Ethiek

Synodeverslagen

Nieuwe artikelen
Signalen



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Synodeverslag week 1222-23 - TUK Voorstellen en Besluiten


Theologische Universiteit - Voorstellen en Besluiten

 

DEEL 1a – GEAMENDEERDE BESLUITEN TUK

 

Materiaal:

  1. rapportage van de Raad van Toezicht en College van Bestuur van de Theologische Universiteit te Kampen (TU) d.d. mei 2012;
  2. Bijlage 1: toelichting op ontwerpstatuut TU;
  3. Bijlage 2/3: ontwerpstatuut TU;
  4. Bijlage 3a: ondertekeningsformulier leden RvT;
  5. Bijlage 3b: ondertekeningsformulier leden curatorium;
  6. Bijlage 4: brief aan de Canadian Reformed Churches d.d.26 maart 2012;
  7. Bijlage 5: profielschets leden RvT;
  8. Bijlage 6: profielschets leden curatorium;
  9. Bijlage 7: voorstel instelling bijzondere leerstoel christelijke identiteit;
  10. Bijlage 8: rapport strategische versterking;
  11. Bijlage 9: rapport strategische versterking, onderdeel internationalisering;
  12. Bijlage 10: ‘Op weg naar een Praktijkcentrum: samenwerken in de kerkelijke dienstverlening’.
  13. Bijlage 11: regeling studiefinanciering;
  14. Bijlage 12: statuut voor het bureau studiefinanciering. 

Kanttekeningen Mollema/Wezeman en reactie RvT


Besluit 1: V33TO


uit te spreken dat de Raad van Toezicht met deze rapportage heeft voldaan aan de opdracht van de generale synode, zoals vermeld in Acta GS Harderwijk 2011, art. 66, besluiten 7 en 11.


Besluit 2: V35T-O-


het besluit inzake het universiteitsberaad (Acta GS Harderwijk 2011, art. 66, besluit 9) te laten vervallen met ingang van 1 januari 2013.

Gronden:

  1. de bestuurlijke druk binnen de TU dient te worden teruggedrongen;
  2. de belangstelling om aan dit beraad deel te nemen blijkt in de praktijk gering.;
  3. de voorbereiding van het Beraad en de deelneming eraan vergt van de universiteit een grote inzet, die niet in verhouding staat tot het mogelijke resultaat;
  4. de doelstelling van het beraad kan in de praktijk beter op andere meer gerichte manieren worden bereikt, zoals recent gebeurt door de aanwijzing van een contactpersoon per gemeente, de inrichting van het Praktijkcentrum en de uitgifte van het TU Magazine.

VERVALLEN Besluit 3 (Voorstel oprichting buitengewone leerstoel “christelijke identiteit”)

een buitengewone leerstoel christelijke identiteit in te stellen (vervallen) conform artikel 33 van het statuut van de Theologische Universiteit en daarbij het huidige reglement voor bijzondere leerstoelen vervallen te verklaren met ingang van een door het College van Bestuur te bepalen datum.

 

Buitengewoon hoogleraar

Grond:
de instelling van een bijzondere leerstoel christelijke identiteit past in de strategie van de TU en zal een zinvolle en relevante bijdrage leveren aan het leven en werken van christenen in deze maatschappij.

  1. In het nog vast te stellen universiteitsreglement kunnen bepalingen worden opgenomen met betrekking tot bijzonder hoogleraren. Op deze manier kunnen de bepalingen die gelden voor andere docenten van overeenkomstige toepassing worden op bijzonder hoogleraren, verbonden aan een bijzondere leerstoel

Besluit 3 V35T-O-(Voorstel oprichting bijzondere leerstoel “christelijke identiteit”) Amendement Mollema, Bakker, Wezeman (CvB positief)

  1. uit te spreken dat het instellen van een buitengewone leerstoel Christelijke Identiteit door de synode  positief wordt gewaardeerd;
  2. de TUK op te dragen samenwerking te zoeken met de TUA en andere relevante instellingen bij het instellen van zo’n buitengewone leerstoel
  3. het huidige reglement voor bijzondere leerstoelen vervallen te verklaren met ingang van een door het College van Bestuur te bepalen datum

Gronden :

  1. De leerstoel zal naar zijn aard een verdere strekking hebben dan de GKv-wereld en dus is samenwerking met genoemde andere partijen die een eender belang hebben onontbeerlijk
  2. (Statuut) In het nog vast te stellen universiteitsreglement kunnen bepalingen worden opgenomen met betrekking tot bijzonder hoogleraren. Op deze manier kunnen de bepalingen die gelden voor andere docenten van overeenkomstige toepassing worden op bijzonder hoogleraren, verbonden aan een bijzondere leerstoel.

Mollema, Wezeman, Bakker


Besluit 4
(Voorstel uitwerking samenwerking met andere theologische opleidingen)


de Raad van Toezicht en het College van Bestuur met betrekking tot strategische versterking van de positie van de TU de volgende maatregelen te fiatteren c.q. op te dragen

  1. zelfstandig voort te gaan op de weg van strategische versterking, ook als dit vooralsnog niet in gezamenlijkheid met de Theologische Universiteit Apeldoorn mogelijk is;
  2. verbindingen aan te gaan met andere instellingen op het terrein van theologisch onderwijs voor een samenwerking die voldoet aan de door de synode eerder gestelde randvoorwaarden (voornamelijk 3 en 4) en die tegelijk de TU verder brengt in de gesignaleerde noodzaak van versterking;
  3. ruimte te bieden aan andere instellingen om voor de aan hen verbonden studenten een deel van de opleiding zelf te verzorgen binnen de accreditatie van de TU;
  4. samenwerking aan te gaan met de Evangelische Theologische Faculteit Leuven en andere partners op het gebied van het theologisch onderzoek, met handhaving van de bestaande samenwerking in onderzoeksprogramma’s met de Theologische Universiteit Apeldoorn;
  5. na te gaan, welke consequenties de noodzakelijke versterking en/of de samenwerking met anderen hebben voor de locatie waar de TU gevestigd is, en daarbij vooral de optie van vestiging in een grote universiteitsstad nader te onderzoeken.

Amendement TU relocatie Mollema, Wezeman, Bakker, Judels, Niemeijer, Mars

Conceptbesluit 4.e vervalt (ingetrokken)

Motivatie (ter vergadering aan te voeren door de indiener van het amendement)

  1. Door in de omschrijving van het onderzoek al een voorkeur op te nemen voor een grote universiteitsstad is objectief onderzoek naar alle opties niet meer mogelijk en is naar buiten toe de schijn reeds gewekt dat het onderzoek nog slechts dient om de wens van de TU te ondersteunen.
  2. De TU heeft de komende jaren een groot aantal ambities waar te maken, die de bestuurlijke capaciteit onder druk zullen zetten.
  3. Verhuizing van de TU is een stap met ingrijpende organisatorische sociale , financiële en emotionele consequenties. Zelfs anticipatie daarop kan veel energie kosten van alle bij de TU betrokkenen.
  4. Verhuizing van de TU naar een grote universiteitsstad kan de samenwerking met de TU Apeldoorn onder druk zetten.
  5. De noodzaak tot eventuele relocatie van de TU hangt samen met de mate waarin een aantal voorliggende strategische ambities zullen worden verwezenlijkt. Daarover valt nu nog geen oordeel te vellen.

Besluit 4 (Voorstel uitwerking samenwerking met andere theologische opleidingen) Ten Brinke, Mollema, Wezeman, Bakker


de Raad van Toezicht en het College van Bestuur met betrekking tot strategische versterking van de positie van de TU de volgende maatregelen te fiatteren c.q. op te dragen

  1. voort te gaan op de weg van strategische versterking en daarbij te blijven streven naar gezamenlijkheid met de Theologische Universiteit Apeldoorn;
  2. verbindingen aan te gaan met andere instellingen op het terrein van theologisch onderwijs voor een samenwerking die voldoet aan de door de synode eerder gestelde randvoorwaarden (voornamelijk 3 en 4) en die tegelijk de TU verder brengt in de gesignaleerde noodzaak van versterking;
  3. ruimte te bieden aan andere instellingen om voor de aan hen verbonden studenten een deel van de opleiding zelf te verzorgen binnen de accreditatie van de TU;
  4. samenwerking aan te gaan met andere partners op het gebied van het theologisch onderzoek, waaronder de ETF, met handhaving van de bestaande samenwerking in onderzoeksprogramma’s met de Theologische Universiteit Apeldoorn; V33TO
  5. na te gaan, welke consequenties de noodzakelijke versterking en/of de samenwerking met anderen hebben voor de locatie waar de TU gevestigd is;(rest vervallen). V25T6O2
  6. (ontraden door RvT; ingetrokken) Zo mogelijk samen met de TUA met externe hulp onderzoek te doen naar ver gaande strategische samenwerking tussen TUK,TUA en eventuele andere partijen.

Grond: (ontraden door RvT; gehandhaafd)


V7T26O-
De TU Apeldoorn is de belangrijkste partner als het gaat om samenwerking. De synode sprak de wil uit om biddend, vanuit de roeping tot eenheid, de weg naar kerkelijke eenheid met de CGK te vervolgen (Acta hoofdstuk …, artikel …besluit 1). Samenwerking in de theologische opleiding is belangrijk met het oog op kerkelijke eenheid. Met de docenten en onderzoekers van de TU Apeldoorn wordt al een groot aantal jaren samengewerkt.
(indieners hebben rest laten vervallen) Aan de synode van de CGK 2013 zal gerapporteerd worden over een verkenning met betrekking tot de toekomst van de TU Apeldoorn. Het perspectief op een brede gereformeerde theologische opleiding in gezamenlijkheid met de TU Apeldoorn mag niet negatief worden beïnvloed doordat de TU Kampen daaraan voorafgaand zelfstandige stappen doet.


Besluit 5 V35T-O-
(Internationalisering)

  1. uit te spreken dat het rapport in bijlage 9 tegemoet komt aan de wens van de synode dat meer inhoud moet worden gegeven aan internationalisering;
  2. een oproep te doen aan het adres van de zgn. zendende instanties binnen de GK om elk een structureel deel van hun begroting in overleg met de TU en DVN-ZHT te blijven besteden aan theologische opleiding en kennisuitwisseling als in het rapport beschreven.

 Besluit 6 (Praktijkcentrum) V34T1O-

  1. goedkeuring te verlenen aan het voornemen van de TU en Centrum-G om samen met de Gereformeerde Hogeschool (GH) met voortvarendheid en zorgvuldigheid te streven naar de inrichting van één Praktijkcentrum op het gebied van praktische theologie, praktijkgericht onderzoek, kennisverwerving en dienstverlening;
  2. waardering uit te spreken voor de participatie van de GH in het proces van vorming van een Praktijkcentrum;
  3. in het Praktijkcentrum het desbetreffende (en hieronder genoemde) deel van de activiteiten van de TU, GH en Centrum-G onder te brengen;
  4. de TU, Centrum-G en Diaconaal Steunpunt (DS) op te dragen om verdere uitvoering te geven aan het commitment dat zij, samen met de GH, hebben om verder te werken aan een programmatische samenwerking;
  5. opdracht en mandaat te geven aan deputaatschap OOG en aan de TU om, samen met de GH, verder te werken aan de totstandkoming van een Praktijkcentrum, zodat uiterlijk 31 oktober 2012 (fase 1) een businessplan gereed ligt dat leidt tot de realisatie (bestuurlijke inbedding en vormgeving) van het Praktijkcentrum per 30 september 2013 (fase 2);
  6. (ingetrokken RvT) te bepalen dat het Praktijkcentrum bestuurlijk gevestigd zal zijn aan de TU;
  7. te bepalen dat partijen een stuurgroep samenstellen die vanuit de betrokken deputaatschappen c.q. organisaties in evenredigheid is samengesteld; deze stuurgroep zorgt voor sturing op en realisering van de programmatische fase en staat borg voor een goede organisatorische integratie (inclusief voor zover aan de orde een zorgvuldige uitvoering van een sociaal plan) volgens het businessplan;
  8. deputaten OOG en het College van Bestuur c.q. de Raad van Toezicht van de TU op te dragen via de stuurgroep in het businessplan bestaande goedlopende onderdelen van de respectievelijke uitvoerende organisaties te waarborgen;
  9. de budgettaire aanwijzing te geven dat een praktijkcentrum binnen de gezamenlijke instellingsbudgetten wordt gerealiseerd;
  10. opdracht te geven aan TU en deputaten OOG om gezamenlijk, via hun stuurgroep, te rapporteren over de totstandkoming van het Praktijkcentrum aan de Synode van 2014.

 Omdat deze besluitvorming interfereert met synodale besluitvorming in eerdere fase, besluit de synode tevens:

  1. deputaten OOG op te dragen aan de eerstvolgende synode te rapporteren over de wijze waarop functies worden of zijn ondergebracht zoals het beheer van een website of de projectgeldenverdeling voor het terrein van de gemeentestichting, omdat die functies niet meegaan naar het Praktijkcentrum;
  2. partijen op te dragen gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor de uitvoering van de volgende opdrachten, verstrekt aan deputaten OOG en GDD, omdat die deel uitmaken van de plannen voor een praktijkcentrum:
    1. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 52, besluit 2 m.b.t. de instelling van een advies-en Studiecentrum Gemeentegroei;
    2. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 54, besluit 3 m.b.t. de aandachtspunten binnen dit Studiecentrum;
    3. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 52, besluit 3 m.b.t. de oprichting van een catechetenschool;
    4. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 52, besluit 6 m.b.t. samenwerking op het gebied van diaconaat.
    5. deputaten OOG op te dragen om aan de eerstvolgende synode voorstellen te doen met betrekking tot de
  3. voortzetting dan wel inhoud van hun taak als deputaatschap, na de bestuurlijke en organisatorische integratie van het Praktijkcentrum.

Gronden:

  1. samenwerking en gedeeltelijke integratie van kerkelijke organisaties komt tegemoet aan de al langer bestaande wens van een kwalitatief betere en efficiënt georganiseerde dienstverlening aan de kerken (zie Acta GS 2008, art. 141 en bijbehorende stukken);
  2. de voorgestelde vorming van een praktijkcentrum is een goede invulling van de impulsen die de GS Zwolle-Zuid 2008 heeft gegeven om via overleg in een regiegroep partijen bij elkaar te brengen die gezamenlijk ondersteuning bieden voor de praktijken in de kerkelijke werkvelden;
  3. ze beantwoordt aan de opdrachten van de GS Harderwijk 2011 aan kerkelijke partijen om te bezien welke vormen van samenwerking en onderlinge afstemming van werkzaamheden mogelijk zijn, teneinde de door de kerken beschikbaar gestelde personele en materiële middelen zo doelmatig mogelijk te besteden.

    Noot 1: De samenwerking werd expliciet opgenomen in punt 5b van de nieuwe instructie aan deputaten OOG (Acta GS Harderwijk 2011, bijlage 5.5) en in besluit 7e over de TU Kampen (Acta GS Harderwijk 2011, art. 66). Het zoeken van samenwerking komt expliciet ook terug in punt e van de instructie aan deputaten GDD (Acta GS Harderwijk 2011 art. 58).

Besluit 7 V34T-O1 (Bezwaren vanuit de kerken m.b.t. benoemingen aan de TU)

uit te spreken dat het statuut voldoende waarborgen bevat voor een zorgvuldige procedure met betrekking tot benoemingen, zodat een specifiek protocol niet nodig is.

 

Besluit 8 V35T-O-(Integrale beroepsregeling)

uit te spreken dat een integrale beroepsregeling voor medewerkers en studenten niet mogelijk is, maar dat de doelstelling van de Generale Synode van Zwolle-Zuid 2008 in belangrijke mate op andere wijze is bereikt.

 

Gronden:

  1. ook al is een integrale beroepsregeling voor medewerkers en studenten niet mogelijk, er zijn tal van wettelijke en andere regelingen die voorzien in een deugdelijke rechtsbescherming van studenten en medewerkers, voorzien van beroepsmogelijkheden;
  2. door te zorgen voor een goede toegankelijkheid en onderlinge afstemming van de verschillende mogelijkheden van beroep en bezwaar wordt aan de doelstelling die GS Zwolle-Zuid 2008 voor ogen stond tegemoet gekomen.

Besluit 9 V33TO2 (Benoeming universitair docent Oude Testament)

op grond van de uitgebreide rapportage en het brede en zorgvuldige vooroverleg met relevante partijen per 1 september 2012 te benoemen tot universitair docent Oude Testament dr. K. van Bekkum (0,7 fte). (vacature dr. G. Kwakkel)

 

Besluit 10 V35T-O- (Omvang en samenstelling College van Bestuur)

de huidige formulering in het Statuut onder artikel 9.1 ongewijzigd te laten.

 

Grond:

de aangevoerde argumentatie met betrekking tot de omvang van het College van Bestuur (zie onderdeel 12 van Materiaal 1).

 

Besluit 11 V36TO (1 juni 2012) (Herziening, wijziging en actualisering van het Statuut)


a. het statuut van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken vast te stellen (bijlage XX)

         Artikel 8.6 (M/W ontwerpstatuut) Het college van bestuur stelt de risicobeheersing- en controlesystemen vast. Deze  behoeven de goedkeuring van de raad van toezicht.

         Verder het bestaande lid 8.6 omnummeren naar 8.7 (RvT overgenomen: OK maar let op samenhang / verwijzingen)

         Artikel14.3 (M/W ontwerpstatuut; ingetrokken) De raad van toezicht wijst uit zijn midden een auditcommissie aan en regelt haar samenstelling en bevoegdheden. Voorstel: schrappen:  Uit zijn midden (RvT/F&B: zit niet op te wachten)

 

b. (was 3c)(8 juni 2012)het huidige reglement voor bijzondere leerstoelen vervallen te verklaren met ingang van een door het College van Bestuur te bepalen datum.

 

Besluit 12 (ingetrokken)(F&B loyale opstelling) (Positie deputaten F&B in statuut TU)


opdracht te geven aan deputaten F&B en aan de RvT/CvB van de TU om, onder leiding van een terzakekundig lid van het moderamen van de synode, hun toekomstige werkverhouding te regelen in een separaat akkoord, daarbij recht doende aan de onlangs verruimde controllerstaak van F&B én aan het zelfstandig karakter van de TU als openbaar lichaam. Voorts daarbij rekening te houden met het voorkomen van onnodige stapeling van controles.

Het moderamenlid doet kort verslag aan de synode van de contacten en legt uiterlijk 15 augustus 2012 aan haar, gehoord beide partijen, een conceptbesluit voor, zodat de synode in haar septemberzitting hierover een besluit kan nemen.

 

Besluit 13 V35T-O- (Wijziging statuut Bureau Studiefinanciering)

  1. goedkeuring te verlenen aan het aangepaste Statuut Bureau Studiefinanciering;
  2. in te stemmen met de regeling studiefinanciering naar artikel 19 KO voor theologische studenten van de Gereformeerde Kerken in Nederland;
  3. kennis te nemen van het voornemen van de Raad van Toezicht om voor de eerstkomende synode met een wijzigingsvoorstel voor het toezicht op en de werkzaamheden van het Bureau.

Besluit 14:

  1. V22T8O3 voor de opdracht, als bedoeld in besluit 4e eenmalig een bedrag van € 35.000,-- beschikbaar te stellen;
  2. V33TO voor de uitvoering van besluit 5 (internationalisering) additionele middelen ter beschikking te stellen voor een jaarlijks bedrag van € 217.000,-- voor 2012 en van € 290.000,-- vanaf 2013 en volgende jaren.

Mollema/Wezeman

  1. Besluit 14b voor de uitvoering van besluit 5 (internationalisering) additionele middelen ter beschikking te stellen voor een jaarlijks bedrag van € 217.000,-- voor 2012   en van € 290.000,-- vanaf 2013 en volgende jaren.


