Ethiek

Kerkverband

Signalen

De bezinningsgroep Rijnsburg e.o. belegt D.V. op 26 september a.s. een voorlichtingsavond over:

Schriftgezag en hermeneutiek (Bijbeluitleg)

Spreker: dr. R.T. (Dolf) te Velde.

Plaats: kerkgebouw GKv Rijnsburg, Katwijkerweg 1a, 2231 SE Rijnsburg.
Aanvang: 20.00 uur.
Zie verder onder Nieuwe artikelen, click Schriftgezag en hermeneutiek

 


 

 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Canadese Carman en de GKv

Redactie een in waarheid

15-06-13

 

Op de synode van de Canadian Reformed Churches (CanRC) die dit jaar in Carman werd gehouden kwam ook de situatie in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt uitgebreid aan de orde. De CanRC maken zich grote zorgen over de ontwikkelingen in deze kerken. Na een breedvoerig bespreking van rapporten en brieven werd besloten de Nederlandse kerken een Vermaanbrief te sturen, zie Canada vermaant de GKv in de rubriek Kerkverband.

We geven hier het in het Nederlands vertaalde verslag van deze bespreking en de genomen besluiten zoals die in de synodeacta zijn opgenomen. De oorspronkelijke Engelstalige versie is te vinden in de Bijlage.

 

Acta Synode van Carman 2013

 

Artikel 145 Gereformeerde Kerken in Nederland (GKv)

Na hernieuwd bijeenkomen van de synode heeft Comité 3 een vierde versie over de GKv aangeboden. Met wat minieme wijzigingen was dit het eindresultaat:

 

1. Materiaal

 

1.1 Rapport van het CRCA Subcomité voor contact met de GKv (8.2.1.1), brief van Deputaten BBK van de GKv (8.1.5).

 

1.2 Brieven van de kerken te
Yarrow (8.1.31), Orangeville (8.3.1.1), Langley (8.3.1.2), Coaldale (8.3.1.3), Abbotsford (8.3.1.5), Attercliffe (8.3.1.6), Carman (8.3.1.9), Burlington-Ebenezer (8.3.1.10), Elora (8.3.1.12), Fergus-North (8.3.1.15), Grand Rapids (8.3.1.18), Guelph (8.3.1.19), Hamilton-Providence (8.3.1.20), Kerwood (8.3.1.22), Lincoln (8.3.1.23), Lynden (8.3.1.24), Toronto (8.3.1.28), Langley-Willoughby (8.3.1.29), Calgary (8.3.1.30), Edmonton-Immanuel (8.3.1.31), St. Albert (8.3.1.32).

 

2. Waarnemingen

 

2.1 De Synode van Burlington 2010 heeft een speciaal subcomité benoemd voor contacten met de GKv en het de volgende opdracht gegeven (Artikel 86, blz. 131):

 

[4.4] Het subcomité op te dragen om:

 

[4.4.1] Onze ernstige zorgen aan te geven dat:


[4.4.1.1] de Synode van Zwolle van de GKv niet heeft geëist dat Dr. Harinck, professor verbonden aan de Theologische Universiteit te Kampen, zijn controversiële opmerkingen terugneemt;

 

[4.4.1.2] de Theologische Universiteit niet zorgvuldiger heeft gehandeld bij de benoeming van Dr. Paas als docent; en bij de GKv er op aan te dringen deze zaken alsnog te behandelen.

 

[4.4.2] Onze ernstige zorgen aan te geven e over een verandering in het functioneren van Bijbelse hermeneutiek binnen de GKv en en dit te bespreken.

 

[4.4.3] Speciale aandacht te schenken aan het aanstaande rapport over de rol van de vrouw in de kerk.

 

[4.4.4] Speciale aandacht te schenken aan de besprekingen die momenteel plaats vinden tussen de GKv en de Nederlands Gereformeerde Kerken, en de GKv te verzoeken een geautoriseerde Engelse vertaling te verstrekken van de besluiten welke door de Synode van Zwolle-Zuid 2008 zijn genomen, zoals die zijn vastgelegd in: "Hoofdstuk 10 - Binnenlandse betrekkingen."

 

[4.4.5] Te werken in overleg met de deputaten van de FRCA en de OPC.

 

[4.4.6] De ontwikkelingen te volgen inzake de kwaliteit of inhoud van nieuwe liederen/gezangen.

 

[4.4.7] Aan de kerken zes maanden voor de Generale Synode van 2013 te rapporteren.

 

2.2. Het subcomité rapporteert het volgende over de wijze waarop zij haar opdracht heeft uitgevoerd.

 

2.2.1 Tijdens de Synode van Harderwijk 2011 hebben ds J. DeGelder en br. G.J. Nordeman een bijeenkomst gehad met de BBK en de zorg overgebracht dat de GKv zich lijkt te verwijderen van de betrouwbaarheid en de autoriteit van het Woord van God, door steeds meer de mens en zijn context, ideeën, gevoelens en verwachtingen centraal te stellen, meer dan Gods geopenbaarde wil. De deputaten van de BBK hielden vast aan de Bijbelse en confessionele integriteit van de GKv.

 

2.2.2 Bij datzelfde bezoek aan Nederland hebben deze broeders een huns inziens cruciale verschuiving in de hermeneutiek opgemerkt, zoals die door de TUK wordt voorgestaan. Deze verschuiving werd ook opgemerkt door verscheidene buitenlandse gasten en talrijke afgevaardigde broeders.

 

2.2.3 Inzake eredienst en liturgie lijkt er binnen de GKv behoorlijk te worden geëxperimenteerd en de liturgische fragmentatie die daardoor ontstaat veroorzaakt aanzienlijke onrust. Sommige kerken negeren eenvoudig Artikel 67 van de GKv-kerkorde dat handelt over te zingen liederen in de eredienst.

 

2.2.4 Gaande de besprekingen met de BBK heeft het subcomité ook van gedachten gewisseld en inzichten gedeeld met comités voor interkerkelijke betrekkingen van de OPC, de RCUS, de FRCA en de FRCSA.

 

2.2.5 Op een bijeenkomst met BBK en afgevaardigden van de TUK is onze zorg aangegeven over de benoeming van Dr. Paas, ondanks protesten tegen zijn dissertatie (Creation and Judgment) en de on-Bijbelse opvattingen die hij daarin vertolkte, zoals de mening dat het volk Israel ontstaan is uit migranten en Kanaänitische bevolking, waarmee de historiciteit van Exodus betwijfeld wordt. Het subcomité benadrukte dat zij begrepen hadden dat Paas zelf nooit afstand heeft genomen van de standpunten zoals hij die in zijn dissertatie heeft verdedigd. Maar het antwoord was dat dit een zaak is die de TUK niet opnieuw wil bekijken en dat Paas hoe dan ook geen Oude Testament (het gebied van zijn dissertatie) doceert. Het subcomité houdt vast aan zijn mening dat de zaak dermate ernstig is dat iedere predikant die zulke opvattingen erop nahoudt, onmiddellijk zou moeten worden geschorst. Door deze zaak wordt de integriteit van de Theologische Universiteit aangetast, evenals de opvattingen van de studenten (en zodoende van de toekomstige predikanten). Volgens het subcomité is dit een cruciaal ogenblik (“een keerpunt”) in de geschiedenis van de TUK, omdat het de eerste keer is dat on-Bijbelse opvattingen worden getolereerd.

 

2.2.6 Hoewel hiertoe geen expliciete opdracht was ontvangen, heeft het subcomité eveneens zorg geuit over de dissertatie van Dr. Van Bekkum. Terwijl het zich tot slechts twee punten beperkt heeft, geeft het subcomité aan dat - methodologisch gezien - Van Bekkum historiebeschrijving in het Oude Testament beschouwt als een soort van representatieve kunst, een factor waarmee samen met de verwachtingen en het geloof van een samenleving, rekening moet worden gehouden .Zo kan het wezen van haar historische waarheidsclaim worden bepaald. De waarheidswaarde van de tekst kan worden beoordeeld door de resultaten van het hiervoor genoemde in dialoog te brengen met archeologische vondsten. Maar het effect hiervan is dat de rechtstreekse historische claims van de Schrift terzijde worden gelegd.

