Ethiek

Kerkverband

Signalen

De bezinningsgroep Rijnsburg e.o. belegt D.V. op 26 september a.s. een voorlichtingsavond over:

Schriftgezag en hermeneutiek (Bijbeluitleg)

Spreker: dr. R.T. (Dolf) te Velde.

Plaats: kerkgebouw GKv Rijnsburg, Katwijkerweg 1a, 2231 SE Rijnsburg.
Aanvang: 20.00 uur.
Zie verder onder Nieuwe artikelen, click Schriftgezag en hermeneutiek

 


 

 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Canada en de BBK 2

 

Redactie een in waarheid

20-04-13

 

Eerder maakten we melding van een schrijven van het gereformeerd-vrijgemaakte deputaatschap Betrekkingen Buitenlandse Kerken (BBK) aan de Canadese zusterkerken. BBK bleek zeer ontstemd te zíjn over een rapportage over de situatie in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) die afgevaardigden van de Canadese kerken schreven voor hun synode die dit jaar in Carman hoopt bijeen te komen. Gezien het belang van de zaak hebben we uitgebreid gepubliceerd over de bevindingen van de Canadese broeders. Daarom is het ook van belang aandacht te schenken aan hun weerwoord dat kortgeleden openbaar werd gemaakt. We willen ook dat graag op onze site weergeven omdat het  inzicht geeft waar onze kerken naar toe koersen.

 

Korte historie

De ervaring leert dat communicatie tussen een aantal partijen snel tot verwarring leidt bij hen die daar níet zelf bij betrokken waren. Daarom proberen we de precieze gang van zaken te reconstrueren voorzover die publiek is gemaakt.


2010
De Canadese synode Burlington 2010 heeft grote zorgen over de ontwikkelingen in de GKv.  Zij besluit aan haar Committee for Relations with Churches Abroad, zeg maar een Canadese pendant van de BBK een Subcomité toe te voegen met een speciale opdracht. De opdracht is, kort geformuleerd, onderzoek te doen naar een aantal verontrustende ontwikkelingen in de GKv, die te bespreken en daarvan verslag uit te brengen aan de eerstvolgende synode, die te Carman.[1]

09-03-11
Het Subcomité stuurt een brief aan BBK met als bijlage een interimrapport waarin gedetailleerd de zorgen m.b.t. hermeneutiek, verhouding GKv-NGK en M/V in de kerk[2] worden geëvalueerd. BBK geeft het interimrapport aan de synode van Harderwijk (alle leden krijgen het) die het ter commentaar weer doorgeeft aan het adviserende comité voor buitenlandse kerken.

28-03-11 tot 02-04-11
Het Subcomité bezoekt de vrijgemaakte synode van Harderwijk[3].

28-03-11
Het Subcomité spreekt met een deel van de deputaten BBK over de zorgen. Maar BBK wil niet inhoudelijk op zaken ingaan. Dat zou slechts een verantwoordelijkheid van de synode zijn.

30-03-11
Aan de theologische universiteit in Kampen woont het Subcomité een conferentie over hermeneutiek bij.

 

31-03-11
BBK rapporteert aan de synode en geeft ook een samenvatting van de brief van 9 maart van het Subcomité. Niemand op de synode ging er op in. De preses constateerde dat het adviserend comité geen voorstel met aanbevelingen had gedaan en dat dus de synode niets kon doen. Bezwaren tegen een synodebesluit over de leer, kerkregering, tucht of liturgie moeten rechtstreeks aan de synode worden gericht.

Br. DeGelder van het Subcomité spreekt de vergadering toe en wordt beantwoord door de voorzitter van BBK, br. K. Wezeman[4].

 

01-04-11
Het Subcomité woont de synodale discussie over het rapport Deputaten Kerkelijke Eenheid bij. Het gaat daarbij m.n. over de relatie met de NGK.

26-03-12
De Raad van Toezicht en het College van Bestuur van de theologische universiteit in Kampen sturen het Subcomité een reactie op hun bezwaren[5].


04-12[6]
Het Subcomité spreekt met vertegenwoordigers van de theologische universiteit.


19-04-12
Bijeenkomst Subcomité met sectie 3 van BBK. Een discussiestuk met vragen van het Subcomité en antwoorden van BBK (sec.3) wordt besproken.[7]

08-12

Het Subcomité sluit haar gedetailleerde eindrapport m.b.t. de situatie in de GKv.[8]

 

09-12
Reactie van het Subcomité op de antwoorden van BBK in het discussiestuk[9].

 

06-12-12

BBK stuurt een brief aan de komende synode van Carman. De brief oefent zware kritiek op het eindrapport van het Subcomité[10].

 

06-12-12

BBK stuurt een brief aan het Subcomité. De brief oefent zware kritiek op het eindrapport van het Subcomité[11].

 

01-13
BBK publiceert een persbericht op haar website waarin ze verschillende bezwaren kenbaar maakt tegen het eindrapport van het Subcomité en de publicatie ervan[12]. Ook toont de website de brieven die BBK stuurde aan het Subcomité en de komende synode van Carman[13].

 

21-01-13
Het Subcomité stuurt een brief aan BBK waarin zij het een en ander toelicht en zich beklaagt over de bejegening door de BBK.[14]

 

26-01-13
Het Subcomité reageert in een brief aan de synode te Carman op de brief van BBK dd. 06-12-12.

03-13
Het Subcomité stuurt een aanvullend rapport over de relatie met de GKv aan de synode te Carman[15].

 

We geven een vertaling van het bovengenoemde aanvullende rapport dat het Subcomité aan hun komende synode zond. Daarin is een reactie opgenomen op de brief van de BBK van 06-12-12.
Bovendien publiceren we ook een aanvullend rapport m.b.t. De Gereformeerde Kerken (DGK).

 

Aanvullend rapport aan de Synode van Carman

van het Subcomité voor Betrekkingen met de Gereformeerde Kerken in Nederland van het Comité voor Betrekkingen met Buitenlandse Kerken

 

In aansluiting op het Rapport van het Subcomité voor Betrekkingen met de Gereformeerde Kerken in Nederland voor de Synode 2013, ontving de commissie een brief in verband met dit rapport van de deputaten Betrekkingen Buitenlandse Kerken (BBK) van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKv), gedateerd 6 december 2012, samen met een brief die zij van plan zijn aan de Synode Carman 2013 te zenden (Bijlage I). Wij hebben een antwoord op deze brief, als op hun brief van 21 januari 2013, aan de Synode (Bijlage II) gezonden.

 

Bovendien willen wij graag alsnog reageren op een brief van 26 maart 2012 gezonden aan het subcomité namens de Raad van Toezicht en het College van Bestuur van de Theologische Universiteit (TUK) in antwoord op onze brief van 9 maart 2011, waarin wij zorgen naar voren brengen over de Schriftinterpretatie aan de TUK (Bijlage III).

Onze bijeenkomst van 19 april 2012 te Zwolle, Nederland, met de afgevaardigden van de TUK vond aansluitend op deze briefwisseling plaats en de meeste punten daaruit werden op die bijeenkomst besproken. Wat wij hieronder rapporteren is in feite een reactie op de brief en de Zwolse bijeenkomst.

Tenslotte willen we de Synode 2013 vragen of het gepast is dat de deputaten BBK rechtstreeks een brief aan een Synode van een zusterkerk hebben gericht.

 

I. BBK Brief van 6 december 2012 (bijlage I)

 

Deze brief en de bijlage, geadresseerd aan de Synode Carman, werden verzonden als reactie op ons definitieve rapport aan de Synode Carman, zoals dit gepubliceerd werd voor de kerken. Deze brief geeft aan dat zij gealarmeerd zijn over de evaluaties en conclusies van ons rapport. De BBK geeft aan dat als onze “’verontrusting’ over het ‘groeiende gevoel van vervreemding tussen de CanRC en de GKv’ (p.18) echt is, onze relatie dan zo sterk onder druk komt te staan dat zo’n relatie als we nu onderhouden ernstig wordt bedreigd.” De GKv hebben niet begrepen hoe serieus de zorgen van de Synode Burlington 2010 waren, daarom zíjn we dankbaar dat zij nu de conclusie uit ons rapport hebben getrokken dat de CanRC werkelijk met veel zorg naar de ontwikkelingen in de GKv kijken.

De voornaamste kritiek op ons rapport aan de Synode en het rapport van de CanRC afgevaardigden aan de Synode Harderwijk 2011 (gepubliceerd in Clarion) is het kritische taalgebruik en de slechte publiciteit daardoor bij andere zusterkerken ten aanzien van de GKv. Echter als het gaat om de essentie van onze evaluaties en conclusies, bevat deze brief zeer weinig dat ons aanleiding geeft om ook maar enig deel van ons rapport te heroverwegen.

