Ethiek

Synodeverslagen

Signalen

Bunschoten-Spakenburg, zaterdag 14 dec.
Bezinningsdag MVEA
Immanuelkerk, Plevier 2, 10.00-15.00 uur
info: www.bezinningmvea.nl


Den Bosch, donderdag 16 januari
'Blijft de GKv een belijdende kerk?'
Ds. J. Wesseling (GKv)
De Ontmoeting, Europalaan 42, 20.00 uur


Emmeloord, vrijdag 24 januari
'Hoe lief heb ik uw wet'
Ds. A. Bas (GKN)
De Ontmoeting, Europalaan 42, 20.00 uur



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

GS Meppel Verslag 09 – Quaestio Hardenberg 1

 

D.J. Bolt

27-05-17

 

Op vrijdag 19 mei 2017 besprak de generale synode een quaestio, een vraag van de classis Hardenberg waarvan de beantwoording (grote) betekenis heeft voor het kerkverband. De bespreking kon nog niet worden afgerond. De zaak zal later weer aan de orde komen. Wanneer is nog onbekend.

 

Om de synodebespreking te begrijpen geven we eerst de vraag van de classis Hardenberg weer, zonder de inleidende brief en bespreking van allerlei Bijbelteksten. De volledige tekst van quaestio kan gevonden worden op de website van GKv Hardenberg-Baalder, click hier.
 


 

QUAESTIO HARDENBERG

 

Overwegend dat

 

1

we de homoseksuele broeders of zusters die de Here oprecht liefhebben in de Bijbel niet tegenkomen.

2

de Bijbel enkel negatief spreekt over homoseksualiteit,

3

homoseksuele handelingen in de Bijbel worden getypeerd als het gedrag van mensen die Gods zelfopenbaring in zijn schepping en in zijn Woord miskennen en die daarom door Hem onder andere aan ontaarde verlangens zijn overgelaten (Romeinen 1),

4

wij homoseksuele broeders en zuster die de Here oprecht liefhebben wel ontmoeten in onze realiteit

 

is de quaestio die de classis langs deze weg aan de zusterkerken voorlegt:

 

DE BIJBEL LIJKT DE HOMOSEKSUEEL DIE DE HERE OPRECHT LIEFHEEFT EN IN LIEFDE EN TROUW WIL LEVEN NIET TE KENNEN. WIJ WETEN TEGENWOORDIG DAT HIJ/ZIJ WEL BESTAAT. DAAROM LUIDT DE QUESTIO DIE DE CLASSIS AAN DE SYNODE VOORLEGT: IS ER RUIMTE VOOR EEN VOLWAARDIGE PLAATS, IN VOLLE RECHTEN EN PLICHTEN, VOOR DEZE BROEDER EN ZUSTER IN DE GEMEENTE VAN CHRISTUS?

[kapitaal van de classis]

 

[In een bijlage worden de volgende Bijbelteksten kort besproken en conclusies getrokken:
 

- Genesis 1, 2, 9, 19

- Leviticus 18, 22, 20:13

- Richteren 19

- 1Samuel 18-23

- Romeinen 1:24-27

- 1Korinthiërs 6: 9, 10

- 1Timotheüs 1: 8-10]


 

QUAESTIO HARDENBERG TER SYNODE

 

Als adviseur is prof. dr. A.L.Th. de Bruijne bij de bespreking aanwezig. Door op te staan betuigt hij desgevraagd zijn instemming met de belijdenis. Van zijn hand is ook een advies beschikbaar, zie bijlage 2.

 

BESPREKING

 

[Zie voor de conceptbesluiten bijlage 1.]

 

Commissie – Ds. M. van Loon

 

Besluit 2 gaat over de vraag: wat is de pastorale ruimte? De tekst is veranderd. Daarna is weer het advies van prof. De Bruijne ingewonnen.

 

Ds. Koster

Twaalf jaar geleden wilden de kerken geen studiedeputaatschap hiervoor. In 2012 weigerden ze mee te doen aan een studiedeputaatschap van de NGK. Als we die nu wél instellen moet er echt iets veranderd zijn. Is de problematiek nu pregnanter in beeld bij de kerkenraden? Maar als er geen andere argumenten zijn dan: geen studiedeputaatschap.