Bijvoorbeeld, 1 Koningen 6:1 geeft aan dat de Exodus 480 jaar vóór het vierde jaar van Salomo als koning plaats vond. Maar het aanvaarden van dit gegeven is volgens van Bekkum een ‘oplossing van een lui mens’. Volgens Van Bekkum is het methodologisch niet juist om Bijbelse gegevens zonder meer als feiten te accepteren. “De literaire artisticiteit en het gebruik van genreconventies moeten eerst worden bestudeerd”. Het loopt erop uit dat de huidige interpretatie van archeologische vondsten triomfeert over het bijbels getuigenis en dat de traditionele interpretatie zelfs niet besproken wordt. Het onderscheid door Van Bekkum gemaakt tussen waarheidsclaim en waarheidswaarde geeft geen blijk van hoge achting voor de Schrift en moet worden afgewezen. Een consequentie van deze methodologie is ook dat de e zonnestilstand (Jozua 10:12-14) op metaforische wijze wordt verklaard. Dit staat lijnrecht tegenover de klaarblijkelijke bedoeling van de tekst. Daarom is het zeer teleurstellend dat in zijn ingewikkelde kritische analyse van de tekst de manier waarop de tekst altijd is verstaan, niet echt wordt behandeld. Slechts problemen die Van Bekkum ziet verbonden met de traditionele interpretatie worden in de schijnwerpers gezet. Er wordt vrijwel geen positief commentaar ter ondersteuning van de traditionele interpretatie gegeven. Het onderliggende probleem is zijn methodologie, waardoor hij het bijbelgedeelte (oorspronkelijk alleen het poëtische deel) onderwerpt aan bepaalde regels van de literaire kritiek en tenslotte niet meer in staat is om te begrijpen wat de tekst werkelijk zegt. Het eindresultaat is volgens Van Bekkum dat de tekst niet aangeeft dat de zon en de maan werkelijk stil stonden. Het komt er op neer dat “het verlengen van de dag om de vijand in één keer te verslaan, wordt begrepen als een retorische strategie, een gewone literaire techniek van het oude Nabije Oosten , waarin een grote militaire overwinning in een enkel tijdsbestek wordt samengevat”. Het subcomité beseft dat Van Bekkum confessioneel gereformeerd wil zijn, maar is er niet van overtuigd dat de methodologie die in zijn dissertatie wordt gevolgd, daarmee in overeenstemming is , omdat het de wetenschapper laat bepalen of dat wat de Schrift beweert waar te zijn (waarheidsclaim) ook werkelijk waar is (waarheidswaarde). Deputaten vrezen dat de traditionele Gereformeerde hermeneutiek zo wordt vervangen door een methode van Schriftinterpretatie die niet volledig recht doet aan het wezen van Gods Woord. Het feit dat dit een Kamper dissertatie was en werd beloond met een cum laude waardering vergroot onze zorgen. De benoeming van Dr. Van Bekkum als docent aan de TUK werd goedgekeurd door de Synode van Harderwijk 2011.

 

2.2.7 Het subcomité constateert dat een aantal zorgen over de leringen van personen verbonden met de TUK, aan de Synode van Zwolle-Zuid 2008 werd gericht. Daarbij ging het ook om Sopvattingen van Dr. A.L.Th. de Bruijne m.b.t. onzorgvuldigheden en het gebruik van mythen in de Bijbel, de kaderhypothese van Dr. J. Douma over de scheppingsweek en waarmee de deur opengezet wordt voor evolutie, en Dr. G. Harincks controversiële verklaringen over het plaatsvervangend offer van Christus, over homoseksualiteit, de Rooms Katholieke mis en over de vrouwelijke ambtsdragers. Het subcomité vreest dat de Synode van Zwolle-Zuid heeft getoond niet capabel te zijn de zorgen die vanuit de kerken op deze vergadering waren ingebracht werkelijk te behandelen.

 

2.2.8 Het subcomité brengt haar zorg naar voren over de instelling van een commissie (Man/Vrouw Commissie) door de Synode van Amerfoort-Centrum 2005 in verband met het thema: ‘vrouwen in de kerk’. Een in aansluiting daarop benoemde commissie heeft een handleiding opgesteld ten behoeve van de verdere studie over de rol van vrouwen in de kerk. Maar de insteek die deze handleiding kiest, laat niet het Bijbelse leidinggeven zien want de kerkleden worden niet gewezen op wat de Schrift zegt.

 

2.2.9 Het subcomité voorziet de synode van een historische analyse van de relatie tussen de GKv-kerken en de NGK. Die laat zien hoe deze twee kerkverbanden sedert 2002 nader tot elkaar zijn gekomen. Het subcomité geeft aan dat deze ontwikkeling niet het resultaat was van meer verantwoordelijkheid in de NGK met betrekking tot het vasthouden aan de Gereformeerde leer, of vande wijze waarop zij met afwijkingen van deze leer omgaan. In plaats daarvan blijkt de NGK zich verder te ontwikkelen in een modernere, vrijzinnige richting, waarbij de ambten in de kerk zijn opengesteld voor vrouwen, en waar niet van alle ambtsdragers wordt geëist het ondertekeningsformulier te ondertekenen, en waar sommige ambtsdragers de kinderdoop verwerpen. Daarbij komt dat de Landelijke Vergadering van de NGK de Synode van Harderwijk had uitgenodigd om onder andere een gezamenlijk studiecommissie te overwegen om de vraag te beantwoorden: “Wat is de weg die Gods Woord ons wijst , wanneer leden van de gemeente die in een homoseksuele relatie samenleven, geroepen worden tot het ambt van ouderling of diaken?”

Hoewel de Synode van Harderwijk de uitnodiging om aan zo’n studiecommissie deel te nemen afwees - op de grond dat geen van de (GKv) kerken erom had gevraagd - heeft zij wel aangegeven dat individuele leden van de GKv eraan zouden kunnen deelnemen.

 

2.2.10 Leden van Deputaten Kerkelijke Eenheid (DKE) van de GKv hebben in december 2010 besloten om deel te nemen aan wat genoemd wordt een “Nationale Synode”. De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) organiseerde deze vergadering en nodigde alle protestantse kerken in Nederland uit om afgevaardigden te sturen. Meer dan 50 kerken hebben er aan deelgenomen. Twee stellingen werden besproken: 1. Het karakteristieke van een Christen is niet waarheid, maar liefde, en 2. De jeugd heeft niets met kerkelijke gescheidenheid. Op de synode van Harderwijk 2011 kwam een aantal appelschriften betreffende de officiële deelname aan deze “synode” binnen , maar de synode heeft de appels afgewezen en de deelname van de deputaten goedgekeurd.

 

2.2.11 Het subcomité vraagt de aandacht van de synode voor het beleid van de GKv dat vrouwelijke afgevaardigden haar kunnen vertegenwoordigen op synodes van kerken met wie een Zusterkerkrelatie bestaat. Het subcomité heeft deze zaak met de Deputaten BBK besproken. Zij (deputaten BBK) stelden voor dat “indien het de gewoonte van een zusterkerk is om afgevaardigden van een andere zusterkerk een ‘adviserende stem’ in hun Generale Synode te geven in de zin van het deelnemen aan spiritueel leiderschap in de kerk, het dan misschien beste is om hun taak als afgevaardigden te beperken tot deelname aan de bespreking voor zover het de wederzijdse zusterkerkrelatie betreft.”

Het subcomité brengt deze zaak onder de aandacht van de synode ter beoordeling.

 

2.2.12 De leden van ons subcomité hadden voorheen de indruk dat BBK het adres was om zorgen van de CanRC stem te geven, maar hun werd meegedeeld dat de enige manier om zaken van ernstige kritiek op de Synodeagenda te plaatsen is door middel van uitspraken van de Generale Synode van de CanRC.

 

2.2.13 Het subcomité verklaart verder: “Er zouden veel positieve dingen gezegd kunnen worden over de GKv en het werk dat door velen, zowel binnen als buiten die kerken, wordt gedaan.”