Wij hebben ervoor gezorgd onze overwegingen en conclusies niet op informatie van derden te baseren, maar op officiële documenten en door ons gevoerde besprekingen.

Wat betreft de brief die de BBK van de  GKv voornemens is aan de Synode Carman 2013 te zenden, bieden wij u de volgende puntsgewijze reactie aan:

 

1. Voor wat de rollen van de BBK van de GKv en het CRCA-subcomité van de CanRC betreft, blijven wij van mening dat  het tot een beter begrip van elkaars kerken zou hebben geleid als vanaf het begin rechtstreekse gesprekken tussen de BBK en het CRCA-subcomité hadden plaatsgevonden. Het riep bij ons frustratie op dat verzoeken van onze kant om zulke bijeenkomsten op weerstand stuitten bij de BBK, zelfs toen wij voorstelden dat onze gehele commissie graag aanwezig zou willen zijn op zo’n bijeenkomst om en nabij de tijd dat de Synode Harderwijk 2011 plaats vond (onze brief van 3 december 2010). Hun antwoord op ons verzoek van 23 december 2010 gaf aan dat zij niet bereid waren onze commissie te ontmoeten omdat zij van mening waren dat een bijeenkomst met hen om onze zorgen te bespreken niet binnen hun mandaat lag en dat Bijbelse of confessionele zorgen rechtstreeks aan hun Synode moesten worden gericht. Het resultaat was dat de BBK van slag raakte en nog steeds is door de  de indrukken en kritiek van onze twee afgevaardigden zoals zij die naar voren brachten in het Clarion rapport van september 2011 over het bezoek aan de Synode Harderwijk. En wij op onze beurt waren en zijn nog steeds ontdaan door de manier waarop zíj hunontzetting over dat rapport verwoordden. Wij blijven van mening dat de beste manier om tot volledig begrip van elkaars kerken te komen - in het bijzonder als zorgen moeten worden besproken - is, niet slechts met officiële stukken te werken en indrukken van vergaderingen op te doen, maar ook dat officieel benoemde kerkelijke commissies tijd vrij maken voor rechtstreekse gesprekken. Nogmaals, zulke bijeenkomsten lossen misschien de problemen op zich niet op, maar zouden wel helpen om op zijn minst tot een gezond verstaan ervan te komen.

 

2. Voor wat de zaak van de betrekkingen met de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) betreft is de BBK-brief aan de Synode Carman 2013 kritisch over wat wij zien als “enige alarmerende trends” (p. 52) in ons rapport daarover. Zij brengen naar voren dat zij alleen maar positieve dingen horen over de samenwerking van de  GKv en NGK gemeente te Zaandam en geen teken zien dat zij “vrijzinnig aan het worden zijn”. En hun conclusie is dat “het lijkt alsof alleen het feit van samenwerking op zichzelf gronden voor afwijzing van uw zijde vormen”.

Echter onze conclusies dat er enige alarmerende trends zijn, werden niet gebaseerd op één of twee individuele gevallen van samenwerking waarover wij weinig tot niets weten. De conclusies van ons rapport zijn gebaseerd op de rapporten van deputaten voor kerkelijke eenheid met de NGK aan de laatste synodes van de GKv en op de besluiten van die synodes aangaande de betrekkingen met de NGK. Wij zien alarmerende trends in de manier waarop die rapporten en besluiten handelen over de relaties GKv-NGK..

 

3. Wat betreft de opmerkingen over de “gevoelens” van onze deputaten voor de Synode Harderwijk 2011 moet in gedachten worden gehouden dat het rapport van de afgevaardigden naar de Synode Harderwijk over hun indrukken precies dát was: hun indrukken van die synode en wat zij hebben ervaren tijdens hun verblijf in Nederland. Het is overdreven om te zeggen dat het “beledigend taalgebruik is” wanneer gedachten en indrukken worden weergegeven.

 

Helaas is het protest tegen “meer bizarre dingen … vinden plaats” in de BBK-brief aan de Synode Carman uit zijn context gehaald. Wat gezegd werd in de context van liturgische experimenten is: “De media geven graag veel aandacht aan deze en meer bizarre dingen die plaats vinden. Ons werd gezegd dat het goed is om ons ervan bewust te zijn dat dit een erg beperkt aantal van de 270 plaatselijke kerken in het verband betreft en dat de meeste van deze dingen op geen enkele manier gesanctioneerd of goedgekeurd worden door een classis of een synode. In feite worden over deze activiteiten vaak door velen en door de meeste predikanten de wenkbrauwen gefronst. Dit mag zo zijn, maar het is ook belangrijk om op te merken dat niets of niemand in staat schijnt te zijn deze dingen een halt toe te roepen. En het resultaat is dat steeds meer kerken binnen het GKv-verband een gefragmenteerd beeld vertonen.” Dit was eenvoudig een waarneming door onze afgevaardigden, maar wij zijn van mening dat zorgen over liturgische experimenten en verscheidenheid terecht naar voren zijn gebracht daar het één van de onderdelen is die genoemd worden in Regel 1 van de Regels voor Kerkelijk Samenleven: “De kerken zullen elkaar bijstaan in het onderhouden, verdedigen en uitdragen van het Gereformeerde geloof in leer, kerkregering, tucht en liturgie en waken tegen afwijking.”

 

De BBK verbindt terecht de uitspraak van de afgevaardigden van het Subcomité dat zij “van mening zijn dat de dingen uit de rails lopen in de Nederlandse kerken” met de indruk van het Subcomité dat een “hermeneutische verschuiving” plaatsvindt in de GKv. De BBK is het evenwel niet eens met onze beoordeling van wat zich in dat opzicht heeft voorgedaan aan de TUK en met het werk dat gedaan is door de deputaten Man/Vrouw in de Kerk. Zoals echter al genoemd is in het rapport van onze afgevaardigden aan de Synode Harderwijk 2011, deed de meditatie van zuster Elly Urban op de eerste bijeenkomst van de BBK om de Synode bij de buitenlandse afgevaardigden te introduceren, reeds vragen opkomen over de hermeneutische richting die gepromoot wordt binnen de GKv. Ondanks voortdurende verzekeringen dat de GKv trouw blijft aan de Schrift, blijft onze zorg dat “nieuwe spreekwijzen, nieuwe manieren van interpretatie” zoals in die meditatie naar voren komen, duiden op de hermeneutische verschuiving waar onze kerken zo bezorgd over zijn.

 

We zouden er de voorkeur aan geven dat de BBK zou ingaan op de feitelijke inhoud van onze zorgen over hermeneutiek zoals gedocumenteerd in ons rapport aan de Synode in plaats van  slechts aan te geven het oneens te zijn met “scherpe bewoordingen” in het rapport van onze afgevaardigden aan de Synode Harderwijk 2011.

 

4. In dit deel van hun commentaar aan de Synode 2013 klaagt de BBK nogmaals over wat zij beschouwen als “beledigende taal” in het rapport van onze afgevaardigden naar de Synode Harderwijk 2011 en zij verklaren dat het ook helemaal niet informatief is. Zij zijn van mening dat “Wat iemand zegt, veel te maken heeft met de manier waarop iemand het zegt.” Wij denken dat de Nederlandse broeders helaas niet beseffen hoe groot de zorgen van de Synode Burlington 2010 waren, die via onze opdracht aan hun moesten worden overgebracht (Synode Burlington 2010, Art.86,  Mandate 4.4., p. 131) en hoe ernstig wij als subcomité  de situatie binnen de Nederlandse kerken met betrekking tot de drie hoofdonderdelen van ons rapport vinden! Wij hebben onze diepe zorgen over die zaken naar voren gebracht terwijl de BBK grote zorg heeft over ons taalgebruik  en de aan ons deputatenrapport gegeven publiciteit.

 

Kortom, de brief van de BBK verandert onze (en die van de Synode Burlington 2010) visie op wat er aan de gang is in de Nederlandse kerken niet. Hetzelfde geldt voor onze bijeenkomsten met de BBK en de vertegenwoordigers van de TUK in april 2012. Wij waren er dankbaar voor dat we als subcomité eindelijk een inhoudelijke bijeenkomst konden hebben, maar helaas hoorden we heel weinig dat ons ervan zou kunnen overtuigen dat de inhoud van onze rapporten op dat tijdstip niet gerechtvaardigd was.

 

II. Brief van de Raad van Toezicht & van het College van Bestuur van de TUK van 9 maart 2011[16].

 

We waarderen het dat we de vertegenwoordigers van de TUK in april 2012, aansluitend op deze brief, konden ontmoeten. Deze brief en de bijeenkomst hebben onze voornaamste bezwaren omtrent de richting van de TUK, in het bijzonder wat hermeneutiek en schriftkritische wetenschap betreft, niet verminderd. In de brief richten de broeders zich op de twee voornaamste bezwaren van ons rapport: de benoeming van Dr. S. Paas als docent aan de TUK en de dissertatie van Dr. K. van Bekkum.