 

De kerken hebben zich gezamenlijk uitgesproken over homofilie en homoseksualiteit in  appelzaken, concreet gericht op een bepaalde situatie. Maar in 2008 werd homoseksueel verkeer wel onaanvaardbaar geacht. Samengevat: het was zonde. Zelfs een verbintenis zonder seks werd afgewezen. Tegelijk moest er wel wijs met de zondaar worden omgegaan. De kerkenraden behoorden zelf te bepalen hoe precies te handelen.

 

Ik zou het advies van De Bruijne willen opvolgen. En Hardenberg moet wel een antwoord krijgen zonder op de concrete situatie in te gaan. Mijn tegenvoorstel is: geef het antwoord van 2008, die richtlijn is voldoende.

 

Ds. Oosterhuis

Ik ben nu nog stelliger voor besluit 2 om op dit gebied de veranderde wereld te bekijken. Vorige synoden hadden daar veel beperkter zicht op. We moeten het vraagstuk serieus nemen.

Aan die terughoudendheid met tucht in besluit 3 ontleent de kerkenraad niet veel richting.

En 3b is heel merkwaardig, daar wordt God ongeveer verzocht een meerkeuzevraag te beantwoorden.  

Ik ben het eens met de vraag van de classis. Het gaat er om: kent de Schrift zulke homo's die in liefde en trouw samenleven?

 

Ds. Waterval

Als 'geen studiedeputaatschap' het advies van De Bruijne was en waarom staat het dan nu wel in een besluit?

 

Br. Heij

Het is een spannend onderwerp dat wel een antwoord in de vorm van een pastorale handreiking vraagt. Met als grond: meer behoefte aan duidelijkheid. Geen leeruitspraak maar zo wel ruimte voor meer studie.

Wat er in een pastorale handreiking moet:

  1. In de gemeente is er een volwaardige plaats in volle rechten voor een homoseksueel die in liefde en trouw wil leven en de Heere oprecht lief heeft.
  2. Beleving van intieme seksualiteit heeft naar Bijbelse norm een exclusieve plaats binnen het huwelijk.
    Met de term intieme seksualiteit komen we uit boven vragen als waar seksualiteit begint en wat mag en niet mag. Deze formulering geldt nadrukkelijk homo's én hetero's.
  3. Twee personen van gelijk geslacht en met homofiele gevoelens kunnen op grond van beloften van liefde en trouw samenwonen. Maar het maakt verschil welke officiële samenlevingsvorm wordt gekozen.
    Mensen hebben altijd behoefte aan veiligheid. Er zijn geen bijbelse argumenten waarom een persoon geen bescherming zouden mogen zoeken bij iemand van hetzelfde geslacht waartoe hij of zij zich voelt aangetrokken. Daarvoor zijn in onze cultuur wettelijke mogelijkheden hoewel dit geen neutrale aangelegenheid is.
  4. Van homoseksuelen mag gevraagd worden af te zien van het (Nederlandse) homo-'huwelijk'.
    In een geregistreerd partnerschap kan dezelfde zekerheid worden vastgelegd. Daarmee blijft het Bijbelse huwelijk erkend.
  5. Het  recht op een volwaardige plaats in de gemeente kan worden gemarkeerd op gepaste wijze met een voorbede.
    De kerkenraad moet duidelijkheid geven over de positie van de betrokkenen in de gemeente. Zo'n gebed bij het aangaan van hun verbintenis kan betrokkenen bemoedigen.

Br. Poutsma

Besluit 3/grond 1: zijn er dan al eerder 'bevestigde' uitspraken? Beter is het te formuleren: … een eerdere benadering te wijzigingen dan wel te bevestigen. Als besluit 3b aangeeft dat in beide gevallen meer inzicht nodig is dan moet niet bij grond 1 over bevestiging worden gesproken. Wij weten het ook niet. Daar geeft 3b uiting aan.

 

Waarom is het advies van De Bruijne niet overgenomen?

 

Ds. Roth

Het is me heel helder: geen studiedeputaatschap instellen. Want eerst moet dit op het grondvlak uitkristalliseren en de discussies zijn gevoerd.

