarding van Artikel 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis bevestigt.

Maar het is niet duidelijk voor ons hoe hij een onderscheid kan maken tussen het aanvaarden van de tekst van de Schrift en datgene wat de tekst zelf zegt (499). Onze zorg betreft de trend die gezet is, waarin de klaarblijkelijke betekenis van de tekst, zoals die traditioneel en historisch werd verstaan, niet langer wordt gehandhaafd, naar wij aannemen omdat die niet meer geloofwaardig schijnt te zijn Dit brengt ons naar het volgende punt.

 

C.        Bezwaarschriften ingebracht op de Synode van Zwolle-Zuid 2008 en afgewezen

 

Bijvoorbeeld: 

  1. Dr. A.L.Th. de Bruijne heeft Schriftvisies voorgelegd die op behoorlijke weerstand en bezwaren zijn gestuit, zoals zijn idee dat er onnauwkeurigheden in de Bijbel staan en dat de Bijbel gebruik maakt van mythes (Woord op Schrift (2003), blz.185-193). Ondanks het grote belang van de onderwerpen die hij naar voren bracht, werden zijn standpunten niet behandeld door de synode op de technische grond, dat de bezwaren te laat werden ingediend (Acta Generale Synode Zwolle-Zuid 2008, Artikel 105).
  2. Dr. J. Douma schreef positief over de kaderhypothese m.b.t. de scheppingsweek, die in feite het historisch karakter van Genesis 1 ontkent. Hij heeft ook aangegeven  ruimte te willen laten voor evolutie (zie zijn Genesis (2004) (42F., 45-48, 51). Bezwaren tegen de standpunten van Dr. J. Douma werden ter synode ook afgewezen, waarbij één van de gronden voor dit besluit was dat de bezwaren te lang na de publicatie van Douma’s Genesis binnenkwamen (Acta Generale Synode Zwolle-Zuid 2008, Artikel 105).
  3. Dr. G. Harinck heeft in een gepubliceerd interview controversiële opmerkingen gemaakt, die vragen deden rijzen over zijn rechtzinnigheid  m.b.t. verscheidene  onderwerpen, inclusief het plaatsvervangend offer van Christus, homoseksualiteit, de Rooms Katholieke mis, en vrouwelijke ambtsdragers. Hoewel zijn opmerkingen protesten vanuit de kerken opriepen, heeft de synode deze niet in behandeling genomen en wel op technische gronden en ook omdat hij sindsdien wat gas had terug genomen, zijn opmerkingen enigszins had afgezwakt, en zijn verlangen bevestigd had om voort te gaan in onderworpenheid aan het Woord van God en in overeenstemming met de Gereformeerde Confessie (zie Acta Generale Synode Zwolle-Zuid 2008, Artikel 10 en Bijlage 9.2). Voor zover wij weten werd geen verontschuldiging voor zijn opmerkingen aangeboden, noch werden deze formeel teruggenomen. Naar onze mening heeft de hele episode het vertrouwen in de integriteit en het Gereformeerde karakter van de TUK niet bevorderd.

Samengevat, de onmacht om de essentie van de ter synode gebrachte bezwaren in de bovengenoemde drie voorbeelden te behandelen, is zeer ongelukkig en kan de indruk geven dat de GKv standpunten tolereert, die niet in overeenstemming zijn met het getuigenis van de Bijbel zelf  en met de Gereformeerde Belijdenisgeschriften. Deze tolerantie en de mogelijke consequenties daarvan verontrusten duidelijk velen in de GKv. Dezelfde verontrusting leeft ook binnen de Canadese zusterkerken.

 

D.        Een vraag

 

Het trof ons dat Dr. Van Bekkum bij de verdediging van de benadering in zijn dissertatie, het feit noemde dat hij zich tot die mensen moest richten en hén moest aanspreken die zich buiten de eigen kring bevonden, inclusief schriftkritische wetenschappers.

Hij schreef:

 

Geheel volgens het Kamper wetenschappelijk beleid zoals dat sinds het rapport Oberman in 1989 is gevoerd, heb ik een poging gedaan een eigen gereformeerde bijdrage te leveren aan de oudtestamentische wetenschap. In de netwerksamenleving van vandaag betekent dat een boek te schrijven dat gehoord kan worden op het podium van de internationale Bijbelwetenschap. Op dat podium spreken atheïsten, agnosten, joden en christenen tegenwoordig met elkaar over de Bijbeltekst. Dat stelt bepaalde eisen aan de presentatie. Je gebruikt argumenten die een ander zouden kunnen overtuigen. Net zoals vele gewone christenen dat doen op hun werk of gereformeerde tieners op een openbare school. Daarbij is het natuurlijk de kunst niet in te leveren op je eigen principiële overtuiging. Die overtuiging mag je ook niet verstoppen. Tegelijk is het op zo’n podium niet verboden andere zaken ter wille van dat ene punt dat je wilt maken even buiten beschouwing te laten, of termen te gebruiken die binnen de eigen geloofsgemeenschap zo niet aan de orde komen. (www. Jochemdouma.nl onder ”Achtergrond” - Reactie van Koert van Bekkum, 22 juni 2010).

 

De vraag komt naar voren of de TUK niet in een te sterke mate wordt beïnvloed door kritische wetenschappers, met wie zij wordt geacht samen te werken bij het goedkeuren van doctoraal werk dat in Kampen wordt verricht.

 

 

2.      DE SAMENSPREKINGEN TUSSEN DE GKv EN DE NGK

 

1.        Inleiding

De NGK ontstonden aan het einde van de jaren 60 van de 20-ste eeuw als kerken die zich hadden afgescheiden van de GKv. Zaken van leer en kerkregering speelden een beslissende rol bij deze afscheiding. Sinds 1993 is er een groeiend contact geweest tussen de NGK en de GKv. Dit vindt plaats zowel op plaatselijk niveau, als via synodecommissies.

 

2.        Karakteristiek

Op het gebied van de kerkregering heeft de NGK altijd een sterk independentisme vertoond. Hun Kerkorde (genoemd Akkoord van Kerkelijk Samenleven = AKS) vermeldt dat een weigering om deze AKS te aanvaarden geen reden kan zijn om een plaatselijke kerk buiten het verband te zetten. De preambule van dit document verzoekt plaatselijke kerken slechts om zo veel mogelijk de besluiten van meerdere vergaderingen te respecteren. Voor wat de leer betreft praktiseren de NGK een aanzienlijke tolerantie wanneer het gaat om afwijkingen van de gereformeerde belijdenisgeschriften. Het AKS heeft een artikel over het ondertekenen van de Drie Formulieren van Enigheid door ambtsdragers, maar zij die dat weigeren, hoeven dat alleen maar met hun kerkenraad te bespreken. In de praktijk bestaat er de vrijheid om de confessies te bekritiseren in artikelen en boeken (publicaties van Drs. H. de Jong).

 

3.        Contacten en samensprekingen tussen de GKv en de NGK

 

  1. De Generale Synode van Ommen (1993) was de eerste synode om de Deputaten Kerkelijke Eenheid (DKE) de opdracht te geven “om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om in contact te treden met de NGK en zo ja - op welke manier” (Acta art.66)
     
  2. In hun rapport aan de volgende synode (1996) evalueren de DKE de zes vergaderingen die zij hebben gehad met een comité van de NGK (genaamd CCS). Zij concluderen met droefheid dat de tolerantie in de leer om af te wijken van de gereformeerde confessies en het gebrek aan duidelijkheid binnen de NGK aangaande wat het betekent om aan deze confessies gebonden te zijn, het onmogelijk maakt om de besprekingen met de NGK voort te zetten.
     
  3. De Generale Synode van Berkel & Rodenrijs (1996) besloot met droefheid en met diepe teleurstelling te verklaren dat het verkennen door de deputaten geen enkel hoopvol perspectief opent om de besprekingen met de NGK voort te zetten. De Synode besloot ook een brief aan de NGK te schrijven om uit te leggen wat de blokkades waren voor verdergaande contacten. De DKE werden gemachtigd om de NGK een mondelinge uitleg te geven van het besluit en van de brief van de Synode. De Synode verklaarde ook dat de besprekingen verder konden gaan, indien de NGK de blokkades zouden opruimen (Acta art. 82)
     
  4. De DKE rapporteren aan de volgende synode (1999) dat de NGK niet echt aan de slag gingen met de blokkades voor een voortgaand contact, zoals door de Synode Berkel & Rodenrijs 1996 werden genoemd. Er bestaat te veel vrijheid om af te wijken van de gezonde Schriftuurlijke leer, zoals die is samengevat in de gereformeerde belijdenis, en zij concluderen dat er geen nieuwe openingen zijn voor besprekingen met de NGK.
     