Wat Dr. S. Paas betreft, wordt zijn benoeming ondanks zijn dissertatie verdedigd. Men   wijst erop dat deze dissertatie al in 1998 werd afgerond en het geen theologisch werk is maar één op het terrein van de godsdiensthistorie. De TUK heeft hem echter als docent missiologie benoemd op basis van zijn publicaties op dat gebied. Wij vinden dit argument zeer zwak. Als er vragen zijn betreffende iemands trouw aan de Schrift op het ene terrein, zou het zeker niet wijs zijn om dat  op andere terreinen maar aan te nemen.

 

Voorts wordt beweerd dat Dr. Paas zijn dissertatie heeft geschreven binnen het kader van de godsdiensthistorie zonder daarbij zelf een geloofsstandpunt in te nemen. Dit argument vinden wij volstrekt niet overtuigend daar hij de eerste persoon in zijn beweringen gebruikt, wat zeker wijst op een persoonlijk standpunt. .

 

En tenslotte het argument dat de TUK met Paas over zijn standpunten betreffende de historiciteit van Genesis 1 en 2 heeft gesproken op een voor hen bevredigende manier waaruit zou blijken dat hij “de Schrift wil verstaan naar haar door God gegeven bedoeling”  is geen argument dat ons veel vertrouwen geeft in zijn benadering van de Schrift.

 

Wat Dr. Paas aangaat hebben derhalve de brief of de daarop volgende besprekingen onze zorgen over zijn Schriftvisie niet verminderd. Wij als subcommissie vragen ons af waarom Dr. Paas niet persoonlijk op kritiek op zijn inzichten en zijn dissertatie heeft gereageerd. Een heldere verklaring van zijn persoonlijke standpunt betreffende de interpretatie van de Bijbel zou waardevol zijn geweest   om alle discussies die zijn standpunten en benoeming omgeven te beëindigen. Als subcomité blijven wij van mening dat hij niet had moeten worden benoemd zonder nadere verklaring van zijn standpunten en met een duidelijke  terugneming van persoonlijke Schriftkritische uitlatingen zoals hij die in zijn dissertatie uit 1998 heeft gedaan.

 

Wat betreft de dissertatie van Dr. K. van Bekkum, begrijpen wij niet hoe  een Gereformeerde Theologische opleiding zo'n dissertatie héeft kunnen accepteren. De verklaring van Dr. G. Kwakkel waarom het zo heilzaam is om de ‘waarheidswaarde’ te onderzoeken en om in de ‘waarheidsclaim’ van Bijbelse teksten te graven, helpt niets om onze bezwaren tegen Van Bekkums interpretatiemethode van Bijbelse teksten , zoals aangegeven in ons rapport,  te verminderen. Dus blijven onze bezwaren tegen de aanvaarding van Van Bekkums dissertatie bestaan.

 

Concluderend handhaaft deze subcommissie de aanbevelingen in zijn hoofdrapport en adviseert de Synode Carman 2013, mocht deze besluiten een brief te zenden aan de Synode 2014 van de GKv, om voluit rekening te houden met de bezwaren in ons hoofdrapport. De recente brief van de BBK heeft ons er totaal niet van overtuigd dat we ons in dat rapport hebben vergist.

 

III. Gepastheid van de brief van de BBK aan de Synode 2013

 

Wij als Subcomité voor Betrekkingen met de GKv vinden het ongepast dat de deputaten BBK van de GKv hebben aangegeven dat zij van plan zijn een brief rechtstreeks aan de Synode Carman 2013 te richten. Deze brief omzeilt het Subcomité, benoemd door de Synode Burlington 2010, en beweert in feite dat de ernstige zorgen van de Synode 2010 misplaatst waren en dat het Subcomité voor Betrekkingen met de GKv bepaalde ontwikkelingen binnen de GKv niet juist hebben weergegeven.

Wij vragen ons af of de deputaten voor kerkelijke betrekkingen rechtstreeks een brief kunnen richten aan een synode van een zusterkerk over zorgen die die deputaten zelf hebben met betrekking tot de juistheid van zaken waarover een vorige synode van die zusterkerk aan diens commissie opdracht heeft gegeven om deze te onderzoeken en daarover te communiceren en te rapporteren.

 

 

---------

 

Aanvullend rapport aan de Synode Carman 2013

van het Subcomité voor Betrekkingen met de Gereformeerde Kerken Hersteld van het Comité voor Betrekkingen met Buitenlandse kerken

 

Sinds de publicatie van ons rapport betreffende de Gereformeerde Kerken Hersteld (GKH) en de Gereformeerde Kerk van Dalfsen (Dolerend) (GKD) hebben wij twee e-mails ontvangen.

De eerste e-mail is een brief van de Deputaten voor Contact met Buitenlandse Kerken van de GKH (Bijlage 1), waarin ons de namen en e-mail adressen worden meegedeeld  van de Deputaten Contact met Buitenlandse Kerken zoals benoemd door de Generale Synode Hasselt 2011/12 van de GKH.

 

De tweede e-mail die wij ontvingen was een persbericht van de Classis Zuid-West van de GKH van december 2012 (Bijlage II). Dat luidt als volgt:[de originele bekendmaking zoals die eerder door ons werd gepubliceerd in Dalfsen & DGK, rubriek Uit de kerken, redactie eiw]

De Gereformeerde Kerken in Nederland (hersteld) (DGK) en de Gereformeerde Kerk Dalfsen (dolerend) hebben al sinds 2010 wederzijds vastgesteld dat men staat op hetzelfde fundament van Schrift en belijdenis en dat beide kerken willen samenleven volgens de gereformeerde kerkorde. Daarop werd wederzijds uitgesproken het hartelijke verlangen om te komen tot een volledige vereniging van beide kerken.

Na een langere periode van overleg is op 18 december 2012 door de Gereformeerde Kerk Dalfsen (dolerend) het besluit genomen om te komen tot volledige kerkelijke vereniging met het kerkverband van DGK. Op 28 december 2012 heeft de classis Zuid-West van DGK dit besluit tijdens een buitengewone vergadering besproken en, na positief advies van de deputaten ad artikel 49 van de kerkorde, met grote dankbaarheid aan de Here besloten tot kerkelijke vereniging zodat De Gereformeerde Kerk Dalfsen (dolerend) met onmiddellijke ingang deel uitmaakt van het kerkverband van DGK.

Verder werd besloten om dominee E. Heres, predikant van de Gereformeerde Kerk Dalfsen (dolerend), zonder nader onderzoek met onmiddellijke ingang toe te laten als predikant in voile rechten in het kerkverband van DGK.

In een vervolgzitting van de classis Zuid-West op, zo de Here wil, zaterdag 12 januari a.s. zal een en ander formeel gestalte krijgen waarbij samen de Here gedankt zal worden voor deze door Hem bewerkte vereniging. Deze vergadering wordt gehouden in kerkgebouw De Hoeksteen, Scheldelaan 141 te Zwolle en begint om 13.30 uur.

Het is de uitdrukkelijke wens van zowel DGK als de Gereformeerde Kerk Dalfsen (dolerend) dat deze kerkelijke vereniging onder de zegen van de HERE een wervend effect mag hebben onder allen die de Here Jezus Christus van harte liefhebben en onverkort willen vasthouden aan het vaste fundament van de Kerk, Gods Woord en de daarop gegronde belijdenis, om zo de eenheid in waarheid in gehoorzaamheid aan Christus gestalte te geven.

Het Subcomité voor Relaties met de GKv is dankbaar voor deze ontwikkeling en wij spreken onze hoop uit dat allen die de Here liefhebben en in gehoorzaamheid aan zíjn kerkvergaderend werk in Nederland willen leven, elkaar mogen vinden in de eenheid van het Gereformeerde geloof.

 

Vertaling: R. Sollie-Sleijster

 

Appendices

  

Appendix I

 

[Deze onderdelen van de correspondentie hebben we eerder gepubliceerd, namelijk op 23-02-13 onder de titel Canada en de BBK 1, rubriek Kerkverband, redactie eiw]

 

Brief BBK aan Subcomité CanRC

 

(gebruikelijke adressering, weggelaten, eiw)

 

6 december 2012

 

Geliefde broeders in Christus,

 

Dank u voor uw brief van 20 september 2012 die met de bijbehorende bijlagen door ons per e-mail is ontvangen op 21 september.

 

U begint met ons te danken voor de ontmoeting die we konden hebben op 19 april dit jaar in Zwolle. Wij kijken ook met dankbaarheid en erkentelijkheid terug op die vergadering waar we elkaar konden ontmoeten en spreken. We zijn het zeker eens met uw verklaring: "Het is goed dat we als zusterkerken elkaar kunnen ontmoeten om elkaar bij te staan in de handhaving, verdediging en bevordering van het Gereformeerde geloof."