 

2.2.14 In Bijlage 4A verklaart het subcomité dat BBK “erg verstoord” is over verklaringen, gedaan door het subcomité in Clarion van 29 juli 2011 over de GKv. Het subcomité had geschreven dat de omgang met hermeneutiek “uit de rails” liep. En ook de preses van de synode toegedicht dat zijn commentaar op het niet ingaan op ons rapport, gelijk stond met te zeggen “Dank u voor uw brief, maar we gaan er geen aandacht aan geven.” In zijn brief aan de Synode van Carman 2013 heeft Ds K. Batteau verzocht om deze verklaringen publiek met een betuiging van spijt terug te nemen.

 

2.2.15 Het subcomité beveelt aan:

 

1. Om thans de Zusterkerkrelatie met de GKv onder de aangenomen regels voor deze relatie voort te zetten.

 

2. Om in een brief - van deze synode aan de volgende GKv-synode - onze broederlijke zorgen kenbaar te maken in overeenstemming met de regels voor Zusterkerkrelaties (1 & 6) omtrent de richting waarin wij onze zusterkerken zich momenteel zien bewegen. Deze brief zal onze liefde voor de GKv als kerk des Heren en onze oprechte gebeden voor onze ”moeder”kerk in de extreem seculiere Europese situatie aangeven. Maar deze zal ook onze verontrusting over de volgende zaken weergeven: 

  1. De opvattingen die komen van of getolereerd worden aan de TUK en tekenen van Schriftkritiek en nieuwe hermeneutiek laten zien.
  2. Het werk van de deputaten M/V in de Kerk, benoemd door de Synode van Amersfoort-West 2005 en Zwolle 2008 en hoe de Schrift in hun rapporten werd behandeld.
  3. De groeiende relatie met de NGK, ook op plaatselijk niveau, zonder oplossing van cruciale verschillen, zoals de vrouw in het ambt en ondertekening van de belijdenissen.
  4. Een groeiend gevoel van vervreemding tussen de CanRC en de GKv, waarvan wij hopen en bidden dat het niet zal leiden tot een scheiding van wegen in de toekomst.

3. Te besluiten dat in het geval een kerk een vrouwelijke deputaat als afgevaardigde naar een CanRC synode stuurt, zij geen spreekrecht ter synode ontvangt, anders dan in zaken welke de Zusterkerkrelatie met die kerk betreffen.

 

4. Om opnieuw een subcomité van het CRCA te benoemen voor contact met de GKv en om dit subcomité op te dragen: 

  1. Contact te onderhouden met de BBK van de GKv en om de CanRC op de volgende synode van de GKv te vertegenwoordigen.
  2. Voortgaan met het volgen van de ontwikkelingen aan de TUK.
  3. Het werk van de Deputaten betreffende de Rol van de Vrouw in de Kerk te volgen en hun rapport, zowel als de besluiten van de volgende Synode van de GKv betreffende dat rapport, te beoordelen.
  4. De voortgaande samensprekingen tussen de GKv en de NGK te volgen en een overzicht te geven van de besluiten van de volgende Synode van de GKv betreffende de eenheid met de NGK.
  5. Een overzicht te geven van de resultaten van de herziening van de GKv-kerkorde.
  6. De gevolgen van de betrokkenheid van de GKv bij de “Nationale Synode” nagaan.
  7. Zes maanden voor de Generale Synode van 2016 aan de kerken te rapporteren.

2.3. In reactie op het rapport van het subcomité hebben de Deputaten BBK van de GKv een brief geschreven (gedateerd 6 december 2012) aan de Synode van Carman 2013 met daarin enige “ernstige bezwaren”:

 

2.3.1 Het rapport van het subcomité was eenzijdig omdat het een beeld geeft van de gehele GKv als “gaande in vrijzinnige richting”. Zij stellen dat dit beeld “grenst aan overtreding van het 9de gebod”.


2.3.2 De TUK handhaaft haar karakter als een orthodoxe Gereformeerde instelling. Indien de geschriften van een professor of docent de oorzaak van zorg vormen, zijn er voldoende kerkelijke kanalen om deze zorg te uiten en de desbetreffende geschriften te laten onderzoeken.


2.3.3 Waar er een grote mate van samenwerking bestaat tussen GKv en NGK gemeentes zijn er slechts positieve ontwikkelingen en een volledig onderschrijven van de confessies.


2.3.4 De aantijgingen gedaan door het subcomité in het rapport tegen de GKv zijn zo ernstig dat “wij het heel vreemd vinden dat het subcomité aanbeveelt dat we onze zusterkerkrelatie voortzetten, terwijl hun rapport aangeeft dat de gronden voor zo’n zusterkerkrelatie wankel zo niet afwezig zijn”.

 

2.4 Langley, Coaldale, Carman-West, Burlington-Ebenezer, Fergus-North, Kerwood, Lincoln en Lynden ondersteunen de aanbevelingen van het subcomité en delen hun zorg. Lynden ondersteunt de aanbevelingen ook, maar benadrukt de voordelen van een persoonlijke dialoog boven het om de drie jaren schrijven van brieven.

 

2.5 Fergus-North stelt voor dat de brief in krachtiger stijl wordt geschreven. Hamilton-Providence beveelt de synode aan “een oproep tot berouw” te schrijven, terwijl Kerwood de synode verzoekt “de uitdrukking met nadruk in de structuur van de uitspraak opneemt om de GKv de ernst van onze zorg op het hart te drukken”.

 

2.6 Guelph-Emmanuel voert aan dat het rapport van het comité de aanbeveling om een Zusterkerkrelatie met de GKv voort te zetten niet lijkt te staven en als de synode zou besluiten deze relatie voort te zetten, dan moet dat naar de kerken toe worden verdedigd.

Edmonton-Immanuel adviseert ook dat de Zusterkerkrelatie thans wordt opgeschort, vanwege een “gebrek aan een besliste actie in deze fase zou leden van de CanRC en anderen de indruk kunnen geven dat wij sympathiseren met de situatie binnen de GKV of deze vergoelijken, en zo vertrouwen geven aan de vrijzinnige weg waarop zij zich bevinden.” Orangeville en Toronto-Bethel dringen er bij de synode op aan om een duidelijk beleid te ontwikkelen welke cruciale onderwerpen het zouden wettigen om onze relatie te verbreken en hoe wederzijdse tucht toegepast kan worden tussen kerkverbanden. Attercliffe en Grand Rapids stellen beide voor dat een definitieve datum wordt vastgesteld - 2016 - voor het beëindigen van de Zusterkerkrelatie met de GKv, indien zij niet van koers veranderen.

 

2.7 Orangeville wijst erop dat de CanRC “het verband met de meest hechte banden met de GKv is” en brengt naar voren dat dit een zwaarwegende verantwoordelijkheid voor ons vormt. St. Albert stelt voor dat ons subcomité hechter zou moeten samenwerken met de OPC en de FRCA voor wat betreft hun omgang met de Nederlandse kerken.

 

2.8 Abbotsford deelt veel van de zorgen van het comité, maar stelt dat de GKv niet heeft gecapituleerd voor wat betreft de zaak van ‘de vrouw in het ambt’ en dat wij niet moeten aannemen dat zij dat zullen doen.

 

2.9 Elora betwijfelt de logica om vrouwelijke afgevaardigden wel spreekrecht te gunnen op het ene vlak en niet op het andere, terwijl Yarrow, Calgary en Coaldale onvermurwbaar zijn dat vrouwelijke afgevaardigden helemaal geen spreekrecht moet worden gegeven.

 

3. Overwegingen

 

3.1 Ons subcomité schetst een beeld van de GKv op de ene manier en BBK schetst het op een wijze die daarvan geheel verschilt.

 

3.2 De brief van BBK benadrukt de ernst van de aantijgingen die tegen hen worden ingebracht en zij stellen voor dat - als deze beweringen juist zijn - de gronden voor [een voortgezette] zusterkerkrelatie wankel zo niet afwezig zijn. Dit geeft aan dat ons subcomité en de BBK het eens zijn over de ernst van de aantijgingen en zij stemmen toe dat als de Synode van Carman 2013 instemt met het subcomité - het bestaan van onze zusterkerkrelatie zelf wordt bedreigd.