Conceptbesluit 14a vervalt.


Motivatie:

Of: Dit is de logische consequentie van het vervallen van conceptbesluit 4e.

Of: € 35.000 is een aanzienlijk bedrag. Een dergelijk onderzoek moet ook kunnen uit de bestaande capaciteiten.


Mollema/Wezeman V3T31O1


Ook stellen wij een aanvullend besluit 15 voor: De deputaten F&B en de RvT van de TUK op te dragen in broederlijkheid en met klare argumenten met elkaar tot goede afspraken te komen over hun werkverhouding. Verder om in dezelfde sfeer en vanuit ieders verantwoordelijkheid en in alle openheid met elkaar voorstellen te maken inzake hoe te handelen met mee en tegenvallers in de exploitatierekening van de TU en daarmee de volgende synodes te dienen.


DEEL 1b – GENOMEN BESLUITEN TUK

 

Materiaal:

  1. rapportage van de Raad van Toezicht en College van Bestuur van de Theologische Universiteit te Kampen (TU) d.d. mei 2012;
  2. Bijlage 1: toelichting op ontwerpstatuut TU;
  3. Bijlage 2/3: ontwerpstatuut TU;
  4. Bijlage 3a: ondertekeningsformulier leden RvT;
  5. Bijlage 3b: ondertekeningsformulier leden curatorium;
  6. Bijlage 4: brief aan de Canadian Reformed Churches d.d.26 maart 2012;
  7. Bijlage 5: profielschets leden RvT;
  8. Bijlage 6: profielschets leden curatorium;
  9. Bijlage 7: voorstel instelling bijzondere leerstoel christelijke identiteit;
  10. Bijlage 8: rapport strategische versterking;
  11. Bijlage 9: rapport strategische versterking, onderdeel internationalisering;
  12. Bijlage 10: ‘Op weg naar een Praktijkcentrum: samenwerken in de kerkelijke dienstverlening’.
  13. Bijlage 11: regeling studiefinanciering;
  14. 14. Bijlage 12: statuut voor het bureau studiefinanciering.

Besluit 1:

uit te spreken dat de Raad van Toezicht met deze rapportage heeft voldaan aan de opdracht van de generale synode, zoals vermeld in Acta GS Harderwijk 2011, art. 66, besluiten 7 en 11.


Besluit 2:

het besluit inzake het universiteitsberaad (Acta GS Harderwijk 2011, art. 66, besluit 9) te laten vervallen met ingang van 1 januari 2013.

Gronden:

  1. de bestuurlijke druk binnen de TU dient te worden teruggedrongen;
  2. de belangstelling om aan dit beraad deel te nemen blijkt in de praktijk gering.;
  3. de voorbereiding van het Beraad en de deelneming eraan vergt van de universiteit een grote inzet, die niet in verhouding staat tot het mogelijke resultaat;
  4. de doelstelling van het beraad kan in de praktijk beter op andere meer gerichte manieren worden bereikt, zoals recent gebeurt door de aanwijzing van een contactpersoon per gemeente, de inrichting van het Praktijkcentrum en de uitgifte van het TU Magazine.

Besluit 3 Voorstel oprichting bijzondere leerstoel “christelijke identiteit”
uit te spreken dat het instellen van een buitengewone leerstoel Christelijke Identiteit door de synode  positief wordt gewaardeerd;

  1. de TUK op te dragen samenwerking te zoeken met de TUA en andere relevante instellingen bij het instellen van zo’n buitengewone leerstoel
  2. het huidige reglement voor bijzondere leerstoelen vervallen te verklaren met ingang van een door het College van Bestuur te bepalen datum

Gronden :

  1. De leerstoel zal naar zijn aard een verdere strekking hebben dan de GKv-wereld en dus is samenwerking met genoemde andere partijen die een eender belang hebben onontbeerlijk
  2.  In het nog vast te stellen universiteitsreglement kunnen bepalingen worden opgenomen met betrekking tot bijzonder hoogleraren. Op deze manier kunnen de bepalingen die gelden voor andere docenten van overeenkomstige toepassing worden op bijzonder hoogleraren, verbonden aan een bijzondere leerstoel.

Besluit 4 (Voorstel uitwerking samenwerking met andere theologische opleidingen)

de Raad van Toezicht en het College van Bestuur met betrekking tot strategische versterking van de positie van de TU de volgende maatregelen te fiatteren c.q. op te dragen

  1. voort te gaan op de weg van strategische versterking en daarbij te blijven streven naar gezamenlijkheid met de Theologische Universiteit Apeldoorn;
  2. verbindingen aan te gaan met andere instellingen op het terrein van theologisch onderwijs voor een samenwerking die voldoet aan de door de synode eerder gestelde randvoorwaarden (voornamelijk 3 en 4) en die tegelijk de TU verder brengt in de gesignaleerde noodzaak van versterking;
  3. ruimte te bieden aan andere instellingen om voor de aan hen verbonden studenten een deel van de opleiding zelf te verzorgen binnen de accreditatie van de TU;
  4. samenwerking aan te gaan met andere partners op het gebied van het theologisch onderzoek, waaronder de ETF, met handhaving van de bestaande samenwerking in onderzoeksprogramma’s met de Theologische Universiteit Apeldoorn;
  5. na te gaan, welke consequenties de noodzakelijke versterking en/of de samenwerking met anderen hebben voor de locatie waar de TU gevestigd is.

Besluit 5 (Internationalisering)

  1. uit te spreken dat het rapport in bijlage 9 tegemoet komt aan de wens van de synode dat meer inhoud moet worden gegeven aan internationalisering;
  2. een oproep te doen aan het adres van de zgn. zendende instanties binnen de GK om elk een structureel deel van hun begroting in overleg met de TU en DVN-ZHT te blijven besteden aan theologische opleiding en kennisuitwisseling als in het rapport beschreven.

 Besluit 6 (Praktijkcentrum)

  1. goedkeuring te verlenen aan het voornemen van de TU en Centrum-G om samen met de Gereformeerde Hogeschool (GH) met voortvarendheid en zorgvuldigheid te streven naar de inrichting van één Praktijkcentrum op het gebied van praktische theologie, praktijkgericht onderzoek, kennisverwerving en dienstverlening;
  2. waardering uit te spreken voor de participatie van de GH in het proces van vorming van een Praktijkcentrum;
  3. in het Praktijkcentrum het desbetreffende (en hieronder genoemde) deel van de activiteiten van de TU, GH en Centrum-G onder te brengen;
  4. de TU, Centrum-G en Diaconaal Steunpunt (DS) op te dragen om verdere uitvoering te geven aan het commitment dat zij, samen met de GH, hebben om verder te werken aan een programmatische samenwerking;
  5. opdracht en mandaat te geven aan deputaatschap OOG en aan de TU om, samen met de GH, verder te werken aan de totstandkoming van een Praktijkcentrum, zodat uiterlijk 31 oktober 2012 (fase 1) een businessplan gereed ligt dat leidt tot de realisatie (bestuurlijke inbedding en vormgeving) van het Praktijkcentrum per 30 september 2013 (fase 2);
  6. [Door RvT ingetrokken]
  7. te bepalen dat partijen een stuurgroep samenstellen die vanuit de betrokken deputaatschappen c.q. organisaties in evenredigheid is samengesteld; deze stuurgroep zorgt voor sturing op en realisering van de programmatische fase en staat borg voor een goede organisatorische integratie (inclusief voor zover aan de orde een zorgvuldige uitvoering van een sociaal plan) volgens het businessplan;
  8. deputaten OOG en het College van Bestuur c.q. de Raad van Toezicht van de TU op te dragen via de stuurgroep in het businessplan bestaande goedlopende onderdelen van de respectievelijke uitvoerende organisaties te waarborgen;
  9. de budgettaire aanwijzing te geven dat een praktijkcentrum binnen de gezamenlijke instellingsbudgetten wordt gerealiseerd;
  10. opdracht te geven aan TU en deputaten OOG om gezamenlijk, via hun stuurgroep, te rapporteren over de totstandkoming van het Praktijkcentrum aan de Synode van 2014.

 Omdat deze besluitvorming interfereert met synodale besluitvorming in eerdere fase, besluit de synode tevens:

  1. deputaten OOG op te dragen aan de eerstvolgende synode te rapporteren over de wijze waarop functies worden of zijn ondergebracht zoals het beheer van een website of de projectgeldenverdeling voor het terrein van de gemeentestichting, omdat die functies niet meegaan naar het Praktijkcentrum;
  2. partijen op te dragen gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor de uitvoering van de volgende opdrachten, verstrekt aan deputaten OOG en GDD, omdat die deel uitmaken van de plannen voor een praktijkcentrum:
    1. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 52, besluit 2 m.b.t. de instelling van een advies-en Studiecentrum Gemeentegroei;
    2. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 54, besluit 3 m.b.t. de aandachtspunten binnen dit Studiecentrum;
    3. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 52, besluit 3 m.b.t. de oprichting van een catechetenschool;
    4. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 52, besluit 6 m.b.t. samenwerking op het gebied van diaconaat.
  3. deputaten OOG op te dragen om aan de eerstvolgende synode voorstellen te doen met betrekking tot de voortzetting dan wel inhoud van hun taak als deputaatschap, na de bestuurlijke en organisatorische integratie van het Praktijkcentrum.

Gronden:

  1. samenwerking en gedeeltelijke integratie van kerkelijke organisaties komt tegemoet aan de al langer bestaande wens van een kwalitatief betere en efficiënt georganiseerde dienstverlening aan de kerken (zie Acta GS 2008, art. 141 en bijbehorende stukken);
  2. de voorgestelde vorming van een praktijkcentrum is een goede invulling van de impulsen die de GS Zwolle-Zuid 2008 heeft gegeven om via overleg in een regiegroep partijen bij elkaar te brengen die gezamenlijk ondersteuning bieden voor de praktijken in de kerkelijke werkvelden;
  3. ze beantwoordt aan de opdrachten van de GS Harderwijk 2011 aan kerkelijke partijen om te bezien welke vormen van samenwerking en onderlinge afstemming van werkzaamheden mogelijk zijn, teneinde de door de kerken beschikbaar gestelde personele en materiële middelen zo doelmatig mogelijk te besteden.

    Noot 1: De samenwerking werd expliciet opgenomen in punt 5b van de nieuwe instructie aan deputaten OOG (Acta GS Harderwijk 2011, bijlage 5.5) en in besluit 7e over de TU Kampen (Acta GS Harderwijk 2011, art. 66). Het zoeken van samenwerking komt expliciet ook terug in punt e van de instructie aan deputaten GDD (Acta GS Harderwijk 2011 art. 58).

Besluit 7 (Bezwaren vanuit de kerken m.b.t. benoemingen aan de TU)


uit te spreken dat het statuut voldoende waarborgen bevat voor een zorgvuldige procedure met betrekking tot benoemingen, zodat een specifiek protocol niet nodig is.

 

Besluit 8 (Integrale beroepsregeling)


uit te spreken dat een integrale beroepsregeling voor medewerkers en studenten niet mogelijk is, maar dat de doelstelling van de Generale Synode van Zwolle-Zuid 2008 in belangrijke mate op andere wijze is bereikt.

 

Gronden:

  1. ook al is een integrale beroepsregeling voor medewerkers en studenten niet mogelijk, er zijn tal van wettelijke en andere regelingen die voorzien in een deugdelijke rechtsbescherming van studenten en medewerkers, voorzien van beroepsmogelijkheden;
  2. door te zorgen voor een goede toegankelijkheid en onderlinge afstemming van de verschillende mogelijkheden van beroep en bezwaar wordt aan de doelstelling die GS Zwolle-Zuid 2008 voor ogen stond tegemoet gekomen.

Besluit 9 (Benoeming universitair docent Oude Testament)


op grond van de uitgebreide rapportage en het brede en zorgvuldige vooroverleg met relevante partijen per 1 september 2012 te benoemen tot universitair docent Oude Testament dr. K. van Bekkum (0,7 fte). (vacature dr. G. Kwakkel)

 

Besluit 10 (Omvang en samenstelling College van Bestuur)


de huidige formulering in het Statuut onder artikel 9.1 ongewijzigd te laten.

 

Grond:

de aangevoerde argumentatie met betrekking tot de omvang van het College van Bestuur (zie onderdeel 12 van Materiaal 1).

 

Besluit 11 (Herziening, wijziging en actualisering van het Statuut)


a. het statuut van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken vast te stellen (bijlage XX).

Het college van bestuur stelt de risicobeheersing- en controlesystemen vast. Deze behoeven de goedkeuring van de raad van toezicht.

Verder het bestaande lid 8.6 omnummeren naar 8.7


b. het huidige reglement voor bijzondere leerstoelen vervallen te verklaren met ingang van een door het College van Bestuur te bepalen datum.

 

Besluit 13 (Wijziging statuut Bureau Studiefinanciering)

  1. goedkeuring te verlenen aan het aangepaste Statuut Bureau Studiefinanciering;
  2. in te stemmen met de regeling studiefinanciering naar artikel 19 KO voor theologische studenten van de Gereformeerde Kerken in Nederland;
  3. kennis te nemen van het voornemen van de Raad van Toezicht om voor de eerstkomende synode met een wijzigingsvoorstel voor het toezicht op en de werkzaamheden van het Bureau.

Besluit 14:

  1. voor de opdracht, als bedoeld in besluit 4e eenmalig een bedrag van € 35.000,-- beschikbaar te stellen;
  2. voor de uitvoering van besluit 5 (internationalisering) additionele middelen ter beschikking te stellen voor een jaarlijks bedrag van € 217.000,-- voor 2012 en van € 290.000,-- vanaf 2013 en volgende jaren.

 

DEEL 2 – VOORSTELLEN THEOLOGISCHE UNIVERSITEIT

 

61-120602 TU - 1 Aanbiedingsbrief

 

Generale Synode Harderwijk 2011

´t Harde, mei 2012


Weleerwaarde en eerwaarde broeders,


Namens de Raad van Toezicht en het College van Bestuur ontvangt u bijgaand rapport dat door ons is opgesteld op grond van uw besluiten in de acta Hoofdstuk 6, artikel 66 de besluiten 7, en 11. Ook willen we u met betrekking tot artikel 67 (Benoeming Raad van Toezicht TU) nader informeren.


Tevens treft u aan een voorstel aan tot benoeming van een universitair docent Oude Testament aan onze universiteit.


Tenslotte laten we u nu alvast weten dat wij voornemens zijn om met betrekking tot het bureau Studiefinanciering aan de Theologische Universiteit, waarvoor we voor de besluiten van uw synode verwijzen naar de acta Hoofdstuk 6, artikel 70 naar de Generale Synode Ede 2014 tot wijzigingsvoorstellen zullen komen. Die betreffen niet alleen het toezicht maar ook de uitvoering. U vindt de argumentatie alvast in ons rapport.


De Raad van Toezicht en vooral het College van Bestuur hebben het afgelopen jaar veel werk verzet, besprekingen gevoerd, zowel binnen als buiten onze kerken en wij leggen u ons rapport met vertrouwen voor.

De inhoud van het rapport is inmiddels in hoofdlijnen ter kennis gebracht aan alle betrokkenen aan onze universiteit, en ook voor wat betreft de financiële consequenties aan de deputaten financiën en beheer en de financiële commissie van de synode.


Wij zijn uiteraard beschikbaar voor nader overleg.


Wij wensen u Gods zegen toe bij de behandeling van dit rapport dat uiting geeft aan het gemeenschappelijk verlangen van uw synode en van ons om de Theologische Universiteit tot zegen te laten zijn niet alleen voor onze kerken binnen Nederland maar ook buiten onze landsgrenzen.


Namens de Raad van Toezicht

E.W. Evers, secretaris.

 

Bijlage:         Rapport aan de Generale Synode Harderwijk 2011 d.d. mei 2012.



61-120602 TU-2 Rapportage GS algemeen - Vervolgrapportage

 

Vervolgrapportage  Theologische Universiteit 2012

  1. Inhoudsopgave 1
  2. Inleiding 2
  3. Herziening, wijziging en actualisering van het Statuut 3
  4. Afhandeling van de brieven van Canadian Reformed Churches en van de kerken  van Katwijk, Smilde, Ten Boer en Bunschoten-Oost 4
  5. Profielschetsen voor de leden van de Raad van Toezicht en van het Curatorium 5
  6. Voorstel oprichting bijzondere leerstoel “christelijke identiteit”   5
  7. Voorstel waarin opgenomen de uitwerking tot samenwerking met andere theologische opleidingen 6
  8. Uitwerking van de “Aanvullende notitie” 8
  9. Voorstel hoe om te gaan met bezwaren die vanuit de kerken worden ingediend met betrekking tot benoemingen aan de TU 15
  10. Integrale beroepsregeling 16
  11. Voorstel tot benoeming van een universitair docent Oude Testament 17
  12. Omvang en samenstelling College van Bestuur 18
  13. Toezicht op en invulling van de werkzaamheden van (het bureau) studiefinanciering 19
  14. Concept besluiten 20

Bijlagen:

  1. Algemene toelichting op ontwerp statuut TU
  2. Ontwerp statuut TU
  3. Ontwerp statuur TU deel 2
    3a. Ondertekeningsformulier leden Raad van Toezicht TU
    3b. Ondertekeningsformulier leden Curatorium
  4. Brief aan de Canadian Reformed Churches d.d. 26 maart 2012
  5. Profielschets leden Raad van Toezicht
  6. Profielschets leden Curatorium
  7. Instelling Bijzondere leerstoel christelijke identiteit
    Theologische Universiteit Kampen d.d. 28 maart 2012
  8. Rapport strategische versterking TU Kampen
  9. Rapport internationalisering
  10. Rapport Op weg naar een Praktijkcentrum: samenwerken in de kerkelijke dienstverlening d.d. 8 mei 2012
  11. Regeling studiefinanciering naar art. 19 KO voor theologische studenten van de Gereformeerde Kerken in Nederland.
  12. Statuut Bureau Studiefinanciering

2.        Inleiding

Op grond van de besluitvorming op 3 juni 2011 door de Generale Synode van Harderwijk 2011 hebben Raad van Toezicht en College van Bestuur stappen gezet om te komen tot een gedegen rapportage inclusief waar nodig respectievelijk gewenst financiële dekking voor de uitgaven zoals die onder andere voortvloeien uit de “Aanvullende notitie”.


De opdracht daartoe is geformuleerd in de Acta hoofdstuk 6  en luidt als volgt:


"Besluit 7:

De Raad van Toezicht op te dragen op de voortgezette zitting (in 2012) de synode te dienen met een rapportage inzake:

  1. de herziening, wijziging en actualisering van het statuut:
    • de verhouding en werkwijze van het Curatorium in relatie tot het bevoegd gezag (College van Bestuur) en de mandaterende Raad van Toezicht;
    • de opheffing van de Vooropleiding en daaraan verbonden bepalingen;
    • andere wijzigingen die (niet) algemeen bekend zijn;
  2. de afhandeling van de in het materiaal onder 4 en 5 genoemde brieven:
    • brief van de Canadian Reformed Churches d.d. 9 maart 2011, waarin ernstige zorgen en bezwaren worden uitgesproken m.b.t. de volgende ontwikkelingen: een veranderende visie op de uitleg van de Schrift bij de TU in Kampen, de lopende samensprekingen met de Nederlands Gereformeerde Kerken en het werk van deputaten Man/Vrouw in de kerk;
    • brieven van de kerken te Katwijk (d.d. 2 juni 2010), Smilde (d.d. 22 december 2010), Ten Boer (d.d. 3 januari 2011) en Bunschoten-Oost (d.d. 13 februari 2011), waarin ernstige zorgen over de koers van de Theologische Universiteit worden uitgesproken;
  3. de profielschetsen voor de leden van de Raad van Toezicht en van het Curatorium;
  4. de oprichting van een bijzondere leerstoel ‘christelijke identiteit’;
  5. mogelijkheden tot samenwerking met andere theologische opleidingen;
  6. de uitwerking van de ‘Aanvullende notitie’ alsmede de afstemming met deputaten F&B over de financiële gevolgen;
  7. een protocol hoe om te gaan met bezwaren die uit de kerken worden ingediend inzake benoemingen aan de TU. “

De opzet van deze rapportage is, dat per hoofdstuk voor zover nodig een korte samenvatting wordt gegeven van de aanpak en het resultaat van het betreffende onderwerp, en voor zover van toepassing treft u de inhoud dan als bijlage aan. Dit komt naar onze mening de leesbaarheid en overzichtelijkheid van de vele en qua aard diverse onderwerpen ten goede. Tenslotte treft u in het laatste hoofdstuk de concept besluiten aan.