 

Bij die ontmoeting konden we inderdaad "openhartig met elkaar spreken over de zegeningen die we ervaren, maar ook over de zorgen." Wij zijn ons ervan bewust dat uw "zorgen" "ernstige zorgen" zijn geworden, die niet slechts incidenten en enkele personen in ons kerkverband betreffen, maar die "de richting waarin deze kerken zich langzaam maar zeker bewegen" betreffen, aangezien u de vrees uit "dat dit een richting is die hen in conflict brengt met het Woord zoals het wordt beleden en verstaan in trouwe Gereformeerde kerken over de hele wereld." (uw Rapport van het CRCA Subcomité voor contact met de Gereformeerde Kerken in Nederland Vrijgemaakt (GKv), blz. 14.)

Wij stellen uw zorg op prijs en uw woorden: "Wij hebben u lief", en uw gebeden voor ons, "onze 'moeder'kerk in de extreem seculiere Europese situatie."

 

Desondanks zijn wij behoorlijk gealarmeerd door de evaluaties en conclusies van uw rapport over onze kerken. Het rapport zelf is uitzonderlijk lang, inclusief bijlagen, 77 bladzijden, en bevat een buitengewoon gedetailleerde analyse van en kritiek op verschillende personen en documenten.

Blijkbaar gelooft u dat zo’n gedetailleerde kritiek nodig en verantwoord is. Dit is uw recht maar wij menen dat uw rapport op veel punten onevenwichtig is en een heel zwart algemeen beeld van onze kerken schetst. Er staan wat woorden van "waardering" in het rapport, maar het komt over als formeel en beleefd doch weinig concreet gemaakt gepraat dat niet in verhouding staat tot de kritische opmerkingen. Bezorgdheid uitdrukken is één ding, maar om te zeggen dat ons hele kerkverband (mogelijk) in een volledig verkeerde richting gaat, is iets heel anders. Dat stoort ons.

 

In het licht van de breedte, de diepte, het detail en de ernst van uw kritiek, vragen wij ons werkelijk af of uw aanbeveling aan de komende Synode van Carman in 2013 "om thans de zusterkerkrelatie met de GKV voort te zetten" (blz. 18) voldoende steun in het rapport zelf vindt. Want zeker indien u vreest dat de "richting" van onze kerken ons leidt "naar conflict met het Woord," en als uw "verontrusting" over het "groeiende gevoel van vervreemding tussen de CanRC en de GKv" (blz. 18) werkelijkheid is, dan komen onze betrekkingen onder zo’n sterke druk te staan dat onze huidige relatie ernstig wordt bedreigd.

 

Wij geloven dat uw suggestieve taalgebruik ("vrees," "richting", "verontrusting," enz.) contraproductief is, en de oorzaak van onherstelbare schade aan onze zusterkerkrelatie zou kunnen zijn. Wij hopen oprecht dat dit niet het geval zal worden.

 

Onze besprekingen van 19 april hebben geen substantiële veranderingen in uw beoordeling van onze kerken tot stand gebracht terwijl wij bepaald de indruk hadden kregen dat onze besprekingen hielpen om enigszins "de lucht te klaren". Wij hebben in ons discussiestuk gevraagd of u de taal die u gebruikt hebt in een rapport in Clarion, zou kunnen corrigeren. Maar over de punten die wij hebben genoemd, zegt u nu dat geen correctie nodig is (bijlage 4b bij uw rapport, Antwoord op het discussiestuk… op 19 april 2012, blz. 52, 53). Wij zijn hier teleurgesteld over en we begrijpen niet waarom deze correcties niet gemaakt konden worden, gezien uw verklaringen.

 

Wij hopen dat u ten aanzien van de publicaties van waargenomen on-Bijbelse ontwikkelingen in onze kerken, uw best zult willen doen om heel zorgvuldig te zijn met wat u over ons zegt. Slechte publiciteit heeft een beschadigend effect, niet alleen in Canada maar over de hele wereld in andere zusterkerken. Een bevuilde reputatie krijgen is iets waar tegen het heel moeilijk vechten is. Wij hopen dat volgende informatieve artikelen in Clarion of in andere media zorgvuldiger zullen zijn dan in het verleden.

 

In een separaat stuk, als bijlage toegevoegd, willen we graag een wat meer gedetailleerde reactie geven op uw Antwoord (Bijlage 4b).

In nog een andere bijlage sluiten we een kopie van een brief in, die gericht is aan uw volgende Synode met een paar korte opmerkingen over uw rapport.

 

Broeders, het zou goed zijn om weer met elkaar te spreken over de zaken die u in uw rapport naar voren brengt. De ernst en gedetailleerdheid van uw kritiek, indien overgenomen door uw aankomende Synode, zijn echter, zoals we herhaaldelijk hebben geprobeerd duidelijk te maken, zodanig dat ze rechtstreeks aan onze volgende Generale Synode moeten worden overgebracht. Dat is het adres dat verantwoordelijk is voor het verdedigen of herzien van Synodale besluiten en beleid.

 

Intussen bidden wij voor u en voor al de kerken in de wereld die in oprechtheid trouw wensen te zijn aan de Here Jezus als ons Hoofd, aan het Woord van God, en aan de Gereformeerde Confessies als betrouwbare samenvattingen van de leer van dat Woord, dat wij trouw mogen blijven. Wij bidden ook dat we allen er naar streven "van niemand een vals getuigenis te geven", en om te doen wat we kunnen "om mijns naasten eer en goede naam te verdedigen en te bevorderen" (Heidelbergse Catechismus, Zondag 43).

 

U vriendelijk groetend in Christus namens al de leden van de BBK deputaten.

 

Prof. drs. K. Wezeman

 

Voor uw informatie: deze brief werd verzonden aan het als ontvanger genoemde subcomité.

 

*****

Vertaling: R. Sollie-Sleijster

 

 

Antwoord van BBK Sectie 3

 

Antwoord op "Bijlage 4b van het Rapport van het CRCA Subcomité voor Contact met de Gereformeerde Kerken in Nederland Vrijgemaakt (GKv): Antwoord op het discussiestuk aangeboden door Deputaten BBK voor de vergadering met het GKv Subcomité van de CanRC op 19 april 2012"

 

November 2012

 

1. Betreft onderdeel1: De rol van de deputaten BBK

 

U schrijft dat u meent dat "het binnen de opdracht van deputaten BBK ligt" om "deze zaken" (van zorg en kritiek) "onder de aandacht van de volgende synode te brengen" (blz. 51). Dit kan gelden voor het mandaat van de CRCA maar het is niet de specifieke taak van BBK om, naast onze rapportage over onze betrekkingen, ook ernstige zorg en kritiek van onze zusterkerken aan de Synode over te brengen. Als zulke zorg en kritiek ernstig is, moet het rechtstreeks aan de Synode worden overgebracht, dus niet via BBK.

 

U verdedigt uw zeer kritische woorden over onze kerken in het artikel in Clarion door te zeggen dat van oudsher "zulke rapporten gepubliceerd zijn om de kerkleden op de hoogte en betrokken te houden." Wij juichen rapporten die kerkleden op de hoogte houden toe maar persoonlijke opmerkingen die ernstige kritiek bevatten en opruiende taal gebruiken en die nog niet door de eigen Synode worden ondersteund en zonder de mogelijkheid van de "beschuldigden" om zichzelf te verdedigen, is zeker niet de taak van een subcomité dat over een zusterkerk rapporteert. Dit gaat verder dan "eenvoudig de waarnemingen en overwegingen van het comité."

 

2. Betreft onderdeel 2: Hermeneutiek… en Betrekkingen met de NGK.

 

U zegt dat de "groeiende samenwerking met de NGK geen reden tot optimisme geeft" en voor wat betreft de relaties tussen de GKv en de NGK, "wij zien enige alarmerende trends" (blz. 52). Wat bedoelt u met "alarmerende trends"? Wij horen alleen maar positieve dingen over, bijvoorbeeld, de volledige samenwerking van de GKv gemeente en de NGK gemeente te Zaandam, zonder een enkel teken dat zij "vrijzinnig worden". Het lijkt of alleen het feit van samenwerking in zichzelf grond voor verwerping van uw kant vormt.

 

3. Betreft onderdeel 3: De nauwgezetheid van onze rapporten…

 

U zegt dat de opmerkingen van de preses over het niet kunnen behandelen van een rapport zonder een voorgestelde aanbeveling "voelde alsof" hij zei: "Dank u voor uw brief, maar wij gaan er geen aandacht aan geven." De preses heeft echter een opmerking gemaakt over de juiste gang van zaken bij de discussie, gebaseerd op de bestaande regels voor zo’n discussie. Het zou kunnen "voelen alsof" het eenvoudig "terzijde werd geschoven" maar dat was het punt helemaal niet. Hoe iets "voelt alsof" is verder niet iets dat u in Clarion moet publiceren. Het is beledigend taalgebruik en is helemaal niet nodig. Wij herhalen ons verzoek dat u publiek deze opmerkingen betreurt.