Prof. De Bruijne adviseert onderwijs aan en vorming van het grondvlak: maar dat vraagt toch nu juist eerst om helderheid. Of is de quaestio toch eigenlijk geen vraag?

 

Br. Van Winden

Ik ben mordicus tegen een studiedeputaatschap. Er zijn al zoveel rapporten, ook van gelieerde kerken. Over vier synoden hebben we het er nog over. Dat is niet erg pragmatisch.

 

Ds. Stolper

Ik heb een ordevoorstel. Als dat niet wordt aangenomen zal ik alsnog mijn commentaar geven.

1 Niets doen volgens De Bruijne? Dan haalt de praktijk ons in. We moeten helderheid geven en daarmee ook recht doen aan broeders en zusters die in onthouding leven. 

2 Aan een studiedeputaatschap kleven soortgelijke bezwaren. Er komt niets nieuws, en niet meer eenheid. Niet doen dus.

3 De huidige situatie handhaven kan ook niet zonder meer want er is iets veranderd. En we krijgen niet zomaar inzicht. Toch moeten we inhoudelijk wat doen.

 

Daarom mijn voorstel: Over zeg negen maanden, komen we weer bij elkaar en maken dan een keuze. We kunnen die nu niet zomaar maken. De keuze moet ook recht doen aan CGK of NGK.

 

Br. Poutsma

Ik heb ook een ordevoorstel. Laten we toch maar eerst als synodeleden meer informatie vergaren en de commissie en de adviseur de vragen laten beantwoorden.

 

Preses

We maken deze ronde af,  beantwoorden vragen en behandelen dan het ordevoorstel van Stolper.

 

Ds. Balk

Besluit 1 is een graat in mijn keel. Er moet een volwaardig plaats zijn voor lesbiennes, homo's, biseksuelen en transgenders. Het gaat éérst om hun acceptatie. Daarná kan het gesprek over moeilijke teksten plaatsvinden, over kruisdragen bijvoorbeeld.

Een homoseksuele broeder bezoekt de gaypride in Amsterdam. Dat is geen poel van liederlijkheid, afgezien van incidenten, maar een plek waar hij zich veilig en op z'n plaats voelt. Terwijl de kerk dat zou moeten zijn.

Het is goed dat besluit 3 gastvrijheid voor homo's noemt, maar onderwijs en vorming gaat toch niet alleen over homo's?

Volgens het besluit moeten we om eensgezindheid bidden, maar waarom? Het gaat toch eerder om het beeld van Christus, om liefde te tonen?

Lesbiennes en homo's hebben er veel baat bij dat afwijking van de gewone standaard wordt getolereerd. Het gaat meer om geestelijke verbondenheid.

Ik overweeg een tegenvoorstel in te dienen.

 

Ds. Dijkema

In de CGK Wekker werd een heel nummer aan homoseksualiteit gewijd. Schrijnende en hartverwarmende, ook persoonlijke verhalen. Ik waardeer de CGK heel erg ondanks dat ik hun richting niet geheel deel. Na hun laatste besluit is er een taakgroep ingesteld om de besluiten met de gemeenten te bespreken. Misschien kan dat uitgebreid worden met andere kerken. Heeft de commissie misschien al contact met de taakgroep gehad?

 

We zouden ons moeten 'bezinnen' op de vraag, maar dat is nogal vaag. Hoe stelt de commissie zich dat voor?
Mijn eigenlijke punt is: wees heel voorzichtig met uitspraken. Kijk ook naar de kerkelijke uitspraak van de CGK hoewel die misschien te zwaar is. Doe geen kerkelijke uitspraak want het gaat om maatwerk. Daarom moeten we niet verder gaan dan een handreiking.

 

Ds. Basoski

Is de impliciet bestaande lijn niet meer te verdedigen? Moeten we dat dan niet beargumenteerd uitspreken? De timing van het ordevoorstel verwart mij.

 

Commissie – Ds. Van Loon

We zijn naar adviseur De Bruijne gegaan. De toevoeging van een besluit om een studiedeputaatschap te benoemen moet het moderamen maar toelichten.