Wij hebben de overtuiging hiermee niet alleen een bijdrage te hebben geleverd aan de universiteit zelf, maar ook en vooral aan de kerken en haar leden. Wij hopen dat onze voorstellen een versterking betekenen van de gereformeerde theologiebeoefening en dat de universiteit zo dienstbaar blijft voor veel christenen in binnen- en buitenland.

Raad van Toezicht   

E.W. Evers, secretaris


3.        Herziening, wijziging en actualisering van het Statuut


3.1      Opdracht


De generale synode van Harderwijk droeg de Raad van Toezicht van de Theologische Universiteit op de synode op de voortgezette zitting te dienen met een rapportage met betrekking tot o.a. de herziening, wijziging en actualisering van het huidige statuut van de universiteit

 

Als onderwerpen voor die rapportage werden genoemd:

  • De verhouding en werkwijze van het curatorium in relatie tot het bevoegd gezag (College van Bestuur) en de mandaterende Raad van Toezicht.
  • De opheffing van de vooropleiding en de daaraan verbonden bepalingen.
  • Andere wijzigingen die niet (algemeen) bekend zijn.

Naar aanleiding hiervan besloot de Raad van Toezicht tot instelling van een adviescommissie reglementering TUK. Zij kreeg o.a. als taak voorstellen tot wijziging en actualisering van het statuut te doen en daarbij in ieder geval aandacht te schenken aan de hiervoor genoemde onderwerpen. Verder werd de commissie gevraagd bij haar werkzaamheden een aantal algemene invalshoeken en concrete knelpunten te betrekken. De algemene invalshoeken betroffen – voor zover in dit verband van belang – de volgende vragen: 

  1. Welk concept van bestuurlijke organisatie ligt aan het statuut ten grondslag? Is dat ook voor de toekomst geschikt?
  2. Zijn er mogelijkheden voor deregulering? B.v. door meer te regelen in (huishoudelijk) reglement i.p.v. gedetailleerd in statuut?
  3. Kan de bestuurlijke drukte worden verminderd? Denk aan de vele overleggremia en goedkeuringsvereisten.
  4. Moet het curatorium als zelfstandig orgaan blijven bestaan? Zo ja, met welke positie en taak?
  5. Bestaat er mogelijk spanning tussen de code goed bestuur en het statuut?
  6. Voldoet de huidige regelgeving (en praktijk) in alle opzichten aan overheidsregelgeving?
  7. Is het – gelet op de wetenschappelijke eisen die aan een universiteit worden gesteld – te overwegen of uitzonderingen mogelijk moeten worden op de in artikel 33.1 gestelde benoemingsvoorwaarden voor wetenschappelijk personeel?
  8. Leidt de praktijk nog tot andere vragen over de inhoud van het statuut?

3.2        Werkwijze

 

Binnen deze opdracht van de generale synode is nagegaan welke wijzigingen in het statuut zouden moeten worden aangebracht. Vooral als gevolg van het streven naar deregulering bleken dit er vele te zijn. Daarom is niet gekozen voor een voorstel tot wijziging van de desbetreffende artikelen, maar voor een opnieuw vast te stellen tekst van het statuut. In algemene zin worden de wijzigingen hierna toegelicht aan de hand van de onder 3.1 a t/m h genoemde vragen. Artikelen die gewijzigd zijn worden voorts onder de desbetreffende tekst van het statuut kort toegelicht.

3.3           Resultaat

De gevolgde werkwijze heeft geleid tot een nieuw en korter statuut. Hierin en in de algemene toelichting op het statuut zijn de onder 3.1 genoemde vragen van een antwoord voorzien.

 

De adviescommissie reglementering bestond uit de brs. G.J Schutte, lid van de Raad van Toezicht, prof. dr. C.G. Kruse, lid van het Curatorium, en drs. H.H. Sietsma als bestuurlijk en extern expert.

 

Het statuut is besproken met de Universiteitsraad, met het Curatorium, en voor wat betreft de paragrafen 46 tot en met 48 met de Financiële Commissie van de synode en deputaten F&B.

 

Tenslotte ontvangt u als bijlagen 3a en 3b het voorgestelde ondertekeningsformulier nieuwe stijl ten behoeve van de leden van de Raad van Toezicht en van het curatorium.

 

Bijlage 1:   Algemene toelichting op ontwerp statuut TU

Bijlage 2:   Ontwerp statuut TU
Bijlage 3:   Ontwerp statuut TU deel 2

Bijlage 3a: Ondertekeningsformulier leden Raad van Toezicht TU

Bijlage 3b: Ondertekeningsformulier curatoren TU

4.           Afhandeling van de brieven van de kerken Katwijk, Smilde, Ten Boer en Bunschoten-Oost, en de brief van Canadian Reformed Churches d.d. 9 maart 2011.

 

4.1     Binnenlandse brieven

De kerkenraden van Bunschoten-Oost, Katwijk, Smilde en Ten Boer hadden zich tot de generale synode gewend met brieven waarin zij hun zorgen over de koers van de Theologische Universiteit kenbaar maakten. De synode stelde deze brieven in handen van de Raad van Toezicht ter beantwoording. Op 20 oktober 2011 is – na een vooraankondiging van de voorzitter van de Raad van Toezicht – een brief van het College van Bestuur naar elk van de kerkenraden uitgegaan, waarin mondelinge bespreking van de bezwaren in een persoonlijke ontmoeting tussen College van Bestuur en kerkenraad is voorgesteld.

Van de kerkenraad van Smilde is bericht ontvangen dat hij geen gesprek met de bestuurders van de TU wil, maar zich met zijn bezwaren tot de volgende synode zal richten. Van de kerkenraden van Bunschoten-Oost en Ten Boer was geen reactie ontvangen. Met hen is opnieuw contact opgenomen. Met de kerkenraad van Katwijk is een afspraak gemaakt voor een gesprek in maart jl. Die kon helaas niet doorgaan. Er is nu een nieuwe datum gepland.


4.2.     Buitenlandse brief

 

Een antwoord op de brief van de Canadian Reformed Churches van 9 maart 2011, is op 26 maart 2012 toegezonden aan br. G. Nordeman, de secretaris van de commissie van de Canadese kerken. Onze brief is besproken op 19 april 2012 in een bijeenkomst die georganiseerd was door de deputaten BBK. Vanuit de Canadese kerken werd aan deze bijeenkomst deelgenomen door prof. dr. C. Van Dam, ds. J. de Gelder, ds. Jac. Moesker en br. G. Nordeman. De delegatie vanuit de TU bestond uit prof. dr. B. Kamphuis, prof. dr. G. Kwakkel, dr. K. van Bekkum en de voorzitters van het College van Bestuur en de Raad van Toezicht.

In het gesprek heeft de delegatie vanuit de TU een toelichting gegeven op de wijze waarop in Kampen de gereformeerde theologie wordt beoefend. Welke eisen worden er gesteld aan een universiteit in het kader van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek? Hoe liggen de verhoudingen aan de universiteit en wat zijn bijvoorbeeld de bevoegdheden van de senaat, het curatorium en de Raad van Toezicht bij de beoordeling van een proefschrift? Wij hebben uitgesproken dat Kampen open staat voor een voortgaand gesprek met de kerken in Canada en in het bijzonder met de zusterinstelling in Hamilton.

De inhoud van de brief treft u aan als bijlage 4 bij dit rapport.

 

Bijlage 4: Brief aan de Canadian Reformed Churches d.d. 26 maart 2012


5.
       Profielschetsen voor de leden van de Raad van Toezicht en van het Curatorium

Samenvatting

De commissie reglementering heeft zich gekweten van haar taak en profielschetsen opgesteld voor leden van de Raad van Toezicht en voor het Curatorium.

 

Deze profielschetsen zijn conform artikel 13.1 van het nieuwe statuut door de Raad van Toezicht vastgesteld. De profielschetsen voor de leden van het Curatorium zijn met hen besproken en geaccepteerd.

 

Wij sturen u deze profielschetsen daarom ter kennisneming als bijlagen 5 en 6

 

Bijlage 5:      Profielschets leden Raad van Toezicht

Bijlage 6:      Profielschets leden Curatorium

 

6.        Voorstel oprichting bijzondere leerstoel “christelijke identiteit”


6.1      Inleiding

 

In het aanvullend rapport aan de Synode (61-110603 TU Aanvullend rapport RvT/CvB betreffend tweede bijzondere leerstoel en nieuwe leden RvT) schreef de Raad van Toezicht:

“ Tweede bijzondere leerstoel

 

In 2009 heeft het Landelijk verband van gereformeerde schoolverenigingen (LVGS) contact opgenomen met de TU Kampen en de TU Apeldoorn, met het verzoek in overleg te treden over de instelling van een bijzondere leerstoel. Bij die leerstoel – zo bleek uit de gevoerde besprekingen – zou het moeten gaan om onderzoek en enig onderwijs op drie thema’s: christelijke pedagogiek, jeugd/jongeren en christelijke identiteit. Eind 2010 voegde zich daarbij een initiatief van prof. dr. Roel Kuiper en prof. dr. James Kennedy, die de TU Kampen en de TU Apeldoorn uitdaagden om meer betekenis te ontwikkelen voor de doorwerking van bijbels, christelijk en gereformeerd denken in andere wetenschappen en sectoren van de samenleving.

 

De TU Kampen is (met medeweten van het CvB van de TU Apeldoorn) nu in gesprek over de oprichting van een bijzondere leerstoel ‘christelijke identiteit’ (werktitel). In een overleg met het ministerie van OCW zijn intussen ook de wettelijke mogelijkheden en grenzen afgetast om aan de leerstoel bv. een eenjarige master-variant te verbinden c.q. een eigen masteropleiding ‘christelijke identiteit’ te ontwikkelen.

De RvT verzoekt de synode ruimte te mogen krijgen om in het voorjaar van 2012 met een nader ingevuld voorstel voor een tweede bijzondere leerstoel te komen. Dit voorstel zou behandeld kunnen worden tijdens de vergaderdagen die in juni 2012 worden ingepland voor de behandeling van de Werkorde. Dit jaar zou dan ook opnieuw gekeken kunnen worden naar de manier waarop een nieuwe bijzondere leerstoel het beste ingericht kan worden. Sinds de generale synode Zuidhorn 2002 bestaat er een reglement voor bijzondere leerstoelen aan de TU. In 2003 is van deze voorziening gebruik gemaakt voor het stichten van de leerstoel voor de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in de context van het Nederlands protestantisme.”

 

Dit voorstel is bij de synode in goede aarde gevallen en zij heeft de opdracht gegeven met een nader onderbouwd voorstel te komen.

 

6.2      Haalbaarheidsstudie

 

Het College van Bestuur gaf opdracht voor het samenstellen van dit rapport nadat diverse bij de TUK betrokken christenen het College in overweging hadden gegeven een leerstoel in te stellen onder de noemer Christelijke Identiteit. Om de mogelijkheid, wenselijkheid en relevantie van een dergelijke leerstoel te kunnen beoordelen, en een gedragen voorstel ter besluitvorming te kunnen voorleggen heeft het College besloten een nader onderzoek in te stellen.

Kern van het onderzoek werd gevormd door een serie interviews, gehouden tussen 20 november 2011 en 15 februari 2012. De lijst met geïnterviewden is in een bijlage opgenomen.

Het onderzoek is uitgevoerd door drs. Elsbeth B. Vonkeman MBA te Groningen. De rapportage is eveneens door haar verzorgd.


6.3      Inhoud

Voor de argumentatie verwijzen wij naar de tekst van het rapport


6.4      Financiering

Voor een bijzondere leerstoel gaat de TU op zoek naar bijzondere middelen. We denken de financiering te realiseren uit de algemene reserve of uit het Universiteitsontwikkelingsfonds (UOF), voor de omvang van 0,3 fte, dat is ca. € 30.000,-- op jaarbasis. Andere partijen zullen we verzoeken eveneens een bijdrage te leveren, zodat bij de start van de leerstoel er een formatieve omvang van 0,4 fte bereikt kan worden. Dat is de ondergrens voor een krachtig opererende leerstoelhouder en een zichtbaarheid die er toe doet. Voor de financiering van deze bijzondere leerstoel worden daarom geen additionele middelen van de synode gevraagd.


6.5.     Besluiten:

De synode besluit tot de instelling van een bijzondere leerstoel Christelijke Identiteit.

Gronden:

De instelling van een bijzondere leerstoel christelijke identiteit zal een zinvolle en relevante bijdrage leveren aan het leven en werken van christenen in deze maatschappij.

 

Bijlage 7: Instelling Bijzondere leerstoel Christelijke identiteit Theologische Universiteit Kampen 28 maart 2012.

 

7.        Voorstel waarin opgenomen de uitwerking tot samenwerking met andere theologische opleidingen

Samenvatting


7.1      Algemeen

In de periode november 2011 tot maart 2012 zijn er door het CvB gesprekken gevoerd met een aantal partijen in het veld van de theologische opleidingen. Vanwege de gedeeltelijke vertrouwelijkheid van de gesprekken is het niet mogelijk alle namen en feiten te noemen. Zo nodig kan er in een comitézitting mondeling meer informatie worden verstrekt. De belangrijkste resultaten geven we hieronder weer.

 

Op de samenwerking met het HBO komen we hier niet (meer) terug. Voor deze samenwerking verwijzen we naar de oprichting van een Praktijkcentrum (hoofdstuk 8), waarin deze samenwerking tussen WO en HBO sterk is verankerd. Over een praktijkcentrum is een aparte notitie aan de Synode gezonden.

 

7.2      Conclusies

 

Met betrekking tot de TU Apeldoorn:

 

Onze conclusie is dat er op dit moment een aanzienlijk verschil in snelheid is tussen de TUA en de TUK. Cultuurverschillen tussen beide instellingen spelen daarbij een rol. Op dit moment is er – hoezeer ook gewenst en gehoopt – onvoldoende uitzicht  op een concrete versterkte positionering van gereformeerd theologisch onderwijs en onderzoek binnen afzienbare tijd in gezamenlijkheid met de TUA. Voor ons betekent dit dat we met andere partijen het overleg verder zullen moeten voeren. De TU Apeldoorn blijft voor ons de partner met wie wij graag gezamenlijk optrekken en ook in het overleg met andere partijen zullen wij zo handelen dat de optie van samenwerking met de TU Apeldoorn altijd mogelijk blijft.

 

Met betrekking tot incorporatie  in een grote(re) universiteit:

 

Onze conclusie is dat inbedding in deze vorm bij een grote(re) universiteit niet gepast en niet vruchtbaar is.

 

Met betrekking tot de samenwerking met andere instellingen:

 

Onze conclusie is dat het gewenst is om met de instellingen nader in gesprek te gaan over samenwerking en alliantie. En verder, dat daarbij speciale aandacht voor de vestigingsplaats nodig is.

 

Met betrekking tot het theologisch onderzoek:

 

Onze conclusie is dat het aanbeveling verdient om samen met de ETF Leuven en andere geïnteresseerde partners over te gaan tot de vorming van een graduate school waarin samengewerkt wordt ten behoeve van grotere kracht en zichtbaarheid van bijbelgetrouw en gereformeerd theologisch onderzoek. Ook hierbij is een keuze voor de vestigingsplaats van belang.

 

7.3      Locatie

 

Aansluitend bij de tekst van Dienstbaar & Wendbaar kunnen we melden dat op dit moment de voor ons belangrijkste beslissingen van theologische opleidingen wel zijn gevallen c.q. geëffectueerd. De PThU vertrekt in de komende maanden uit Leiden, Utrecht en Kampen. Ze vestigt zich in Amsterdam (VU) en Groningen. In Kampen blijft geen enkele andere instelling voor hoger onderwijs meer over. Aan de universiteit in Utrecht wordt de opleiding theologie beëindigd. De TUA heeft er van afgezien nadere toekomstplannen aan een voortgezette synode voor te leggen. In deze situatie kan de in 2009 opgeschorte bezinning over de locatie-vraag verder worden voortgezet.

 

Wij realiseren ons dat we hiermee een punt aansnijden waar veel aan vast zit. De Gereformeerde Kerken hebben meer dan 150 jaar hun predikantsopleiding in Kampen gehad. Als ze in de komende jaren zouden besluiten tot verplaatsing naar een grote universiteitsstad, heeft dat allerlei consequenties. Maar ook een besluit om te blijven in Kampen heeft vergaande consequenties. Ongewijzigd en zonder versterkende maatregelen verdergaan in Kampen is geen optie. Wat de vestigingsplaats betreft staat de TU daarom op een kruispunt. Er dient op korte termijn een degelijk onderzoek te komen naar de relevante factoren, de pro’s en contra’s en de haalbaarheid van zowel blijven in Kampen als verhuizen naar elders.

 

Met het Ministerie van OCW is een verkennend gesprek gevoerd om te zien of een aanvraag voor een verplaatsing vanuit het perspectief van de overheid aan de orde zou kunnen zijn en onder welke condities. In dat gesprek is onder meer gebleken dat een verplaatsing een lichte toets zou ondergaan en dat in ieder geval met relevante partijen in het domein van de theologie voorafgaand een gesprek zou moeten plaatsvinden. De staatssecretaris zal de resultaten van die gesprekken betrekken in zijn standpuntbepaling over verplaatsing. Gezien het scherpe profiel van de TUK lijkt dat echter niet prohibitief te kunnen zijn.

Onze conclusie is dat de tijd is aangebroken voor de TU Kampen om de balans op te maken over haar vestigingsplaats. Nader onderzoek is nodig m.b.t. eventuele verplaatsing van de TU, bij voorkeur naar een grote universiteitsstad.

 

7.4      Financiële consequenties

 

Wij zijn ons zeer bewust dat ons voorstel verder gaat dan verwacht bij het opdracht geven van verdere mogelijkheden van samenwerking door de synode. Dat wordt ook vertaald in het ontbreken van een raming van te maken kosten (als PM opgevoerd).

 

Wij vragen de synode om een bedrag van € 35.000 beschikbaar te willen stellen voor een haalbaarheidsonderzoek, en wij kunnen ons daarbij voorstellen dat de synode daar bepaalde voorwaarden aan verbind.

Over de uitkomsten van het haalbaarheidsonderzoek en de afwegingen die wij daar aan verbinden zullen wij rapporteren aan de synode van Ede 2014 of indien nodig verzoeken wij u hiervoor een vervroegde synode bijeen te roepen.

Het is niet onze opzet om door en na dit haalbaarheidsonderzoek onomkeerbare stappen te zetten. Dat is ook niet in het belang van alle direct betrokkenen en past niet in een zorgvuldig besluitvormingsproces. In hoofdstuk 8 wordt dit verzoek om € 35.000,-- ter beschikking te stellen opgenomen in het totale kader van de extra bijdrage voor activiteiten zoals genoemd in de “Aanvullende notitie”.