 

In uw eerste rapport zegt u dat "meer bizarre dingen… gebeuren." Wij protesteerden hiertegen, het is geen manier om ons kerkelijk leven te typeren. U zegt nu: "wij brachten onze zorg naar voren dat er vrijheid is voor die liturgische experimenten en voor zulke leerstellige proefballonnen. Dit gaat uit boven een onschuldige mate van diversiteit" (blz. 52). Boven een onschuldige diversiteit betekent on-Bijbelse diversiteit. Wij vinden niet dat dit recht doet aan de situatie. Wat liturgische diversiteit betreft, vinden wij bijvoorbeeld niet dat het gebruik van moderne muziekinstrumenten en muziek in de kerkdienst "boven onschuldig" uitgaat en een on-Bijbelse praktijk is.

 

U verdedigt het gebruik van de scherpe uitdrukking "dat dingen uit de rails lopen". U bedoelt dat u een "verschuiving van hermeneutiek" opmerkt binnen onze kerken, en noemt Prof. De Bruijne als een voorbeeld van die verschuiving. Wij blijven ontkennen dat er zo’n "hermeneutische verschuiving" binnen onze kerken is.

U zegt nu: "de gedachte dat 'dingen uit de rails lopen' vloeit voort uit wat in conclusie #1 wordt genoemd (de hermeneutische verschuiving) en het eerste deel van conclusie #2," dat verwijst naar de zienswijze op Paulus’ geschriften als zouden die slechts de cultuur van zijn tijd weergeven. U zegt "als dit doorgaat, zal het niet lang duren dat iemand gaat zeggen dat sommige voorschriften in de brieven van Paulus niet gelden voor de huidige tijd" (blz. 53). Dit is pure speculatie over "wat er zou kunnen gebeuren als…"

De recent door Prof. J. van Bruggen en anderen gepubliceerde serie Commentaar op het Nieuwe Testament inclusief alle brieven van Paulus, toont door zijn exegetische benadering Paulus als autoriteit in leer en leven, en dat onze kerken voortgaan in het waarderen van Paulus' onderwijs als het Woord van God voor onze tijd.

 

Informatieve artikelen voor Clarion behoren geen tendentieuze uitdrukkingen te bevatten als "uit de rails lopen." Wij hopen dat u over deze woorden alsnog publiek spijt zult betuigen.

 

4. Betreft onderdeel "Concluderend" (blz. 53)

 

U zegt, "Wij vinden dat veel van het kritische commentaar van Deputaten BBK meer te maken heeft met de verwoording en de toon… dan met de actuele inhoud." Wij zijn het daar niet mee eens. Uitdrukkingen gebruiken als "we zullen er geen aandacht aan besteden" en "uit de rails lopen" is beledigende taal, en helemaal niet nodig. Wat iemand zegt heeft veel te maken met de manier waarop hij het zegt. Het zijn helemaal geen "informatieve" woorden, maar ze zijn onnodig grievend en tendentieus.

 

U dankt God voor een broederlijke atmosfeer tijdens onze besprekingen. Wij waren ook dankbaar voor onze vergadering. Maar uw reacties brengen ons er nu toe onze eigen positieve beoordeling van die bijeenkomst in twijfel te trekken. Dat doet ons verdriet.

 

Wij hopen en bidden dat u zorgvuldig zult luisteren naar onze reacties, zoals hier verwoord.

 

Vertaling: R. Sollie-Sleijster

 

 

Appendix II

 

Aan Deputaten BBK

 

p/a Ds J.M. Batteau

 

Postbus 499

8000AL Zwolle

Nederland

 

21 januari 2013

 

Geliefde broeders in de Here,

 

Tijdens zijn vergadering van 17 januari heeft het subcomité uw brief van 6 december 2012 behandeld.

U had ons veel te zeggen en dat is goed. We waren evenwel wat teleurgesteld en ontdaan door de toon en felheid van de correspondentie.

We hebben overwogen hoe we het beste daarop kunnen reageren.

Naar onze mening zal een  verdere correspondentie over de specifieke onderwerpen momenteel niet veel helpen daar onze Synode al in mei samenkomt. Het is jammer dat de Synode Harderwijk uw standpunt bevestigde dat het niet aan de deputaten BBK is om gedetailleerd over synodebesluiten te spreken en over de richting waarin de synodes de kerken door hun besluiten of juist door het niet nemen van besluiten, voeren.  Dit beperkt sterk de gelegenheid om tot een inhoudelijke dialoog te komen tussen onze kerken zoals aangegeven in de eerste regel voor kerkelijk samenleven. De dialoog die dan overblijft wordt gereduceerd tot een overbrengen van groeten en goede wensen.

 

In uw brief brengt u uw mening naar voren dat ons “rapport op veel punten onevenwichtig is, en een heel zwart en algemeen beeld van onze kerken schildert.” Maar we herinneren eraan  dat het subcomité een heel specifiek mandaat van de Synode Burlington 2010 heeft ontvangen (Acts, Article 86, 4.4), zoals  we u hebben meegedeeld in onze eerste brief en opnieuw aangegeven bij onze eerste bijeenkomst in Harderwijk in 2011. Binnen het kader van dit mandaat probeerden wij ons werk te doen en onze rapporten samen te stellen. Dit zal ongetwijfeld resulteren in wat u beschouwt als “onevenwichtig”.

 

Voorts maakt u uw zorg kenbaar omtrent “publiciteit gegeven aan waargenomen on-Bijbelse ontwikkelingen in onze kerken” in onze rapporten en publicaties. Wij zouden nogmaals willen benadrukken dat alles waar we over hebben gerapporteerd op feiten is gebaseerd, verkregen uit officiële documenten,  Acta van Synodes en andere meerdere vergaderingen, en uit documenten, stellingen en artikelen, gepubliceerd door de personen die we in ons rapport hebben genoemd. In het verleden is er bij ons op aangedrongen niet af te gaan op wat we van mensen horen, maar ons rapport te baseren op wat gepubliceerd is. Dit is precies  wat wij hebben gepoogd in ons werk.

Daarom is het wat ironisch dat u meldt aangaande de relatie tussen de GKv en de NGK slechts positieve dingen te hebben gehoord en dat er geen enkel teken is dat zij “vrijzinnig aan het worden zijn” waarbij u dan  als voorbeeld geeft de volledige samenwerking van de respectievelijke gemeentes te Zaandam.. Dat wilden wij nu juist níet doen. We hebben onze waarnemingen alleen gebaseerd op het gepubliceerde materiaal over de specifieke ontwikkelingen van de ene Synode naar de volgende.

 

Wij waren het meest ontdaan door uw verwijzing naar Zondag 43 van de Heidelbergse Catechismus om ”geen vals getuigenis tegen iemand te geven”. Deze verhulde beschuldiging is niet gegrond, aangezien u niet heeft laten zien waar precies wij openlijk een vals getuigenis tegen de GKv hebben gegeven. Het is begrijpelijk dat kritiek niet altijd aangenaam is maar het is oprecht gegeven, in de geest zoals is bedoeld onder de regels van kerkelijk samenleven. De eerste regel voor kerkelijk samenleven verbindt de kerken elkaar te helpen in de onderhouding, de verdediging en het uitdragen van het Gereformeerde geloof en de leer, kerkregering en liturgie, en te waken tegen afwijkingen. Broeders, wij hebben u en uw Nederlandse kerken werkelijk lief. En dat is ook de reden waarom we ons uitspreken op de manier waarop we dat gedaan hebben.

 

Wij blijven bidden dat onze wederzijdse inspanningen tot heil van de kerken en tot glorie van het hoofd van de kerk, onze Here Jezus Christus, mogen zijn.

 

Met broedergroeten namens het CRCA-subcomité

 

Gerard Nordeman

Secretaris

 

Vertaling: R. Sollie-Sleijster

 

Appendix III

 

Aan de Canadian Reformed Churches


G.J. Nordeman, secretary

3182 Sprucehill Ave.

Burlington, ON


Canada ,L7N 2G5


Zwijndrecht/Kampen, 26 maart 2012


Weleerwaarde en eerwaarde heren en broeders,


Op 9 maart 2011 hebt u een brief gezonden aan de deputaten BBK van de Gereformeerde Kerken in Nederland. In die brief maakt u op meerdere punten uw zorgen kenbaar over ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken, o.a. ook ontwikkelingen ten aanzien van het Schriftgezag zoals u die signaleert aan de Theologische Universiteit.


De Generale Synode Harderwijk 2011 betrok uw brief bij de behandeling van het rapport van het rapport van de Raad van Toezicht van de Theologische Universiteit en droeg de Raad van Toezicht op de voortgezette synode van Harderwijk te dienen met een rapportage over de afhandeling van uw brief.