Er was een overtuiging, zie de boekjes van Douma, vorige synoden hebben die bevestigd. Ik ben steeds meer voor een adempauze gezien de verdeeldheid.

 

Preses

Het moderamen kreeg de besluittekst onder ogen. We hebben overwogen dat de gronden voor het eerste besluit dezelfde gronden waren als die een studiedeputaatschap rechtvaardigen. Op deze wijze zouden we dan toch iets doen voor Hardenberg.

 

Adviseur – Prof. De Bruijne

Ik sta hier in verlegenheid. Het boek over homoseksualiteit dat ik aan het schrijven ben is er nog niet. Het zal ook veel discussie losmaken en iets laten uitkristalliseren. Eigenlijk is het boek al te laat.
Het grote gevaar in de GKv is dat gedacht wordt dat eensgezindheid maakbaar is door een studiedeputaatschap. Soms geeft de Geest inderdaad eensgezindheid om een richting te vinden, een overtuiging te delen. Maar soms komt er een oordeel over ons.

 

We staan als kerken ergens, vandaar ook 'bevestigen'.

 

Ik begrijp de vragen van Hardenberg maar de antwoorden zijn niet maakbaar. Ik denk dat er een grote uitdaging ligt op dit terrein. Ethische vragen kunnen niet alleen door luisteren naar de Bijbel worden beantwoord. We zullen ook een antwoord moeten vinden op wat precies homoseksualiteit is. Wij zagen het als een begeerte die niet bevredigd mocht worden. En in de moderne tijd is er de hulplijn gebrokenheid.
De evolutiebiologie daagt ons uit: gaat het wel om gebrokenheid? Of is het een menselijke variant? Daar ben ik geen aanhanger van. Maar we moeten wel nadenken of het gaat om gebrokenheid of ontwikkeling. Is misschien identiteit een hulplijn? Die vraag moet worden beantwoord.

Als seks ethisch binnen in het huwelijk hoort, dan moet je je afvragen of homoseks daarbuiten wél kan. Nee dus.

 

Hoe moeten we omgaan met de pijn? Met de pastorale pijn zoals Hardenberg die uit?

De hoofdvraag is: als het in homoseksualiteit om een identiteit gaat, dan is niet de vraag wat wel en niet mag maar welke positieve roeping van God er is in zo'n leven, hoe van nut te zijn in de kerk en in zijn koninkrijk.

 

Deze quaestio legt een heel probleem op tafel. Na jarenlange discussies blijft de verwarring. We staan in een traditie, daar kunnen we nu niets aan veranderen. Er zijn open praktische en diepe vragen, maar we kunnen niet zomaar afstand van de traditie doen in deze situatie.

 

'Vorming en onderwijs' heeft te maken met het feit dat, in de huidige kerkelijke situatie, er over tucht en vermaan verwarring en verlegenheid is. Met grote terughoudend moet met tucht worden omgegaan. Van tucht mag alleen sprake zijn als er verzet is tegen de Heer. Om onderwijs en vorming is weliswaar niet gevraagd maar we kunnen het ook niet blauwblauw laten.

 

Het voorstel van Heij is mij heel sympathiek maar het kan niet op korte termijn. Er zijn groeiende verschillen. We overschatten de mogelijkheid van de kerk om dit nu te regelen. Als we toch een studiedeputaatschap instellen dan moeten we alle diepe vragen bespreken en wachten op consensus. Dat zal lang duren. Misschien dat een antwoord in beeld komt. Maar het is niet maakbaar.

Wel kunnen we nu de concrete pastorale ruimte wat inkleuren.

We staan in een bepaalde traditie. Misschien dat een ander antwoord in beeld komt.

 

Preses

We moeten hier nog eens goed over nadenken en de koppen bij elkaar steken. Wat blijft er nu van alle dingen over? Daarna gaan we inventariseren.
 

BESPREKING ORDEVOORSTEL STOLPER

[na pauze]

 

Preses

Gehoord de reactie van De Bruijne komen we terug op het studiedeputaatschap voorstel. We zien wél een mogelijkheid voor een pastorale handreiking, in het verlengde van de handreiking die Heij voorstelt. We denken aan een aantal mensen dat een voorstel voorbereidt, en eventueel een gesprek met classis Hardenberg aangaat.