 

3.3 Wat betreft de aantijgingen die tegen Dr. Paas en Dr. Van Bekkum geuit zijn, begrijpen wij niet hoe een kerkverband dat onderworpen claimt te zijn aan Gods Woord, deze opvattingen als in overeenstemming met Schrift en belijdenis kan tolereren.

 

3.4 De Schriftkritische opvattingen van Dr. Paas en Dr. Van Bekkum zijn belangrijk omdat zij beiden deel uitmaken van de onderwijzende staf van de TUK en daarom rechtstreeks betrokken zijn bij de opleiding van predikanten. Het commentaar van het subcomité - dat we niet oordelen over het persoonlijk geloof van deze broeders - is relevant en moet in gedachten gehouden en gerespecteerd worden.

Het meest belangrijke is evenwel dat de mensen die elke zondag in de kerkbanken zitten moet worden geleerd dat de Bijbel werkelijk waar is en dat de gebeurtenissen die in de Bijbel beschreven staan, werkelijk hebben plaats gevonden. Hoewel de synode deze zorg uit, neemt dit niet onze indruk weg dat de meeste kerkleden in de GKv zondag aan zondag nog stevige Bijbelse prediking horen.

 

3.5 Het subcomité merkt op dat de opvattingen van Dr. Douma betreffende Genesis 1 (de kadertheorie) een zorg vormen, omdat ze de deur zouden kunnen openen naar evolutionistische theorieën en omdat zijn opvattingen nog steeds invloed hebben in de kerken. Maar Dr. Douma is niet meer in actieve dienst en is één van de meest stemhebbende critici van Paas en Van Bekkum geworden.

 

3.6 De synode is het eens met het subcomité dat Dr. Harinck gezien zijn positie aan de TUK, zijn opvattingen met betrekking tot het plaatsvervangend offer van Christus, homoseksualiteit, de Rooms Katholieke mis en vrouwelijke ambtsdragers duidelijk moeten worden teruggenomen, óf daar moet mee worden gehandeld. De synode merkt op dat in een artikel in het Nederlands Dagblad van 8 februari 2008 Dr. Harinck een verklaring aflegde, waarin hij zijn opvattingen over het plaatsvervangend offer, homoseksualiteit en de Rooms Katholieke mis terugnam. Dr. Harinck geeft aan dat hij persoonlijk geen probleem heeft met de vrouw in het ambt, maar het standpunt van de kerken in deze zaak accepteert.

 

3.7 De betrokkenheid van de GKv bij de “Nationale Synode” doet ook ernstige vragen rijzen. Wij staan naast de GKv in onze belijdenis dat de kerk katholiek is, maar de Nederlandse Geloofsbelijdenis maakt wel onderscheid tussen ware kerken en valse kerken. De “Nationale Synode” was slechts een vergadering waar meningen werden uitgewisseld, maar desalniettemin laat de deelname van officiële vertegenwoordigers van de GKv zien dat dit onderscheid wordt gemarginaliseerd.

 

3.8 Het feit dat zelfs samensmelting met de NGK wordt overwogen maakt ons bezorgd over de confessionele identiteit van onze zusterkerken. [Zie Waarnemingen 2.2.9]. Hoewel deze zaken niet in alle plaatselijke gemeentes binnen de NGK aan de orde zijn, is het toch een zorg omdat ze aanwezig zijn in het kerkverband als geheel.

 

3.9 Veel kerken meldden de aanbevelingen van het subcomité te ondersteunen en gaven aan dat er een gevoel van vervreemding binnen de CanRC bestaat ten opzichte van de ontwikkelingen in de GKv.

 

3.10 De nieuw-benoemde Commissie Man/Vrouw heeft nog niet aan de synode gerapporteerd en er is nog geen besluit genomen door de kerken. Daarom moeten we voorzichtig zijn met het trekken van conclusies in deze zaak.

 

3.11 BBK daagt ons uit met ’als wij instemmen met het geschetste beeld van de Gkv door het comité, waarom we dan de zusterkerkrelatie voortzetten?’. Ons antwoord is dat de Regels voor Zusterkerkrelaties van ons eisen dat we “elkaar bijstaan in het onderhouden, verdedigen en bevorderen van het Gereformeerde geloof … en dat we waken tegen afwijkingen.” De brief die het subcomité aanbeveelt aan de GKv te zenden behoort samen te gaan met een openhartige communicatie tussen ons (herbenoemde) subcomité en de BBK, evenals met wie ook verder hierbij betrokken wordt.

 

3.12 Het voorstel van Guelph-Emmanuel en Edmonton-Immanuel om de Zusterkerkrelatie nu te verbreken, kan niet aanvaard worden, omdat daarvoor een procedure gevolgd moet worden. En het zou onbehoorlijk zijn van de Synode van Carman 2013 om te dicteren wat een volgende synode zou moeten doen. Aan de andere kant moet het subcomité wel opdracht krijgen om aanbevelingen te doen betreffende ons al dan niet voortzetten van de Zusterkerkrelatie.

 

3.13 Daar de Synode buitenlandse afgevaardigden als officiële vertegenwoordigers van die kerken ontvangt, moet aan vrouwelijke afgevaardigden geen spreekrecht worden gegeven.

 

3.14 In plenaire zitting heeft Ds. J.M. Batteau aangegeven dat het waarschijnlijk voldoende zou zijn, als een betuiging van spijt wordt gegeven over de verklaringen door het subcomité in Clarion van 29 juli 2011. Het past de synode om spijt te betuigen over een deel van de stevige taal in dit artikel.

 

3.15 De preses heeft in plenaire zitting gevraagd of de feiten in het rapport van het adviescomité voor de synode correct waren. De broeders afgevaardigden van de GKv hebben niet aangegeven dat het feitelijke onjuistheden bevatte, welke dan ook. Zij hadden echter wel vragen bij onze verwerking van de feiten.

 

4. Aanbevelingen

 

De synode besluit:

 

4.1 Het comité voor hun uitgebreide rapport te danken.

 

4.2 Thans de Zusterkerkrelatie met de GKv onder de aangenomen regels voort te zetten.

 

4.3 Per brief - van deze synode aan de volgende GKv synode - onze broederlijke zorgen kenbaar te maken in een vermaanbrief volgens de regels voor zusterkerkrelaties (1 & 6). Zorgen over de tolerantie van afwijkingen van de Schrift en de belijdenissen zoals wij die momenteel in onze zusterkerken zien. Deze brief zal onze liefde voor de GKv als kerk van de Here aangeven en onze oprechte gebeden voor onze zusterkerk in de extreem seculiere Europese situatie, maar zal ook onze verontrusting over de volgende zaken beschrijven:

 

4.3.1 de opvattingen die leven binnen of worden getolereerd aan de TUK en die kenmerken vertonen van Schriftkritiek en afwijken van Gereformeerde hermeneutische principes zoals aangegeven in de Artikelen 5 en 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

 

4.3.2 het werk van de Deputaten Man/Vrouw in de Kerk, benoemd door de Synode van Amersfoort-West 2005 en Zwolle 2008, met name over hoe in hun rapporten met de Schrift werd omgegaan.

 

4.3.3 de groeiende relatie met de NGK, zonder oplossing van cruciale verschillen zoals m.b.t. de vrouw in het ambt en de ondertekening van de belijdenissen.

 

4.3.4 een groeiend gevoel van vervreemding als gevolg van de hierboven genoemde zorgen, waarvan wij hopen en bidden dat zij in de toekomst niet zullen leiden tot een scheiding der wegen.

 

4.4 Als kerken vrouwelijke afgevaardigden zenden naar CanRC synodes, zal haar geen officieel spreekrecht worden gegeven.

 

4.5 Bij dezen spijt te betuigen voor de stevige uitdrukkingen die zijn gebruikt in verklaringen, gegeven door sommige leden van het subcomité in Clarion van 29 juli 2011.