Het gesprek over uw bezwaren begon al tijdens de synode van Harderwijk. In uw brief rept u ook over de Buitenlandweek van de synode van 28 maart tot 2 april 2011. Op 30 maart werd door de Theologische Universiteit in overleg met deputaten BBK een bijeenkomst georganiseerd in Kampen. Op die bijeenkomst werd door meerdere hoogleraren en docenten een presentatie gegeven van ontwikkelingen op hun vakgebied en hoe daar in Kampen onderwijs over wordt gegeven. Na de presentaties was er steeds ruimte om vragen te stellen en een discussie te voeren over bezwaren. Ook uw afgevaardigden ds. J. de Gelder en br. G. Nordeman waren op deze dag aanwezig. Wij hebben de overtuiging dat we op deze manier een goede bijdrage hebben geleverd aan zusterkerken elders in de wereld om inzicht te geven in de theologiebeoefening in Kampen. Gelet op het karakter van de presentaties die meestal aan de hand van aantekeningen gegeven werden, konden we niet ingaan op het verzoek van een van uw afgevaardigden na terugkeer in Canada om de bijdragen in schriftelijke vorm ter beschikking te stellen. Uw afgevaardigden hebben ongetwijfeld zelf zorg gedragen voor een goed verslag!

In onze brief gaan we niet in op de zorgen die u uitspreekt over behandeling door de synode van Zwolle 2008 met betrekking tot bezwaren over(emeritus)hoogleraren van de universiteit. We beperken ons als Raad van Toezicht en College van Bestuur tot de bezwaren die u noemt met betrekking tot de benoeming van dr. S. Paas en de dissertatie van dr. K. van Bekkum.


De benoeming van dr. S. Paas als universitair docent is aan de orde geweest op de Generale Synode van Harderwijk 2011. Bij de synode waren geen bezwaren ingebracht tegen de benoeming, maar op verzoek van het moderamen van de Generale Synode bracht de Raad van Toezicht een aanvullend vertrouwelijk rapport uit, waarin werd ingegaan op de belangrijkste overwegingen rond de benoeming van dr. S. Paas als universitair docent. We hechten veel belang aan een goede relatie met de kerken in Canada en ook met de zuster-instelling in Hamilton, maar het zou te ver gaan wanneer we een vertrouwelijk rapport voor de synode aan u ter beschikking stellen.

 

Als Raad van Toezicht en College van Bestuur menen we er wel goed aan te doen u op enkele hoofdpunten met een antwoord te dienen.


1. Allereerst moet worden vastgesteld dat Stefan Paas is gepromoveerd aan de Universiteit van Utrecht. Het proefschrift is opgezet volgens de daar geldende methoden. De promotie heeft plaatsgevonden in 1998, dus jaren voordat hij in Kampen werd benoemd. De benoeming in Kampen vond plaats mee op grond van zijn publicaties op het terrein van de missiologie. De dissertatie van Paas is een godsdiensthistorisch en niet een theologisch betoog (ook al vond de promotie plaats aan de theologische faculteit). Hierin bestrijdt hij op godsdiensthistorische gronden de gangbare schriftkritische wetenschap over de ouderdom van de bijbelse scheppingsvoorstellingen. Op verzoek van het College van Bestuur en de Raad van Toezicht is de Kamper oudtestamenticus prof. dr. G. Kwakkel ingegaan op de vragen die hierbij gesteld kunnen worden. Hij komt hierin tot de conclusie dat Paas zijn dissertatie heeft geschreven binnen het kader van de godsdiensthistorie, zonder zelf een geloofsstandpunt in te nemen. Dat laatste heeft hij wel gedaan in andere publicaties, waarin hij duidelijk laat zien dat hij zich door de Bijbelteksten zelf wil laten gezeggen. Paas heeft verklaard dat hij zich in de artikelen van Kwakkel gekend en goed weergegeven voelt. De keuze van Paas voor een puur godsdiensthistorische benadering is uiteraard voor discussie vatbaar, maar gegeven deze benadering en zijn expliciete verantwoording daarvan is de beschuldiging dat hij schriftkritische theorieën zou aanhangen ongegrond. Het verdient daarentegen waardering dat hij de moed had in een schriftkritische omgeving op een door die wetenschappers aanvaarde wijze aan te tonen dat het geloof in God als Schepper van veel oudere datum is dan algemeen wordt aangenomen.

2. Het onvoldoende in rekening brengen van het kader waarin Paas zijn dissertatie schreef en het voorbijgaan aan de beperktheid van zijn onderzoeksvraag (de profeten en niet de Tora) werken door in bezwaren die zijn ingebracht tegen het spreken over de historiciteit van de beschrijving van de uittocht en intocht van Israël in Exodus. Op basis van algemeen als oud erkende teksten en opgravingen komt Paas tot de conclusie dat de uittocht alleszins voorstelbaar is als historische gebeurtenis. Hij heeft de inhoud van Bijbelse teksten over de uittocht niet aan een historische analyse onderworpen en deze derhalve ook niet betwijfeld. Hij heeft juist op één  specifiek punt (de datering van uitspraken over God als Schepper) een bijdrage willen leveren aan het opkomen voor de historische betrouwbaarheid van het Oude Testament.

3. Iets dergelijks doet zich voor met betrekking tot het spreken over God. De stelling dat ‘Jahweh waarschijnlijk een afsplitsing is van de Kanaänitische koningsgod El’ zou in flagrante strijd zijn met wat God Zelf bekendmaakt in Zijn Woord. Wat Paas in zijn dissertatie hierover zegt is het maximale wat een godsdiensthistoricus krachtens de principes en methodes van zijn vak meent te kunnen zeggen. Dat zegt dus niets over de theologische vraag of Jahwe echt de enige God is en of Hij dat altijd geweest is. Iedere schriftgelovige beaamt dat God de enige God is en Paas doet dat ook in hartelijk geloof. Het zegt evenmin iets over de vraag hoe het historisch precies gezeten heeft. Het zegt alleen maar iets over wat men binnen het kader van een bepaalde methode met alle beperkingen van dien meent daarover te kunnen zeggen. Paas sluit zich dus in zijn dissertatie aan bij het wetenschappelijk jargon dat gangbaar is bij het publiek waarvoor hij destijds schreef.

4. U schrijft: “We would have expected that as a Reformed scholar he would have stated clearly that although he does not adhere to the religion-historical approach, he will use this approach in order to show that even on the basis of those presuppositions one can defend a creation belief in eight century prophets. “ (pag. 3) Het punt is dat dit precies is wat dr. Paas volgens zijn eigen getuigenis in zijn dissertatie in Utrecht heeft willen doen. Je kunt van mening verschillen over de vraag of Paas dat in 1998 in die context niet duidelijker had moeten markeren, maar het is op basis van zijn eigen verklaring volstrekt duidelijk dat dit zijn doelstelling was.

5. U noemt op pag. 5 ook het artikel van Paas in Wapenveld. In het kader van de benoemingsprocedure is met Paas hierover goed doorgesproken. Uit dat gesprek is op een voor ons bevredigende manier gebleken dat dr. Paas ook ten aanzien van Genesis 1 en 2 de Schrift wil verstaan naar haar door God gegeven bedoeling. Dat neemt niet weg dat je over de concrete invulling met elkaar van mening kunt verschillen.

De Raad van Toezicht en het College van Bestuur hebben de conclusie getrokken, dat de Theologische Universiteit in dr. Paas een waardevolle docent heeft ontvangen die diepe eerbied heeft voor de Schrift als Gods Woord en zich gebonden weet aan de gereformeerde belijdenis. Door aanhangers van schriftkritische theorieën met hun eigen wapens te bestrijden steunde hij in feite de Bijbelgetrouwe wetenschap.


In uw brief maakt u ook enkele opmerkingen over de dissertatie van dr. K. van Bekkum. In het bijzonder zegt u dat het onderscheid dat Van Bekkum maakt tussen truth claim en truth value “ does not reflect a high view of Scripture and schould be rejected.”

 

Voor alle duidelijkheid: een Raad van Toezicht van een universiteit beoordeelt geen dissertaties. Ook het curatorium doet dat niet. Het wetenschappelijk oordeel is aan de beoordelingscommissie en de senaat. In wetenschappelijke tijdschriften wordt de discussie gevoerd over de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en ook dissertaties die in Kampen zijn verdedigd, moeten de toets van die wetenschappelijke kritiek kunnen doorstaan. Hypotheses en modellen die worden verdedigd, kunnen ook in die wetenschappelijke discussie worden weerlegd. De bijdrage over Jozua 10: 12-14 van E.A. de Boer en P.H. R. van Houwelingen die u noemt is niet gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift, maar is wel een illustratie van de discussie die gevoerd kan worden over resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Ook zij vermelden overigens dat Van Bekkum niet ontkent dat God op het gebed van Jozua een wonder heeft gedaan.