We stoppen dan nu met de behandeling met de zaak en komen over niet te lange tijd samen met de commissie uit synode met een gericht advies aan Hardenberg.

 

Ds. Dreschler

Ik kon we vinden in het advies van De Bruijne. Maar over negen maanden een pastorale handreiking met zo'n lastig dossier? We kunnen ons beter aansluiten bij de huidige uitspraken. Wat Hardenberg vraagt is een vrij algemene levende vraag en niet alleen van hen.

 

Br. Poutsma

Ik ben het met Dreschler eens. Om over negen maanden met een pastorale handreiking te komen moeten we het er dan inhoudelijk wel allemaal over eens zijn. Dat vraagt het hele onderwerp te bestuderen. Ik zie dat niet zitten.

 

Br. Stelpstra

Ik was voorzitter van de kerkenraad toen dit speelde. Er was een liefdevolle situatie. Het ging om het aangaan aan het Avondmaal. We vroegen aan betrokkenen niet aan te gaan. Maar in de kerk gaat het niet om 'selfie-tucht' maar om afhouden.
In GKv Zwolle laat men wél toe aan het Avondmaal. Daarom vragen wij aan de synode: wat is het beleid in het land? Om dit soort vraagstukken gaat het.

 

Ds. Stolper

Ik vond het nu qua timing beter eerst ieder aan het woord te laten. We raken verstrikt in het pastoraat. Wij kunnen niet zomaar veranderingen doorvoeren. En als je niets doet dan blijft het bij het oude. We moeten dus wachten op de pastorale handreiking.

 

Adviseur – Prof. De Bruijne

Pragmatisch handelen en proberen is beter dan helemaal niets doen. En daarbij uitgaan van de uitspraken die er zijn. Wel zijn die uitspraken onvoldoende en is de praktijk in de kerken verschillend.
Ik aarzel over het voorstel van br. Heij, maar probeert u wat u kunt.

 

STEMMING

V29O02T00.

 

Preses

We gaan ons bezinnen hoe dit handen en voeten te geven in een zorgvuldige pastorale handreiking richting Hardenberg.

 

BIJLAGEN

 

BIJLAGE 1 – Concept besluiten

26-V-1 Quaestio classis Hardenberg conceptbesluiten ter behandeling op 19 mei 2017

 

Materiaal: brief van de classis Hardenberg (2-12-2016), met de vraag of er ruimte is voor een volwaardige plaats in de gemeente van Christus voor “de homoseksueel die de Here oprecht liefheeft en in liefde en trouw wil leven”.

 

Besluit 1:

de vraag van de classis Hardenberg op dit moment niet te beantwoorden.

 

Besluit 2: een studiedeputaatschap te benoemen met de opdracht zich te bezinnen op de vraag die door de classis Hardenberg is aangedragen.

 

Besluit 3:

  1. de kerken op te roepen om zich in het kerkelijk handelen met betrekking tot homo’s toe te leggen op gastvrijheid, begeleiding, onderwijs en vorming, en terughoudend te zijn met maatregelen van tucht;
  2. de kerken te vragen aanhoudend te bidden om hernieuwde eensgezindheid, hetzij in de vorm van overtuigend nieuw inzicht, hetzij in de vorm van hernieuwde overtuiging met betrekking tot de traditionele gedragslijn.

Gronden:

  1. de generale synode is op dit moment niet in staat om de bestaande, door eerdere synodes bevestigde, benadering van homoseksualiteit te wijzigen;
  2. terecht stelt de classis Hardenberg dat zich op dit terrein vragen aandienen die binnen die bestaande benadering nog niet afdoende onder ogen zijn gezien en beantwoord;
  3. de bestaande gedragslijn blijkt voor steeds meer betrokkenen zelf niet overtuigend te zijn, waardoor homo’s en lesbiennes vaak van de kerk en soms van God vervreemden;
  4. binnen de kerken groeit de pluraliteit en onzekerheid in de bezinning op homoseksualiteit in het algemeen en de kerkelijke omgang met samenlevende homo’s bijzonder.