  5. De Generale Synode van Leusden 1999 oordeelde dat er geen basis is voor besprekingen met de NGK om tot eenheid te komen, aangezien de NGK de door de vorige synode (1996) genoemde blokkades niet verwijderd heeft. De deputaten werd opgedragen om het NGK-comité uit te nodigen met de bedoeling de besluiten van de Synode toe te lichten. (Acta art. 84)
     
  6. Het DKE rapport aan de volgende synode (2002) heeft een andere toon. De deputaten rapporteren dat zij een aantal gesprekken met het comité van de NGK hebben gehad, waarin de sleutelwoorden “verbinding” en “ruimte” waren. De GKv benadrukken de noodzaak om aan de gereformeerde confessies gebonden te zijn, om de gemeenten tegen valse leer te beschermen. De NGK benadrukken het belang van ruimte om de leer van het evangelie in vrijheid te formuleren. De DKE uiten hun dank voor de goede gesprekken en spreken over de vooruitgang en het betere begrip van elkaars posities. Hoewel zij erkennen dat de door de vorige synodes geformuleerde vragen niet naar genoegen zijn beantwoord, zien zij veelbelovende mogelijkheden om de gesprekken met de NGK voort te zetten.
     
  7. In lijn met het rapport en de aanbevelingen van de deputaten, geeft de Generale Synode van Zuidhorn-2002 uiting aan hun dank voor de vruchtbare besprekingen met de NGK. De Synode stelt vast dat deze gesprekken hebben geleid tot een beter wederzijds begrip over de rol en de plaats van de ondertekening van de confessie om afwijkingen van de Schrift en van de gereformeerde leer te voorkomen en te weerleggen. De synode geeft wel aan dat niet alle vragen voldoende zijn beantwoord en instrueert DKE daarom verder te gaan met de besprekingen over deze vragen. (Acta art.126)
     
  8. De deputaten rapporteren aan de volgende Synode (2005) dat zij zich er op hebben gericht hoe de binding aan de belijdenis functioneert binnen de NGK vergeleken met de GKv, met een discussie over de leer van de Gods uitverkiezing. Hoewel er een grote mate van overeenstemming over het onderwerp bestond, was het ook duidelijk dat beide kerken een verschillende benadering volgen, wanneer predikanten publiek afwijken van en ook kritiek oefenen op de gereformeerde leer, zoals die is samengevat in de confessies. De DKE rapporteren ook dat de NGK in 2004 het VOP-rapport hebben aangenomen. VOP staat voor “Vrouwelijke Ouderlingen en Predikanten”. Dit besluit opent alle ambten in de NGK voor vrouwen. De DKE geven de synode de aanbeveling om dankbaarheid voor de vooruitgang in de besprekingen over de confessie uit te spreken en zij stellen voor dat de Deputaten de opdracht krijgen om verder te gaan met deze besprekingen, mede over de NGK besluiten betreffende de vrouw in het ambt.
     
  9. De besluiten van de Generale Synode van Amersfoort-Centrum (2005) over deze nieuwe ontwikkeling binnen de NGK zijn minder vrijblijvend dan de aanbevelingen van de DKE. De Synode verklaart waardering te hebben voor de  verdere vooruitgang, geboekt in de besprekingen met het NGK-comité over het gaan van de kerkelijke weg bij afwijkingen van de gereformeerde belijdenis. Maar de Synode geeft ook uitdrukking aan zijn teleurstelling over het besluit van de NGK om het ambt van ouderling en predikant open de stellen voor vrouwen, en noemt het een ernstige barrière voor toekomstige contacten. Aan de DKE wordt de opdracht gegeven de besprekingen voort te zetten over de plaats en de rol van Gods Woord en de belijdenis als basis voor kerkgemeenschap. Deze besprekingen moeten ook gaan over het besluit aangaande de vrouw in het ambt. (Acta art. 135)
  10. De Deputaten presenteren een meerderheids- en een minderheidsrapport aan de volgende Synode (2008).
    Het meerderheidsrapport presenteert zijn overwegingen in een document dat zij noemen: Interim Verklaring betreffende de besprekingen tussen DKE en CCS (het NGK comité) over de binding aan de confessie.
    De conclusie is dat veel wederzijdse vrees is weggenomen en dat er een groeiend wederzijds vertrouwen is, wanneer het gaat over een ruimhartige en loyale binding aan de confessies. Er bestaan nog steeds verschillen in de manier waarop dit in de praktijk wordt gebracht, maar het onderwerp van de binding aan de confessie is niet langer een blokkade voor besprekingen die zich richten op kerkelijke eenheid van de twee verbanden. Het meerderheidsrapport verklaart ook dat grondige discussies werden gevoerd over de hermeneutische principes achter het VOP rapport. Deze besprekingen hebben tot meer helderheid geleid en hebben de beide comités dichter bij elkaar gebracht in een beter wederzijds begrip.

    De minderheid van de deputaten is van mening dat de Interim Verklaring in conflict is met de besluiten van de vorige synode en dat niet gezegd kan worden dat de zaak van de binding aan de confessie niet langer als een blokkade beschouwd kan worden, nl. voor meer en intensiever contact, gericht op kerkelijke eenheid.  De NGK is niet echt van positie veranderd. De minderheid wijst er ook op dat de synode van Amersfoort niet had gevraagd om “diepgaande besprekingen over de hermeneutiek”. Er is nog steeds geen antwoord (van de NGK) hoe het VOP-rapport in overeenstemming kan zijn met Schrift en belijdenis. De ernstige blokkade die de synode van 2005 noemde, is er nog steeds en er is niets mee gedaan, terwijl de NGK wel duidelijk heeft gemaakt dat zij niet op het VOP-besluit zullen terugkomen. Het minderheidsrapport concludeert dat de DKE niet aan hun opdracht hebben voldaan.
  11. De besluiten van de Generale Synode van Zwolle-Zuid (2008) zijn een compromis tussen de aanbevelingen van het meerderheids- en het minderheidsrapport van de DKE. Maar de toon is het meest in de geest van het minderheidsrapport. De synode besloot niet “het eens te zijn met” (zoals door de meerderheid was gevraagd), maar om “notie te nemen van” de Interim Verklaring over de binding aan de confessie. De synode sprak ook zijn droefheid uit (dat zat niet in de aanbevelingen van de meerderheid) dat de discussie over het VOP-rapport de bezwaren, genoemd door de vorige synode, niet had weggenomen. De synode-2008 gaf geen opdracht aan de deputaten om met de besprekingen met de NGK verder te gaan om te komen tot kerkelijke eenheid of samensmelting, zoals door de DKE aanbevolen.
    De synode gaf de specifieke opdracht om de drie onderwerpen die blijven terugkomen, te bespreken met het NGK-comité: (1) de verschillen in binding aan de belijdenis; (2) de verschillen in het omgaan met voortgaande afwijkingen van de belijdenis; (3) de kwestie van de vrouw in het ambt binnen de NGK. (Acta art.112).
     
  12. Het rapport van DKE dat door de synode van Harderwijk-2011 zal worden behandeld is nogal verrassend en verwarrend. Het geeft aan dat de deputaten gesprekken met het NGK-comité hebben gevoerd over 3 onderwerpen: de leer over de doop, de Heilige Geest en het Avondmaal. Zij hebben ook algemene gesprekken gevoerd over de hermeneutische principes die belangrijk zijn, wanneer we Bijbelse geboden in onze tijd willen toepassen. De DKE concludeerden dankbaar dat er veel harmonie bestaat tussen de GKv en de NGK over al deze onderwerpen (tenminste tussen de twee comités). Zij zien dit als een sterke basis om met veel vertrouwen de besprekingen over de confessie en over de vrouw in het ambt voort te zetten.

Een paar waarnemingen bij dit DKE-rapport.

  1. De besprekingen van de deputaten richtten zich op onderwerpen waar de synode van Zwolle-Zuid niet om had gevraagd.
  2. Het rapport spreekt niet over de onderwerpen die de synode had opgedragen aan de DKE om te bespreken en om daar helderheid over te krijgen.
  3. De conclusie dat er zo veel harmonie is in de manier waarop de GKv en de NGK zich binden aan de confessies, wordt niet door de feiten binnen de NGK ondersteund. Ambtsdragers die het ondertekeningsformulier niet ondertekenen en die de kinderdoop afwijzen, worden geaccepteerd.
  4. Er schijnt ook harmonie tussen de comités van de GKv en de NGK te zijn wanneer het gaat om kritiek op de belijdenisgeschriften.