 

4.6 Opnieuw een subcomité van de CRCA te benoemen met de volgende opdracht:

 

4.6.1 Contact te onderhouden met de BBK van de GKv en om de CanRC op de volgende synode van de GKv te vertegenwoordigen. Zo mogelijk is het CRCA subcomité aanwezig wanneer de brief van deze synode door de volgende synode van de GKv wordt behandeld.

 

4.6.2 BBK van ons besluit betreffende vrouwelijke afgevaardigden in kennis te stellen.

 

4.6.3 olgenDe ontwikkelingen aan de TUK te blijven volgen.

 

4.6.4 Het werk van de Deputaten voor de Rol van de Vrouw in de Kerk te volgen en hun rapport te beoordelen, evenals de besluiten van de volgende synode van de GKv inzake dat rapport.

 

4.6.5 De voortgaande samensprekingen tussen de GKv en de NGK te volgen en de besluiten van de volgende synode inzake eenheid met de NGK te beoordelen.

 

4.6.6 De resultaten van de herziening van de GKv-kerkorde te beoordelen.

 

4.6.7 De resultaten te volgen van de betrokkenheid van de GKv bij de “Nationale Synode.”

 

4.6.8 De ontwikkelingen inzake de toepassing van Artikel 67 van de GKv-kerkorde te volgen.

 

4.6.9 Ruggespraak te houden met de deputaten van de FRCA en de OPC.

 

4.6.10 Zes maanden voor de Generale Synode van 2016 aan de kerken te rapporteren en daarbij speciale aandacht te schenken aan de vraag of wij al dan niet de Zusterkerkrelatie moeten voortzetten.

 

AANGENOMEN

 

Vertaling: R. Sollie-Sleijster

 


Bijlage (unofficial) Acts of Synod CanRC te Carman 2013

 

 

Day 11 — Morning Session – Monday, May 20, 2013

 

Article 145 – Reformed Churches in the Netherlands (RCN)

 

After synod re-convened, Committee 3 presented a fourth draft on the RCN. With some minor changes, this was the result:

 

1. Material

 

1.1 Report of the CRCA Sub-Committee for Contact with the RCN (8.2.1.1), letter from Deputies BBK of the RCN (8.1.5).

 

1.2 Letters from the churches at
Yarrow (8.1.31), Orangeville (8.3.1.1), Langley (8.3.1.2), Coaldale (8.3.1.3), Abbotsford (8.3.1.5), Attercliffe (8.3.1.6), Carman (8.3.1.9), Burlington-Ebenezer (8.3.1.10), Elora (8.3.1.12), Fergus-North (8.3.1.15), Grand Rapids (8.3.1.18), Guelph (8.3.1.19), Hamilton-Providence (8.3.1.20), Kerwood (8.3.1.22), Lincoln (8.3.1.23), Lynden (8.3.1.24), Toronto (8.3.1.28), Langley-Willoughby (8.3.1.29), Calgary (8.3.1.30), Edmonton-Immanuel (8.3.1.31), St. Albert (8.3.1.32).

 

2. Observations

 

2.1 Synod Burlington 2010 appointed a special subcommittee for contact with the RCN and gave it the following mandate (Article 86, page 131):

 

[4.4] Mandate the subcommittee to:

 

[4.4.1] Express our grave concerns that:

 

[4.4.1.1] Synod Zwolle of the RCN did not demand that Dr. Harinck, a professor associated with the Theological University in Kampen, retract his controversial remarks;

 

[4.4.1.2] The Theological University did not exercise greater care in the case of the appointment of Dr. Paas as lecturer; and to urge the RCN to deal with these matters as yet.

 

[4.4.2] To express and discuss our grave concerns about a change in how biblical hermeneutics are functioning in the RCN.

 

[4.4.3] To pay special attention to the upcoming report on the role of women in the church.

 

[4.4.4] To pay special attention to the discussions currently taking place between the RCN and the Netherlands Reformed Churches and to request the RCN to provide an authorized translation into English of the decisions taken by Synod Zwolle- Zuid 2008 as recorded in “Hoofdstuk 10 – Binnenlandse betrekkingen.”

 

[4.4.5] To work in consultation with the deputies of the FRCA and the OPC.

 

[4.4.6] To monitor developments regarding the quality or contents of new hymns.

 

[4.4.7] To report to the churches six months prior to General Synod 2013.

 

2.2 The subcommittee reports the following about the way that it worked out its mandate.

 

2.2.1 At Synod Harderwijk 2011 Rev. J. DeGelder and br. G.J. Nordeman met with BBK and expressed the concern that the RCN appears to be moving away from the reliability and authority of God’s Word, by more and more placing man and his context, ideas, feelings and expectations in the centre rather than God’s revealed will. The deputies of the BBK insisted on the Biblical and confessional integrity of the RCN.

 

2.2.2 On that same visit to the Netherlands these brothers noted what they regard as a crucial shift in hermeneutics emanating from the TUK. This shift was also noted by several foreign guests and numerous fraternal delegates.

 

2.2.3 There appears to be some considerable experimentation going on in worship and liturgy in the RCN and this liturgical fragmentation is causing considerable unrest. Some churches simply ignore Article 67 of the RCN Church Order concerning songs to be sung in worship.

 

2.2.4 In the course of discussions with BBK, the subcommittee exchanged thoughts and insights with inter-church relations committees from the OPC, RCUS, FRCA, and FRCSA.

 

2.2.5 A meeting was held with BBK and representatives of TUK to express our concern over Dr. Paas’ appointment in spite of protests against his dissertation (Creation and Judgment) and the unbiblical views he expounded there, such as the notion that the people of Israel arose from migrant and Canaanite population, calling into question the historicity of the Exodus. The subcommittee emphasized their understanding that Paas never distanced himself from the views defended in his dissertation, but the response was that this is a matter which TUK does not want to revisit and Paas is not teaching Old Testament (the area of his dissertation) anyway. The subcommittee insists that the matter is so serious that any minister who holds such views should be summarily disciplined. In this case the integrity of the Theological University is compromised as well as the views of students (and thus future ministers). According to the subcommittee this is “a watershed moment” in the history of TUK because it is the first time that unbiblical views are being tolerated.

 

2.2.6 Although not specifically mandated to do so, the subcommittee also expressed concern over Dr. van Bekkum’s dissertation. Limiting itself to just two points, the subcommittee asserts that – methodologically – van Bekkum considers history writing in the Old Testament as a kind of representational art, a characterization which needs to be factored in along with the community’s expectations and beliefs in order to define the nature of its historical truth-claim. The text’s truth value can be judged by bringing the results of the above into dialogue with artifactual evidence. The effect of this is that the straightforward historical claims of Scripture are put aside. For example, 1 Kings 6:1 indicates that the Exodus took place 480 years prior to Solomon’s fourth year as king. But to accept this date is, according to van Bekkum, a “lazy man’s solution”. According to van Bekkum, it is methodologically incorrect to accept biblical data at face value. “Its literary artistry and use of genre conventions should be studied first”. In the end, the current interpretation of archaeological evidence trumps the biblical testimony and the traditional interpretation is not even discussed. The distinction made by van Bekkum between truth claim and truth value does not reflect a high view of Scripture and should be rejected. One consequence of his methodology is that the event of the sun standing still (Joshua 10:12-14) is interpreted in a metaphorical way. This is contrary to the obvious meaning of the text. It is therefore very disappointing that in his intricate critical analysis of the text, the manner in which the text has always been understood is not really dealt with. Only problems which van Bekkum sees associated with the traditional interpretation are highlighted. Virtually no positive comments in support of the traditional interpretation are given. The underlying problem is his methodology by which he subjects the biblical passage (initially only the poetic part) to certain rules of literary criticism and ends up being unable to see what the text is actually saying. The end result is that according to van Bekkum the text means that the sun and moon did not actually stand still. Rather “the prolonging of the day to defeat the enemy at one time is understood as a rhetorical strategy, reflecting the common ancient Near Eastern literary technique of contracting a great military victory to a single time span”. The subcommittee concedes that van Bekkum wants to be confessionally reformed, but is not convinced that the methodology followed in his dissertation reflects this commitment because it allows the scholar to determine whether what Scripture claims to be true (truth claim) is actually true (truth value). Deputies express the fear that traditional Reformed hermeneutics are being replaced with a method of interpreting Scripture that does not do full justice to the nature of God’s Word. The fact that this was a Kampen dissertation and was awarded a cum laude designation augments our concerns. The appointment of Dr. van Bekkum as lecturer at TUK was approved by Synod Harderwijk 2011.