 

BIJLAGE  2 – Advies prof. dr. A.L.Th. de Bruijne

 

Advies m.b.t. de Quaestio Classis Hardenberg m.b.t. kerkelijke omgang met homoseksualiteit

  1. De classis Hardenberg stelt een reëel probleem aan de orde. Uit de praktijk van het kerkelijk leven blijkt dat de vrijmoedigheid bij het volgen van de lijn die lijkt te moeten voortkomen uit het Bijbelse ‘nee’ op homoseksuele handelingen afneemt (zie Ad de Bruijne, Open en kwetsbaar, 2012, hoofdstuk 12). Sommige kerkenraden praktiseren van harte of de facto tolerantie. Andere kerkenraden, voorgangers en kerkleden tonen zich daarover  verontrust.
     
  2. Toch gaat de formulering van het probleem in allerlei opzichten mank.
    1. In de eerste plaats poneert de classis dat het exegetische werk inmiddels gedaan is en tot eenduidige conclusies heeft geleid. Dit wordt echter niet bewezen. Weliswaar beroept de classis zich op enkele auteurs en geeft zij een korte samenvatting van hun exegetische betoog (waarin gemakkelijk het werk van Robert Gagnon herkenbaar is), maar wie het veld enigszins overziet, beseft dat daar allerlei andere auteurs tegenover gezet kunnen worden.
    2. In de tweede plaats hanteert de classis een merkwaardige opvatting van de begrippen ‘exegese’ en ‘hermeneutiek’. Deze komt uit in de zin: “De uitkomst na het exegetisch werk mag helder zijn, de hermeneutische vraag die rijst is: hoe moeten wij omgaan met deze spanning tussen de normatieve Bijbel en onze werkelijkheid?” Het is onvruchtbaar om de vraag wat de verantwoorde omgang met homoseksuele handelingen is op de noemer ‘norm’ en ‘werkelijkheid’ te zetten. De Bijbel kent geen onpersoonlijke ‘normen’ maar alleen de wil van de levende Heer. Het gaat er niet om dat we ter wille van de praktijk eventueel wat marchanderen met die wil (of ‘norm’) maar dat we de wil van de Heer voor die gebroken praktijk leren onderscheiden. Dat kan nu eenmaal niet door alleen Bijbelteksten te exegetiseren maar vraagt een veel bredere aanpak van het probleem. Exegese is niet het fundament waarop je vervolgens een soort hermeneutische bovenbouw zet, maar exegese vormt één van de momenten in het verstaansproces als geheel en is onderdeel van hermeneutiek.
    3. In de derde plaats gaat de classis er even vlot van uit dat de Here ‘homoseksuele intimiteit’ verbiedt. Dat lees ik echter nergens. Het woord ‘intimiteit’ komt in de Bijbel niet voor en wordt binnengesmokkeld vanuit ons eigen verstaanskader. Dit illustreert enerzijds dat in de exegese zelf ook al sprake is van hermeneutiek maar schept bovendien nieuwe problemen. Het bewijst hoezeer ook de classis kennelijk ten prooi is gevallen aan de typisch hedendaagse gelijkstelling van intimiteit en lichamelijkheid met seksualiteit. Beiden