Ethiek

In de pers

Signalen

geen berichten



 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Hoe staan wij in deze wereld: anabaptistisch of gereformeerd?

 

Dr. Wes Bredenhof, predikant van de Free Reformed Church, Launceston, Tasmania.

07-01-2016

 

De vraag hoe onze houding als christenen ten opzichte van de ongelovige wereld (inclusief de ongelovige cultuur) moet zijn is al oud. Toch blijft deze vraag relevant. Iedere generatie wordt opnieuw met deze vraag geconfronteerd. Ik denk terug aan mijn eigen moeite met deze vraag, nadat ik het evangelie en dienen van de Heere ernstig begon te nemen. Zoals vaker gebeurt, kwam ik aanvankelijk bij extreme standpunten uit. Tenslotte realiseerde ik me dat mijn standpunten historisch gezien meer anabaptistisch waren dan gereformeerd.

Vanouds is de anabaptistische houding tegenover de wereld een houding van wegvluchten voor die wereld of van een volledige scheiding daarvan. De anabaptistische visie zegt dat de wereld slecht is en dat de kerk daarom niets met de wereld te maken moet hebben. Het gereformeerde standpunt heeft vanouds de noodzaak voor de kerk erkend om in de wereld te zijn en zich met die wereld bezig te houden. De gedachte van gemeenschappen van trouwe gelovigen die vrijwel volledig van ongelovigen geïsoleerd zijn, is een afwijking van de gereformeerde overtuiging en praktijk. Het is een typisch anabaptistisch idee, niet gereformeerd.

 

Het anabaptistische standpunt

 

De klassieke verwoording van het anabaptistische standpunt kunnen we in de Schleitheim Confessie van 1527 vinden. De Lutheranen en gereformeerden waren niet de enigen die confessies schreven. Anabaptisten deden dat ook. (Voor de volledige Schleitheim confessie: zie verwijzing in de oorspronkelijke versie van dit artikel.) Hier wil ik alleen de eerste alinea van het vierde deel aanhalen. Dit geeft de kern van de anabaptistische visie weer:

 

We zullen een scheiding moeten aanbrengen tussen ons en het kwaad en de slechtheid die de duivel in de wereld heeft geplant en wel zo dat we eenvoudig niet met hen (de booswichten) omgaan en niet met hen in hun vele gruweldaden zullen meedoen. Het zit zo: omdat allen die niet in geloofsgehoorzaamheid wandelen, en zich niet met God hebben verenigd zodat zij zijn wil wensen te doen, voor God een grote gruwel zijn, daarom kunnen zij niets anders dan afschuwelijke dingen voortbrengen. Want werkelijk, alle schepselen bevinden zich slechts in twee groepen: goed en slecht, de gelovigen en de ongelovigen, duisternis en licht, de wereld en zij die uit de wereld zijn (gekomen), Gods tempel en afgoden, Christus en Belial; en het ene kan niet samengaan met het andere.

 

Wie zijn bijbel kent, zal de taal herkennen. De Schleitheim Confessie parafraseert hier verschillende Schriftgedeelten. Het punt is dat hier een absolute antithese bestaat tussen gelovigen en ongelovigen en daarom kunnen gelovigen niet met ongelovigen omgaan. Christenen moeten zich op alle vlakken afzonderen en uit de wereld terugtrekken. Bovendien zegt deze belijdenis dat christenen evenmin iets te maken kunnen hebben met wat ongelovigen op cultureel gebied dan ook maar vormgeven. Ongelovigen brengen alleen maar gruwelen voort en christenen moeten van deze slechte dingen wegvluchten.

 

Hoewel het bijbels klinkt, mist het anabaptistische standpunt toch twee fundamentele bijbelse onderscheidingen en een centraal bijbels principe.

 

De gereformeerde theologie

 

De gereformeerde theologie houdt vast aan de bijbelse notie van de antithese. Er is geloof en ongeloof, goed en kwaad, duisternis en licht, enzovoorts. De Bijbel is daar duidelijk over.

Maar, en dit is wat in de anabaptistische visie ontbreekt, er is een onderscheid dat wij maken tussen wat in principe waar is en wat in de praktijk waar is. Met andere woorden, in deze wereld, zijn er inconsistenties die aan beide zijden van de antithese bestaan. Wedergeboren christenen hebben nog steeds de resten van een zondige natuur waarmee zij hebben te worstelen (Galaten 5:16-17). En ook wat wij als christenen doen, blijft met zonde bevlekt. Maar aan de andere kant hebben niet-wedergeboren ongelovigen ook hun inconsistenties. Dat we totale of alles doordringende verdorvenheid belijden, betekent niet dat we geloven dat niet-christenen allemaal zo slecht zijn als maar mogelijk is. In Romeinen 2:14 schrijft Paulus over de heidenen die voor zover wij kunnen zien 'van nature doen wat de wet gebiedt'. Dat zij zich aan de wet houden behaagt God niet en ook verdienen zij daar niets mee bij Hem, maar toch doen zij wat de gereformeerde theologie noemt: “burgerlijk goed”. De ongelovige verpleegsters op de neo-natalogie, die zorg dragen voor prematuur geboren baby's, doen goed en daarin zijn zij inconsistent met wie zij in principe zijn.