 

2.2.7 The subcommittee notes that a number of concerns about the teachings of persons associated with TUK were addressed to Synod Zwolle-Zuid 2008. These included Dr. A.L. Th. de Bruijne’s views on Scripture which allowed for inaccuracies in the Bible and its use of myth, Dr. J. Douma’s framework hypothesis for the creation week and leaving the door open for evolution, and Dr. G. Harinck’s controversial statements on Christ’s substitutionary sacrifice, homosexuality, the Roman Catholic mass, and women office bearers. The subcommittee expresses the fear that Synod Zwolle-Zuid has shown itself incapable of dealing substantively with the concerns from within the churches which were brought to this assembly.

 

2.2.8 The subcommittee expresses concern over the appointment of a committee (Man/Woman Committee) by Synod Amersfoort-Centrum 2005 in relation to the theme, ‘women in the church.’ A subsequently appointed committee developed a manual which facilitated reflection on the role of women in the church, but the approach evident in this manual fails to show Biblical leadership in that it fails to direct the members to what Scripture says.

 

2.2.9 The subcommittee provides synod with a historical analysis of the RCN’s relationship with the NRC, showing how these two church federations have come closer together since 2002. The subcommittee suggests that this development was not the result of the NRC becoming more accountable with regard to the adherence to the Reformed doctrine, or with regard to the manner in which they deal with deviations from this doctrine. Instead, it appears that the NRC is growing in a more modern, liberal direction, where the offices in the church have been opened to women, all office bearers are not required to sign the subscription form, and some office bearers reject infant baptism. In addition, the National Assembly of the NRC had invited Synod Harderwijk of the RCN to establish a joint study committee to consider, among other things, “What is the way that God’s Word directs us to go when it comes to calling to the office of elder or deacon members of the congregation that live in a homosexual relationship?” While Synod Harderwijk declined the invitation to participate in such a study committee – on the ground that none of the (RCN) churches had requested it – it suggested that individual members of the RCN might participate.

 

2.2.10 In December 2010 members of the Deputies Church Unity (DKE) of the RCN decided to participate in what was termed a “National Synod”. The Protestant Church in the Netherlands (PKN) organized this assembly, and invited all protestant churches in the Netherlands to send representatives. More than 50 churches participated. Two theses were discussed: 1. The characteristic of a Christian is not truth, but love, and 2. Church division is no longer of any concern to the youth. There were a number of appeals at General Synod Harderwijk 2011 concerning official participation in this body, but synod turned down the appeals and approved the participation of the deputies.

 

2.2.11 The subcommittee draws synod’s attention to the policy of the RCN that allows them to send a female deputy to represent them at synods of churches in Ecclesiastical Fellowship. The subcommittee discussed this matter with Deputies BBK who suggested that “if it is the custom of a sister-church to allow visiting representatives from another sister-church to have an ‘advising vote’ at their General Synod with the sense of participating in giving spiritual leadership in the church, then it is perhaps best to limit the task of our representatives to participating in the discussion only about our mutual sister-church relationship.” The subcommittee brings this matter to synod’s attention for judgment.

 

2.2.12 The members of our subcommittee were formerly under the impression that BBK was the address to voice the concerns of the CanRC, but they were informed that the only way to put matters of severe criticism on the Synod agenda is by means of pronouncements of the CanRC General Synod.

 

2.2.13 The subcommittee states that “There are many positive things that could be said about the RCN and the work that is being done by many both within and outside those churches.”

 

2.2.14 In Appendix 4A the subcommittee states that BBK is “very disturbed” about statements made by the subcommittee in Clarion July 29, 2011 about the RCN. The subcommittee had written that the approach to hermeneutics in the RCN was going “off the rails,” and also attributed to the chairman of synod that his comment about not interacting with our report was equivalent to saying, “Thank you for your letter, but we are going to ignore it.” In his address at Synod Carman 2013, Rev. K. Batteau requested that these statements be publicly retracted with an expression of regret.

 

2.2.15 The subcommittee recommends:

 

1. To continue at this time the relationship of Ecclesiastical Fellowship with the RCN under the adopted rules for this relationship.

 

2. To express in a letter of concern from this synod to the next RCN synod our brotherly concerns as per the rules for EF (1&6) about the direction we see our sister churches moving in at this time. This letter will express our love for the RCN as church of the Lord and our sincere prayers for our “mother” church in the extremely secular European situation. But it will also describe our disquiet about the following matters: 

  1. The views coming from or tolerated at the TUK which show marks of Scripture criticism and new hermeneutics. 
  2. The work of the Deputies M/W in the Church appointed by Synod Amersfoort-West 2005 and Zwolle 2008 and how Scripture was treated in their reports.
  3. The growing relationship with the NRC, also on a local level, without resolution of crucial differences such as women in office and subscription to the confessions.
  4. A growing sense of estrangement between the CanRC and the RCN which we hope and pray will not lead to a parting of the ways in the future.

3. To decide that in the case a church sends a female deputy as delegate to a

CanRC synod, she not be given synod privilege other than about matters relating to EF with that church.

 

4. To reappoint a subcommittee to the CRCA for contact with the RCN and to mandate this subcommittee to: 

  1. Maintain contact with the BBK of the RCN and to represent the CanRC at the next synod of the RCN.
  2. Continue to observe developments at the TUK.
  3. Follow the work of the Deputies concerning the Role of Women in the Church and to assess its report as well as the decisions of the next Synod of the RCN regarding that report.
  4. Follow the ongoing unity discussions between the RCN and the NRC and to review the decisions of the next Synod of the RCN regarding unity with the NRC.
  5. Review the results of the revision of the RCN church order.
  6. Monitor the results of the RCN’s involvement with the “National Synod.”
  7. Report to the churches six months prior to General Synod 2016.

2.3 In response to this subcommittee report, Deputies BBK of the RCN addressed a letter

(dated Dec 6, 2012) to Synod Carman 2013 outlining some “serious objections”:

 

2.3.1 The subcommittee report was one-sided because it portrays the whole RCN as “going liberal.” They suggest that this portrayal “is bordering on a violation of the 9th commandment.”

 

2.3.2 The TUK is maintaining its character as an orthodox Reformed institution. If the writings of a professor or lecturer are the cause of concern, there are ample church channels to express this concern and have the writings in question examined.

 

2.3.3 Where there is a high degree of cooperation between RCN and NRC congregations there are only positive developments and with full subscription to the confessions.

 

2.4 Langley, Coaldale, Carman-West, Burlington-Ebenezer, Fergus-North, Kerwood, Lincoln, and Lynden support the recommendations of the subcommittee and share their concern. Lynden also supports the recommendations but stresses the benefits of face to face dialogue over writing letters every three years.

 

2.5 Fergus-North suggests that the letter be written in stronger tones. Hamilton-Providence recommends that synod writes ‘a call to repentance,’ while Kerwood requests that synod “incorporate the phrase under stress into the structure of the sentence to impress upon the RCN the seriousness of our concern.”

 

2.6 Guelph-Emmanuel argues that the committee’s report does not appear to justify the recommendation to maintain Ecclesiastical Fellowship with the RCN, and if synod would decide to maintain this relationship it would need to be justified to the churches. Edmonton-Immanuel also recommends that Ecclesiastical Fellowship be suspended now because a “lack of definitive action at this stage may appear to CanRC members and others that we are sympathizing or condoning the situation within the RCN, giving credence to the liberal path they are on.” Orangeville and Toronto-Bethel urge synod to develop a clear policy on what critical issues would warrant severing our relationship, and how mutual discipline can be applied between church federations. Attercliffe and Grand Rapids both suggest that a definite date be set – 2016 – for ending Ecclesiastical Fellowship with the RCN if they do not change course.

 

2.7 Orangeville points out that the CanRC is “the federation with the closest ties to the RCN,” and suggests that this creates a significant responsibility for us. St. Albert proposes that our sub-committee should work more closely with the OPC and the FRCA in their dealings with the Dutch churches.