verdienen het juist onderscheiden te worden. Intimiteit kan bestaan zonder seksualiteit. Meerderen (onder andere Luiten, Douma en ikzelf) hebben juist gepleit voor het wel ruimte scheppen voor intimiteit tussen homo’s maar zonder geslachtsgemeenschap. Wat de Bijbel afkeurde betrof homoseksuele geslachtsgemeenschap of wat daar dichtbij kwam (in het geval van vrouwen). Overigens is ook de term ‘seksualiteit’ niet Bijbels en anachronistisch.
    4. De classis volgt dezelfde redenering die ik volgde in Open en kwetsbaar (hoofdstuk 6). Deze gaat ervan uit dat homoseksualiteit binnen de nieuwtestamentische gemeenten  geen probleem vormde, zoals evenmin onder de Joden. Homoseksuele geslachtsgemeenschap gold als typerende ontsporing van niet-Joden en niet-christenen. Wie christen werd en toetrad tot de gemeente liet dat volgens 1 Kor 6 direct achter zich. Daarmee blijft echter niet, zoals de classis zegt, de homoseksueel die wil samenleven in ‘liefde en trouw’ buiten beeld want voor zover wij kunnen reconstrueren (met verrekening van ook hier allerlei anachronismen) bestond die in Paulus’ tijd wel degelijk. Wel blijft buiten beeld de christen die binnen de gemeente opgroeit en de Heer liefheeft en vervolgens stuit op zijn of haar homoseksuele gevoelens. De vraag wat hij of zij daarmee moet en hoe de kerk hem of haar moet tegemoet treden, bespreken de apostelen nergens. Waarschijnlijk kwam dit niet voor, zoals het al even waarschijnlijk is dat bekeerde actieve en passieve homopartners daarna niet nog steeds het idee hadden dat ze een homoseksuele identiteit bezaten waar ze iets mee moesten. Waarschijnlijk zagen ze eventuele homoseksuele verlangens als één van de vele begeerten die christenen moesten bestrijden. Overigens laat het gebruik van het woord ‘waarschijnlijk’ al zien dat zowel de classis als ik zelf hier een ‘argumentum e silentio’ gebruiken, dat natuurlijk niet volledig overtuigend kan zijn.
    5. Maar bovendien betekent deze analyse dat de classis het eigenlijke probleem niet adequaat beschrijft. Bij bovenstaande reconstructie wordt het eigenlijke probleem dat christenen met homoseksuele begeerten in het Nieuwe Testament niet geneigd waren deze te beschouwen als onvervreemdbaar onderdeel van hun identiteit en wij wel. Dat komt door culturele verschuivingen en wellicht door toegenomen kennis sindsdien. De vraag is hoe wij daarmee moeten omgaan. Zodra wij concluderen dat wij deze klok niet terug kunnen draaien (zoals Douma eigenlijk al heeft gedaan), staan wij – inderdaad, daarin heeft de classis gelijk! – voor een gedeeltelijk nieuwe ethische vraag die niet afdoende beantwoord kan worden vanuit de Bijbelteksten waarin homoseksuele gemeenschap wordt veroordeeld.
       