 4.        Evaluatie 

  • Wanneer trouwe kerken van onze Here Jezus Christus elkaar vinden, elkaar herkennen en tot eenheid, gebaseerd op onderworpenheid aan Gods Woord en een stevige binding aan de gereformeerde confessies, kunnen komen, kunnen wij ons alleen maar verheugen en God prijzen. De vraag is: is dit wat er gebeurt in de contacten tussen de GKv en de NGK?
  • Het doel van deze evaluatie is niet het kijken naar de NGK op zichzelf. De NGK staan niet in een zusterkerkrelatie met de CanRC, en zodoende richten we onze blik niet op de ontwikkelingen in dit verband alsof deze ons zouden besmetten. Ons punt is de vraag hoe onze zusterkerken worden besmet of beïnvloed door hun contacten met de NGK, vooral waar zij nader tot elkaar lijken te komen. Dit vormde ook het kader waarin de rapporten van de CRCA (Amerika) aan de synode van Smithers 2007 en de synode van Burlington 2010, de samensprekingen tussen de GKv en de NGK naar voren brachten en waarom de synode van Burlington 2010 dit subcomité heeft opgedragen om speciale aandacht aan deze besprekingen te schenken.
  • Het is opmerkelijk om te zien hoe de toon in de DKE rapporten over de contacten met de NGK sinds 2002 positiever wordt. Dit geldt ook voor de synodebesluiten, hoewel de synodes van 2005 en 2008 duidelijk minder enthousiast zijn en meer reserves hebben om voort te gaan met de besprekingen met de NGK dan de deputaten.
  • De comité-rapporten, zowel als de besluiten van de synodes laten zien - of geven op zijn minst de indruk - dat deze twee verbanden, de GKv en de NGK, naar elkaar toe groeien. Zij ervaren harmonie en een beter begrip en overeenstemming op veel gebieden. En de overblijvende vragen schijnen steeds minder belangrijk te worden. Dit doet de vraag rijzen: zijn de NGK veranderd? Zijn de teleurstellingen en de kritische constateringen van de vorige synodes niet langer juist en niet langer relevant? Tonen de NGK meer verantwoordelijkheid t.a.v.  de trouw aan  de gereformeerde leer en in de manier waarop zij omgaan met afwijkingen van deze leer? Is de rol en de plaats van het ondertekeningsformulier in de NGK tegenwoordig meer in lijn met de rol en de plaats van dit formulier in de GKv?
    Het lijkt er niet op. Als er een indicatie van verandering binnen de NGK is, dan wijst het in een meer moderne en vrijzinnige richting. Bewijs hiervoor is het aannemen van het VOP-rapport, dat alle ambten voor de vrouw heeft opengesteld. En het is nog steeds acceptabel binnen de NGK dat niet alle ambtsdragers het ondertekeningsformulier ondertekenen en dat sommige ambtsdragers de kinderdoop afwijzen. Op papier mogen zij dit betreuren, maar in de praktijk is de politiek van niets doen om de gereformeerde leer en confessie te beschermen, consistent en onveranderd.
  • Wat kunnen we concluderen in het licht van de vorige paragraaf? Het feit dat de GKv en de NGK meer naar elkaar toegroeien, dat er groeiende wederzijdse overeenstemming, harmonie en begrip is, komt omdat onze zusterkerken aan het veranderen zijn. Zij bewegen naar de NGK toe, omdat zij opener zijn geworden voor de nieuwe hermeneutiek en toleranter wanneer het gaat om de vrijheid van de leer. Door deze intensiverende contacten zal dit proces binnen de GKv versterkt zal worden. Dat is onze zorg. De GKv zullen meer en meer worden beïnvloed door de situatie en de ontwikkelingen binnen de NGK. Vanzelfsprekend kan dit in theorie ook andersom uitwerken, maar er zijn  niet veel aanwijzingen dat zoiets aan de gang is. Bijvoorbeeld, we kunnen verwachten dat de voortgaande besprekingen in de GKv over de rol van de vrouw in de kerk (zie het rapport over Man/Vrouw in de Kerk) sterk beïnvloed zal worden door het VOP-rapport en de besluiten in de NGK.
  • Er is nog een ander aspect. De DKE noemen met dankbaarheid een paar keer de toenemende plaatselijke contacten tussen de GKv en de NGK gemeenten. De synodebesluiten verwijzen ook naar deze plaatselijke ontwikkelingen. Het geeft de indruk dat opgetogenheid over wat plaatselijk gebeurt de reserves en voorzichtigheid door de synodes aan de dag gelegd, overstemt. Er schijnt een grote verscheidenheid in plaatselijke oecumenische contacten te zijn, die verder gaan, ongeacht de aarzelingen op het niveau van het kerkverband. Voor een groeiend aantal mensen geldt dat de vragen die de synode behandeld wil zien, voor vandaag de dag eenvoudig irrelevant zijn.
  • Wanneer wij kijken hoe de contacten en besprekingen tussen de GKv en de NGK zich tussen 1993 en 2008 hebben ontwikkeld, zal de uitdaging voor de Generale Synode van Harderwijk 2011 deze zijn: Zal deze synode als zij geconfronteerd wordt met dit DKE-rapport (zie de samenvatting onder 3.1) en met de voortgaande plaatselijke ontwikkelingen, in staat zijn richting te geven aan een proces dat een eigen leven lijkt te zijn gaan leiden?
  • En de cruciale vraag is: hoe zal dit de gereformeerde en confessionele identiteit van onze zusterkerken beïnvloeden

 

3.      WERK VAN DEPUTATEN MAN/VROUW IN DE KERK

 

A.        OPDRACHT VAN DE DEPUTATEN

 

De Generale Synode van Zwolle 2008 van de GKv heeft deputaten benoemd om nadere bezinning en besluitvorming betreffende de rol van de vrouw (en de man) in de kerk te bevorderen. Zij kregen de instructie een drie-sporen benadering te volgen om aan hun opdracht te voldoen:

 

1. Theologisch/sociologisch onderzoek

2. Bezinning binnen de kerken

3. Voorbereiden van praktische, korte termijn besluiten

 

1. Theologisch/sociologisch onderzoek

Dit gedeelte van het mandaat werd aan de TUK gegeven. De TUK is druk bezig geweest met een aantal onderzoeksprojecten rond het thema M/V. Eén van de projecten was een hermeneutisch onderzoek door Drs. Myriam Klinker, om gepubliceerd te worden in de TU bezinningsreeks. Dit boekje is gedrukt, maar we hebben nog geen gelegenheid gehad om dit werk al te overwegen.

 

2. Bezinning binnen de kerken

De deputaten hebben een handleiding opgesteld om gebruikt te worden bij de reflectie over de rol van de vrouw (en man) in de kerk. Dit werkboek werd gepresenteerd op 6 regionale vergaderingen waarvoor alle kerken waren uitgenodigd om afgevaardigden te zenden. De afgevaardigden werden toegerust om de bezinning over M/V in de kerk op gang te brengen en daarbij gebruik te maken van door deputaten ontwikkelde en verzamelde materialen. Een korte videoclip is ontwikkeld om de kwestie voor bespreking op lokaal niveau te introduceren. Deze aanmoediging tot bezinning en bespreking in de plaatselijke kerken zal uitlopen op een uitnodiging voor een nationale conferentie over dit onderwerp betreffende de rol van man/vrouw in de kerk ergens in 2011. Een korte samenvatting van en kritiek op de handleiding volgt hieronder.

 

3. Voorbereiding van praktische besluiten voor de korte termijn

De Synode van Zwolle gaf de deputaten M/V in de Kerk het mandaat om praktische antwoorden op de volgende vragen voor te bereiden:

  1. binnen welke kaders kunnen mannen én vrouwen ingezet worden voor diaconale taken? En wat zijn de gevolgen hiervan voor de invulling van het diakenambt zoals het nu functioneert? Hoe verhoudt het antwoord op deze vragen zich tot de huidige invulling van het diakenambt?
  2. wat kan de rol van vrouwen in de eredienst zijn (liturgie, voorbidder, voorlezer)?
  3. binnen welke kaders kunnen mannen én vrouwen ingezet worden voor pastorale taken? Hoe verhoudt zich deze inzet in de praktijk tot het ambt van predikant en ouderling?
  4. is het praktisch mogelijk de vraag naar toelating van de vrouw tot het ambt van diaken los te maken van de vraag naar toelating tot het ouderlingschap en predikantschap?

Daarnaast besloot de Synode 2008 om de deputaten op te dragen het volgende in overweging te nemen bij het uitvoeren van bovengenoemd mandaat:

  1. is er een deugdelijke en voldoende breed gesteunde argumentatie om over deze zaken een uitspraak te kunnen doen?
  2. in hoeverre is het nodig om hier als kerken samen besluiten over te nemen? Is het mogelijk elkaar vrij te laten? Zijn richtlijnen wenselijk, en zo ja welke?
  3. wat zijn eventuele implicaties in de kerkelijke en maatschappelijke praktijk: welke gevolgen of neveneffecten kunnen de uitkomsten onder b hebben, en hoe dient daarmee te worden omgegaan?
  4. op welk moment is het raadzaam of zelfs geboden, in verband met bestaande afspraken, om met kerken in binnen- en buitenland waarmee we contacten onderhouden overleg te plegen?