 

2.8 Abbotsford shares many of the concerns of the committee but argues that the RCN has not capitulated on the issue of ‘women in office’ and we should not assume that they will.

 

2.9 Elora questions the logic of giving female delegates the privilege of the floor on one matter and not other matters, while Yarrow, Calgary and Coaldale are adamant that female delegates should not be given the privilege of the floor at all.

 

3. Considerations

 

3.1 Our subcommittee portrays the RCN in one way and BBK portrays it in a manner which is quite different.

 

3.2 The letter of BBK emphasizes the seriousness of the allegations that are being made against them, and they suggest that – if these allegations are correct – the grounds for [an ongoing] sister church relationship are shaky if not absent. This indicates that our subcommittee and BBK agree on the seriousness of the allegations and they agree that – if Synod Carman 2013 agrees with the subcommittee – the very existence of our sister church relationship is under threat.

 

3.3 With respect to the allegations made against Dr. Paas and Dr. van Bekkum, we do not understand how a church federation which claims to be subject to the Word of God can tolerate these views as being in accord with Scripture and confession.

 

3.4 The Scripture-critical views of Dr. Paas and Dr. van Bekkum are important because they are both on the teaching staff on the TUK and therefore directly involved with the training of ministers. The comment of the subcommittee – that we do not judge the personal faith of these brothers – is relevant, and needs to be remembered and respected. What is most important, though, is that the people who sit in the pew every Sunday must be taught that the Bible is really true, and that the events described in the Bible really took place. While synod expresses this concern, this does not take away our impression that most church members in the RCN hear solid Biblical preaching from Sunday to Sunday.

 

3.5 While the subcommittee signals that the views of Dr. Douma concerning Genesis 1 (the framework hypothesis) are of concern, because they could open the door for evolutionistic theories, and because his views still have influence in the churches, Dr. Douma is no longer in active service and has become one of the most vocal critics of Paas and van Bekkum.

 

3.6 Synod agrees with the subcommittee, in light of Dr. Harinck’s position at the TUK, that his views with respect to Christ’s substitutionary sacrifice, homosexuality, the Roman Catholic mass, and women office bearers must be clearly retracted or dealt with. Synod notes that, in an article in Nederlands Dagblad dated Feb 8 2008, Dr. Harinck made a statement retracting his views on the substitutionary sacrifice, homosexuality and the Roman Catholic mass. Dr. Harinck indicates that, personally, he has no problem with women in office but accepts the position of the churches on this matter.

 

3.7 The involvement of the RCN in the “National Synod” also raises serious questions. While we stand together with the RCN in our confession that the church is catholic, the Belgic Confession distinguishes between true churches and false churches. The “National Synod” was only a meeting where opinions were exchanged, but nevertheless the participation of official representatives of the RCN in the “National Synod” shows us that this distinction is being downplayed.

 

3.8 The fact that merger is even being contemplated with the NRC makes us concerned about the confessional identity of our sister churches. [See observation 2.2.9] While these matters are not present in all local congregations in the NRC, it is still a concern because they are present in the federation as a whole.

 

3.9 Many churches have written to support the recommendations of the subcommittee, indicating that there is a sense of estrangement within the CanRC with respect to the developments in the RCN.

 

3.10 The newly appointed Man/Woman Committee has not yet reported to synod and no decision has been made by the churches. Therefore we must be careful about drawing conclusions about this matter.

 

3.11 In response to BBK’s challenge, that if we agree with the committee’s portrayal of the RCN, why do we continue in ecclesiastical fellowship?, the Rules for Ecclesiastical Fellowship require of us that we “assist each other in the maintenance, defence and promotion of the Reformed faith … and be watchful for deviations.” The letter that the subcommittee recommends be sent to the RCN should be accompanied by open communication between our (reappointed) subcommittee and BBK as well as whomever else is involved.

 

3.12 The suggestion of Guelph-Emmanuel and Edmonton-Immanuel that Ecclesiastical Fellowship be severed now cannot be adopted because a process needs to be followed. It would be inappropriate for Synod Carman 2013 to dictate what a following synod should do. On the other hand, the subcommittee should be mandated to give recommendations concerning whether or not we continue in Ecclesiastical Fellowship.

 

3.13 Since Synod receives foreign delegates as official representatives of those churches, female delegates should not be given the privilege of the floor.

 

3.14 In plenary session, Rev. J.M. Batteau indicated that it would probably be sufficient if an expression of regret be made about the statements by the subcommittee in Clarion July 29, 2011. It is appropriate for synod to express regret for some of the strong language in this article.

 

3.15 When asked by the chairman in plenary session whether the facts in synod’s advisory committee’s report were correct, the fraternal delegates of the RCN did not indicate that there were any factual errors. They did, however, question our interaction with the facts.

 

4. Recommendations

 

Synod decide:

 

4.1 To thank the committee for their extensive report

 

4.2 To continue at this time the relationship of Ecclesiastical Fellowship with the RCN under the adopted rules.

 

4.3 To express – by letter, from this synod to the next RCN synod – our brotherly concerns in a letter of admonition as per the rules for EF (1&6) about the tolerance of deviations from Scripture and confessions that we see in our sister churches at this time. This letter will express our love for the RCN as church of the Lord and our sincere prayers for our sister church in the extremely secular European situation. But it will also describe our disquiet about the following matters:

 

4.3.1 the views coming from or tolerated at the TUK which show marks of Scripture criticism and which deviate from Reformed hermeneutical principles as indicated by Articles 5 and 7 of the Belgic Confession.

 

4.3.2 the work of the Deputies Men/Women in the Church appointed by Synod Amersfoort-West 2005 and Zwolle 2008, especially regarding how Scripture was treated in their reports.

 

4.3.3 the growing relationship with the NRC, without resolution of crucial differences such as women in office and subscription to the confessions.

 

4.3.4 a growing sense of estrangement as a consequence of the concerns mentioned above, which we hope and pray will not lead to a parting of the ways in the future.

 

4.4 If churches send female delegates to CanRC synods, they will not be given synod privilege.

 

4.5 To hereby express regret for the strong expressions used in statements made by some members of the subcommittee in Clarion, July 29, 2011.

 

4.6 To reappoint a subcommittee of the CRCA with the following mandate:

 

4.6.1 Maintain contact with the BBK of the RCN and represent the CanRC at the next synod of the RCN. If possible, the CRCA subcommittee be present when this synod’s letter is dealt with by the next synod of the RCN.

 

4.6.2 Inform BBK of our decision concerning female delegates.

 

4.6.3 Continue to observe developments at the TUK.

 

4.6.4 Monitor the work of the Deputies concerning the Role of Women in the Church and assess its report as well as the decisions of the next Synod of the RCN regarding that report.

 

4.6.5 Monitor the ongoing unity discussions between the RCN and the NRC and to review the decisions of the next Synod of the RCN regarding unity with the NRC.

 

4.6.6 Review the results of the revision of the RCN church order.

 

4.6.7 Monitor the results of the RCN’s involvement with the “National Synod.”

 

4.6.8 Monitor the developments regarding the application of Article 67 of the RCN Church Order.

 

4.6.9 Work in consultation with the deputies of the FRCA and OPC.

 

4.6.10 Report to the churches six months prior to General Synod 2016 giving special attention to the question whether or not we continue in Ecclesiastical Fellowship.

 

ADOPTED

 

Article 162 – Letter to the Reformed Churches in the Netherlands

 

Committee 5 presented a second draft. With a few minor changes this is the result:

 

The General Synod

Of the Canadian Reformed Churches

Meeting in Carman, Manitoba, Canada

May, 2013

 

To the General Synod 2014 of the Reformed Churches in the Netherlands:

 

Esteemed Brothers in Christ:

 

Synod Carman 2013 greets the Synod of the Reformed Churches in the Netherlands (RCN). We praise our faithful God for his continuing work of grace in the midst of your churches. As observers from afar, we are thankful for the confession, worship and witness of the RCN. We recognize in your midst the faithful preaching of the gospel of salvation and that fills us with joy. Between you in The Netherlands and us in North America, there is a bond of some 60 years. Many of our members trace their ancestry to your country. With you, we find our roots in the Reformation of the 16th century and we are united to you in our common confession of faith. Even though the present generation of Canadian Reformed believers is much less connected to Europe than in previous times, there remains among our churches, in general, a keen interest in the RCN. Ministers and other members of our churches continue to benefit from the scholarly labours of members of our sister churches in the Netherlands. We think, for example, of the Commentaar op het Nieuwe Testament (Derde Serie) which has been well received in Canada among those who can still read the Dutch language.