In principe zijn zij door en door tegenstanders van God en alles wat goed is, maar in de praktijk laten zij liefde voor heel kleine mensjes zien.

 

Een tweede centrale bijbelse onderscheiding die in de anabaptistische visie wordt gemist, is die tussen ìn de wereld zijn en vàn de wereld zijn. “In de wereld zijn” betekent dat wij dezelfde plek bewonen als ieder ander. Wij moeten niet van de wereld gescheiden zijn in de zin dat we onszelf van de wereld afsluiten. Maar “van de wereld zijn” zou betekenen dat we niet van de wereld te onderscheiden zijn. Als we van de wereld zijn, dan behoren we tot de wereld en zijn we niet anders. Een christen die in deze wereld leeft, moet en zal opvallen. Dit is omdat we als onze Heiland zijn. Hij zei van zijn volk: “Zij zijn niet van de wereld, gelijk ik niet van de wereld ben” (Joh. 17:16). Toch leefde Jezus in deze wereld. Hij werd in deze wereld gezonden (Joh. 17:18) en woonde onder ons. Hij sloot zichzelf niet af van de ongelovigen, maar ging naar hen toe en zocht contact met hen. Hij ontmoette zondige mensen zoals de Samaritaanse vrouw in Johannes 4. Christenen moeten als de Heiland zijn met wie zij verenigd zijn. Niet van de wereld, maar beslist wel in de wereld.

 

Een centraal bijbels principe dat in de anabaptistische visie verloren is gegaan, is dat zelfs bij ongelovigen en bij wat zij maken, waarheid, schoonheid en andere deugden soms duidelijk aanwezig zijn. Christenen hebben geen monopolie op het maken van “al wat waar is, al wat waardig is, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk en al wat welluidend is” (Filipp. 4:8). Wat christenen aan cultuurproducten maken schiet soms veel tekort. Een deel van de slechtste literatuur die ooit gemaakt is, is door christenen gemaakt. (–) Soms maken ongelovigen muziek, literatuur of film die ons verrast doet staan als het om bekwaamheid en creativiteit gaat.

Ja, zij kunnen ook rommel maken. En zeker kunnen zij een cultuur laten zien, en doen dat inderdaad, die ook de nadruk legt op menselijke verdorvenheid en daarmee wegloopt. Toch erkende de apostel Paulus dat ongelovigen dingen kunnen zeggen die waar en mooi zijn – hij citeerde Aratus en waarschijnlijk Epimenides in Handelingen 17. Epimenides verschijnt nogmaals in Titus 1:12. Paulus was blijkbaar bekend met heidense poëzie en door die te citeren bevestigt hij dat ongelovigen het soms bij het juiste eind hebben. Het is niet alleen maar de Schrift die dit staaft, maar ook ons gezonde verstand. Ongelovigen kunnen opmerkelijke dingen laten zien in wetenschap, kunst, muziek, literatuur enzovoorts en zij doen dat ook. Je zou dwaas zijn om dat te ontkennen.

 

'Frozen chosen'

 

Vanuit het anabaptistische standpunt blijven ons tenminste twee houdingen naar de wereld over.

De eerste is angst. We moeten vrezen voor de wereld en iedereen en alles erin. We moeten altijd bang zijn om door de wereld besmet of in gevaar gebracht te worden.

De tweede houding is arrogantie. Wij zijn de rechtvaardigen en zij zijn de onrechtvaardigen. We werpen trotse blikken op hen vanuit ons heilige getto.

Het resultaat van beide houdingen is dat de verlorenen in hun verloren staat blijven en de naam “bevroren uitverkorenen” (“frozen chosen”) terecht gebruikt wordt.

 

Geen vlucht uit de wereld

 

De gereformeerde overtuiging streeft er daarentegen naar het accent te leggen op inzicht, nederigheid en liefde. In onze kerken, gezinnen en scholen proberen we de mensen te leren hoe het goede, het ware en het schone te onderscheiden. We leren gelovigen hoe zij deze dingen kunnen waarderen, ongeacht de herkomst ervan en om er op voort te bouwen. We willen nederigheid leren – zo dat we onze eigen inconsistenties en fouten om te voldoen aan wat we belijden erkennen. Tenslotte, als het om onze medemensen op deze aarde gaat, willen we dat gelovigen hun naasten liefhebben. We moeten niet bang voor hen zijn, maar hen liefhebben en met hen omgaan. Niet voor hen wegvluchten, maar met een bewogen hart met hen meeleven.

 

Hoewel het de gemakkelijke weg is, is een vlucht uit de wereld niet de gereformeerde weg.

De moeilijker weg is die waartoe wij geroepen zijn. De weg waarop we intensief over dingen moeten nadenken. Het is de weg waarop we mensen moeten liefhebben. Het is de weg waardoor God verheerlijkt zal worden, zowel wat betreft onze culturele opdracht als waar het gaat om onze Grote Opdracht.

 

 

Oorspronkelijke titel: Our stance with the world: Anabaptist or Reformed?
Site YINKAHDINAY, click hier.

 

Vertaling: R. Sollie-Sleijster