  3. Bovenstaande analyse van de vraag van de classis en de aard van het probleem dat zij signaleert, impliceert dat zij een veel groter probleem op de tafel van de GS legt dan haar Quaestio suggereert. Anders dan de eerste indruk die zij geeft, gaat het niet om een overzienbaar deelaspect van een thematiek die grotendeels helder is. Ten diepste ligt hiermee de hele discussie over homoseksualiteit op de tafel van de GS. Daarom zal de GS niet kunnen volstaan met een toegespitst antwoord op een overzichtelijke detailvraag. Zij zal de thematiek als geheel moeten doordenken en daarin een standpunt bepalen, wil zij de Quaestio kunnen beantwoorden. Dat zou in theorie kunnen door in enkele weken consensus te bereiken of door jarenlang een studiedeputaatschap aan het werk te zetten.
     
  4. Aan beide routes kleven bezwaren:
    1. In de eerste plaats hebben eerdere GS-sen naar aanleiding van concrete casussen (Almelo, Zwolle-Noord) (met Bijbelse en spirituele gronden onderbouwde) uitspraken gedaan die een combinatie van twee accenten inhielden:
      I: Erkenning van de eigen verantwoordelijkheid en pastorale ruimte van kerkenraden in concrete gevallen
      II:Eenduidige afwijzing van homoseksuele relaties, zelfs wanneer daarin sprake was van een ‘gelofte van onthouding’.
      Ik vind de genoemde besluiten zelf ongelukkig maar ontkom er niet aan ze hier wel te verrekenen. Wanneer Hardenberg in feite de hele problematiek opnieuw op tafel legt, is het de vraag of zij zich niet nadrukkelijker had moeten confronteren met die bestaande uitspraken. Een nieuwe GS kan toch moeilijk de besluiten van haar voorgangsters negeren en bij nul beginnen.
    2. Het feit dat veel min of meer orthodoxe kerken in de wereld in de afgelopen tijd jarenlang hebben gestudeerd op het thema homoseksualiteit en dit hebben laten uitmonden in gedegen rapporten (Christian Reformed Church, Dopperkerken, NG kerken, CGK, NGK, allerlei baptisten, etc.) zou het tot een vorm van overmoed maken wanneer de GS hier in een paar weken uit denkt te kunnen komen.
    3. Het beleid is om terughoudender te zijn met studiedeputaatschappen. Bovendien leren eerdere ervaringen (Huwelijk en echtscheiding, Samenlevingsvormen, MV-kerk) dat de resultaten zelden leiden tot gedeelde overtuigingen en dat het proces standaard meerdere synoden omvat. Het thema homoseksualiteit zal waarschijnlijk nog tot sterkere polarisatie leiden dan die eerdere onderwerpen. Bovendien gaat de praktijk intussen haar eigen gang en is de invloed van de GS daarop steeds beperkter. Mijn mening (ik maakte van de meeste van deze deputaatschappen zelf deel uit) is dat het omgekeerd moet. Eerst moet zich duidelijkheid uitkristalliseren op het grondvlak van de gemeenten en de theologische en praktische bezinning en discussie. Daarna kan eventueel geoogst worden. Bovendien is mijn verwachting dat dit proces rond het thema homoseksualiteit nog lang onafgerond zal blijven. Er liggen hier mijns inziens zulke ingrijpende vragen op het terrein van hermeneutiek, huwelijk en seksualiteit, kerk zijn in de wereld en navolging, dat we daar voorlopig niet samen uit lijken te komen. In ieder geval kan dat niet procesmatig worden afgedwongen. Nieuw inzicht of hernieuwde overtuigingskracht voor het bestaande inzicht moeten gegeven worden.
       
  5. Daarom pleit ik ervoor de Quaestio van Hardenberg niet te beantwoorden. Het bestaande beleid blijft daarmee overeind. Wel is het goed om het probleem dat Hardenberg signaleert (eventueel helderder verwoord) publiek te honoreren, en aan de kerken aan te bevelen dat probleem en de verlegenheid die het met zich meebrengt, nadrukkelijk onder ogen te zien en te honoreren. De consequenties daarvan én van de achterliggende aanleiding van groeiende pluraliteit in omgang met samenlevende homo’s en afnemende vrijmoedigheid om wat tot nu toe geldt als de Bijbelse lijn ook concreet te handhaven, moeten daarbij eerlijk benoemd worden. In Open en kwetsbaar (hoofdstuk 6) heb ik daartoe al een voorstel gedaan.
     
  6. Daarom zou de GS ongeveer het volgende kunnen uitspreken
    1. De GS is op dit moment niet in staat om de bestaande door eerdere synodes bevestigde benadering van homoseksualiteit te wijzigen maar spreekt wel uit dat de classis Hardenberg met haar Quaestio terecht aandacht vraagt voor het feit dat zich op dit terrein vragen aandienen die binnen die bestaande benadering nog niet afdoende onder ogen zijn gezien en beantwoord;
    2. De GS constateert dat de bestaande lijn voor steeds meer betrokkenen zelf niet overtuigend lijkt en is ermee bewogen dat homo’s en lesbiennes vaak van de kerk en soms van God vervreemden.
    3. De GS constateert groeiende pluraliteit en onzekerheid in de bezinning op homoseksualiteit in het algemeen en de kerkelijke omgang met samenlevende homo’s in het bijzonder en beveelt de kerken aan aanhoudend te bidden om hernieuwde gemeenschappelijkheid hetzij in de vorm van overtuigend nieuw inzicht of in de vorm van hernieuwde overtuiging met betrekking tot de bestaande lijn.
    4. De GS roept de kerken op om in het licht van de nog onbeantwoorde vragen, de dreigende vervreemding van de kerk bij homo’s, en de groeiende onzekerheid en pluraliteit binnen de gemeenten in het kerkelijk handelen met betrekking tot homo’s alle nadruk te leggen op gastvrijheid, begeleiding, onderwijs en vorming en zeer terughoudend te zijn met maatregelen van tucht.