Ethiek

Uit het verleden

Signalen


Meditatie
Elke woensdagavond van 19.00 tot 19.20 uur.
Ds. M.A. Sneep en ds. H.G. Gunnink

https://kerkdienstgemist.nl/stations/788-Gereformeerde-Kerk-Groningen

Schriftoverdenking
Elke woensdagavond van 20.30 tot 20.50 uur.
Ds. C. Koster

https://dgk-lansingerland.nl/nieuws/live-kijken



 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

31 Oktober 1517

 

D.J. Bolt

31-10-20

 

Het is vandaag Hervormingsdag. We gedenken hoe ruim 500 jaar Maarten Luther geleden zijn 95 stellingen aan de slotkapel te Wittenberg sloeg en daarmee een markante daad stelde die de Grote Hervorming inluidde. Tot op vandaag stemt het tot grote dankbaarheid dat de Heere door deze monnik zijn vervallen kerk bewaarde, reformeerde en tot nieuw leven bracht. Alle reden dus om er aandacht aan te schenken. Zeker nu de verroomsing van het gereformeerde leven hand over hand toeneemt.

 

Wat kan ons meer inzicht geven in de motieven van Luther dan hemzelf aan het woord te laten?[1] Daarom  citeren we uit het voorwoord van een complete uitgave van zijn werken (5 maart 1545). Luther blikt daarin terug op zijn ontwikkeling tot 1519. Hij voelde een sterk verlangen om de brief van Paulus aan de Romeinen te begrijpen. Maar hij was niet aan de studie van deze brief toegekomen omdat een enkel woord uit hoofdstuk 1: 17 hem daarbij in de weg stond, namelijk

 

'… De gerechtigheid Gods wordt daarin ge­openbaard …'

 

Luther schrijft erover (cursief djb):

 

'Ik haatte namelijk dit woord, gerechtigheid Gods, omdat ik, naar het gewone gebruik van de ker­kelijke leraren, geleerd had het filosofisch op te vatten van de zogenaamde formele of actieve gerechtigheid, volgens welke God rechtvaardig is, en de zondaar en onrechtvaardige straft.

Ik beminde deze rechtvaardige en zondaar straffende God niet, ja, ik haatte Hem, want ik voelde mij, ofschoon ik steeds als een monnik onberispelijk leefde, voor God als zondaar met een totaal rusteloos geweten. En ik kon het vertrouwen niet opbrengen, dat Hij door mijn genoegdoening verzoend zou zijn.

Zo toornde ik op God, zij het niet met een heimelijke lastering, maar in ieder geval geweldig morrend, doordat ik zei: het is nog niet ge­noeg, dat ellendige en voor eeuwig verloren zondaren ten gevolge van de erfzonde met allerlei onreinheid ten gevolge van de wet van de tien geboden benauwd worden,- neen, God wil ook nog door het evangelie nieuwe smart aan de oude toevoegen en ook door het evangelie ons zijn gerechtigheid en zijn toorn dreigend voorhouden!

Zo raasde ik met een woedend en ver­stoord geweten.

 

En toch klopte ik, ongeschikt weliswaar, bij deze tekst van Paulus aan, daar ik er hevig naar dorstte om te weten wat Paulus wilde. Dit duurde zo lang, totdat ik eindelijk onder Gods erbarmen, dag en nacht nadenkend, mijn opmerkzaamheid richtte op de innerlijke samenhang van de woorden, namelijk

'de gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard, gelijk geschreven staat, de rechtvaardige zal uit het geloof leven',

toen be­gon ik de gerechtigheid Gods te leren opvatten als de gerechtigheid waarin de rechtvaardige door Gods gave leeft en wel uit het geloof en ik begon te verstaan, dat dit de betekenis is: door het evangelie wordt de gerechtigheid van God geopenbaard, namelijk de passieve, waardoor de barmhartige God ons rechtvaardig maakt, door het geloof, zoals geschreven staat: de rechtvaardige leeft uit het geloof.