De deputaten M/V waren niet in staat om praktische aanbevelingen te doen en vonden de opdrachten te uitgebreid. Zij verzoeken de Synode 2011 nu om een volgende eenvoudiger opdracht, namelijk een aanbeveling te doen voor een praktische toepassing van hun bevindingen. We zullen tot de volgende synode moeten wachten op hun rapport om te zien wat voor praktische antwoorden zullen worden voorgesteld en daar dan commentaar opgeven.

 

De Synode 2011 geeft de Deputaten de opdracht om zich te richten op de volgende vragen: 

  1. wat kan de rol van vrouwen in de eredienst zijn (liturgie, voorbidder, voorlezer, preeklezer)?
  2. binnen welke kaders kunnen mannen en vrouwen ingezet worden voor diaconale taken? Hoe verhoudt zich deze inzet in de praktijk tot het ambt van diaken?
  3. binnen welke kaders kunnen mannen en vrouwen ingezet worden voor pastorale taken? Hoe verhoudt zich deze inzet in de praktijk tot het ambt van predikant en ouderling?
  4. is het geoorloofd vrouwen toe te laten tot het ambt van predikant of ouderling of diaken?
  5. in hoeverre is het nodig om over de vragen a t/m d als kerken samen besluiten te nemen? Is het mogelijk elkaar vrij te laten? Zijn richtlijnen wenselijk, en zo ja welke?

Wat volgt is een samenvatting van en kritiek op het belangrijkste werk van de deputaten: een handleiding voor de bespreking van deze zaken in de kerken.

 

B.        OVERZICHT VAN DE HANDLEIDING M/V DOOR DEPUTATEN

 

De handleiding bestaat uit zes hoofdstukken.


HOOFDSTUK 1 - Rapport van de deputaten M/V in de Kerk aan de Synode van Zwolle 2008.

 

De Synode van Amersfoort 2005 heeft deputaten benoemd en hen de opdracht gegeven om door middel van empirisch onderzoek en in samenwerking met de TU, het soort vragen en problemen dat de kerken tegenkomen in verband met de zaak van “vrouwen in de kerk”, boven tafel te krijgen. De resultaten van een enquête in de kerken gehouden, worden samengevat. Een paar van die resultaten zijn: 

  • Vrouwen worden op allerlei manieren in de kerken ingeschakeld.
  • Ongeveer de helft van de leden is voor vrouwelijke diakenen.
  • Een minderheid is voor vrouwelijke ouderlingen en predikanten.
  • De meningen van kerkleden worden beïnvloed door opleiding en leeftijd.
  • Er bestaat een diversiteit aan meningen en er is veel verwarring over wat de Bijbel zegt over mannen en vrouwen.

Het rapport vermeldt dat gedurende de voorbije jaren de rol van vrouwen in de maatschappij, evenals in de kerk, is veranderd en dat vrouwen op allerlei manieren meer worden ingeschakeld dan voorheen. Het standaard standpunt in de GKv is dat mannen en vrouwen verschillende rollen hebben. Maar dat wordt meer en meer ter discussie gesteld. Verschillen de rollen van mannen en vrouwen principieel? Zo ja, hoe dan en waarom? Vrouwen worden ingeschakeld in de kerk, zelfs in taken die voorheen alleen aan mannen werden opgedragen, zoals het geven van catechisatie, pastoraal werk, scribaat, het werk in commissies, enz. Zij mogen stemmen bij verkiezingen van ambtsdragers. Maar het is hun niet toegestaan om de ambten in de GKv te bekleden, hoewel andere protestantse kerken hun ambten voor vrouwen hebben opengesteld. Al deze veranderingen hebben de GKv ertoe gebracht zich opnieuw te bezinnen op wat de Bijbel leert over de rol van mannen en vrouwen.

 

Het rapport M/V brengt daarom de vragen omtrent Bijbelse richtlijnen voor de positie van vrouwen in de kerk naar voren. We krijgen de verzekering dat de Bijbel in deze zaken gezaghebbend is.

De vraag wordt echter gesteld hoe we de relevante Bijbelse passages moeten interpreteren. In het kader hiervan stelt het rapport vragen  als: In welke culturele situatie werden de Bijbelboeken geschreven en hoe dragen die culturele situaties bij aan de formulering van de Bijbeltekst? En wat betekenen de woorden van de tekst voor ons in onze tijd? Er wordt opgemerkt dat de rollen van mannen en vrouwen niet expliciet zijn vastgelegd in de confessies van de GKv.

 

De hoofdlijnen van de argumentatie werden neergelegd in het rapport aan de Synode 2008. 

  1. Sommigen zien de rol van mannen als leiders en beschermers en van vrouwen als volgers en helpers als een scheppingsordinantie. Geheiligd in Christus houden mannen en vrouwen elkaar weer in evenwicht in hun gescheiden rollen. 
  2. Anderen zien geen scheppingsordinantie, maar zien mannen en vrouwen, geschapen in gelijkwaardige rollen, met alleen verschil als gevolg van de zondeval. Daarvan zijn we verlost door Christus. Mannen en vrouwen zijn nu dus gelijk in huwelijk en kerk.

Twee andere argumentatielijnen, beide Schriftgetrouwheid claimend, werden ook in het rapport naar voren gebracht (C. en D.). Het verschil hier is dat zij de culturele context ten tijde van de Bijbelschrijvers en die van onze hedendaagse cultuur in rekening brengen. 

  1. Zelfs als de Heilige Geest gebruik heeft gemaakt van de Bijbelschrijvers tezamen met hun culturele achtergrond, dan is Hij toch in staat om Zijn bedoelingen duidelijk te maken, ondanks die culturele achtergrond.
    Hoewel we wel de veranderde situatie zorgvuldig in rekening moeten brengen, is in de toepassing voor de tegenwoordige tijd niet veel veranderd. 
  2. Gods boodschap voor vandaag ligt verborgen onder een culturele laag, waar we doorheen moeten kijken om die te begrijpen. De voorschriften liggen zo verweven in de concrete situatie waarin ze werden gegeven dat ze niet voor vandaag toegepast kunnen worden en misschien zelfs in conflict komen met wat God heeft bedoeld.

HOOFDSTUK 2 - Een schets voor Bijbellezen met aandacht voor 1 Tim. Door Ds.F.Wisselink

HOOFDSTUK 3 - Een  artikel over de rol van mannen en vrouwen door Almatine Leene

HOOFDSTUK 4 - Een artikel over de ambten in de kerk door Ds. R. Heida

HOOFDSTUK 5 - Een artikel over verschuivingen in de maatschappij door Ds. J. Harmanny
HOOFDSTUK 6 - Een lijst met referenties

 

C.        ONZE OVERWEGINGEN

 

In de eerste plaats hebben wij zorgen over de mogelijke interpretaties van de Schrift, zoals die aan de synode Zwolle 2008 zijn  gepresenteerd en naar voren zijn gebracht in de “Handleiding M/V”.

De redenering onder argument B. hierboven beweert nadrukkelijk dat het hele idee van mannelijk leiderschap na Christus is afgeschaft. Genesis 3:16b, “Uw begeerte zal naar uw man zijn en hij zal over u heersen”  wordt dan als een vloek beschouwd op de relatie van man en vrouw. Die werd opgeheven doordat Christus de vloek voor ons heeft gedragen, wat weer resulteert in het principe van Galaten 3:28, “Hierbij is geen sprake Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk of vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus.” Het accepteren van deze benadering zou betekenen dat vrouwen toegang hebben tot alle ambten in de kerk.

 

Het aanvaarden van deze interpretatie door de Synode van Zwolle als een mogelijk acceptabele interpretatie, betekent naar wij menen een ernstige afwijking van de historische interpretatie van de relevante gedeelten. Geen enkel Gereformeerde commentaar heeft gedurende honderden jaren de afschaffing van het hoofd-zijn van de man verdedigd, ook niet de meest recente reeks “Commentaar Nieuwe Testament”. Er bestaat geen twijfel over dat vanaf de schepping man en vrouw gelijk waren in waarde en waardigheid. Beiden werden gemaakt naar Gods beeld. Aan beiden werd de taak gegeven om de aarde te vervullen en haar te onderwerpen. Beiden kwamen voort uit één vlees en werden tot één vlees. Er bestaat  ook geen twijfel over dat de man werd geschapen vóór de vrouw. Dit heeft een blijvende impact op hun rol, zoals door 1 Tim. 2:12-13 wordt aangetoond: “Want eerst is Adam geformeerd en daarna Eva”.
Daar komt nog bij dat aan de vrouw de specifieke rol werd gegeven in Genesis 2:18 & 20 als “helper”. Aan de man werd ook de verantwoordelijkheid gegeven om de dieren namen te geven en hij noemde zijn vrouw “Eva”. De man was ook het verbondshoofd, zoals blijkt uit het feit dat hem het bevel betreffende de boom van de kennis van goed en kwaad (Genesis 2:16 & 17) werd gegeven. Het is in het bijzonder in zijn ongehoorzaamheid dat de hele mensheid heeft gezondigd, zoals blijkt uit Romeinen 5:12, “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben”.