De Theologische Universiteit in Kampen houdt zich aan de Nederlandse wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs. Dat houdt ook in dat de Raad van Toezicht geen oordeel uitspreekt over dissertaties. De Raad van Toezicht en het Curatorium beoordelen wel de criteria en uitgangspunten die de promotor en de senaat toepassen. Om uw vragen naar aanleiding van de dissertatie van dr. Van Bekkum te beantwoorden, nemen we de verklaring van de hoogleraar Oude Testament dr. G. Kwakkel in deze brief op:

 

1. Kern van gereformeerd Bijbelonderzoek is – conform de door de Canadese broeders geciteerde bijbelteksten alsmede art. 3 – 7 NGB – de vraag naar de bedoeling van de teksten. Wat willen de teksten feitelijk zeggen? In navolging van Long kun je dat formuleren als de vraag naar de ‘truth claim’: wat is precies de ‘truth’ die de tekst ‘claimt’ te communiceren? Daarbij hoort ook de vraag naar de aard van de ‘truth claim’; bijvoorbeeld: bedoelt de tekst een historische of een ethische waarheid te communiceren, een combinatie van die twee of nog iets anders? Over die vraag naar de inhoud en de aard van de ‘truth claim’ mag je zo lang en zo breed met elkaar discussiëren als je maar wilt, zolang je maar bereid bent serieus naar de teksten te luisteren.

 

2. Voor mij als gereformeerd theoloog staat het bij voorbaat vast dat als iets onder de feitelijke truth claim van de Schrift valt, dat het dan ook als waar, richtinggevend, normatief - want door God zelf ons geleerd - aanvaard moet worden. Discussie over de ‘truth value’ is in dat opzicht feitelijk niet meer nodig, want bij voorbaat ga ik ervan uit dat de ‘truth claim’ terecht is.

 

3. Alleen kan het in sommige gevallen nuttig zijn die ‘truth value’ alsnog te gaan onderzoeken, bijvoorbeeld door wat de Schrift over historische gegevens zegt te gaan vergelijken met archeologische onderzoeksresultaten. Zo’n aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld in een dissertatie, heb ik dan niet nodig om voor mij zelf van de feitelijke ‘truth value’ van de concrete schrifttekst in kwestie overtuigd te raken. Het nut ervan is van andere aard en het is tweeledig:


a) De discussie met anderen die mijn ‘overtuiging bij voorbaat’ ten aanzien van de ‘truth value’ niet delen; ik kan hun dan tot op zekere hoogte laten zien dat voor die ‘truth value’ meer te zeggen valt dan zij denken (dat is wat Van Bekkum in zijn diss doet, maar dit tussen haakjes); of – wanneer het mij niet lukt meer te zeggen over de ‘truth value’ – realiseer ik mijzelf des te meer dat ik me echt baseer op de Schrift en op niets daarbuiten en dat hier dus het geloof echt de enige de factor is die alles beslist.


b) Een eventuele aanleiding tot controle van mijn opvatting over de aard en inhoud van de ‘truth claim’. Mocht namelijk blijken dat bijvoorbeeld de archeologie een heel ander plaatje geeft dan ik meen dat de bijbeltekst geeft, dan doe ik er goed aan nog eens een keer te controleren of ik de bedoeling van de bijbeltekst echt wel goed begrepen heb. Zo ja, dan berust ik in voor mij op dat moment verder onoplosbaar verschil tussen bijbeltekst en buitenbijbels wetenschappelijk onderzoek. Zo nee, dan ben ik dankbaar dat ik verder gekomen ben in het verstaan van de Schrift. Maar in dit alles blijft staan dat ik de claims van de Schrift geloof en aanvaard om ‘hunszelfs’ wil, niet op grond van ander bewijs. (tot zover de verklaring van prof. dr. G. Kwakkel)

 

Geliefde broeders, u schrijft dat u zich zorgen maakt dat de Theologische Universiteit zich beweegt in een meer schriftkritische richting. Wij hopen u met onze schriftelijke reactie en op de studiedag op 30 maart 2011 in Kampen te hebben duidelijk gemaakt dat dat niet het geval is. Integendeel, Kampen houdt vast aan de oude koers dat de Schrift het Woord van God is dat gezaghebbend is voor ons en ook voor de manier waarop we de theologie beoefenen. Tegelijk zoeken hoogleraren en onderzoekers naar wegen om die positie in de huidige wetenschappelijke wereld te verdedigen en uit te werken. Dat vereist dat we die opstelling ook steeds weer toelichten naar de kerken in Nederland en ook elders in de wereld.

 

In het kader daarvan is de universiteit al enige tijd bezig een congres te beleggen in Hamilton om samen met uw theologen tot een goede wetenschappelijke gedachtewisseling te komen. Vanwege diverse omstandigheden is er sprake geweest van enige vertraging, maar wij hopen dat dit congres toch in 2013 gehouden kan worden. We hopen en bidden dat onze gedachtewisseling in de komende jaren weer geïntensiveerd mag worden en dat de theologen in Hamilton en Kampen samen met nog anderen een goede bijdrage kunnen leveren aan de gereformeerde theologie in de wetenschappelijke context van deze tijd.

 

Namens de Raad van Toezicht,

Ds. J. Ophoff, voorzitter

 

Namens het College van Bestuur,

Prof. dr. M. te Velde, voorzitter

 

CC aan deputaten BBK

Free Translation of Appendix III

 

Letter from the Theological University in Kampen

 

To the Canadian Reformed Churches

G. J. Nordeman, secretary

3182 Sprucehill Avenue

Burlington, ON

 

Canada L7N 2G5

 

Zwijndrecht/Kampen, March 26, 2012

 

Esteemed brothers,

 

On March 9, 2011 you sent a letter to the deputies BBK [Deputies for Foreign Churches] of the Reformed Churches in the Netherlands. In that letter you make known your concerns on several points about developments in the Reformed Churches, among others, also, as you described them, developments with respect to the authority of Scripture at the Theological University.

 

The General Synod Harderwijjk 2011 took your letter into consideration in the discussion of the report of the Supervisory Board of the Theological University and charged the Supervisory Board to serve the continuation of the Synod Harderwijk with a report on how the letter was dealt with.

 

The discussion about your concerns began already during Synod Harderwijk. In your letter you also mention the Foreigners Week at Synod from March 28 to April 2, 2011. The Theological University organized a conference in Kampen on March 30 in consultation with the deputies BBK. At this conference several professors and docents gave a presentation about the developments in their area of expertise and how those areas are taught in Kampen. After the presentations there was always an opportunity to ask questions and to discuss concerns. Your delegates Rev. J. de Gelder and brother G. Nordeman were also present on that day. We are convinced that we have in this manner made a good contribution to enable our foreign sister churches to get an insight into how we do theology in Kampen. Because of the character of the presentations which were mostly delivered from notes, we were unable to grant the request of your delegates after they had returned to Canada to send written copies of these presentations to them. Your delegates had without any doubt made sure that they had a good report!

 

In our letter we are not dealing with the concerns you articulated about the way Synod Zwolle 2008 dealt with the objections brought against the professors (including an emeritus) of the university. We restrict ourselves as Supervisory Board to the objections which you mention with respect to the appointment of Dr. S. Paas and the dissertation of Dr. K. van Bekkum.

 

The appointment of Dr. S. Paas as university docent was on the agenda of General Synod Harderwijk 2011. At that synod, there were no objections to his appointment, but on the request of the executive of the synod the Supervisory Board submitted a confidential supplementary report which elaborated on the most important considerations concerning the appointment of Dr. S. Paas as university docent. We attach much importance to a good relationship with the churches in Canada and also with our sister institution in Hamilton, but it would go too far if we were to make a confidential report for our synod available to you.

As Supervisory Board and Board of Management, we do however think that it would be good to give serve with an answer on some main points.

 

1. It must first of all be noted that Stefan Paas graduated from the University of Utrecht. His dissertation was set up according to the methods that were operative there. His graduation took place in 1998, years before he was appointed in Kampen. His appointment in Kampen took place in part on the basis of his publications in the area of missiology. The dissertation of Dr. Paas is a religion-historical dissertation and not a theological one, even though he defended his dissertation in the theological faculty. In this work he combats current critical biblical scholarship with respect to the antiquity of biblical concepts of creation. He does so on the basis of religion-historical grounds. At the request of the Supervisory Board, the Old Testament professor in Kampen, Dr. G. Kwakkel has gone into the questions that can be raised about this. He comes to the conclusion that Paas wrote his dissertation within the framework of the history of religion, without himself taking a position with respect to his own religious convictions. He did do so in other publications in which he clearly shows that he wants to listen to Scripture. Paas has declared that he recognizes himself in Kwakkel’s articles and that his views were well presented. Now we can discuss Paas’ choice of taking a purely religion-historical approach, but given this approach and his explicit accounting for it, the charge that he would favour Scripture critical theories is unsubstantiated. Over against this, it deserves our appreciation that within a Scripture critical environment and using methods acceptable to critical scholars, he had the courage to show that the belief in God the Creator is of much earlier date than is generally accepted.