Bijlage 8: Rapport strategische versterking TU Kampen.

8.           Uitwerking van de “Aanvullende notitie”


8.1.     Inleiding en context


In de aanloop naar de synode Harderwijk 2011 werd aan de TU door de commissie Groningen al de vraag gesteld ‘Waar wil de Universiteit over een jaar of vijf staan?’ Deze vraag werd ingegeven door vooral zorg, of de academische doelstellingen van de TU wel voldoende kunnen worden waargemaakt. Daarbij is opgemerkt dat zo nodig een verruiming van het budget in de komende jaren een extra kwaliteitsslag mogelijk zou kunnen maken.

In een zogenaamde “Aanvullende notitie” is toen een beeld geschetst dat er als volgt uitzag:

 

 

Raming investeringsimpuls Theologische Universiteit

 

2012

2013

2014 evj

Verkenning strategische samenwerking

p.m.

-

-

Internationalisering

€ 217.000

€ 217.000

€ 217.000

Praktijkcentrum

€ 125.000

€ 125.000

€ 125.000

Additioneel

€ 342.000

€ 342.000

€ 342.000

 

Inmiddels ligt er een aantal rapporten op tafel. Op basis daarvan is een aanpassing van dat beeld gemaakt en ook een daarop gebaseerde financieel overzicht om de doelen te kunnen halen en te betalen. Hieronder gaan we op alle thema’s in.

 

8.2.     Schaalgrootte en samenwerking


In de rapportage aan de synode was alleen voorzien in het uitvoeren van een onderzoek naar de mogelijkheden voor samenwerking. Dat betekende dat er op dat moment geen additionele middelen aan de orde waren: het ging uitsluitend om een onderzoek.

 

2012

2013

2014 evj

Verkenning strategische samenwerking

€ 35.000

 

 

Project uitvoering van een concrete verkenning van samenwerkingsopties (binnen begroting uitgevoerd)

Nihil

 

 

Haalbaarheidsonderzoek huisvesting

€ 35.000

-

-

 

Inmiddels liggen de uitkomsten van een dergelijk onderzoek op tafel.

 

Hiervoor verwijzen we naar hoofdstuk 7.

 

De opdrachten van de synode met betrekking tot internationalisering, de vorming van een praktijkcentrum en samenwerking met andere universiteiten hadden allemaal als achtergrond de versterking van de positie en uitstraling, de aantrekkelijkheid en de zichtbaarheid van de TU als sterk gereformeerd theologisch centrum.

 

In dat kader worden alternatieven ontwikkeld om de universiteit, inclusief het praktijkcentrum, te verplaatsen naar een alternatieve locatie in een universiteitsstad.

 

Het kan niet anders of dat heeft grote financiële gevolgen, vooral in de vastgoedsfeer.

De synode wordt gevraagd uit te spreken of een eventuele verplaatsing past bij deze planvorming en ambities.

 

In dat geval zal een haalbaarheidsonderzoek naar een alternatieve vestigingsplaats en alternatieve huisvesting worden uitgevoerd. Voor de uitvoering van dat onderzoek zijn middelen nodig.

 

De haalbaarheidsanalyse levert een beeld op van de benodigde additionele middelen. Voor dat onderzoek zal een bedrag van tenminste  €35.000 noodzakelijk zijn.

 

Als de financiële gevolgen duidelijk zijn, zal er – in de veronderstelling dat de TU dan een zelfstandig financieel beleid kan voeren – door de TU gezocht worden naar alternatieve financieringsbronnen. Het is dan minder noodzakelijk om de kerken om een omvangrijke bijdrage voor deze actie te vragen.

 

 

2012

2013

2014 evj

Verkenning strategische samenwerking

€ 35.000

 

 

Project uitvoering van een concrete verkenning van samenwerkingsopties (binnen begroting uitgevoerd)

nihil

 

 

Haalbaarheidsonderzoek huisvesting

€ 35.000

-

-

 

8.2.1   Internationalisering


In haar besluitvorming heeft de synode aangegeven dat ze nadere voorstellen verwacht die de positie van de universiteit versterken. In het in bijlage 9 opgenomen rapport wordt de stand van zaken weergegeven en wordt geschetst hoe de TU sindsdien bezig is zich op het stuk van de internationalisering nader te oriënteren en zich verder te ontwikkelen.

 

In het voorbije jaar is zich steeds sterker gaan aftekenen dat we aan de TU, als het over internationalisering gaat, te maken hebben met twee lijnen rond internationalisering, n.l. de academische en de oecumenische lijn. Hieronder gaan we daarop verder in.

We bedoelen met de academische lijn de uitwisseling van theologische kennis met instellingen en gebieden waar het niveau van onderwijs en onderzoek naar Europese maatstaven of op een vergelijkbaar niveau is geaccrediteerd.

 

Wij willen  in de toekomst meer en gerichter tijd steken in de verdere ontwikkeling van de academische lijn. Een cruciaal element in de plannen is o.i. de taal waarin in Kampen het onderwijs wordt gegeven. Er is wel – zo blijkt door de jaren heen – af en toe een nadrukkelijke keus om Nederlands te leren en Nederlandstalig onderwijs te volgen, om daardoor bredere toegang te krijgen tot de authentieke Nederlandse theologie. Maar voor veel studenten en aspirant-studenten zou Engelstalig onderwijs veel aantrekkelijker zijn. Van prof. Haemo Yoo hoorden we bv. dat Koreaanse studenten daarom in grote aantallen naar de USA gaan, hoewel studeren daar duurder is dan in Nederland. Daarom is het onze ambitie om een volledig Engelstalige masteropleiding te gaan verzorgen.

 

Een volledig Engelstalige Algemene Master Theologie heeft grote impact op de organisatie. In de eerste plaats zal een geheel Engelstalig curriculum moeten worden ontwikkeld. Dat betekent een grote extra ureninzet van docenten. Daarna zal de Engelstalige master ook moeten worden geaccrediteerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat de kwaliteit van docenten zowel als van de onderwijsinhoud goed in orde moet zijn. Dat is alleen met stevige en gerichte inspanningen te realiseren.

 

Een Engelstalige masteropleiding heeft zijn uitstraling naar alle aspecten van de organisatie, niet alleen het onderwijs maar ook de aard van de facilitaire ondersteuning (die ingewikkelder en arbeidsintensiever wordt). Uitwisselingsprogramma’s kunnen makkelijker georganiseerd worden als de bedding er al ligt: op dit ogenblik vergt elk buitenlands bezoek een omschakeling van de betrokken docenten en studenten. Daarnaast is er een groot positief effect op alle vormen van oecumenische theologische assistentie.

 

In de combinatie met het beleid op het gebied van visiting professors, wisselleerstoelen en bijvoorbeeld gezamenlijke onderzoeksprogramma’s zal de Engelstalige master een hefboomwerking hebben voor de internationale uitstraling en de internationale relevantie voor theologische studenten en onderzoekers.

 

We bedoelen met de oecumenische lijn de uitwisseling van theologische kennis met instellingen en gebieden waar het niveau van onderwijs en onderzoek (nog) niet naar Europese maatstaven of op een vergelijkbaar niveau is geaccrediteerd. De uitwisseling heeft daardoor het karakter van vooral oecumenische theologische assistentie, waarbij men vanuit het buitenland in Kampen een kwaliteit en niveau van gereformeerde theologiebeoefening zoekt dat men in eigen land of instelling niet aantreft. Op het gebied van de oecumenische assistentie streven we naar meer en gerichter afstemming met o.a. deputaten ZHT, Fundament en Litindo.

 

De laatste jaren is er tussen de TU en DVN-ZHT en de andere betrokken instanties het besef gegroeid dat er winst zou liggen in het organiseren van meer synergie. Als eerste stap daarin is de zomercursus 2011 niet zoals voorheen ergens in een kerk in het land gehouden, maar in de TU Kampen. Dat zal in mei-juni 2012 ook weer gebeuren. Vervolgens is er een tamelijk intensief proces van overleg op gang gekomen tussen DVN-ZHT en de TU. Dat heeft geresulteerd in een concreet plan, dat voorziet in een nauwere samenwerking tussen DVN-ZHT en de TU op het gebied van: 

  • het identificeren, werven en begeleiden van internationale studenten voor de nog op te richten 1 jarige internationale (Engelstalige) master opleiding aan de TU
  • het identificeren, werven en adviseren van internationale docenten of docenten die geschikt zijn om te doceren in een internationale master.
  • internationale trainingen/conferenties etc. op het gebied van de gereformeerde theologie;
  • kortdurende theologische trainingen in het buitenland;
  • adviseringstrajecten op het gebied van kerk zijn, de inrichting van het kerkelijk leven en theologische onderwerpen ten bate van buitenlandse partners;
  • ondersteunende programma’s voor theologische instituten en kerken in het buitenland op het gebied van curriculumopbouw, capacity building, theologische aanvulling en uitwisseling;
  • missiologische trainingen en voorbereidingstrajecten voor mensen en kerken die uitgezonden gaan worden of op een andere wijze actief zijn in oecumenische samenwerking;
  • het ontwikkelen en begeleiden van modules voor theologisch afstandsonderwijs;
    programma’s van internationale uitwisseling van docenten en studenten.

De goede organisatorische vorm voor de samenwerking is nog niet gevonden. Er is te denken aan een soort doorstart van het in 2009 opgeheven IRTT. Maar nader overleg hierover is nog nodig.


Verdeling van de kosten is daarbij een belangrijk punt, waarover ook de synode zich direct of indirect moet uitspreken. DVN-ZHT en TU hebben immers elk hun eigen budget en quotum.


Hieronder zijn de financiële consequenties van het internationaliseringsplan voor het budget van de TU opgenomen, zoals toegelicht in de bijlage Internationalisering.

 

 

2012

2013

2014 evj

Internationalisering

€ 225.000

 

€ 290.000

€ 290.000

Engelstalige master

€ 50.000

€ 75.000

€75.000

Faciliteren periode in buitenland studeren, additioneel 6 studenten op jaarbasis

Uit eigen middelen €22.000

 

 

 

Werving PhD-studenten, netwerken, voorbereiden convenanten met buiten-landse instellingen enz, 0,5 fte postdoc

€ 40.000

€ 40.000

€ 40.000

International Relationship Office

 

€ 40.000

€ 60.000

€ 60.000

Wisselleerstoel

€ 10.000

€ 55.000

 

€ 55.000

Kosten visiting professorsprofessors

€ 45.000

€ 45.000

 

€ 45.000

Tutor ad 0,3 fte

Uit eigen middelen €30.000

 

 

 

Stipendia voor buitenlandse studenten

Uit eigen middelen 5 studenten, €20.000

 

 

 

Begeleiding buitenlandse promovendi

€ 10.000

 

€ 15.000

€ 15.000

Gastenverblijven/ inrichting en renovatie.  uit eigen middelen ook nog eens €30.000

€ 30.000

-

-

Maatregelen in het kader van theologische, oecumenische assistentie.

p.m.(zie toelichting)

 

 

 

Dit totaalbeeld geeft dus maatregelen voor zover ze financiële consequenties hebben. Een deel van deze uitgaven wordt binnen het huidige budget van de TU uitgevoerd respectievelijk komt uit eigen fondsen.

 

De synode besluit:

  1. dat dit rapport tegemoet komt aan de wens van de synode dat meer inhoud moet worden gegeven aan internationalisering;
  2. voor de internationalisering additionele middelen ter beschikking te stellen voor een jaarlijks bedrag van € 225.000,-- in 2012 en jaarlijks € 290.000,-- (structureel) vanaf 2013;
  3. een oproep te doen aan het adres van de (zendende) instanties binnen de GK om elk een structureel deel van hun begroting in overleg met de TU en DVN-ZHT te besteden aan theologische opleiding en kennisuitwisseling als hier boven beschreven.

 

8.3      Praktijkcentrum

 

8.3.1   Samenvatting

 

De Theologische Universiteit Kampen, de Gereformeerde Hogeschool Zwolle, deputaten OOG (verder: ‘partijen’) stellen aan de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland voor om onderzoek en dienstverlening te integreren in een ‘Praktijkcentrum voor theologie en gemeenteopbouw’. Generale deputaten diaconie (GDD) zijn bij de totstandkoming van dit voorstel betrokken geweest, maar willen zich niet binden aan de tweede fase van de planvorming.

 

Met de nieuwe samenwerking willen partijen een volgende stap zetten in de kwaliteit van de ondersteuning van de opbouw van de kerken. Al in 2008 onderkende de GS Zwolle-Zuid de meerwaarde van samenwerking tussen de verschillende partijen op het terrein van de kerkelijke dienstverlening. Aan de Theologische Universiteit Kampen (verder TU) en aan Centrum Dienstverlening werd gevraagd om, samen met de Gereformeerde Hogeschool Zwolle (verder GH), die samenwerking vorm te geven. Van beide instellingen wordt bovendien wettelijk gezien verwacht dat zij bijdragen aan de ontwikkeling van de beroepen waarop hun onderwijs is gericht en aan kennisdienstverlening.

 

TU en GH zijn daarbij actief in het beperkte gebied van de kerkelijke dienstverlening binnen met name de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Daar ontmoeten zij ook de overige dienstverlenende deputaatschappen, waaronder OOG (met Centrum Dienstverlening als uitvoeringsorganisatie) en GDD (met het Diaconaal Steunpunt).

 

De GS Harderwijk 2011 bevestigde het streven naar samenwerking en concretiseerde de opdracht tot het onderzoeken van de mogelijkheden om tot een Praktijkcentrum te komen. In dat Praktijkcentrum komen onderzoek en dienstverlening geïntegreerd tot stand en voor de kerken beschikbaar.

 

8.3.2   Aanpak

 

Er is een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd en op basis daarvan is een Stuurgroep ingericht om de voorstellen concreet uit te werken. De Stuurgroep bestaat uit (leden van) GDD en OOG, alsmede (leden van) het College van Bestuur van de TU en de GH.

 

De inhoud van de samenwerking en de vorm waarin dat het beste kan, zijn twee aparte vraagstukken. Partijen kiezen er voor om zo praktisch mogelijk te starten met samenwerking op een aantal inhoudelijke onderwerpen en projecten, die aansluiten bij de individuele plannen en programma’s van de partners. Zo wordt ervaring opgedaan en kunnen snel de eerste resultaten van de samenwerking gezien worden. In de samenwerking bundelen partijen de beschikbare kennis, kunde en relaties in de organisaties. In Hoofdstuk 3 gaan we nader op het programma in.

 

De samenwerking is tegelijkertijd niet vrijblijvend en heeft gevolgen voor de positionering en het functioneren van elk van de partners. Partijen hebben zich daarom jegens elkaar verplicht om in een tweede fase een verdergaande en permanente vorm van organisatorische samenwerking te realiseren, waarbij het Diaconaal Steunpunt (DS) als zodanig zelfstandig blijft. Daarbij spelen complexe vragen van organisatorische, bestuurlijke, financiële, rechtspositionele en technische aard.

 

Partijen werken er aan om eind oktober 2012 een businessplan gereed te hebben waarin de bestuurlijke en juridische vorm van de samenwerking zijn uitgelijnd, evenals de rechtspositionele vraagstukken die aan de orde zijn, en de vraagstukken rondom financiën en huisvesting zijn beantwoord. De implementatie kan direct daarna ter hand worden genomen en in september 2013 voltooid zijn.

 

 

2012

2013

2014evj

Praktijkcentrum

nihil

Nihil

Nihil

Uitvoering van het programma binnen de gezamenlijke budgettaire kaders / personele budgetten van met name TU en Centrum-G

-

-

-

Huisvesting / haalbaarheidsplan

 

-

-

Aansturing en communicatie voor wisselwerking met de kerkelijke werkvelden.

-

-

-

Wanneer de synode met mandatering instemt, zal de implementatie voor 1 oktober 2013 voltooid kunnen zijn.

 

8.3.3. Financiële gevolgen

 

Wij gaan ervan uit dat de te maken kosten moeten worden gedragen uit de bestaande budgetten van de TU en OOG. We zullen e.e.a. in een concept besluit verwoorden in hoofdstuk 14. De GH heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid, omdat zij niet vanuit de kerken wordt gefinancierd.

 

 

2012

2013

2014

2015 evj

Praktijkcentrum

nihil

nihil

nihil

nihil

Uitvoering van het programma binnen de gezamenlijke budgettaire kaders / personele budgetten van met name TU en Centrum-G

-

-

-

 

Huisvesting / haalbaarheidsplan

 

-

-

 

Aansturing en communicatie voor wisselwerking met de kerkelijke werkvelden.

-

-

-

-

 

8.4.     Financiële consequenties, Totaaloverzicht van de voorstellen

 

In onderstaand overzicht staat de vertaling van activiteiten uit de rapporten m.b.t. samenwerking, internationalisering en praktijkcentrum in financiële termen vertaald:

 

8.4.1. Strategische samenwerking:

 

 

2012

2013

2014 evj

Verkenning strategische samenwerking

€ 35.000

 

 

Project uitvoering van een concrete verkenning van samenwerkingsopties (binnen begroting uitgevoerd)

nihil

 

 

Haalbaarheidsonderzoek huisvesting

€ 35.000

-

-

 

8.4.2. Praktijkcentrum

 

8.4.3   Internationalisering

 

2012

2013

2014 evj

Internationalisering

€ 225.000

 

€ 290.000

€ 290.000

Engelstalige master

€ 50.000

 

€ 75.000

€75.000

Werving PhD-studenten, netwerken, voorbereiden convenanten met buiten-landse instellingen enz, 0,5 fte postdoc

€ 40.000

€ 40.000

€ 40.000

International Relationship Office

 

€ 40.000

€ 60.000

€ 60.000

Wisselleerstoel

€ 10.000

€ 55.000

 

€ 55.000

Kosten visiting professors

€ 45.000

€ 45.000

 

€ 45.000

Begeleiding buitenlandse promovendi

€ 10.000

 

€ 15.000

€ 15.000

Gastenverblijven/ inrichting en renovatie

 

€ 30.000

-

-

Maatregelen in het kader van theologische, oecumenische assistentie.

p.m.(zie toelichting)

 

 

 

























8.4.4. Leerstoel Christelijke Identiteit

 

2012

2013

2014 evj

Bijzondere leerstoel christelijke identiteit

30.000

€30.000

€30.000

0,6 fte, waarvan 0,3 fte externe financiering (partners, sponsoren)

€30.000

€30.000

€30.000

 

8.5.     Totaal overzicht financiële consequenties

 

 

 

2012

2013

2014

2015 evj

 

Totaal              

 

 

€ 260.000

 

€ 290.000

 

€ 290.000

 

€290.000

§ 2.   Strategische samenwerking

 

€ 35.000

     -

      -

         -

§ 3.   Praktijkcentrum

                          

Binnen eigen budget

    

 

 

 

§ 4  . Internationalisering

 

€ 225.000

 

€ 290.000

€ 290.000

€ 290.000

§ 5.  Bijzondere leerstoel christelijke identiteit

Binnen eigen budget

 

 

 

 

           

 

De rijksbekostiging die de TU ontvangt sinds 2010 beloopt ca €1.100.000,--. Doordat een rijksbijdrage wordt ontvangen kan het quotum voor de TU fors omlaag worden gebracht.

 

Wij hechten eraan dat door de inspanningen die de TU leverde om rijksbekostiging te krijgen, de kerken dus in ruime mate profiteren. Die vermindering van het quotum zal naar de kerken toe beter gecommuniceerd worden door de TU.