Evenmin zien wij dat Galaten 3:28 een gelijkwaardige positie in de kerk ondersteunt. Paulus was niet bezig met het aan de kant schuiven van gender-specifieke rollen. (Anders zouden we dit gedeelte ook kunnen gebruiken om het homohuwelijk - same-sex marriage - te rechtvaardigen!). Hij zegt dat Grieken Grieken konden blijven en Joden Joden. Slaven konden slaven blijven en vrije mensen vrije mensen. En mannen konden mannen blijven en vrouwen vrouwen. Het punt waar de apostel naar verwees, was de geestelijke status voor God door het geloof. Zij waren allen één in het geloof, niet in hun rol. We zien daarom niet hoe een redenering als onder B. als een mogelijke interpretatie van de Schrift in overweging zou kunnen worden genomen. Het principe dat we duidelijk geopenbaard vinden door het hele Nieuwe Testament is dat van het hoofdzijn van de man, zowel in het huwelijk, als in de kerk (1 Cor. 11:3, Efeze 5:23, 1 Tim. 2:8-15).

 

Het is treffend dat deze “eschatologische” benadering van de rol van man en vrouw het hoofdargument was in Rapport 26 aan de Synode 1990 van de Christian Reformed Church [Synodaal gereformeerde Kerk in de VS en Canada, eiw]:

“De hele tendens van de Bijbel - zijn eschatologische oriëntatie en richting - is in de richting dat vrouwen een plaats verkrijgen naast mannen, eerder dan onder hen of gescheiden van hen. De Schriften openen met de man en de vrouw, zij aan zij als Gods beelddragers, die een gezamenlijke taak kregen opgedragen. Heel spoedig horen we echter van echtgenoten die over hun vrouw heersen als gevolg van de zondeval…. Met Jezus begint de restauratie plaats te vinden. In Hem komt het koninkrijk van God nader…. Samengevat, de algemene neiging van de Schrift is naar het herstel door Christus van de oorspronkelijke orde van mannen en vrouwen, die naast elkaar leven en werken, in gelijkheid, die elkaar wederzijds bijstaan en hulp verlenen bij het uitvoeren van hun gemeenschappelijke taak.”

(Agenda voor de Synode 1990, blz. 328-329). Dit klinkt net zoals de redenering onder B. hierboven. Dat is voor ons ontstellend, nu wij als kerken bezig zijn met samensprekingen met de United Reformed Churches, kerken die uit de Christian Reformed Churches zijn gestapt, hoofdzakelijk vanwege de zaak van de vrouw in het ambt.

 

Het is waar dat de GKv niet opvatting B. als hun benadering hebben aangenomen. Maar toch heeft de Synode van Zwolle 2008, door aan deputaten M/V in de Kerk het “go-ahead” (ga door) te geven om deze opvatting als een mogelijke benadering te onderzoeken, een deur geopend die niet gemakkelijk weer gesloten kan worden. Zij heeft twijfel gezaaid over de geldigheid van A., de historische opvatting van het mannelijk hoofdzijn, en hebben gesuggereerd dat de mogelijkheid bestaat dat B. een geldige interpretatie is. Het zal moeilijk zijn om nu terug te gaan naar de positie van alleen maar A., die  de Gereformeerde kerken historisch gezien altijd hebben ingenomen. We verwachten niet dat diegenen in de kerken die vóór de vrouw in het ambt zijn (zoals blijkt uit de enquête) hun standpunt zullen opgeven, nu deze mogelijkheid werd opgenomen.

 

In de redenering onder D. komt de zaak van de hermeneutiek duidelijk naar voren. En, tot ons verdriet,  worden vraagtekens gezet bij de (historisch gezien) gangbare Gereformeerde hermeneutiek. De culturele context wordt in beeld gebracht om mogelijk te bepalen wat zo’n gedeelte over de rol van de vrouw zegt. Dit betekent dat ook hier een deur is geopend naar de mogelijkheid van een ’nieuwe hermeneutiek’, die meer gewicht geeft aan het menselijk element in de tekst van de Bijbel. Ja, er zijn talrijke verzekeringen dat de Bijbel nog steeds gezag heeft en te vertrouwen is. Maar deze verzekeringen klinken bepaald hol, als men tegelijk overweegt hoe het menselijk element thans zoveel gewicht kan worden gegeven in de uitleg van relevante gedeelten, als 1 Cor. 11 & 14 en 1 Tim 2 & 3, dat ze het tegenovergestelde leren van wat gedurende honderden jaren in Gereformeerde bijbelcommentaren is geleerd. De betekenis van die teksten wordt gerelativeerd door een beroep te doen op een hermeneutisch gezag, dat  niet voortkomt uit de tekst zelf, maar uit degene die interpreteert. We zien dit als een stap van het werkelijke Woord van God vandaan en in lijn met de nieuwe hermeneutiek, die zo veel kerken de laatste halve eeuw is binnengedrongen. Zo’n benadering van de bijbel opent ook de weg naar de herinterpretatie van wat bijbelgedeelten zeggen over andere onderwerpen, zoals schepping/evolutie en homoseksuele relaties. Opnieuw zeggen we niet dat de GKv deze benadering officieel hebben aangenomen, maar door het accepteren van het 2008 rapport, hebben zij een deur geopend naar zo’n nieuwe hermeneutiek, die moeilijk of onmogelijk te sluiten zal zijn.

 

Wat betreft de vier artikelen van de “Handleiding M/V” merken wij op dat zij geschreven en verspreid werden om de discussie te stimuleren. Daartoe moesten zij zo onpartijdig mogelijk zijn. In de vraagstelling wordt echter op zijn minst een soort beroep gedaan op de geldigheid van de “nieuwe” benadering van de rol van de vrouw en op de mogelijkheid dat de Gereformeerde kerken misschien in het verleden de hele tijd op het verkeerde pad zijn geweest voor wat betreft de vrouw in het ambt.

 

Concluderend merken we op dat we meevoelen met de GKv, zoals zij worstelen met de druk op de kerken van een in toenemende mate seculiere, humanistische samenleving, in het bijzonder ook met betrekking tot de plaats en de rol van de vrouw. Het zoeken naar betere manieren om God te dienen en te prijzen is positief. Evenwel behoort zulk zoeken van verandering niet te betekenen dat we opgeven wat in het verleden al is overwogen en onderwezen uit de Bijbel. De “Handleiding M/V” is een document dat grote vraagtekens plaatst achter de benadering van de rol van de vrouw in de Gereformeerde kerken in de loop van de geschiedenis en achter de Bijbelse uitleg die die benadering ondersteunde. Dit zetten van vraagtekens heeft, zouden we zeggen, op zijn minst de deur geopend voor tolerantie van de nieuwe hermeneutiek en voor de eschatologische benadering van de gevolgen van de zondeval. Die ziet gelovigen door de kracht van Christus  reeds verlost van verschillende aspecten van het leven hier en anticipeert zo op de komende volheid van Gods koninkrijk. De deputaten M/V in de Kerk hebben de taak die hen door de Synode 2008 is opgedragen nog niet  volledig afgerond. Daarom hopen wij dat in het vervolg de GKv hun richting meer zullen laten bepalen door een gezonde, Gereformeerde interpretatie van de Schrift dan door de sociale druk en de daaruit voortkomende herinterpretaties, en dat zij zullen concluderen dat vrouwen al vervullen zij een belangrijke rol binnen de kerk, toch niet door God worden geroepen om ambtsdragers te zijn.

 

Bijlage 4a

 

Discussiestuk voor de bijeenkomst van het CRCA Subcomité en Sec.3 BBK gepland voor 19 april 2012 in het Gbouw in Zwolle (17 april 2012)

 

Een paar eerste reacties op de agendapunten, die de basis vormen voor de bespreking tussen  het CRCA subcomité (CRCA Subcom.) van het CRCA (Comité voor Betrekkingen met Buitenlandse Kerken) van de Canadese Gereformeerde Kerken en Sectie 3 Deputaten BBK (Deputaten voor Betrekkingen met buitenlandse Kerken) (hierna Sec.3 BBK) van de Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt) (GKv), zoals die gepland staat voor 19 april 2012.

 

Het CRCA Subcom. verstrekte ons de volgende agendapunten (vragen en onderwerpen), tussen aanhalingstekens, gevolgd door een eerste antwoord van Sec. 3 BBK.

 

CRCA Subcom.:

“1.      Hoe kijkt u aan tegen de rol van deputaten BBK, gezien het commentaar in Harderwijk gegeven en de kwalificatie van 5 december 2011, dat u als afgevaardigden niet in een positie verkeert om rechtstreeks voor de Generale Synode te spreken.”