 

2. Not taking into sufficient consideration the framework in which Paas wrote his dissertation and bypassing the limitations of his research question (the prophets and not the law) influence the objections submitted against the discussion of the historicity of Israel’s leaving Egypt and entering Canaan in the book of Exodus. On the basis of texts generally regarded as old as well as archaeological excavations, Paas comes to the conclusion that the Exodus is in every respect imaginable as a historical event. He did not subject the content of the biblical texts about the Exodus to a historical analysis and he therefore also never doubted them. He wanted to make a contribution precisely on the specific point of the dating of utterances of God as Creator to defend the historical reliability of the Old Testament.

 

3. We see something similar with respect to the speaking about God. The thesis that “Yahweh apparently derives from the Canaanite god El” would be in flagrant conflict with what God himself has made known in his Word. What Paas says about this in his dissertation is the maximum what the history of religion scholar says by virtue of the principles and methods of his discipline. It therefore says nothing about the theological question whether Yahweh is really the only God and whether he has always been that. Every believer of Scripture assents that God is the only God and Paas also sincerely believes that. He also says nothing about the question how precisely this was historically. He only says something about what scholars can say about it within the framework of a certain method with all its restrictions. In his dissertation Paas therefore uses the current scholarly jargon that is current for the public for which he wrote at the time.

 

4. You write: “We would have expected that as a Reformed scholar he would have stated clearly that although he does not adhere to the religion-historical approach, he will use this approach in order to show that even on the basis of those presuppositions one can defend a creation belief in eight century prophets” (page 3). The point is that this is precisely what Dr. Paas had wanted to do according to his own testimony in his dissertation in Utrecht. You can differ about the question whether Paas could not have distinguished more clearly in that context in1998, but it is absolutely clear on the basis of his own explanation that this was his purpose.

 

5. On page 5 you also mention the article of Paas in Wapenveld. Within the framework of the process of the appointment there has been a good thorough discussion about this point with Paas. From that discussion we were satisfied that Dr. Paas wants to understand Scripture according to the purpose God has for it, also with respect to Genesis 1 and 2. This does not take away that you can differ with each other about how you work that out concretely.

The Supervisory Board and the Board of Management have concluded that the Theological University has received a valuable docent in Dr. Paas who has a deep respect for the Scripture as the Word of God and who knows himself bound to the Reformed confession. By combating adherents of Scripture-critical theories with their own weapons he in fact supported scholarship that was faithful to Scripture.


In your letter you make some comments about the dissertation of Dr. K. van Bekkum. In particular, you say that the distinction that Van Bekkum makes between truth claim and truth value “does not reflect a high view of Scripture and should be rejected.”

To be clear: a Supervisory Board of a university does not judge dissertations. Also the Board of Governors does not do that. The review committee of the senate is responsible for judging scholarship. The results of scholarly research, including dissertations defended in Kampen, are discussed in scholarly journals and should be able to stand up to scholarly criticism. Hypotheses and models which are defended can also be responded to in such scholarly discussions. E. A. de Boer and P. H. R. van Houwelingen’s contribution about Joshua 10:12-14 which you mention is not published in a scholarly journal but it is an illustration of the discussion that can take place about the results of scholarly research. They also do mention though that Van Bekkum does not deny that God performed a miracle in response to the prayer of Joshua.

 

The Theological University of Kampen abides by the Dutch law for higher education. That means that the Supervisory Board does not give any judgment about dissertations. The Supervisory Board and the Board of Governors do judge the criteria and the points of departure which the dissertation advisor and the senate employ. In order to answer your questions about the dissertation of Dr. van Bekkum, we include in this letter the explanation of the professor of Old Testament, Dr. Kwakkel.

 

1. At the heart of Reformed study of Scripture (in conformity with the Bible passages cited by the Canadian brothers, as well as Art. 3 to 7 of the Belgic Confession) is the question of the purpose of the texts. What do the texts actually want to say? Following Long, you can formulate this as the question for the truth claim. What exactly is the “truth” which the text “claims” to communicate? With this also belongs the question about the nature of the “truth claim.” For example, does the text intend to communicate a historic or ethical truth, a combination of the two, or something else? You can discuss the question of the content and nature of the truth claim as much and as extensively as you like as long as you are ready to listen seriously to the text.

 

2. As a Reformed theologian it is for me certain that when Scripture claims something to be true, then it is true, gives direction, and is normative because what God teaches us must be accepted. A discussion about “truth value” is no longer necessary in that respect because I proceed from the presupposition that the “truth claim” is valid.

 

3. However, in some cases it can be beneficial to as yet investigate the “truth value.” For example, one can compare what Scripture says about historical data with the results of archaeological investigations. Such a complementary investigation in, for example a dissertation, is then not necessary to convince myself of the real “truth value” of a concrete biblical passage. Its benefit is of a different nature and it is twofold:

 

a. It benefits the discussion with others who do not share my presupposition with respect to the “truth value.” I can show them to a certain extent that more can be said for the “truth value” than they think. (That is what Van Bekkum does in his dissertation—but this in paratheses). Or, if I am not able to say more about the “truth value,” I realize all the more that I do indeed base myself on Scripture and on nothing outside it. Faith is here therefore the only real factor that is determinative.


b. Another benefit is an eventual inducement to control my understanding of the nature and content of the “truth claim.” Should, for example, archaeology give a completely different picture than what I think the Bible gives, then it would be good for me to check once more whether I have indeed really understood the purpose of the biblical passage. If I remain so convinced, then I acquiesce in what is at that moment an unsolvable difference between the biblical passage and the extra-biblical scholarly research. If I am no longer convinced [of my original understanding of the passage], then I have come further in my understanding of Scripture. However, in all of this the fact remains that I believe and accept the claims of Scripture for its own sake and not on the basis of other proof. (So far the explanation of Prof. Dr. G. Kwakkel).

 


Dear brothers, you write that you are worried that the Theological University is moving into a direction that is more critical of Scripture. We hope that on the study day of March 30, 2011 in Kampen and with this written reaction we have made clear to you that this is not the case. To the contrary, Kampen holds fast to the old course that the Scripture, the Word of God, is authoritative for us and also for the manner in which we do theology. At the same time professors and researchers seek ways to defend and work out this position in the current academic world. That makes it necessary that we explain this approach to the churches in the Netherlands and elsewhere in the world.

 

Within that context, the university has been busy for some time to organize a conference in Hamilton in order to come to a good academic dialog with your theologians. Due to various circumstances there has been a delay, but we hope that this congress can still take place in 2013. We hope and pray that sharing our thoughts may be intensified in the coming years and that the theologians in Hamilton and Kampen, along with others, can make a good contribution to Reformed theology in the scholarly context of our time.

 

On behalf of the Supervisory Board

Rev. J. Ophoff, chairman

On behalf of the Board of Management

Prof. Dr. M. te Velde, chairman

 

cc. to deputies BBK

 



[1] De precieze details van de opdracht staan in Canada en de Nederlandse kerken - GKv (1), in de rubriek Kerkverband.

[2] Zie Canada en de Nederlandse kerken - GKv (3), in de rubriek Kerkverband.

[3] Zie voor details Canada en de Nederlandse kerken - GKv (2), in de rubriek Kerkverband.

[4] Canada en de Nederlandse kerken - GKv (2), bijlage 2, in de rubriek Kerkverband.

[5] Appendix III.

[6] Het is niet duidelijk op welke dag dat is gebeurd. Mogelijk vond het plaats tijdens de ontmoeting van BBK met het Subcomité op 19-04-12.

[7] Canada en de Nederlandse kerken - GKv (3), bijlage 4a, in de rubriek Kerkverband.

[8] Canada en de Nederlandse kerken - GKv (4), bijlage 5, in de rubriek Kerkverband.

[9] Canada en de Nederlandse kerken - GKv (3), bijlage 4b, in de rubriek Kerkverband.

[10] Canada en de BBK 1, in de rubriek Kerkverband. Ook als appendix I in dit artikel).

[11] Canada en de BBK 1, in de rubriek Kerkverband.

[12] Canada en de BBK 1, in de rubriek Kerkverband.

[13] Canada en de BBK 1, in de rubriek Kerkverband.

[14] Appendix II.

[15] Ook is er een aanvullend rappot m.b.t. De Gereformeerde Kerken (DGK).

[16] Waarschijnlijk moet de datum 26 maart 2012, zie appendix III.