 

Hier voelde ik mij geheel en al nieuwgeboren en was het alsof ik door de geopende poorten het paradijs zelf was binnengegaan. Terstond toonde mij de gehele Heilige Schrift een andere aanblik. Ik doorliep vervolgens de Schrift, voor zover de herinnering mij te hulp kwam en ik bracht iets derge­lijks ook ten aanzien van andere woorden bijeen, zoals werk Gods, d.i. het werk dat God in ons schept; kracht Gods, door welke Hij ons krachtig maakt; wijsheid Gods, waardoor Hij ons wijs maakt; sterkte Gods, heil Gods, eer Gods.

Zo groot als mijn haat tevoren was, waarmee ik het woord 'gerechtigheid Gods' gehaat had, zo groot was nu de liefde, waarmee ik het als het aller ­zoetste woord roemde.

En zo was mij deze plaats bij Paulus werkelijk een poort tot het paradijs'.

 

Luthers intense vraag die hem tot in het diepst van ziel voortdurend bezig had gehouden en beangstigde, was: Hoe krijg ik een genadige God? Hij zocht het in een volmaakt (klooster)leven, in het volstrekt ernst maken met het onderhouden van Gods geboden, waarvoor de Heere hem dan wel moest belonen. Maar het gaf geen rust, geen bevrijding van zijn angst voor dood en hel.

Totdat, zo blijkt uit bovenstaand citaat, de Heilige Geest hem zó duidelijk maakte wat de kern van het evangelie is: de gerechtigheid Gods is niet langer de gerechtigheid of de vroomheid, die God van ons eist. Het is de gerechtigheid, die Hij ons schenkt uit genade. Gerechtigheid die wij ontvangen door toerekening.

Luthers strijd is het waard om aandacht te blijven geven. Want ook in onze tijd wordt het diepe evangelie van verzoening door voldoening door Christus, dat Luther weer mocht ontdekken, tot in gereformeerde kringen ter discussie gesteld.
Laten we vasthouden wat we in klare taal belijden in NGB art. 23:

 

Wij geloven

 

dat ons heil gelegen is

in de vergeving van onze zonden

om Jezus Christus’ wil.

Daarin bestaat onze gerechtigheid voor God.

 

Dat leren David en Paulus ons door te verklaren:

Zalig is de mens

aan wie God gerechtigheid toerekent

zonder werken (Ps. 32:2; Rom. 4:6).

En dezelfde apostel zegt, dat wij om niet,

anders gezegd, uit genade

gerechtvaardigd zijn

door de verlossing in Christus Jezus (Rom. 3:24).

 

Daarom houden wij dit fundament altijd vast.

Daarin geven wij alle eer aan God,

terwijl wij onszelf vernederen

en belijden wat voor mensen wij zijn,

zonder ons ook maar enigszins op onszelf

of op onze verdiensten te laten voorstaan.

Wij steunen uitsluitend op de gehoorzaamheid

van de gekruisigde Christus en rusten daarin.

 

En deze gehoorzaamheid is de onze,

wanneer wij in Hem geloven.

Zij is voldoende

om al onze ongerechtigheden te bedekken.

Zij bevrijdt ons geweten

van vrees, ontzetting en verschrikking

en geeft ons zo vrijmoedigheid

om tot God te naderen,

zonder te doen als onze eerste vader Adam,

die zich bevend met vijgenbladeren

wilde bedekken.

 

En werkelijk, als wij voor God moesten verschijnen,

terwijl wij, in hoe geringe mate ook,

op onszelf of op enig ander schepsel zouden steunen

— ach, wij zouden vergaan!

 

Daarom moet ieder met David zeggen:

HERE, ga niet in het gericht met uw knecht,

want niemand die leeft,

is voor U rechtvaardig

 

 

NOOT


[1] We maken hierbij gebruik van het boek Luther, belofte en ervaring, van prof. dr. W. van 't Spijker, emeritus hoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Universiteit te Apeldoorn.