 

Ons budgettaire voorstel betekent dat de omvang van de rijksbijdrage niet voor de volle honderd procent wordt teruggegeven aan de kerken door vermindering van het quotum, maar dat een klein deel van dat beschikbare budget (nog geen drie ton) wordt geïnvesteerd in een versterking van de gereformeerde theologie wereldwijd. De kerken zullen daar weer van profiteren.

 

Bijlage   9:  Rapport Internationalisering

Bijlage 10:  Rapport ‘Op weg naar een Praktijkcentrum: samenwerken in de kerkelijke

                     Dienstverlening’ versie 2.0 dd 10 mei 2012

 

9.           Voorstel hoe om te gaan met bezwaren die uit de kerken worden ingediend met betrekking tot benoemingen aan de TU

 

In artikel 66, besluit 7, sub g, van de Acta GS Harderwijk 2011 is de Raad van Toezicht opgedragen te rapporteren over een protocol hoe om te gaan met bezwaren die uit de kerken worden ingediend met betrekking tot benoemingen aan de TU. Deze casus lijkt in het verlengde te liggen van de mogelijkheid die artikel 19 van het geldende statuut (18 in het nieuwe statuut) biedt aan een kerk of kerklid bezwaar in te dienen tegen uitlatingen of publicaties van een lid van het wetenschappelijk personeel van de universiteit. Er is echter een essentieel verschil tussen beide casus.

 

Als een benoeming volgens de geldende regels heeft plaatsgevonden, is er sprake van een rechtsgeldig besluit, waarop alleen met inachtneming van het geldende arbeidsrecht kan worden teruggekomen. Een rechtsgeldige benoeming kan niet worden ongedaan gemaakt, eventueel wel voor de toekomst worden beëindigd. Een tijdelijke arbeidsovereenkomst zou niet kunnen worden verlengd, een bestaande overeenkomst zou kunnen worden ontbonden, in beide gevallen met inachtneming van de regels van het arbeidsrecht. Afhankelijk van de concrete casus zullen de gevolgen van een dergelijk besluit voor elk van beide partijen meer of minder ingrijpend zijn. Van belang is daarbij dat de mogelijkheid van disciplinaire maatregelen of onvrijwillig ontslag, die het statuut kent in de artikelen 36 – 38 (nieuw: 29 – 31), ziet op feiten die zich voordoen of bekend worden na een benoeming.

 

Alleen al om deze redenen is het toekennen van een formeel recht van bezwaar of beroep tegen een benoeming niet mogelijk. Daar staat tegenover, dat de benoemingsprocedure als zodanig extra zorgvuldig is in de richting van de kerken.

 

Het statuut kent een algemene benoemingsvoorwaarde en een ondertekeningsformulier voor het wetenschappelijk personeel. Bij een benoeming is naast het College van Bestuur altijd zowel de Raad van Toezicht als het curatorium betrokken. De belangrijkste benoemingen zijn bovendien voorbehouden aan de generale synode. Mochten er signalen van bezwaren tegen een mogelijke benoeming vanuit de kerken komen, dan zullen deze in de procedure aandacht krijgen.

 

In feite richt een bezwaar tegen een benoeming zich dan ook niet tegen de benoemde, maar tegen de instantie die het besluit tot benoeming nam. In de gevallen bedoeld in artikel 31 (nieuw: artikel 25) van het statuut is dat de generale synode, in de overige gevallen het College van Bestuur. In deze laatste gevallen kan de generale synode een ingekomen bezwaar betrekken bij de bespreking van de verantwoording van de Raad van Toezicht aan de generale synode conform artikel 16 (nieuw: artikel 15) van het statuut.


10.    
  Integrale beroepsregeling

 

10.1    Aanleiding

 

In artikel 98 van de Acta van de Generale Synode van Zwolle-Zuid 2008 is aan het College van Bestuur opgedragen een integrale regeling vast te stellen voor het instellen van beroep tegen besluiten, handelingen en weigeringen daartoe van de verschillende organen van de universiteit bij een onafhankelijke Commissie van Beroep voor de TU.

 

Deze beroepsregeling zou zowel voor medewerkers als voor studenten moeten gelden, maar geen betrekking mogen hebben op bezwaren in de zin van artikel 19.7 van het geldende statuut van kerken of kerkleden tegen een mondelinge of schriftelijke uitlating van een (emeritus-) docent of andere onderwijsgevende of onderzoeker van de universiteit.

 

Een Commissie van Beroep bestond sinds de Generale Synode van Zuidhorn 2002-2003 met het oog op beroepszaken in het kader van de rechtspositie van het personeel van de universiteit. Er bestond in de praktijk echter geen goede beroepsregeling en er zijn ook geen zaken aan de commissie voorgelegd. Het besluit van Zwolle-Zuid is van een ruimere strekking door ook de studenten er bij te betrekken.

 

10.2    Stand van zaken

 

In de rapportage aan de GS van Harderwijk heeft het College van Bestuur meegedeeld, dat het niet was toegekomen aan uitvoering van genoemd besluit, maar dat er voor het vervolg prioriteit aan zou worden gegeven. Om alsnog uitvoering aan het besluit te geven is een inventarisatie gemaakt van de bestaande beroepsregelingen en van de (wettelijke) basis daarvoor. Daarbij bleek, dat de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) inmiddels een gedetailleerde regeling bevat voor de rechtsbescherming van studenten met een College van beroep voor de examens (art. 7.60 WHW), een geschillenadviescommissie met betrekking tot andere zaken dan examens (art. 7.63a WHW) en een College van beroep voor het bijzonder onderwijs (art. 7.68 WHW). De wet bevat bepalingen over de samenstelling en bevoegdheden van deze commissies. Op korte termijn zullen deze wettelijke regelingen ook binnen de TU worden toegepast.

 

Studenten kunnen verder volgens het statuut Bureau studiefinanciering te maken krijgen met een beroepsmogelijkheid bij een commissie van beroep voor de TU. In de op basis van dit statuut nieuw vastgestelde regeling studiefinanciering is deze beroepsmogelijkheid vervangen door een arbitragemogelijkheid. Zie hiervoor het vermelde onder hoofdstuk 13 in deze rapportage.

Ook het promotiereglement kent een mogelijkheid van beroep op een college van beroep voor de TU. Bij de actualisering van de promotieregeling zal dit nader worden bezien.

 

Studenten hebben ten slotte de mogelijkheid zich te beroepen op de Raad van Toezicht betreffende toelating en uitschrijving als student en in geval van een disciplinaire maatregel. Deze mogelijkheid komt in het nieuwe statuut niet meer voor, zoals is toegelicht onder de artikelen 35.4, 37.7 en 38.2 van het nieuwe statuut (zie bijlage 2 bij hoofdstuk 3).

 

De door de generale synode van Zuidhorn ingestelde Commissie van beroep komt nog voor in het geldende maar te actualiseren rechtspositiereglement voor medewerkers van de universiteit. In het over de actualisering te voeren overleg zal worden bezien hoe de rechtsbescherming van medewerkers het best vorm kan krijgen.

 

Er zal echter ook voor medewerkers altijd sprake blijven van verschillende beroeps- en bezwaarmogelijkheden. Zo geldt op grond van de cao universiteiten een Regeling ongewenst gedrag met een externe klachtencommissie, waarvoor de landelijke klachtencommissie van de Besturenraad is aangewezen.

 

10.3    Conclusies

 

De conclusie moet dan ook zijn dat een integrale beroepsregeling voor medewerkers en studenten niet mogelijk is. De oplossing zal vooral worden gezocht in een goede toegankelijkheid en onderlinge afstemming van de verschillende mogelijkheden van beroep en bezwaar.

 

Wel blijkt uit het vorenstaande dat de doelstelling van de opdracht van de GS van Zwolle-Zuid 2008 voor wat betreft de studenten in belangrijke mate is bereikt.

 
11.        Voorstel tot benoeming van een universitair docent Oude Testament aan de TU.


In verband met de aanstelling van prof. dr. G. Kwakkel aan de Faculté Jean Calvin te Aix-en-Provence, waarover wij vorig jaar aan uw synode hebben gerapporteerd, ontstaat per 1 september 2012 een gedeeltelijke vacature binnen het vakgebied Oude Testament in te vullen als een universitair docentschap. U kunt een voorstel voor een benoeming tegemoet zien, waarover u in een vertrouwelijk schrijven tijdens de zitting van de synode nader zult worden geïnformeerd.

 

12       Omvang en samenstelling College van Bestuur.


12.1 Aanleiding

 

Bij de bespreking van de zaken van de Theologische Universiteit deed de commissie-Groningen het voorstel om uit te spreken dat het College van Bestuur uit drie leden zal bestaan. Nadat van de zijde van de universiteit de toezegging was gedaan dat over de wenselijkheid hiervan nader zou worden gerapporteerd is dit voorstel teruggenomen.

 

12.2 Samenvatting

 

Het statuut bevat de bepaling, dat het College van Bestuur uit ten hoogste drie leden bestaat. Het voorstel-Groningen zou dus gerealiseerd kunnen worden zonder wijziging van het Statuut.

 

In het ontwerpstatuut wordt deze bepaling gehandhaafd. Op basis van de volgende overwegingen is in het verleden besloten niet structureel over te gaan tot een College van Bestuur dat bestaat uit drie personen.

De belangrijkste argumenten hiervoor zijn:

  • De universiteit is een kleine instelling. Een College van Bestuur van drie leden is dan – ook in vergelijking met andere grotere instellingen - relatief groot. De neiging zal bestaan veel beheerszaken op bestuursniveau te willen gaan behartigen.
  • Een klein College van Bestuur maakt onderlinge afstemming eenvoudig en kan de besluitvaardigheid ten goede komen.
  • De kwetsbaarheid van een klein college kan worden beperkt door goede onderlinge afstemming en door een deel van de vervanging te beleggen binnen de organisatie.
  • Beide leden van het College van Bestuur vervullen in die hoedanigheid een 0,6 fte-functie. Als de werkzaamheden hiertoe aanleiding geven kan een van deze functies (tijdelijk) worden uitgebreid.
  • Ook is het mogelijk het voorzitterschap niet automatisch door de rector te laten vervullen maar door het andere CvB-lid.
  • Een College van Bestuur van drie leden zal een groter beslag leggen op de beheerskosten van de universiteit dan thans het geval is en zorgt voor extra (management)tijd voor onderlinge afstemming.

In de afgelopen jaren is het éénmaal voorgekomen dat het College van Bestuur bestond uit drie personen. Dat had te maken met incidentele factoren. De Raad van Toezicht heeft in februari 2012 aan de Senaat van de universiteit aangegeven in gesprek te willen gaan over de samenstelling van het College van Bestuur op de middellange en lange termijn. Dat heeft o.a. te maken met het afscheid van een aantal hoogleraren in de komende jaren, maar ook met de meer algemene vraag hoe het bestuur van de universiteit het beste kan worden vormgegeven. Tot nu toe werd aan de universiteit uitgegaan van een driejarig rectoraat, maar het is duidelijk dat dat gevolgen heeft voor de betreffende hoogleraar. Maatregelen om dat op te vangen hadden in het verleden altijd maar een beperkte betekenis. In het gesprek met de Senaat zullen diverse scenario’s worden besproken. Ook een College van Bestuur dat bestaat uit drie personen behoort tot die scenario’s maar er wordt ook nadrukkelijk gekeken naar de ondersteunende staffuncties in de organisatie. Op het moment dat uw synode bijeenkomt is het gesprek met de Senaat nog volop gaande. Gelet op de voorgaande overwegingen is er dus geen reden de tekst van het statuut op dit punt te wijzigen.

 

12.3 Advies

 

Wij adviseren de synode de formulering in artikel 9.1 van het nieuwe statuut ongewijzigd te laten.

 

13       Toezicht op en invulling van de werkzaamheden van (het bureau) Studiefinanciering

 

Het Bureau Studiefinanciering heeft als doel financiële steun te verlenen aan studenten aan de Theologische Universiteit die voldoen aan de beide volgende voorwaarden: 

  1. dat ze ingeschreven staan met het uitgesproken doel zich na hun studie beschikbaar te stellen voor het predikantschap in een Gereformeerde Kerk in Nederland of een binnen- of buitenlandse kerk waarmee de Gereformeerde Kerken in Nederland kerkelijke gemeenschap oefenen;
  2. dat ze tijdens hun studie of een gedeelte daarvan door het ontbreken van andere financiële voorzieningen en middelen geheel of gedeeltelijk op deze kerkelijke voorziening voor hun levensonderhoud zijn aangewezen.

De uitvoering van artikel 19 KO is sinds de synode van 2011 toevertrouwd aan het Bureau Studiefinanciering art.19, gevestigd bij de TU.

 

Omdat er dringend behoefte is aan een eenduidige en rechtvaardige toekennings- en uitvoeringspraktijk met meer duidelijkheid bij de aanvrager en om de doelgerichtheid te borgen is een reglement opgesteld zoals u hierbij aantreft.

 

De studentengeleding van de Universiteitsraad heeft ons op verzoek gediend met kritische opmerkingen, die verwerkt zijn.

 

We verzoeken u bijgevoegd reglement goed te keuren.

 

Omdat art. 12 van het reeds door uw synode goedgekeurde statuut in strijd is met de uitkeringsregeling zoals deze inmiddels is geformuleerd is het artikel aangepast.

Wij verzoeken u met deze wijziging van het statuut in te stemmen.

 

Vervolg:

Omdat er een potentiële spanning bestaat tussen het werven van studenten en het bekostigen van studenten zal aan de volgende generale synode worden voorgesteld het Bureau anders onder te brengen. Op dit ogenblik wordt de nieuwe “Regeling studiefinanciering naar artikel 19 KO voor theologische studenten van de Gereformeerde Kerken in Nederland” toegepast binnen de kaders van de Universiteit; de overheidsregelgeving verhindert bekostigde instellingen hun studenten studiefinanciering te geven. Daarom zal in de toekomst het Bureau Studiefinanciering (artikel 19) weer moeten worden losgekoppeld van de TU. Op korte termijn zal reeds een thesaurier van buiten de universiteit worden aangesteld.

 

Bijlage 11:  Regeling studiefinanciering naar art. 19 KO voor theologische studenten van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Bijlage 12:  Statuut Bureau Studiefinanciering

 

14       Concept besluiten


Materiaal:

  1. rapportage van de Raad van Toezicht en College van Bestuur van de Theologische Universiteit te Kampen (TU) d.d. mei 2012;
  2. Bijlage 1: toelichting op ontwerpstatuut TU;
  3. Bijlage 2/3: ontwerpstatuut TU;
  4. Bijlage 3a: ondertekeningsformulier leden RvT;
  5. Bijlage 3b: ondertekeningsformulier leden curatorium;
  6. Bijlage 4: brief aan de Canadian Reformed Churches d.d.26 maart 2012;
  7. Bijlage 5: profielschets leden RvT;
  8. Bijlage 6: profielschets leden curatorium;
  9. Bijlage 7: voorstel instelling bijzondere leerstoel christelijke identiteit;
  10. Bijlage 8: rapport strategische versterking;
  11. Bijlage 9: rapport strategische versterking, onderdeel internationalisering;
  12. Bijlage 10: ‘Op weg naar een Praktijkcentrum: samenwerken in de kerkelijke dienstverlening’.
  13. Bijlage 11: regeling studiefinanciering;
  14. Bijlage 12: statuut voor het bureau studiefinanciering.

 

Besluit 1:


uit te spreken dat de Raad van Toezicht met deze rapportage heeft voldaan aan de opdracht van de generale synode, zoals vermeld in Acta GS Harderwijk 2011, art. 66, besluiten 7 en 11.


Besluit 2:


het besluit inzake het universiteitsberaad (Acta GS Harderwijk 2011, art. 66, besluit 9) te laten vervallen met ingang van 1 januari 2013.

 

Gronden:

  1. de bestuurlijke druk binnen de TU dient te worden teruggedrongen;
  2. de belangstelling om aan dit beraad deel te nemen blijkt in de praktijk gering.;
  3. de voorbereiding van het Beraad en de deelneming eraan vergt van de universiteit een grote inzet, die niet in verhouding staat tot het mogelijke resultaat;
  4. de doelstelling van het beraad kan in de praktijk beter op andere meer gerichte manieren worden bereikt, zoals recent gebeurt door de aanwijzing van een contactpersoon per gemeente, de inrichting van het Praktijkcentrum en de uitgifte van het TU Magazine.

Besluit 3 (Voorstel oprichting bijzondere leerstoel “christelijke identiteit”)


een bijzondere leerstoel christelijke identiteit in te stellen conform artikel 33 van het statuut van de Theologische Universiteit.

 

Grond:

de instelling van een bijzondere leerstoel christelijke identiteit past in de strategie van de TU en zal een zinvolle en relevante bijdrage leveren aan het leven en werken van christenen in deze maatschappij.

 

Besluit 4 (Voorstel uitwerking samenwerking met andere theologische opleidingen)


de Raad van Toezicht en het College van Bestuur met betrekking tot strategische versterking van de positie van de TU de volgende maatregelen te fiatteren c.q. op te dragen

  1. zelfstandig voort te gaan op de weg van strategische versterking, ook als dit vooralsnog niet in gezamenlijkheid met de Theologische Universiteit Apeldoorn mogelijk is;
  2. verbindingen aan te gaan met andere instellingen op het terrein van theologisch onderwijs voor een samenwerking die voldoet aan de door de synode eerder gestelde randvoorwaarden (voornamelijk 3 en 4) en die tegelijk de TU verder brengt in de gesignaleerde noodzaak van versterking;
  3. ruimte te bieden aan andere instellingen om voor de aan hen verbonden studenten een deel van de opleiding zelf te verzorgen binnen de accreditatie van de TU;
  4. samenwerking aan te gaan met de Evangelische Theologische Faculteit Leuven en andere partners op het gebied van het theologisch onderzoek, met handhaving van de bestaande samenwerking in onderzoeksprogramma’s met de Theologische Universiteit Apeldoorn;
  5. na te gaan, welke consequenties de noodzakelijke versterking en/of de samenwerking met anderen hebben voor de locatie waar de TU gevestigd is, en daarbij vooral de optie van vestiging in een grote universiteitsstad nader te onderzoeken. 

Besluit 5 (Internationalisering)

  1. uit te spreken dat het rapport in bijlage 9 tegemoet komt aan de wens van de synode dat meer inhoud moet worden gegeven aan internationalisering;
  2. een oproep te doen aan het adres van de zgn. zendende instanties binnen de GK om elk een structureel deel van hun begroting in overleg met de TU en DVN-ZHT te blijven besteden aan theologische opleiding en kennisuitwisseling als in het rapport beschreven.

 Besluit 6 (Praktijkcentrum)

  1. goedkeuring te verlenen aan het voornemen van de TU en Centrum-G om samen met de Gereformeerde Hogeschool (GH) met voortvarendheid en zorgvuldigheid te streven naar de inrichting van één Praktijkcentrum op het gebied van praktische theologie, praktijkgericht onderzoek, kennisverwerving en dienstverlening;
  2. waardering uit te spreken voor de participatie van de GH in het proces van vorming van een Praktijkcentrum;
  3. in het Praktijkcentrum het desbetreffende (en hieronder genoemde) deel van de activiteiten van de TU, GH en Centrum-G onder te brengen;
  4. de TU, Centrum-G en DS op te dragen om verdere uitvoering te geven aan het commitment dat zij, samen met de GH, hebben om verder te werken aan een programmatische samenwerking;
  5. opdracht en mandaat te geven aan deputaatschap OOG en aan de TU om, samen met de GH, verder te werken aan de totstandkoming van een Praktijkcentrum, zodat uiterlijk 31 oktober 2012 (fase 1) een businessplan gereed ligt dat leidt tot de realisatie (bestuurlijke inbedding en vormgeving) van het Praktijkcentrum per 30 september 2013 (fase 2);
  6. te bepalen dat het Praktijkcentrum bestuurlijk gevestigd zal zijn aan de TU;
  7. te bepalen dat partijen een stuurgroep samenstellen die vanuit de betrokken deputaatschappen c.q. organisaties in evenredigheid is samengesteld; deze stuurgroep zorgt voor sturing op en realisering van de programmatische fase en staat borg voor een goede organisatorische integratie (inclusief voor zover aan de orde een zorgvuldige uitvoering van een sociaal plan) volgens het businessplan;
  8. deputaten OOG en het College van Bestuur c.q. de Raad van Toezicht van de TU op te dragen via de stuurgroep in het businessplan bestaande goedlopende onderdelen van de respectievelijke uitvoerende organisaties te waarborgen;
  9. de budgettaire aanwijzing te geven dat een praktijkcentrum binnen de gezamenlijke instellingsbudgetten wordt gerealiseerd;
  10. opdracht te geven aan TU en deputaten OOG om gezamenlijk, via hun stuurgroep, te rapporteren over de totstandkoming van het Praktijkcentrum aan de Synode van 2014.