 

Antwoord van Sec.3 BBK:

We beschouwen de rol van BBK als begrensd, en ook beperkt. We worden benoemd om onze betrekkingen met zuster- en aspirant zusterkerken in de wereld te onderhouden en te verstevigen. Dit impliceert een duidelijke en open communicatie over ontwikkelingen in onze kerken in Nederland, inclusief besluiten en besprekingen van de Synode. Het omvat het luisteren naar de antwoorden van onze zusterkerken, het ophelderen van misverstanden, het luisteren naar eventuele kritische vragen en het proberen transparant te zijn over onze eigen opvattingen en ontwikkelingen.

 

Als er echter ernstige kritiek is op besluiten van de Generale Synode van de kant van onze zusterkerken, dan verkeren wij als deputaten BBK niet in een positie om “rechtstreeks voor de Generale Synode te spreken”, in de zin dat wij competent zijn om alle genomen besluiten te verdedigen. We moeten diegenen die met zulke kritiek komen, meedelen dat voor bezwaren  de kerkelijke weg moet worden gevolgd. Dat wil in dit geval zeggen dat de Generale Synode van onze zusterkerk officiële uitspraken doet waarin nauwkeurig de kritiek verwoord is en oproept om zo mogelijk die besluiten van onze Generale Synode terug te draaien. Dergelijke uitspraken moeten aan de eerstvolgende GS van de GKv aangeboden worden. GS Harderwijk heeft dit expliciet duidelijk gemaakt:

 

Substantiële bezwaren betreffende leer en leven moeten rechtstreeks van kerk tot kerk worden ingebracht, dat wil zeggen, van Generale Synode tot Generale Synode, niet van comité tot comité door middel van subjectieve en niet-verbindende interim rapporten (die misschien niet de ondersteuning van de Generale Synode hebben)!

 

Wij vinden het belangrijk om aan onze collega’s van comités van buitenlandse kerkverbanden duidelijk te maken dat wij volledige openheid van zaken bieden. Maar  sommige informele of officiële zaken  behoren buiten de notulen en rapporten te blijven met het oog op de vrede en harmonie van de kerken.

Persoonlijke kritiek van leden van een comité moet niet openbaar worden gemaakt voordat het kerkverband officiële uitspraken over de zaak of zaken in het geding heeft gedaan.

Het publiceren van rapporten of het publiceren van artikelen in kerkbladen of op internet, met ernstige kritiek, voordat hun GS officiële uitspraken heeft gedaan, is potentieel zeer schadelijk voor de naam en de reputatie van het kerkverband dat de kritiek ontvangt (in dit geval de GKv).

 

CRCA Subcom.:

“2. Bespreek de zorgen over de Hermeneutiek en de Benoemingen aan de Theologische Universiteit van Kampen, het Rapport Man/Vrouw in de Kerk, het Rapport Samensprekingen GKv-NGK.”

 

Antwoord Sec. 3 BBK:

Wat betreft Hermeneutiek en de Benoemingen aan de TU Kampen: de middag van 19 april wordt gereserveerd voor een bespreking aangaande deze zaken met een afvaardiging van de TU Kampen. We kunnen het beste wachten op die middagzitting om ze daar te bespreken.

 

Wat betreft het Rapport Man/Vrouw in de Kerk, dit maakt onderdeel uit van een proces van bezinning, dat nog aan de gang is en nog niet is uitgekristalliseerd. De volgende GKv GS hoopt hier dieper op in te gaan dan de GS Harderwijk heeft gedaan. De GS Burlington gaf het CRCA Subcom. de taak “om speciale aandacht te geven aan het komende rapport over de rol van vrouwen in de kerk”. Als het CRCA Subcom. het gevoel heeft dat de Nederlandse kerken zich bewegen in de richting van het bevestigen van vrouwen als ouderlingen en predikanten, dan hebben wij (Sec. 3 BBK) het gevoel dat dit geen juiste inschatting van de situatie is.

 

De GS Burlington gaf het CRCA Subcom. de opdracht om “speciale aandacht te schenken aan de besprekingen die momenteel plaatsvinden tussen de GKv en de NGK”.

De betrekkingen tussen de GKv en de NGK zijn complex. Een paar plaatselijke kerken (Zaandam, Deventer) zijn voor alle aspecten van het kerkelijk leven volledig met elkaar geïntegreerd (in Deventer ook samen met de CGK). Op andere plaatsen hebben gemeenten kanselruil, vieren samen het Heilig Avondmaal en doen bepaalde activiteiten samen. Op nog weer andere plaatsen is er herkenning van elkaar als ware kerken van Christus, maar met beperkte vormen van samenwerking. Op landelijk niveau heeft de Synode van Harderwijk het besluit genomen om voort te gaan met de besprekingen tussen de deputaten voor kerkelijke eenheid terwijl er geen officiële erkenning van elkaar als kerkverband is (zoals er wel is tussen de GKv en de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK).

 

Het besluit van de NGK om de ambten van ouderling en predikant voor vrouwen open te stellen, heeft het moeilijker gemaakt om wederzijdse officiële erkenning als kerkverbanden te bereiken (dit geldt ook voor de betrekkingen tussen de CGK en de NGK). In plaatsen met een volledig geïntegreerd kerkelijk leven (Zaandam, Deventer) zijn geen vrouwen  ouderling of predikant.

 

Een ander probleem dat hier nog ligt, is het gezag en het functioneren van de belijdenissen in het kerkelijk leven.

 

Desalniettemin zoeken wij binnen de GKv zoveel mogelijk naar het ontdekken en promoten van kerkelijke eenheid in Nederland, te beginnen op lokaal niveau. Zoals wijlen Prof. C. Trimp gewoon was te zeggen, als er werkelijk eenheid is op plaatselijk niveau, zonder dat het mogelijk is om eenheid op landelijk niveau te verkrijgen, dan behoren lokale kerken ernaar te zoeken om die eenheid zo veel mogelijk tot uitdrukking te brengen, ondanks de “nationale” beletselen tot volledige eenheid van verband.

 

CRCA Subcom.

“3. Stel met de deputaten BBK vast dat de rapporten van de CanRC over deze zaken op feiten zijn gebaseerd en dat deze geen onnauwkeurigheden bevatten.”

 

Antwoord Sec. 3 BBK:

Wij hebben de nieuwe versie van het interim rapport van het CRCA Subcom. te laat ontvangen om er nog op te kunnen antwoorden.

 

Wij beantwoorden het artikel dat in De Clarion van juli 2011 is gepubliceerd: “Rapport over het bezoek aan de Generale Synode van Harderwijk 2011... Door G. Nordeman en J. DeGelder”

 

Bladzij 1:

Het CRCA Subcom. verklaart teleurgesteld te zijn dat BBK hun kritiek niet serieus heeft genomen, zoals die was geuit in hun interim-rapport. “De zorgen moeten ter synode worden gehoord, maar voor buitenlandse kerken is BBK het adres om hier stem aan te geven en de enige weg om deze zaken op de synodeagenda te krijgen.”

 

Dit is niet waar. De enige weg om zaken van ernstige kritiek op de synodeagenda te krijgen is door middel van uitspraken van de CanRC GS!. Een interim-rapport van een comité kan nooit worden gezien als een officiële uitspraak van een GS. De GS Burlington heeft zijn zorgen nauwkeurig aangegeven in de Aanbevelingen 4.1-4.4.7. Het interim-rapport van het CRCA Subcom. ging echter veel verder dan dit, ging veel meer in detail. Deze extreem gedetailleerde kritiek was geen deel van de uitspraken van de GS Burlington.

 

Bladzij 3:

 

“We waren teleurgesteld dat niemand op ons rapport inging….de preses… “het bevat geen voorgestelde aanbeveling, dus wij kunnen niets doen”. Dit is niet slechts teleurstellend, het was frustrerend. “Dank u voor uw brief, maar we gaan er geen aandacht aan geven”.

 

Sec. 3 BBK is erg verstoord door deze laatste verklaring, en heeft het gevoel dat deze woorden een onjuiste weergave van het antwoord van de preses zijn. Hij gaf aan dat er op basis van de feiten iets miste in het rapport. Dit is niet hetzelfde als er geen aandacht aan geven!

 We vragen het CRCA Subcom. om deze woorden in een volgende editie van de Clarion terug te nemen en er spijt over te betuigen.

 

Bladzij 5:

 

“6. De vorige opmerking impliceert dat aan de TUK de focus aan het veranderen is. Deze verschuift steeds meer van het opleiden tot predikant naar het academisch theologisch onderzoek.”

 

Het is te betreuren dat deze kritiek op deze manier in de Clarion is verschenen. De middag van 19 april kan de delegatie van de TU misschien antwoorden op deze kritiek. Wij (Sec. 3 BBK) zijn er van overtuigd dat de TU Kampen zijn focus gericht wil houden op het opleiden tot predikant, terwijl zij tegelijk de academisch theologische research op hoog niveau wil houden, zoals altijd de bedoeling is geweest.