 

Even as we notice much faithfulness among the RCN, the apostolic exhortation to speak the truth in love (Ephesians 4:15) compels us to also express a number of serious concerns. We present them in humility and yet with the heartfelt desire that you would take heed to the matters we bring before you. Our rules for ecclesiastical fellowship state that “the churches shall assist each other in the maintenance, defence and promotion of the Reformed faith in doctrine, church polity, discipline and liturgy,” and shall be “watchful for deviations.” It is in this context of ecclesiastical accountability that we direct our exhortations to you.

 

To a great extent, our concerns revolve around the Theological University in Kampen (TUK). For some time, we have noticed the influence of critical scholarship upon the methodology and conclusions of some publications associated with the TUK. These concerns have been communicated on various occasions to the BBK Deputies and have also been expressed by our delegates at Synod Harderwijk 2011. An “Interim Report” of our Committee for Relations with the Reformed Churches of the Netherlands” was received by Synod Harderwijk which conveyed to you many of the details of our concern. In a recent letter to our Synod Carman 2013, the Deputies BBK assure us that the TUK is maintaining its character as an orthodox Reformed institution. However, there was no interaction in this letter with our specific concerns. Since we have not seen any indication that our concerns have been recognized and given a serious response, we feel the need at this time to intensify our exhortation to you. Indeed, we are appealing to you as our sister churches to return to the right path of faith in regard to the interpretation of Holy Scripture.

 

Specifically, we ask you as sister churches to indicate clearly that the views of Dr. Stefan Paas expressed in his dissertation, Creation and Judgment, are not in harmony with the Word of God and the Three Forms of Unity to which we subscribe as Reformed Churches. When Paas puts forward the notion that the people of Israel arose from migrant and Canaanite populations and when he calls into question the historicity of the exodus, this constitutes an attack on the trustworthiness of the Word of God. To us, it is inconceivable that a person holding such views could be appointed as a professor at the TUK. That Paas does not teach in the area of Old Testament studies is no reassurance for us. Introducing doubt about the historical veracity of the Word of God cannot be contained; eventually, it will permeate all the disciplines of theological study. It is our view that the Directors of the TUK ought to have dealt with this matter by not allowing Paas to teach at the TUK so long as he held to the views expressed in his dissertation. Failure to do so means that a foothold has been established at the TUK for the methods and conclusions of scholarship which does not take seriously the special nature of Scripture as the inspired and therefore infallible Word of God.

 

Similarly, we are deeply concerned about the methodology and conclusions expressed in the dissertation of Dr. Koert van Bekkum, From Conquest to Coexistence: Ideology and Antiquarian Intent in the Historiography of Israel’s Settlement in Canaan (2001). Methodologically, van Bekkum believes that the factuality of historical events in the Bible cannot be accepted without question. In evaluating the truth of statements in the Bible about historical events, says van Bekkum, scholarship must consider the evidence of archaeology and the findings of literary criticism. Only in this way can a scholar arrive at the “truth value” of a text. The end result of his methodology is that certain biblical data are not accepted at face value. For example, according to van Bekkum, the Biblical data in Joshua 10:12-14 cannot mean that the sun and moon actually stood still. Similarly, the straightforward historical statement of 1 Kings 6:1 is set aside by van Bekkum. What we observe in such scholarship is a diminished appreciation for the authority and accuracy of the Word of God. The fact that this was a dissertation promoted under the auspices of the TUK. and was awarded a cum laude designation augments our concerns. That van Bekkum was subsequently appointed to the faculty of the TUK creates grave concern among us for the future training of ministers of the RCN. Allowing such views to be presented and promoted undermines the orthodox Reformed character of the TUK and jeopardizes the training of future ministers of the Word. For the safeguarding of the RCN, we urge you as yet to deal with this matter in a way that honours the Holy Spirit who has breathed out for us the living and abiding Word of God.

 

In short, we believe that we are witnessing the acceptance of higher-critical scholarship in the Theological University of Kampen which is under the governance of the RCN. In our own North American context, we have observed the disastrous spiritual and numerical decline of various church federations due to the inroads of historical criticism of the Bible. Out of our love for you, we beseech you to take our concerns seriously and to be resolute in refuting opinion and scholarship which does not honour the infallibility, clarity and sufficiency of the Holy Scriptures (Article 7, Belgic Confession).

 

We would also like to communicate our dismay about developments in your federation of churches in regard to the matter of women in office. While your Synods have thankfully not made a decision allowing for women office-bearers, we are concerned about the process that has been set in motion. When a Committee appointed by Synod Amersfoort-Centrum 2005 developed a manual to facilitate reflection on the role of women in the church, it failed to direct the membership of your churches to what Holy Scripture says on this matter. Instead, what Scripture clearly reveals in regard to this matter became merely one option to be considered among others. Synod Harderwijk 2011 appointed deputies with a mandate to answer the question of whether Scripture permits the appointment of women to the offices of deacon, elder or minister. In our opinion, this gave evidence of a diminished regard for the plain teaching of the Bible that these offices are to be filled by faithful men who are chosen in agreement with the instructions provided through the Holy Spirit by the apostle Paul (1 Tim. 2:11-14, 1 Cor. 14:33- 35). In the RCN, as in any faithful church of the Lord Jesus Christ, the matter of women in office should not be framed as an open question. When the unambiguous teaching of the Word of God about male leadership in the church becomes a matter of debate, then we fear that a new and dangerous hermeneutical approach is showing its influence. We urge you in the Lord to defend the Biblical truth that God calls men to give leadership in the churches and we ask you to encourage your churches to resist the inroads of egalitarian thinking in regard to offices in the church.

 

Finally, we express our concerns about the ongoing relationship between your churches and the Netherlands Reformed Churches (NRC). As you know, the NRC allows women to be ordained to the offices of minister, elder and deacon and has recently mandated a study into whether practising homosexuals may fill the office of elder or deacon. A further reason for alarm is that full subscription to the confessions is not required of office-bearers in the NRC. When there is such deviation in the NRC from Scripture and the Reformed confession, it seems impossible to us that churches in your federation could amalgamate even with NRC churches which do not have women in office since each NRC church is part of a federation of churches and thus co- responsible for the direction of the whole. We urge you in the Lord to turn back from ecumenical relationships which are not built squarely on the truth of God’s Word as confessed in the Three Forms of Unity.

 

Brothers, in addressing you as we have, we do not imagine for a moment that we are above reproach or that our churches do not also face many challenges. Both your churches and ours are involved in a deep spiritual battle for the preservation of the truth of God’s Word. In this battle we need each other. We appreciate and thank the Lord for all the help you can give us to stay true to the Word of God as confessed by all of us in the ecumenical creeds and the Three Forms of Unity. In the same way, we hope and pray that you will hear our concerns and consider our admonitions and turn back from the wrong path on which you have set out in recent years. Should you stay on your present course in regard to the matters we have raised in this letter, we fear that the relationship of ecclesiastical fellowship which we have with you will be jeopardized. We urge your Synod and your churches to stand firm in confessing the whole truth of the Word of God and to defend this truth boldly and vigorously even when it is denounced and hated by the world. We hope and pray that our concerns may one day be put to rest and that our churches and yours may remain faithful until the coming of the Lord Jesus Christ in glory, majesty and power.

 

We look forward to your response to our next General Synod via our Subcommittee for Contact with the Reformed Churches in the Netherlands Liberated. With Christian greetings, on behalf of General Synod Carman 2013,

 

(Signed by the chairman and second clerk of Synod Carman 2013)

 

ADOPTED