Omdat deze besluitvorming interfereert met synodale besluitvorming in eerdere fase,

besluit de synode tevens:

  1. deputaten OOG op te dragen aan de eerstvolgende synode te rapporteren over de wijze waarop functies worden of zijn ondergebracht zoals het beheer van een website of de projectgeldenverdeling voor het terrein van de gemeentestichting, omdat die functies niet meegaan naar het Praktijkcentrum;
  2. partijen op te dragen gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor de uitvoering van de volgende opdrachten, verstrekt aan deputaten OOG en GDD, omdat die deel uitmaken van de plannen voor een praktijkcentrum:
    1. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 52, besluit 2 m.b.t. de instelling van een Advies-en Studiecentrum Gemeentegroei;
    2. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 54, besluit 3 m.b.t. de aandachtspunten binnen dit Studiecentrum;
    3. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 52, besluit 3 m.b.t. de oprichting van een catechetenschool;
    4. Acta GS Harderwijk 2011, artikel 52, besluit 6 m.b.t. samenwerking op het gebied van diaconaat.
  3. deputaten OOG op te dragen om aan de eerstvolgende synode voorstellen te doen met betrekking tot de voortzetting dan wel inhoud van hun taak als deputaatschap, na de bestuurlijke en organisatorische integratie van het Praktijkcentrum.

Gronden:

  1. samenwerking en gedeeltelijke integratie van kerkelijke organisaties komt tegemoet aan de al langer bestaande wens van een kwalitatief betere en efficiënt georganiseerde dienstverlening aan de kerken (zie Acta GS 2008, art. 141 en bijbehorende stukken);
  2. de voorgestelde vorming van een praktijkcentrum is een goede invulling van de impulsen die de GS Zwolle-Zuid 2008 heeft gegeven om via overleg in een regiegroep partijen bij elkaar te brengen die gezamenlijk ondersteuning bieden voor de in de kerkelijke werkvelden;
  3. ze beantwoordt aan de opdrachten van de GS Harderwijk 2011 aan kerkelijke partijen om te bezien welke vormen van samenwerking en onderlinge afstemming van werkzaamheden mogelijk zijn, teneinde de door de kerken beschikbaar gestelde personele en materiële middelen zo doelmatig mogelijk te besteden.

    Noot: De samenwerking werd expliciet opgenomen in punt 5b van de nieuwe instructie aan deputaten OOG (Acta GS Harderwijk 2011, bijlage 5.5) en in besluit 7e over de TU Kampen (Acta GS Harderwijk 2011, art. 66). Het zoeken van samenwerking komt expliciet ook terug in punt e van de instructie aan deputaten GDD (Acta GS Harderwijk 2011 art. 58).

Besluit 7 (Bezwaren vanuit de kerken m.b.t. benoemingen aan de TU)


uit te spreken dat het statuut voldoende waarborgen bevat voor een zorgvuldige procedure met betrekking tot benoemingen, zodat een specifiek protocol niet nodig is.

 

Besluit 8 (Integrale beroepsregeling)


uit te spreken dat een integrale beroepsregeling voor medewerkers en studenten niet mogelijk is, maar dat de doelstelling van de Generale Synode van Zwolle-Zuid 2008 in belangrijke mate op andere wijze is bereikt.

 

Gronden:

  1. ook al is een integrale beroepsregeling voor medewerkers en studenten niet mogelijk, er zijn tal van wettelijke en andere regelingen die voorzien in een deugdelijke rechtsbescherming van studenten en medewerkers, voorzien van beroepsmogelijkheden;
  2. door te zorgen voor een goede toegankelijkheid en onderlinge afstemming van de verschillende mogelijkheden van beroep en bezwaar wordt aan de doelstelling die GS Zwolle-Zuid 2008 voor ogen stond tegemoet gekomen.

Besluit 9 (Benoeming universitair docent Oude Testament)


op grond van de uitgebreide rapportage en het brede en zorgvuldige vooroverleg met relevante partijen per 1 september 2012 te benoemen tot universitair docent Oude Testament in de deelvacature van prof. dr. G. Kwakkel.

 

Besluit 10 (Omvang en samenstelling College van Bestuur)


de huidige formulering in het Statuut onder artikel 9.1 ongewijzigd te laten.

 

Grond:

de aangevoerde argumentatie met betrekking tot de omvang van het College van Bestuur (zie onderdeel 12 van Materiaal 1).

 

Besluit 11 (Herziening, wijziging en actualisering van het Statuut)


het statuut van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken vast te stellen (bijlage XX)

 

Besluit 12 (Positie deputaten F&B in statuut TU)


opdracht te geven aan deputaten F&B en aan de RvT/CvB van de TU om, onder leiding van een terzakekundig lid van het moderamen van de synode, hun toekomstige werkverhouding te regelen in een separaat akkoord, daarbij recht doende aan de onlangs verruimde controllerstaak van F&B én aan het zelfstandig karakter van de TU als openbaar lichaam. Voorts daarbij rekening te houden met het voorkomen van onnodige stapeling van controles.

Het moderamenlid doet kort verslag aan de synode van de contacten en legt uiterlijk 15 augustus 2012 aan haar, gehoord beide partijen, een conceptbesluit voor, zodat de synode in haar septemberzitting hierover een besluit kan nemen.

 

Besluit 13 (Wijziging statuut Bureau Studiefinanciering)

  1. goedkeuring te verlenen aan het aangepaste Statuut Bureau Studiefinanciering;
  2. in te stemmen met de regeling studiefinanciering naar artikel 19 KO voor theologische studenten van de Gereformeerde Kerken in Nederland;
  3. kennis te nemen van het voornemen van de Raad van Toezicht om voor de eerstkomende synode met een wijzigingsvoorstel voor het toezicht op en de werkzaamheden van het Bureau.

Besluit 14:

  1. voor de opdracht, als bedoeld in besluit 4e eenmalig een bedrag van € 35.000,-- beschikbaar te stellen;
  2. voor de uitvoering van besluit 5 (internationalisering) additionele middelen ter beschikking te stellen voor een jaarlijks bedrag van € 225.000,-- voor 2012 en van € 290.000,-- vanaf 2013 en volgende jaren.

 

61-120602 TU - Bijlage 1 - Algemene toelichting ontwerp-statuut TU

 

Algemene toelichting op ontwerp-statuut Theologische Universiteit (versie 18 april 2012)


1.       
Aanleiding.


De generale synode van Harderwijk droeg de raad van toezicht van de Theologische Universiteit op de synode op de voortgezette zitting te dienen met een rapportage inzake o.a. de herziening, wijziging en actualisering van het statuut van de universiteit (Besluit van 3 juni 2011, nr. 7).


Als onderwerpen voor die rapportage werden genoemd:

  • De verhouding en werkwijze van het curatorium in relatie tot het bevoegd gezag (college van bestuur) en de mandaterende raad van toezicht.
  • De opheffing van de vooropleiding en de daaraan verbonden bepalingen.
  • Andere wijzigingen die niet (algemeen) bekend zijn.

Naar aanleiding hiervan besloot de raad van toezicht tot instelling van een adviescommissie reglementering TUK. Zij kreeg o.a. als taak voorstellen tot wijziging en actualisering van het statuut te doen en daarbij in ieder geval aandacht te schenken aan de hiervoor genoemde onderwerpen. Verder werd de commissie gevraagd bij haar werkzaamheden een aantal algemene invalshoeken en concrete knelpunten te betrekken. De algemene invalshoeken betroffen – voor zover in dit verband van belang – de volgende vragen:

  1. Welk concept van bestuurlijke organisatie ligt aan het statuut ten grondslag? Is dat ook voor de toekomst geschikt?
  2. Zijn er mogelijkheden voor deregulering? B.v. door meer te regelen in (huishoudelijk) reglement i.p.v. gedetailleerd in statuut?
  3. Kan de bestuurlijke drukte worden verminderd? Denk aan de vele overleggremia en goedkeuringsvereisten.
  4. Moet het curatorium als zelfstandig orgaan blijven bestaan? Zo ja, met elke positie en taak?
  5. Bestaat er mogelijk spanning tussen de code goed bestuur en het statuut?
  6. Voldoet de huidige regelgeving (en praktijk) in alle opzichten aan overheidsregelgeving?
  7. Is het – gelet op de wetenschappelijke eisen die aan een universiteit worden gesteld – te overwegen of uitzonderingen mogelijk moeten worden op de in artikel 33.1 gestelde benoemingsvoorwaarden voor wetenschappelijk personeel?
  8. Leidt de praktijk nog tot andere vragen over de inhoud van het statuut?

2.        Werkwijze


In het kader van de opdracht van de generale synode is nagegaan welke wijzigingen in het statuut zouden moeten worden aangebracht. Vooral als gevolg van het streven naar deregulering bleken dit er vele te zijn. Daarom is niet gekozen voor een voorstel tot wijziging van de desbetreffende artikelen, maar voor een opnieuw vast te stellen tekst van het statuut. In algemene zin worden de wijzigingen hierna toegelicht aan de hand van de onder 1 a t/m h genoemde vragen. Artikelen die gewijzigd zijn worden voorts onder de desbetreffende tekst van het statuut kort toegelicht.

3.    
Relatie met herziening kerkorde


De herziening van het statuut is tegelijk aan de orde met de herziening van de kerkorde. Omdat nog niet bekend is wat de precieze inhoud zal zijn van de herziene kerkorde is nagegaan op welke punten het statuut eventueel zou moeten worden aangepast als gevolg van de herziening van de kerkorde.

Het gaat hierbij vooral om in het statuut voorkomende termijnen die samenhangen met het feit dat de generale synode normaliter een keer in de drie jaar vergadert en om de wijze van benoeming van de leden van het curatorium. In het herziene statuut wordt niet vooruitgelopen op de besluitvorming over de herziening van de kerkorde. In zekere zin gebeurt dit wel bij de benoeming van de leden van het curatorium. Daarvan geldt echter, dat deze procedure toch zal moeten worden veranderd, ook al zou in de kerkorde gekozen worden voor handhaving van de particuliere synodes, zoals hierna nader aangegeven wordt onder punt 7.


4.       
Concept van bestuurlijke organisatie


Volgens art. 4.1 van het huidige statuut zijn de kerken in generaal synodaal verband de rechtspersoon volgens art. 2: 2 Burgerlijk Wetboek waarvan de universiteit uitgaat. Zoals in de toelichting op het nieuwe art. 4 is vermeld wordt de universiteit zelf als rechtspersoon aangemerkt, zoals ook uit artikel 1.8 van de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) voortvloeit.

Als rechtspersoon kan de universiteit zelfstandig rechtshandelingen verrichten, zoals het kopen en verkopen van zaken of diensten en het aanstellen van personeel. Daarbij behoort ook, dat er sprake is van een eigen boekhoudkundig afgescheiden vermogen met zelfstandige bezittingen en schulden (een eigen financiële huishouding). Het functioneren en voortbestaan van de rechtspersoon kan mede afhankelijk zijn van bijdragen van de kerken. Hierover zullen dan goede afspraken tussen generale synode en universiteit moeten worden gemaakt.


De universiteit is een van de grotere instellingen die binnen de Gereformeerde Kerken mede door een bijdrage vanuit de kerken in stand wordt gehouden. Overheidsbekostiging omvat vanaf 2010 bijna de helft van het totale budget van de universiteit.


Het is om verschillende redenen noodzakelijk ook daadwerkelijk inhoud te geven aan de eigen financiële huishouding van de universiteit. Zo is in de huidige bekostigingssystematiek van het rijk de hoogte van de rijksbijdrage mede afhankelijk van de inspanningen van de universiteit. Denk aan studentenaantallen en promoties. Wanneer geïnvesteerd wordt in promotieplaatsen (aio’s) ziet de universiteit dat voor een deel in latere jaren terug. Er zijn dus spelregels voor de bekostiging en hoogte van de jaarlijkse bijdrage van de overheid, waarbij goede prestaties (met enige vertraging) leiden tot aanpassingen in de rijksbijdrage. Mindere prestaties leiden tot vermindering van de rijksbijdrage.


In de huidige financiële relatie met de kerken leiden hogere rijksbijdragen voor de universiteit tot een lagere bijdrage van de kerken, waardoor inspanningen op dit gebied worden ontmoedigd in plaats van gestimuleerd. Datzelfde geldt voor legaten die de universiteit ontvangt: boven bepaalde bedragen worden deze thans ook afgeroomd en vloeien delen van legaten terug naar de kerken, waardoor ze niet worden besteed voor de doelen die de legatarissen voor ogen hadden.


Wanneer de universiteit als rechtspersoon met een zelfstandig financieel beheer wordt beschouwd zal er een beweging op gang komen waarbij “maatschappelijk” ondernemerschap wordt gestimuleerd. Immers, wanneer de universiteit middelen van derden weet te verwerven, zullen die bedragen niet automatisch terugvloeien naar de kerken wanneer ze bij voorbeeld niet datzelfde jaar tot besteding leiden.


Een ander argument heeft te maken met het gebouwenbeheer. In de voorbije jaren werden grote voorzieningen zoals de bibliotheek door extra inspanningen vanuit de kerken gefinancierd. Dit type investeringen moet een universiteit indien noodzakelijk uit eigen middelen kunnen doen. De universiteit ontbeert die mogelijkheid nu, omdat binnen de thans door Deputaten F&B gehanteerde randvoorwaarden het reservefonds een bedrag van Euro 500.000,-- niet te boven mag gaan. Zodoende kunnen het college van bestuur en de raad van toezicht op dit moment geen zelfstandige financiële eindverantwoordelijkheid dragen en de daarbij behorende afwegingen maken. Een reserverings- en voorzieningenbeleid zijn noodzakelijk voor die situaties waarin de overheidsbekostiging sterk terugloopt of waarin andere bedrijfsrisico’s moeten worden bestreden.


Om die reden is daarom m.b.t. de hoogte van de algemene reserve geen maximum opgenomen in het statuut. Bovendien zijn wij van oordeel dat het Universiteitsontwikkelingsfonds, dat wordt gevoed door giften en legaten niet meer zoals nu het geval is moet worden gemaximeerd op € 500.000, - maar geen plafond moet hebben. Wij realiseren ons dat door het goedkeuren van dit deel van het statuut dit gevolgen heeft voor huidige regels bijv. in de instructie van Deputaten F&B en/of de regels m.b.t. verhouding Deputaten F&B en de overige deputaatschappen.


Bij een eigen financiële huishouding behoort uiteraard een degelijke verantwoording. Het college van bestuur legt deze af aan de raad van toezicht, die op zijn beurt verantwoording schuldig is aan de generale synode. Deze verantwoording geschiedt door de voorgeschreven rapportage aan de generale synode met overlegging van alle financiële jaarrekeningen, bestuursverslagen en accountantsverklaringen. De opstelling van de jaarstukken geschiedt conform de overheidsregelgeving. De auditcommissie van de raad van toezicht adviseert over de financiële situatie en ontwikkelingen van de universiteit, mede uit een oogpunt van doelmatigheid en rechtmatigheid. De generale synode beoordeelt vervolgens de kwaliteit van het uitgeoefende toezicht en neemt op basis daarvan de beslissing om de raad van toezicht te dechargeren.


In hoofdstuk I van het ontwerpstatuut worden tekstvoorstellen gedaan waarin de verantwoordelijkheid van de universiteit voor haar eigen financiële huishouding en de relatie tot de kerken worden verwoord. De eindverantwoordelijkheid voor het financiële beleid van de universiteit ligt in deze structuur bij de raad van toezicht, uiteraard onverminderd de finale rapportage aan de synode. De rol van deputaten F&B zal hierdoor veranderen. Zij zullen als ‘controller’ en adviseur van de generale synode zich richten op de verantwoording aan de synode en de aanvraag voor een bijdrage voor de komende periode. Omdat het hier gaat om een relatie tussen de generale synode en deputaten behoeft dit niet in het statuut geregeld te worden, maar kunnen daarover wel werkafspraken gemaakt worden tussen de raad van toezicht en deputaten F&B.


Anders dan voor andere rechtspersonen gelden er binnen het burgerlijk recht nauwelijks wettelijke voorschriften over de vormgeving van de rechtspersoonlijkheid van kerkelijke rechtspersonen, ongeacht of de kerken zelf optreden als rechtspersoon of de universiteit als door de kerken aangewezen rechtspersoon. De eigen verantwoordelijkheid van de kerken wordt hierin in belangrijke mate gerespecteerd. Als instelling voor hoger onderwijs valt de universiteit wel onder de werking van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en zijn de bepalingen van deze wet inzake de bestuurlijke organisatie in principe op de universiteit van toepassing.


Het huidige statuut is door de generale synode van Zwolle-Zuid 2008 opnieuw vastgesteld, vooruitlopend op een toen in procedure zijnde wijziging van de WHW. Deze wijziging is inmiddels op onderdelen geamendeerd tot stand gekomen. In grote lijnen voldoet het statuut aan de bepalingen van de wet.


Kenmerk van het aan de WHW ontleende bestuurlijk concept is de scheiding tussen bestuur (college van bestuur) en toezicht (raad van toezicht). De wettelijke regels ter zake gelden ook voor een levensbeschouwelijke universiteit als de TUK ‘voor zover de eigen aard van de bijzondere universiteit zich daartegen naar het oordeel van het bestuur niet verzet’. (art. 9.51 WHW) Door in het statuut te kiezen voor het wettelijke bestuursmodel gaf de generale synode van Zwolle Zuid 2008 te kennen van oordeel te zijn dat dit model zich niet verzet tegen de eigen aard van de Theologische Universiteit. Dat oordeel onderschrijven wij ook nu.


Een tweede kenmerk van het bestuurlijk concept is de band met de kerken. Anders dan bij veel andere niet-kerkelijke rechtspersonen komen aan derden (i.c. de kerken via generale synode en/of deputaten) bevoegdheden toe die er vooral op gericht zijn dat de grondslag van de universiteit gehandhaafd blijft en de doelstellingen worden gerealiseerd. Daardoor is het bestuurlijk concept van de universiteit complexer dan bij de meeste andere instellingen voor wetenschappelijk onderwijs.


Een derde kenmerk heeft te maken met de schaalgrootte. De universiteit is een volwaardige universiteit met één studierichting en drie opleidingen. Dat betekent dat bestuurstaken die bij grotere universiteiten in belangrijke mate over de faculteiten zijn verdeeld bij de Theologische Universiteit berusten bij de centrale bestuursorganen, in het bijzonder het college van bestuur.