 

“8. In zijn presentatie op woensdag gaf Dr. Ad de Bruijne een heldere verklaring… Maar het werd niet duidelijk hoe deze benadering zich verhoudt tot Gods geboden in voorschriften in zijn Woord. Het geeft op zijn minst de indruk dat onder deze bedekking iedere kerkenraad en zelfs ieder kerklid zijn/haar eigen persoonlijke ethische keuzes kan maken.”

 

In de middagzitting van 19 april kan de TU delegatie misschien op deze kritiek antwoorden.

Wij van Sec. 3 BBK hebben het gevoel dat het niet een accurate weergave van zijn bedoeling is en het geeft de lezers van de Clarion de indruk dat deze beoordeling het oordeel van hun kerken over Dr. De Bruijne is.

 

“9. …Er zijn genezingsdiensten, gedreven door charismatisch gedachtegoed. Gereformeerde schrijvers spreken over de kinderdoop als optioneel… De media geven graag aandacht aan deze en meer bizarre dingen die plaats vinden… En het resultaat is dat steeds meer de kerken van het GKv-verband een gefragmenteerd beeld laten zien.”

 

Wij van Sec. 3 BBK herkennen onszelf niet in dit negatieve beeld van ons kerkelijk leven. Een bepaalde mate van diversiteit is aanwezig, ja. Maar de kinderdoop, bijvoorbeeld, blijft een vaste overtuiging binnen ons kerkelijk leven. Dat we “gefragmenteerd” zijn, is een taalgebruik van de afgescheiden groepen (zoals die van Dr. Van Gurp), en dat misleidt de lezers van de Clarion in ernstige mate.

 

“C. Conclusies

 

1. “Het schijnt dat de verschuiving van de hermeneutiek het meest cruciale punt is , daar het de achtergrond van veel dingen die aan het veranderen zijn in de Nederlandse kerken, aangeeft.”

 

Sec.3 BBK gaat in tegen deze inschatting. We zien geen “verschuiving van de hermeneutiek” binnen onze kerken.

 

Blz. 6:

 

“2. …We geloven dat de zaken van de rails lopen in de Nederlandse kerken. Het argument dat de geschriften van Paulus de cultuur van zijn dagen weergeeft tot het punt dat de duidelijke leer en instructie in zijn brieven niet langer geldig kan zijn voor de tijd, waarin wij vandaag leven, ondermijnt de belijdenis dat het Gods Woord is, waarin de Here zijn wil openbaart.”

 

Sec. 3 BBK is zeer verstoord over de woordkeus hier. “Van de rails lopen” is een heel ernstige beschuldiging van ons kerkverband. Er is niemand, inclusief Dr. De Bruijne, die zegt dat Paulus’ geschriften “niet langer geldig kunnen zijn”. Dit te zeggen grenst aan overtreding van het negende gebod.

 

We vragen het CRCA Subcom. deze woorden terug te nemen in een volgende editie van de Clarion en er spijt over te betuigen.

 

“4. Wat er aan de gang is aan de TUK… zal, menselijk gesproken, leiden tot steeds meer theologische en liturgische verwarring en fragmentatie binnen en tussen de kerken. Het begin hiervan kan nu al worden waargenomen.”

 

Sec. 3 BBK heeft het gevoel dat dit beeld geen recht doet aan onze kerken. In de middagvergadering van 19 april kan de TU delegatie hopelijk op deze kritiek antwoorden. Om te zeggen dat ons verband is begonnen met het laten zien van tekenen van theologische en liturgische verwarring en fragmentatie is een ernstige kritiek en is ongegrond.

 

We vragen het CRCA Subcom. om deze woorden in een volgende editie van de Clarion terug te nemen en spijt er over te betuigen.

 

Blz. 7:

“6. We stellen het op prijs dat Deputaten BBK zich bereid hebben verklaard om met ons subcomité bijeen te komen… Maar het zal goed zijn om in gedachten te houden dat wij misschien de rechtstreekse route van synode naar synode zullen moeten kiezen!”

 

Zoals we al zeiden (zie het antwoord op het eerste punt) is de eigenlijke route voor ernstige kritiek altijd van Synode naar Synode!

 

In de tussentijd, moet een subcomité heel zorgvuldig zijn om niet een persoonlijke mening te verwarren met de opvattingen van al hun kerken, vertegenwoordigd in een Generale Synode, en moet zij zeer voorzichtig zijn om niet haar persoonlijke mening publiek te maken op een manier die een zusterkerk in een kwaad daglicht stelt.

 

CRCA Subcom.:

“4. Dialoog over de wijze waarop de deputaten van de CanRC effectief zorgen kunnen communiceren naar de Nederlandse kerken.”

 

Antwoord Sec. 3 BBK:

Dit is wat we op deze vergadering aan het doen zijn!

 

Het voornaamste en belangrijkste punt is discussie. We kunnen in het gesprek met elkaar erg open zijn over wat we denken. We moeten echter voorzichtig zijn hoe onze kritische gedachten publiek worden gemaakt in de media en we moeten erkennen wat onze grenzen zijn als comités of als afgevaardigden van de GS.

 

Vragen stellen en bezorgdheid uiten in een dialoog als comité is één ding, ernstige kritiek geven is iets wat behoort in officiële uitspraken van Generale Synodes.

 

 

CRCA Subcom.:

“5. Vrouwelijke afgevaardigden naar meerdere vergaderingen van zusterkerken.”

 

Antwoord Sec. 3 BBK:

Het is onze gewoonte dat zusters als afgevaardigden in verschillende comités van onze Generale Synodes worden benoemd. Dat geldt ook voor de BBK. Als zodanig hebben zusters het recht om onze kerken in het contact met onze zuster- en aspirant zusterkerken wereldwijd te vertegenwoordigen en soms worden zij op zo’n missie gezonden. We zijn ervan overtuigd dat dit niet onbijbels is. Is het echter gebruik van een zusterkerk om bezoekende vertegenwoordigers van een andere zusterkerk op hun Generale Synode een “adviserende stem” toe te staan in de zin van deelname aan het geven van geestelijke leiding aan de kerk, dan is het misschien het beste om de taak van onze (vrouwelijke) vertegenwoordigers te beperken tot alleen deelnemen aan de discussie over onze wederzijdse betrekkingen als zusterkerken.

 

We zullen dit onderwerp verder bespreken in de plenaire vergaderingen van de BBK en hopen daarover enige besluiten te nemen en die aan onze zusterkerken door te geven.


 

Bijlage 4b

 

Antwoorden bij het discussiestuk, gepresenteerd door Deputaten BBK voor de vergadering met het GKv Subcomité van de CanRC op 19 april 2012

Aangenomen en verzonden aan BBK - september 2012

 

 

Introductie

 

In het hierboven genoemde stuk hebben de deputaten BBK enige basisreacties gegeven op de agendapunten, ingebracht door ons CanRC Subcomité voor onze vergadering op 19 april 2012 in Zwolle, NL. De achtergrond van deze agendapunten werd voornamelijk gevormd door ons Interim Rapport betreffende de ontwikkelingen in onze Nederlandse zusterkerken, evenals door het verslag van het bezoek dat twee comitéleden aan de GS van Harderwijk 2011 hebben gebracht.

Deze zaken werden behoorlijk uitgebreid besproken tijdens onze vergadering en ons comité heeft deze bespreking na de bijeenkomst geëvalueerd. Wat volgt vat het antwoord van ons comité op de opmerkingen van Deputaten BBK samen en moet samen met het boven genoemde document worden gelezen. 

  1. Betreft: de rol van de deputaten BBK
    Wij begrijpen en appreciëren dat de deputaten BBK met de besluiten van hun generale synode moeten werken en niet in de positie verkeren om óf deze besluiten te weerleggen óf ze te ondersteunen, laat staan deze besluiten  terug te draaien. We menen (of meenden!) echter wel dat, wanneer wij onze zusterkerkrelatie volgens de wederzijds aangenomen regelingen voor deze relatie uitoefenen, het binnen het mandaat van de deputaten BBK ligt om niet alleen maar naar de zorgen en kritiek van de zusterkerken te luisteren, maar ook om deze zaken onder de aandacht van de volgende synode te brengen. De wijze waarop onze opdracht was verwoord door de Synode van Burlington laat deze verwachting zien.
    Ondertussen besloot de GS Harderwijk 2011 dat “ernstige bezwaren betreffende leer en leven rechtstreeks van kerk tot kerk moeten worden ingediend, dat wil zeggen van Generale Synode naar Generale Synode“.
    Deputaten BBK verklaren ook dat comités/deputaten zich behoren te onthouden van het publiceren van rapporten en artikelen met ernstige kritiek vóór hun GS officiële uitspraken over deze zaken heeft gedaan. Dit zou verwarring kunnen wekken bij de lezers en de naam van de zusterkerken schade kunnen berokkenen.
    We wijzen er graag op dat van oudsher in de CanRC zulke rapporten in de Clarion zijn gepubliceerd om de kerkleden op de hoogte en betrokken te houden. Men begrijpt dat deze publicaties niet de ‘officiële’ positie van de CanRC weergeven, maar eenvoudig de waarnemingen en overwegingen van het comité vormen. 
  2. Betreft: Hermeneutiek en TUK benoemingen (a), Man/Vrouw in de Kerk (b) en Betrekkingen met de NGK (c)
     
    1. Onze discussie met de afgevaardigden van de TUK, 19 april ’s middags,  heeft onze zorgen, uitgesproken in het besluit van onze GS Burlington 2011 en gespecificeerd in ons interim-rapport, niet weggenomen. Wij hechten waarde aan de nadrukkelijke wens van de faculteit van de TUK om de Gereformeerde Schriftvisie te handhaven en te verdedigen. En wij zetten geen vraagtekens achter de persoonlijke integriteit en de goede bedoeling van de broeders.  Maar onze rapporten geven aan dat we niet overtuigd zijn dat deze Gereformeerde Schriftvisie voldoende wordt bewaakt in het academisch onderzoek aan de TUK. Onze zorg is dat dit onvermijdelijk zijn impact zal hebben op de opleiding tot predikant.
    2. We hebben er dankbaar kennis van genomen dat de bezinning over het onderwerp “Man/Vrouw in de Kerk” doorgaat en dat de GS Harderwijk het gehele comité voor deze voortgaande studie opnieuw heeft samengesteld. Of wij de situatie verkeerd hebben beoordeeld, wanneer we onze zorg naar voren brengen dat de Nederlandse kerken zich bewegen in de richting van het bevestigen van vrouwen als ouderlingen en predikanten, staat nog te bezien. De tijd zal het leren en we moeten blijkbaar wachten op de uitkomsten van de huidige studie. Hoewel - de groeiende samenwerking met de NGK geeft geen reden tot optimisme.
    3. De gepresenteerde beoordeling en inzichten van deputaten BBK inzake de ontwikkelingen en steeds hechtere samenwerking tussen de NGK en de GKv, geven ons geen reden om de conclusies van ons comité aan te passen. Deze conclusies werden vermeld in dat deel van ons rapport dat deze ontwikkelingen evalueert. De deputaten BBK lijken de implicaties van deze betrekkingen op verdere ontwikkelingen in de GKV te minimaliseren, terwijl wij enige alarmerende trends zien. 
  3. Betreft: De nauwgezetheid van onze rapporten zoals gepubliceerd in de CLARION van 29 juli 2011, speciaal het rapport over het bezoek aan de GS Harderwijk 2011.

    In dit deel van het discussiestuk verklaren de Deputaten BBK verschillende keren dat zij zichzelf niet herkennen in het negatieve beeld van de GKv. Zij hebben het gevoel dat een paar van de conclusies in ons rapport (onze rapporten) geen recht doen aan de kerken en soms zelfs misleidend zijn. Zij zeggen een paar keer erg verstoord te zijn door sommige van de verklaringen en zij vragen ons comité om een deel ervan terug te nemen en publiek onze spijt over een paar van de door ons geschreven dingen te betuigen voor de lezers van de Clarion.

    Na reflecteren en evalueren van de bespreking op 19 april hebben wij niet het gevoel dat het nodig is onze observaties en conclusies in het rapport van ons bezoek aan de GS Harderwijk terug te nemen of opnieuw te formuleren. Het is belangrijk te onthouden dat wij niet een totale en volledige evaluatie van alle aspecten van het kerkelijk leven in onze Nederlandse zusterkerken hebben gegeven.  Maar wij hebben ons geconcentreerd op de zaken die tot ons mandaat van GS Burlington 2010 behoren toen we werden geconfronteerd met die dingen tijdens de ‘Buitenland Week’ op de Synode. We verzoeken ook om een eerlijke lezing van wat wij hebben geschreven.
    We gaan graag in op de volgende opmerkingen van Deputaten BBK:
    • Deputaten BBK zijn verstoord door de opmerking: “Dank u voor uw brief, maar we gaan er geen aandacht aan geven”. Zij nemen deze woorden over uit ons rapport, alsof wij de suggestie wekken dat dit door de preses van de synode werd gezegd. Maar dat is geen eerlijke weergave, omdat we niet zeggen of suggereren dat dit de woorden van de preses waren. Waar het om gaat is dat wat de preses zei werkelijk teleurstellend en frustrerend voor ons was. het voelde als ‘dank u voor uw brief, maar we gaan er geen aandacht aan geven’.
    • In onze reflectie over de verklaring van Dr. De Bruijne over wat bekend staat als de “stijl-van-het-koninkrijk”
      benadering bij het behandelen van ethische kwesties, hebben wij in geen enkel opzicht de integriteit of de bedoelingen van Dr. De Bruijne beoordeeld. Maar wij hebben gewezen op de mogelijke consequenties van zijn benadering voor persoonlijke ethische keuzes.
    • Wanneer de Deputaten BBK zich uitspreken over het beeld in waarneming #9 (in het rapport van het bezoek aan de GS Harderwijk, betreffende plaatselijke liturgische experimenten), gaan zij voorbij aan het feit dat wij  heel duidelijk maken dat deze dingen inderdaad incidenteel voorkomen en niet karakteristiek zijn voor het kerkverband in zijn geheel.  Wij zijn hier dankbaar voor, evenals voor het feit dat de kinderdoop bijv. tot de vaste overtuiging van de GKv behoort. De zaak is echter dat wij onze zorg naar voren brachten dat er vrijheid is voor die liturgische experimenten en voor zulke leerstellige proefballonnen. Dit gaat uit boven een onschuldige hoeveelheid aan diversiteit. We ontkennen daarom dat wij, door het waarschuwen tegen het gevaar van groeiende verwarring en fragmentatie in de kerken, de lezers van ons rapport misleiden.
    • Wij geloven dat de Deputaten BBK het verslag van ons bezoek aan GS Harderwijk niet eerlijk lezen, wanneer zij zeggen erg verstoord te zijn door de ernstige beschuldiging in het gezegde dat   “dingen van de rails lopen in de Nederlandse kerken” (halverwege conclusie #2). Zij zeggen dat “er niemand is, inclusief Dr. De Bruijne, die zegt dat de geschriften van Paulus niet langer geldig zijn”.
      Maar dat is een misvatting van wat wij hebben geschreven. We zeggen niet dat Dr. De Bruijne of iemand anders in de GKV heeft beweerd, dat de geschriften van Paulus niet langer geldig kunnen zijn. Dat zou inderdaad een overtreding tegen het 9-de gebod zijn.
      De gedachte dat “dingen van de rails lopen” vloeit echter voort uit wat in conclusie #1 wordt genoemd en het eerste deel van conclusie #2. Want als dit doorgaat, zal het niet lang duren voordat iemand gaat zeggen dat sommige voorschriften in de brieven van Paulus niet gelden voor de huidige tijd.
      Een voorbeeld van hoe een herinterpretatie van Paulus’ woorden wordt gebaseerd op het argument dat wat hij schreef de cultuur van zijn tijd weergeeft, kan worden gevonden in de discussie over homoseksualiteit.
      Veroordeelt de apostel homoseksuele relaties in Romeinen 1? Sommigen argumenteren dat Paulus in dit hoofdstuk alleen maar spreekt over homoseksuele promiscuïteit en tempelprostitutie, zoals dat in zijn tijd voorkwam. Dit zou tot de conclusie kunnen leiden dat onze situatie vandaag anders is. En zodoende zouden sommigen zeggen, gaat de apostel Paulus waarschijnlijk akkoord met een liefdevolle, monogame en trouwe homo-relatie.

 Concluderend 

  1. Wij vinden dat veel van het kritische commentaar door Deputaten BBK geuit, meer te maken heeft met de verwoording en de toon van wat ons subcomité in zijn rapporten heeft geschreven, dan met de actuele inhoud. Deputaten BBK en ons subcomité mogen het oneens zijn met de taxatie en evaluatie van de ontwikkelingen in Nederland, maar de Deputaten hebben er geen enkel bewijs voor geleverd dat wij in onze rapporten de feiten geweld hebben aangedaan.
  2. Wij danken de Deputaten voor hun bereidheid om op 19 april 2012 een hele dag met ons subcomité samen te spreken en wij hebben de gelegenheid voor een eerlijke en open bespreking met onze Nederlandse broeders op prijs gesteld. Wij danken God voor een broederlijke atmosfeer tijdens onze besprekingen.

C. van Dam

J. DeGelder

J. Moesker

G.J. Nordeman

 

 

Wordt vervolgd

 

Vertaling: R. Sollie-Sleijster