Een en ander heeft op basis van het geldende statuut geleid tot een bestuursconcept met onder meer de volgende kenmerken:

  1. Een klein college van bestuur met een grote verscheidenheid aan taken.
  2. Een raad van toezicht met relatief veel toezichthoudende taken.
  3. Een curatorium dat krachtens mandaat een zorgtaak heeft voor het gereformeerd en wetenschappelijk karakter van onderwijs, onderzoek en dienstverlening.
  4. Een kleine staf die verschillende functies tegelijk moet vervullen.

Voor een deel zijn deze kenmerken onvermijdelijk. In het vervolg geven we aan hoe hiermee samenhangende knelpunten (ten dele) kunnen worden opgelost.


5.       
Deregulering


Het statuut heeft met betrekking tot de Theologische Universiteit primair de functie die statuten hebben bij andere rechtspersonen, zoals verenigingen en stichtingen. Het is vooral aan de generale synode te bepalen wat in het statuut wordt geregeld en wat op andere manieren.


Het huidige statuut met 78 soms gedetailleerde artikelen is vergeleken met andere rechtspersonen zeer omvangrijk. Een voordeel daarvan is dat het recht dat geldt voor de universiteit als organisatie in belangrijke mate in één openbaar document is vervat. Daar staan echter belangrijke nadelen tegenover.

  1. De WHW bevat een groot aantal voorschriften over onder meer onderwijs, bestuur en inrichting, die ook van toepassing zijn op de Theologische Universiteit. Deze zijn in belangrijke mate verwerkt in het statuut. Wijziging van de wet of van uitvoeringsvoorschriften ervan kan dan nopen tot wijziging van het statuut.
  2. De WHW schrijft (nadere) regeling van zaken van bestuur en beheer voor in een door het college van bestuur vast te stellen bestuurs- en beheersreglement (universiteitsreglement). Deze materie behoort dan niet in een door de generale synode vast te stellen statuut.
  3. De vraag kan worden gesteld of het statuut de plaats is voor gedetailleerde regelgeving. Een groot bezwaar is dat aanpassing van regels die vaak van administratieve of procedurele aard zijn slechts kan via besluitvorming door een generale synode die eens per drie jaar bijeenkomt.

Er is momenteel sprake van een grote overlap van bepalingen in de wet en in het statuut. Deze zal nog groter worden als is voldaan aan de wettelijke verplichting tot vaststelling van een universiteitsreglement. De duidelijkheid van een uitgewerkt statuut, die in theorie een voordeel zou kunnen zijn, werkt in de praktijk dan ook als een nadeel.


Voor een antwoord op de vraag wat dan wel in het statuut moet worden geregeld zijn twee criteria van belang.

  • Het ligt voor de hand de belangrijkste onderwerpen die ook voor statuten van andere rechtspersonen zijn voorgeschreven in het statuut een plaats te geven. Het gaat daarbij om zaken als naam, vestigingsplaats, doelstelling, wijze van benoeming en ontslag van bestuurders, de financiële jaarstukken en de controle en de bestemming van het financiële saldo na eventuele liquidatie. In verband met de scheiding van bestuur en toezicht zal het statuut ook de relatie tussen beide organen moeten regelen.
  • Daarnaast zal de band met de kerken tot uitdrukking moeten komen in bepalingen die door de meeste vergadering van de kerken worden vastgesteld. Dat is in het huidige statuut onder meer het geval in de artikelen over grondslag en doel, benoemingsvereisten, ondertekeningsformulier, taak en samenstelling van het curatorium, universiteitsberaad, toelating van studenten en financiële instandhouding. Ook bij de organisatie en de verdeling van bevoegdheden over college van bestuur, raad van toezicht en curatorium kan de band met de kerken van belang zijn.

Aan de hand van deze criteria zijn verschillende onderwerpen niet meer of slechts ten dele in de nieuwe statuuttekst geregeld. Het gaat daarbij onder meer om de rechtspositie van het ondersteunend personeel, de studentenraad, studieprogramma’s en de bibliotheek. Deze onderwerpen kunnen veel beter door de universiteit zelf worden geregeld bij of krachtens het universiteitsreglement. Via het toezicht van de raad van toezicht hebben deputaten van de generale synode daarop toch toezicht. Resultaat is dat de omvang van het statuut kan worden teruggebracht van 78 naar 52 artikelen. Nog steeds een relatief groot aantal. Dat komt vooral omdat er voor gekozen is de materie van onderwerpen die op grond van het tweede criterium (de band met de kerken) in het statuut een plaats verdienen niet onnodig over verschillende regelingen te verdelen. Artikelen van het statuut, waarin inhoudelijk wijzigingen worden voorgesteld, worden bij de desbetreffende artikelen kort toegelicht.


6.      Bestuurlijke drukte


Zeker bij een kleine universiteit is het van groot belang dat onnodige bestuurlijke drukte wordt voorkomen. Onderlinge lijnen moeten zo kort mogelijk zijn, de administratieve lasten beperkt en overleg- en goedkeuringsvoorschriften alleen waar nodig. Dit noodzakelijke streven stuit wel op grenzen. Overheidsvoorschriften zijn vaak concreet en gelden ook voor een kleine universiteit onverkort. Om inhoud te geven aan de band met de kerken zijn extra procedures soms onvermijdelijk. Scheiding van verantwoordelijkheden leidt soms tot extra procedures en lasten.


In relatie tot het statuut heeft dit tot het volgende geleid:

  • Een duidelijker verdeling van verantwoordelijkheden tussen de raad van toezicht en het curatorium. De voorstellen ter zake worden hierna onder punt 7 toegelicht.
  • Afschaffing van het universiteitsberaad. Dit overlegorgaan tussen universiteit en vertegenwoordigers van generaal-synodale deputaatschappen is indertijd ingesteld om elkaar wederzijds te informeren en met elkaar te beraadslagen over ontwikkelingen in het gereformeerd theologisch onderwijs, onderzoek en kennisuitwisseling en om feedback uit de kerken te geven. Aan de tenminste jaarlijkse bijeenkomst moet worden deelgenomen door tenminste de raad van toezicht, het college van bestuur en het curatorium en verder door vertegenwoordigers van 15 deputaatschappen. De belangstelling om aan dit beraad deel te nemen blijkt in de praktijk gering. De voorbereiding ervan en de deelneming eraan vergt van de universiteit een grote inzet, die niet in verhouding staat tot het mogelijke resultaat. De doelstelling kan in de praktijk beter op andere meer gerichte manieren worden bereikt, zoals recent gebeurt door de aanwijzing van een contactpersoon per gemeente en door de uitgifte van het TU Magazine.
  • Beperking van het aantal goedkeuringsvereisten. Het huidige statuut bevat in art. 13.2 een lange opsomming van besluiten of voorstellen van het college van bestuur die de goedkeuring van de raad van toezicht behoeven. Voor een deel vloeien deze rechtstreeks voort uit de WHW. In een aantal andere gevallen ligt het motief in de band met de kerken. In een aantal andere gevallen is goedkeuring vooraf door de raad van toezicht niet nodig voor een goede uitoefening van het toezicht op het bestuur. Daarom is in het voorgestelde art. 12.2 een aantal regelingen niet meer vermeld.
  • De geldigheidsduur van het instellingsplan. Het instellingsplan is een belangrijk instrument voor het beleid voor de middellange termijn. Het huidige art. 8.4 van het statuut schrijft een dergelijk plan eens per twee jaar voor. De WHW vraagt nu om een dergelijk plan voor (max.) zes jaar. De tekst van het statuut is hieraan aangepast. Dit beperkt de werklast van de universiteit aanmerkelijk.
  • De benoemingsprocedures. Vergelijking met de procedures bij andere (grotere) universiteiten leert dat de procedures bij de TUK, zowel voor hoogleraren als voor het meeste wetenschappelijk personeel, omslachtig zijn. De verklaring ligt vooral in de betekenis van deze benoemingen voor de kerken. Dat beperkt dan ook de mogelijkheden van vereenvoudiging. Een verbetering kan wel zijn dat de verantwoordelijkheden van de raad van toezicht en het curatorium beter worden gedefinieerd, zoals hierna onder 7 zal worden toegelicht.

7.        Het curatorium


De generale synode heeft de raad van toezicht opgedragen o.a. te rapporteren over de verhouding en werkwijze van het curatorium in relatie tot het bevoegd gezag en de mandaterende raad van toezicht. In dit kader doen zich enkele knelpunten voor:

  • Volgens art. 19.1 van het huidige statuut oefent het curatorium zijn reguliere taken onder meer uit door het voeren van gesprekken, het brengen van collegebezoeken aan, het kennis nemen van publicaties van en het onderhouden van persoonlijke contacten met de (emeritus)docenten en andere onderwijsgevenden en onderzoekers. Deze directe contacten met individuele medewerkers kunnen gemakkelijk spanning opleveren met de verantwoordelijkheid van het college van bestuur.
  • Volgens art. 19.7 kunnen kerken of kerkleden klachten over een uitlating van een docent of onderzoeker rechtstreeks indienen bij het curatorium. Deze procedure doet onvoldoende recht aan de primaire verantwoordelijkheid van het college van bestuur.
  • Volgens art. 31.3 e.v. behoeven bepaalde voordrachten en voorstellen tot benoeming zowel de instemming van het curatorium als de goedkeuring van de raad van toezicht. Dit kan tot een patstelling leiden als curatorium en raad van toezicht van mening verschillen.
  • Art. 7 van het statuut stelt de functies van de raad van toezicht en van het curatorium, resp. als toezicht en als zorg, naast elkaar, terwijl het curatorium deze taken uitoefent krachtens mandaat en dus onder verantwoordelijkheid van de raad van toezicht. Daardoor ontstaat in de praktijk onduidelijkheid over ieders verantwoordelijkheid. Dit draagt er ook toe bij dat beide organen soms naast elkaar werken.

Bij het zoeken van een oplossing voor deze knelpunten is het goed het eigen karakter en de doelstelling van de universiteit centraal te stellen.

  • De universiteit is nauw verbonden met de Gereformeerde Kerken, die in artikel 18 van de kerkorde hebben uitgesproken een theologische universiteit te onderhouden voor de opleiding tot de dienst des Woords.
  • Artikel 3 van het statuut omschrijft de doelstelling concreter en breder: de wetenschappelijke, geestelijke en praktische vorming van (aanstaande) predikanten, de beoefening van de gereformeerde theologie en de doorwerking daarvan in kerk en wereld.
  • Het huidige artikel 17.1 sluit hierbij aan door te stellen dat de universiteit in al haar geledingen erop gericht is dat onderwijs, onderzoek en kerkelijke dienstverlening in overeenstemming zijn met de Heilige Schrift en de belijdenisgeschriften van de kerken èn dat het gereformeerd karakter en wetenschappelijk niveau van het onderwijs, het onderzoek en de kerkelijke dienstverlening worden bevorderd.

De bestuursvorm die de WHW kent, met als belangrijk kenmerk scheiding van bestuur en toezicht, past goed bij wat de kerken beogen met de instandhouding van de universiteit. Het college van bestuur en de raad van toezicht weten zich verbonden met de leer van de Heilige Schrift zoals samengevat in de belijdenisgeschriften en willen – elk vanuit eigen positie – van daaruit werken aan de bevordering van het gereformeerd karakter en wetenschappelijk niveau van onderwijs, onderzoek en kerkelijke dienstverlening.


Om daaraan zo goed mogelijk gestalte te kunnen geven is het goed dat de raad van toezicht zich laat bijstaan door een commissie (curatorium), die ook een klankbord- en adviesfunctie kan vervullen ten opzichte van het college van bestuur. Dit is te meer van belang, omdat het op grond van art. 9.7 WHW niet mogelijk is de raad van toezicht uit meer dan vijf leden te laten bestaan.


Het curatorium heeft in deze opzet niet een plaats naast het college van bestuur en de raad van toezicht maar een adviestaak voor beide organen. Het huidige statuut heeft dit tot uitdrukking gebracht door het curatorium een zorgtaak te geven krachtens mandaat van de raad van toezicht. De wijze waarop deze taak verder in het statuut is ingevuld heeft echter tot diffuse verhoudingen geleid. Het ontwerpstatuut wil hieraan langs de volgende lijnen tegemoet komen:

  1. Het curatorium wordt een door de raad van toezicht in te stellen commissie (art. 12.3).
  2. Het curatorium bestaat uit vier predikanten en twee (emeritus)docenten van een andere universiteit (art. 17.1).
  3. De leden van het curatorium worden benoemd door de generale synode op voordracht van de raad van toezicht, na advies van het zittende curatorium en op basis van een profielschets (art. 17.2).
  4. De taak van het curatorium wordt in het statuut verankerd:
    1. Bijstand verlenen bij het toezien op het gereformeerd karakter van wetenschappelijk onderwijs, onderzoek en kennisuitwisseling (art. 16.2).
    2. Adviseren aan de raad van toezicht over vooral genoemde voordrachten voor benoemingen (art. 16.3).
    3. Het fungeren als klankbord voor het college van bestuur (art. 16.4).
    4. Het geven van advies aan het college van bestuur n.a.v. een klacht van een kerk of kerklid tegen een uitlating van een docent of onderzoeker of in geval van een disciplinaire maatregel of onvrijwillig ontslag (art. 16.5).
  5. De raad van toezicht stelt een reglement vast waarin deze taken van het curatorium nader worden omschreven(art. 18.4).
  6. Het curatorium rapporteert jaarlijks aan de raad van toezicht en driejaarlijks via de raad van toezicht aan de generale synode (art. 19).

In deze opzet zijn de positie en de functie van het curatorium zowel ten opzichte van het college van bestuur als van de raad van toezicht duidelijk. Het curatorium ontleent aan het statuut eigen taken maar oefent deze uit als adviseur c.q. klankbord van de raad van toezicht of het college van bestuur.


Het aantal leden van het curatorium kan lager zijn dan nu nog het geval is nu de predikant-leden niet langer worden voorgedragen door de particuliere synoden en is met zes ook meer in evenwicht met het aantal leden van de raad van toezicht. Door de benoeming van de leden door de generale synode blijft de band met de kerken gehandhaafd. Door het adviesrecht van het zittende curatorium over de voordracht aan de generale synode en betrokkenheid bij de formulering van de profielschets krijgt deze band meer inhoud.


In de klachtprocedure behoudt het curatorium een eigen plaats, maar wordt tegelijk recht gedaan aan de primaire verantwoordelijkheid van het college van bestuur ter zake. Of en zo ja wanneer en met welke agenda de raad van toezicht samen met het curatorium vergadert behoeft niet in het statuut geregeld te worden.


De wijze waarop inhoud gegeven wordt aan de functie van het curatorium wordt niet alleen bepaald door de inhoud van het statuut, maar ook door het voor het curatorium geldende reglement. Het past bij de bestuurlijke verhoudingen dat dit reglement wordt vastgesteld door de raad van toezicht, op voorstel van het college van bestuur en na ingewonnen advies van het curatorium (art.18.4) Knelpunten zoals deze zich nu voordoen bij de toepassing van het huidige art. 19.1 van het statuut kunnen door middel van dit protocol zoveel mogelijk worden voorkomen.


8.       
Code goed bestuur


Voor de universiteiten geldt als branchecode de ‘Code goed bestuur universiteiten 2007’ van de VSNU. De code heeft geen formele binding maar werkt volgens het principe ‘pas toe of leg uit’. Art. 9.8 WHW noemt als taak van de raad van toezicht onder meer het toezien op de omgang met de branchecode. In aansluiting daaraan is deze taak ook genoemd in het huidige art. 13.2 van het statuut met daaraan toegevoegd: “voor zover de toepassing daarvan in overeenstemming is met grondslag en doelstelling van de universiteit en de bij of krachtens dit statuut geldende regelingen”. Voorgesteld wordt deze tekst in art. 12.2 van het statuut te handhaven.


De inhoud van het statuut, zoals deze nu wordt voorgesteld, sluit aan bij de inhoud van de code. Er is geen reden om in verband met grondslag en doelstelling van de universiteit in het statuut af te wijken van de code. Veel bepalingen uit de code behoeven niet op het niveau van het statuut geregeld te worden, maar kunnen zo nodig verwerkt worden in de onderscheidene reglementen.


9.       
Overheidsregelgeving


Zoals onder 3 is vermeld voldoet het statuut in grote lijnen aan de bepalingen van de WHW. Op enkele ondergeschikte punten is een wijziging nodig, die veelal veroorzaakt wordt door wijzigingen in de wetstekst tijdens de parlementaire behandeling. Het gaat hierbij o.a. over de aanwijzing van een accountant (door de raad van toezicht in plaats van het college van bestuur), de inschrijving van studenten voor onbepaalde tijd (in plaats van voor één jaar) en de vaststelling van het promotiereglement door de senaat (in plaats van door het college van bestuur). Bij de desbetreffende artikelen van het statuut worden de voorgestelde wijzigingen kort toegelicht. Het statuut zoals het nu voorligt, voldoet aan de geldende wettelijke bepalingen. Wel zullen ter uitvoering van wet en statuut nog de nodige reglementen tot stand moeten komen of worden gewijzigd, zoals het universiteitsreglement.


Om te voorkomen dat bij wijziging van overheidsregelgeving het statuut op onderdelen niet tijdig kan worden aangepast is in artikel 51.3 van het nieuwe statuut een wijzigingsbevoegdheid voor de raad van toezicht opgenomen voor de periode dat de generale synode niet vergadert.


10.    
Benoemingsvoorwaarde


Art. 33.1 van het huidige statuut stelt als voorwaarde voor benoeming als lid van het wetenschappelijk personeel het zijn van belijdend lid in volle rechten van – kort samengevat – één van de Gereformeerde of Christelijke Gereformeerde Kerken. Een voorwaarde die van direct belang is met het oog op de realisering van de doelstelling: de wetenschappelijke, geestelijke en praktische vorming van (aanstaande) gereformeerde predikanten, de beoefening van de gereformeerde theologie en de doorwerking daarvan in kerk en wereld (art. 3.1). In toenemende mate bestaat behoefte aan gespecialiseerd wetenschappelijk personeel voor de verschillende opleidingen. Het is niet uitgesloten dat het in de toekomst onmogelijk zal blijken voor al deze functies geschikte kandidaten te vinden die voldoen aan de benoemingsvoorwaarde. In dat geval is het goed de mogelijkheid te hebben iemand te benoemen die wel aanspreekbaar is op de leer van de Heilige Schrift, zoals die in de belijdenisgeschriften is samengevat, maar geen lid is van één van de genoemde kerken. Het voorgestelde art. 26.2 voorziet in een ontheffingsmogelijkheid in bijzondere gevallen. Voldoening aan de benoemingsvoorwaarde blijft dan de regel, maar om te voorkomen dat in een specifieke situatie geen geschikte kandidaat uit het midden van de kerken kan worden benoemd kan toch tot een verantwoorde benoeming worden overgegaan.


De ontheffingsmogelijkheid zal niet gelden voor een gewoon hoogleraar. In deze functie behoort hij tot de vaste leden van de senaat, is hij nauw betrokken bij de beleidsbepaling van de universiteit en is hij meer dan anderen een verbindende schakel tussen de universiteit en de kerken.

Of zich een bijzonder geval voordoet zal in de praktijk moeten worden bepaald. De benoemingsprocedure met betrokkenheid van velen binnen en buiten de universiteit biedt voldoende garanties voor een verantwoorde keuze.


11.    
Andere vragen 

  1. Kennisuitwisseling. Art. 9.8 WHW noemt als wettelijke taken van een universiteit het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast behoort tot de taken van een universiteit dienstverlening op wetenschappelijk niveau aan de samenleving. In navolging hiervan noemt art. 9.3 van het statuut ook taken op het gebied van de kerkelijke dienstverlening Daarbij kan gedacht worden aan advisering van kerken maar ook breder het delen van kennis met kerken, kerkleden en andere geïnteresseerden. De kerken kunnen hiermee gediend zijn, maar omgekeerd kan ook de universiteit niet zonder ‘voeding’ vanuit kerk en samenleving. Om dit beter tot uitdrukking te brengen wordt in de praktijk (o.a. in Dienstbaar en Wendbaar) de derde taak van de universiteit aangeduid als ‘kennisuitwisseling’ in plaats van ‘kerkelijke dienstverlening’. Voorgesteld wordt in het statuut hierbij aan te sluiten. Om te bevorderen dat deze taak een zo goed mogelijke plaats heeft binnen het geheel van de werkzaamheden van de universiteit wordt in art. 45.1 voorgesteld dat eens per drie jaar een plan voor kennisuitwisseling wordt vastgesteld, goed te keuren door de raad van toezicht.
  2. College van bestuur. Bij de bespreking van de rapportage van de TU op de synode van Harderwijk kwam een voorstel van de commissie-Groningen aan de orde om het aantal leden van het college van bestuur uit te breiden tot drie. Het huidige statuut laat deze mogelijkheid open door te spreken over ‘ten hoogste drie leden’. Nadat van de zijde van de universiteit was toegezegd te zullen rapporteren over de voor- en nadelen van een bestuur van twee of drie leden werd het voorstel van tafel genomen. Voorgesteld wordt het statuut op dit punt niet te wijzigen. Bij de rapportage aan de generale synode van Harderwijk wordt ingegaan op de verschillende aspecten van omvang, samenstelling en taakverdeling van het college van bestuur.
  3. Medezeggenschap. In het huidige statuut zijn nog geen bepalingen opgenomen met betrekking tot de medezeggenschap. Argument hiervoor was dat ten tijde van de behandeling van het statuut ter synode van Zwolle-Zuid nog onduidelijk was wat de WHW op dit punt zou gaan bepalen. Daarover bestaat inmiddels duidelijkheid. Art. 9.30 WHW laat het college van bestuur de keuze tussen een stelsel waarbij de Wet op de ondernemingsraden grotendeels van toepassing is en een stelsel met een universiteitsraad. Het college van bestuur heeft op 26 augustus 2010 gekozen voor een universiteitsraad en heeft een reglement voor de universiteitsraad vastgesteld, waaraan de raad van toezicht zijn goedkeuring heeft gegeven. De WHW bevat ter zake een uitgewerkte regeling, waarvan de inhoud geen problemen oplevert in verband met grondslag en doelstelling van de universiteit. Ook overigens lijkt het werken met een universiteitsraad voldoende aan te sluiten bij de manier van werken binnen de universiteit. Omdat de wet het mogelijk maakt telkens na vijf jaren opnieuw een keuze te maken uit beide wettelijke systemen wordt voorgesteld in het statuut alleen de bevoegdheid van het college van bestuur op te nemen om onder goedkeuring van de raad van toezicht een keuze te maken (art. 49).
  4. Bijzondere leerstoelen. De generale synode van Harderwijk 2011 heeft geen deputaten meer benoemd voor het College van Toezicht op de bijzondere leerstoel van het ADC met als oogmerk dat het toezicht op onderwijs en onderzoek van de leerstoelhouder geschiedt door de TU, conform de wijze waarop dat voor alle daar werkzame docenten is geregeld (vgl. rapport deputaten archief en documentatie, blz. 5). In het verlengde daarvan past het niet langer een afzonderlijk door de generale synode vast te stellen reglement voor bijzondere leerstoelen te handhaven, zoals voorgeschreven in art. 41 van het huidige statuut en zoals laatstelijk vastgesteld door de generale synode van Zuidhorn 2002. In het nog vast te stellen universiteitsreglement kunnen bepalingen worden opgenomen met betrekking tot bijzonder hoogleraren. Op deze manier kunnen de bepalingen die gelden voor andere docenten van overeenkomstige toepassing worden op bijzonder hoogleraren, verbonden aan een bijzondere leerstoel. Daarom is in het nieuwe art. 33 van het statuut het vereiste van een door de generale synode vast te stellen reglement niet meer opgenomen. Voorgesteld wordt het huidige reglement vervallen te verklaren met ingang van een door het college van bestuur te bepalen datum. Die datum zal dan zijn als een sluitende vervangende regeling van het college van bestuur is tot stand gekomen.

Kampen, 18 april 2012.


61-120602 TU - Bijlage 2 - Ontwerp Statuut TU - deel 1

 

STATUUT VAN DE THEOLOGISCHE UNIVERSITEIT VAN DE GEREFORMEERDE KERKEN IN NEDERLAND


DE UNIVERSITEIT


Artikel 1 (oud: 1) – instelling 

De Gereformeerde Kerken in Nederland onderhouden in overeenstemming met artikel 18 van de kerkorde een theologische universiteit voor de wetenschappelijke vorming tot dienaar van het Woord.


Artikel 2 (oud: 2) – grondslag

De universiteit is in haar arbeid gebonden aan de leer van de Heilige Schrift, zoals die is samengevat in de belijdenisgeschriften van de kerken.


Artikel 3 (oud: 3) – doelstelling

3.1 De universiteit heeft als doel de wetenschappelijke, geestelijke en praktische vorming van (aanstaande) gereformeerde predikanten, de beoefening van de gereformeerde theologie en de doorwerking daarvan in kerk en wereld. De universiteit verzorgt daartoe wetenschappelijk onderwijs, verricht wetenschappelijk onderzoek en vervult daarnaast taken op het gebied van de kennisuitwisseling.

Toel.: ls derde kerntaak van de universiteit wordt kennisuitwisseling genoemd. Daarmee wordt duidelijker dan met de oude aanduiding ‘kerkelijke dienstverlening’ onder woorden gebracht dat het gaat om overdracht van aanwezige kennis maar ook om het verkrijgen van input vanuit de kerken.

3.2  De wetenschappelijke, geestelijke en praktische vorming is gericht op het bijbrengen van zodanige kennis, inzicht, vaardigheden en attituden, dat een afgestudeerde:

  1. zelfstandig kan functioneren als gereformeerd predikant;
  2. zelfstandig kan functioneren op de verschillende deelgebieden van de theologie; 
  3. in aanmerking kan komen voor een vervolgopleiding tot wetenschappelijk theologisch onderzoeker;
  4. zelfstandig zijn opleiding kan benutten ten dienste van de bewaring en verbreiding van het evangelie.

Artikel 4 (oud: 4) – rechtspersoonlijkheid en naam

4.1 Krachtens besluit van de generale synode Harderwijk 2011/2012 (Acta hoofdstuk 6, artikel 66 besluit 7) is de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland als zelfstandig onderdeel van deze kerken een rechtspersoon op grond van artikel 2: 2 van het Burgerlijk Wetboek.


4.2 De naam van de universiteit luidt op grond hiervan: ‘Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland

Toel.: Op grond van art. 1.8 WHW bezitten de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs rechtspersoonlijkheid. De aard van de rechtspersoonlijkheid berust op art. 2: 2 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan kerkgenootschappen en zelfstandige onderdelen daarvan rechtspersoonlijkheid bezitten. De Generale Synode van Berkel en Rodenrijs 1996 (Acta art. 79) bepaalde dat de kerken in generaal synodaal verband de rechtspersoon vormen waarvan de universiteit uitgaat. Door thans de universiteit als zelfstandig onderdeel van de kerken aan te wijzen als rechtspersoon wordt voldaan aan de regel van art. 1.8 WHW en kan de universiteit zelfstandig deelnemen aan het rechtsverkeer. De band met de kerken blijft geregeld door middel van het statuut.

De naam van de universiteit is aangepast aan de officiële naam van de kerken, die ook al in art. 4.3 werd gebruikt.


4.3 In dit statuut worden de Gereformeerde Kerken in Nederland aangeduid als ‘de kerken’, de generale synode van deze kerken als ‘de generale synode’ en de theologische universiteit als ‘de universiteit’.


Artikel 5 (oud: 5) – universiteit

De universiteit is een levensbeschouwelijke universiteit in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Toel.: Door wijziging van de WHW is de universiteit niet langer een aangewezen instelling maar een          levensbeschouwelijke universiteit. (art. 1.3 WHW)


Artikel 6 (oud: 6) – vestiging

De universiteit is gevestigd te Kampen.


Artikel 7 (oud: 7) – bestuurlijke organisatie

7.1 Het bestuur van de universiteit is opgedragen aan het college van bestuur.

7.2 Het toezicht op het bestuur wordt uitgeoefend door de raad van toezicht.

7.3 Elk van de organen is in de uitoefening van zijn functies gebonden aan dit statuut en aan de besluiten van de generale synode.

Toel.: De WHW gaat uit van integraal toezicht door de raad van toezicht. Het curatorium is een in het statuut voorziene commissie van de raad van toezicht. Daarom wordt het curatorium in dit verband niet meer genoemd. Zie hiervoor hoofdstuk D van het statuut.


BESTUUR


Artikel 8 (oud: 8) – bestuur

8.1 Het college van bestuur is belast met het bestuur van de universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht.

Toel.: De tekst is ontleend aan art. 9.2, eerste lid, WHW. Het curatorium wordt in dit verband niet meer genoemd, omdat daarvoor een wettelijke basis ontbreekt.

8.2 Het bestuur als bedoeld in artikel 8.1 omvat onder meer:

  1. het bepalen van het algemeen beleid van de universiteit en het realiseren daarvan;
  2. de directe verantwoordelijkheid voor de reguliere voortgang van onderwijs, onderzoek en  kennisuitwisseling;
  3. het zorg dragen voor de continuïteit van de organisatie;
  4. het jaarlijks voorafgaand aan het begrotingsjaar opstellen van de begroting;
  5. het driejaarlijks opstellen van een meerjarenbegroting ten behoeve van de generale synode;
  6. het jaarlijks vaststellen van de jaarrekening en het jaarverslag;
  7. het doelmatig beheer van de financiële en overige middelen van de universiteit;
  8. het uitoefenen van de taken en bevoegdheden die aan het college van bestuur als instellingsbestuur zijn opgedragen dan wel het doen uitoefenen daarvan krachtens delegatie of mandaat;
  9. het uitoefenen van het bevoegd gezag van de universiteit;
  10. het doen van (voorstellen en voordrachten voor) benoemingen.

Toel.: Deze niet-limitatieve uitwerking van art. 8.1 zou ook kunnen plaatsvinden in het universiteitsreglement. Gekozen is voor handhaving in het statuut vanwege de samenhang met de taakomschrijving van de raad van toezicht in art. 12 en omdat verschillende taken samenhangen met de (financiële) verantwoordelijkheid van de kerken voor de instandhouding van de universiteit.


8.3 Het college van bestuur stelt een bestuurs- en beheersreglement vast ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de universiteit. Dit reglement wordt verder aangeduid als ‘universiteitsreglement’ en behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht.

Toel.: Dit artikel vloeit voort uit art. 9.4 en 9.8 WHW. De aanduiding ‘universiteitsreglement’ is gangbaar bij universiteiten.


8.4 Het college van bestuur stelt tenminste eenmaal per zes jaren een instellingsplan vast, dat een omschrijving geeft van de inhoud van het voorgenomen beleid voor de duur van het plan. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de voornemens tot bevordering van de kwaliteit van het onderwijs, onderzoek en kennisuitwisseling en tot verbetering van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het instellingsplan behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht.

Toel.: In aansluiting aan art. 2.2 WHW is de geldigheidsduur van het instellingsplan verlengd van twee tot (maximaal) zes jaar. Dat biedt meer mogelijkheden tot het formuleren van een beleid voor de middellange termijn.


8.5 Het college van bestuur stelt een treasuryplan  vast. Het treasuryplan behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht.


8.6 Het college van bestuur brengt aan iedere gewone generale synode verslag uit over het functioneren van de universiteit en het door hem gevoerde beleid en beheer. Het verslag wordt via de raad van toezicht aan de generale synode aangeboden.      


Artikel 9 (oud: 9) – college van bestuur

9.1 Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de rector van de universiteit.


9.2 De leden van het college van bestuur worden door de raad van toezicht benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een door de raad van toezicht te bepalen termijn.

Toel.: Art.9.3 WHW bevat voorschriften over de verdeling van de zetels over mannen en vrouwen en over het horen van de universiteitsraad. De uitwerking hiervan kan in het universiteitsreglement plaatsvinden.


9.3 Als voorwaarde voor benoeming tot lid van het college van bestuur geldt dat men belijdend lid moet zijn in volle rechten van één van de Gereformeerde Kerken in Nederland of van één van de kerken waarvan de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft uitgesproken dat deze te herkennen zijn als kerken van Jezus Christus die zich onderwerpen aan Gods Woord en zich gebonden weten aan de gereformeerde belijdenissen. Indien een lid van het college van bestuur niet langer aan deze benoemingsvoorwaarde voldoet, dient hij de raad van toezicht hiervan onverwijld in kennis te stellen. Het niet langer voldoen aan deze benoemingsvoorwaarde brengt mee dat de benoeming als lid van het college van bestuur van rechtswege eindigt.


9.4 De voorzitter van het college van bestuur wordt uit de leden door de raad van toezicht benoemd.


9.5 De leden van het college van bestuur zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het bestuur bedoeld in artikel 8, zulks met inachtneming van een in het universiteitsreglement te regelen portefeuilleverdeling.


9.6 Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.


Artikel 10 (oud: 10) – rector

10.1 De rector van de universiteit wordt benoemd door de raad van toezicht na advies en met instemming van de senaat.

10.2 Nadere regels over het rectoraat worden in het universiteitsreglement gesteld.

Toel: De materie van de huidige bepalingen in 10.3 t/m 10.6 over voordracht, omvang van de functie en waarneming bij verhindering kan beter in het universiteitsreglement worden geregeld.


-                 (oud: 11 – directeur)
Toel:
De functie van directeur is geen aparte functie meer. Het beheer van de universiteit valt onder de verantwoordelijkheid van het college van bestuur. Hoe hieraan verder vorm wordt gegeven behoeft geen regeling in het statuut.

-                 (oud: 12 – adviescommissies)
Toel.: Mogelijkheden en modaliteiten van adviescommissies kunnen beter bij reglement worden bepaald.


Noot: Artikel 11 ontbreekt.


(oud: C en D) TOEZICHT OP HET BESTUUR


Artikel 12 (oud: 13) – toezicht

12.1 De raad van toezicht is belast met het toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door en namens het college van bestuur en staat het college van bestuur met raad ter zijde.


12.2  De raad van toezicht is in elk geval belast met:

  1. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur;
  2. het goedkeuren van het universiteitsreglement als bedoeld in artikel 8.3;
  3. het vaststellen van het reglement voor de uitoefening van de taken van het curatorium als bedoeld in artikel 18.4;
  4. het goedkeuren van het instellingsplan als bedoeld in artikel 8.4;
  5. het goedkeuren van de onderwijsprogramma’s als bedoeld in artikel 40;
  6. het goedkeuren van de onderzoeksprogramma’s als bedoeld in artikel 44;
  7. het goedkeuren van het plan voor kennisuitwisseling als bedoeld in artikel 45;
  8. het goedkeuren van de meerjarenbegroting, de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag van het college van bestuur als bedoeld in artikel 8.2;
  9. het goedkeuren van voordrachten van het college van bestuur aan de generale synode voor de benoeming van gewoon hoogleraren en buitengewoon hoogleraren als bedoeld in artikel 24.1;
  10. het goedkeuren van voordrachten van het college van bestuur aan de generale synode voor de benoeming van universitair hoofddocenten en universitair docenten met een aanstelling voor onbepaalde tijd en een formatie-omvang van 0,6 fte of meer als bedoeld in artikel 24.2;
  11. het goedkeuren van besluiten van het college van bestuur tot benoeming van wetenschappelijk personeel als bedoeld in artikel 25.1;
  12. het goedkeuren van besluiten van het college van bestuur tot benoeming van bijzonder hoogleraren als bedoeld in artikel 33.2;
  13. het goedkeuren van het formatieplan als bedoeld in artikel 34;
  14. het goedkeuren van de keuze van een medezeggenschapsstelsel als bedoeld in artikel 49.1;
  15. het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen;
  16. het toezien op de omgang met de branchecode voor de universiteiten, voor zover de toepassing daarvan in overeenstemming is met de grondslag en doelstelling van de universiteit en de bij en krachtens dit statuut geldende regelingen;
  17. het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg als bedoeld in artikel 41;
  18. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen;
  19. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 2: 393 lid 1 Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad;
  20. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met s, in het jaarverslag van de universiteit.

Toel.: De WHW noemt een aantal taken van de raad van toezicht in het bijzonder. Deze zijn hier opgenomen onder a, b, h en o t/m t. Daarnaast heeft de raad van toezicht een taak in verband met de relatie tot de kerken. Deze zijn opgenomen onder c t/m g, en i t/m n. Niet langer wordt goedkeuring voorgeschreven op een aantal regelingen, waar deze goedkeuring voor een goede uitoefening van het toezicht op het bestuur niet nodig is. Het gaat om de volgende


Oud d: het rechtspositiereglement.


Oud i: het onderwijs- en examenreglement.


Oud j: het promotiereglement.


Tenslotte is het goedkeuringsvereiste vervallen, omdat de desbetreffende regelingen/besluiten niet meer worden voorgeschreven. Dat betreft de volgende:


Oud b: benoeming van de directeur van de universiteit.


Oud g: reglement voor de toelating tot de universiteit.


Oud h: de regeling voor de vooropleiding.


Oud n: de instructie voor het financieel beheer door de directeur.


12.3 De raad van toezicht houdt toezicht op het gereformeerd karakter en het wetenschappelijk niveau van het onderwijs, het onderzoek en de kennisuitwisseling en stelt een commissie (curatorium) in die de raad daarin bijstaat.

Door het curatorium een commissie te laten zijn van de raad van toezicht wordt recht gedaan aan het integrale toezicht van de raad van toezicht en wordt de positie van beide organen duidelijk. De taak van het curatorium bij het behandelen van bezwaren uit de kerken is geregeld in artikel 18.2.


Artikel 13 (oud: 14) – raad van toezicht

13.1 De raad van toezicht bestaat uit vijf leden, onder wie twee predikanten. De leden worden benoemd door de generale synode op voordracht van de zittende raad van toezicht op basis van vooraf openbaar gemaakte door de raad van toezicht vastgestelde profielen.


Toel.: Het statuut bepaalt niet langer welke deskundigheden in de raad van toezicht vertegenwoordigd moeten zijn. Dat kan beter gebeuren in voor het geheel van de raad en voor de individuele leden vast te stellen profielen. De benoeming van secundi is bij raden van toezicht ongebruikelijk en stuit in de praktijk op bezwaren. In plaats daarvan kan zo nodig gebruik gemaakt worden van de in art. 13.8 genoemde vervangingsmogelijkheid.


13.2 De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. Een en ander wordt nader geregeld in een door de raad van toezicht vast te stellen reglement voor de raad van toezicht.

Toel.: In het reglement kan onder meer worden uitgewerkt hoe invulling wordt gegeven aan de bepalingen van art.9.7 WHW en de inhoud van de gedragscode goed bestuur universiteiten 2007.


13.3 De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van drie jaren. Zij zijn tweemaal herbenoembaar voor een nieuwe periode van drie jaren, behoudens afwijking door de generale synode in bijzondere gevallen.

13.4 Als voorwaarde voor benoeming als lid van de raad van toezicht geldt dat men belijdend lid moet zijn in volle rechten van één van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Indien een lid van de raad van toezicht niet langer aan deze benoemingsvoorwaarde voldoet, dient hij de raad van toezicht hiervan onverwijld in kennis te stellen. Het niet langer voldoen aan deze benoemingsvoorwaarde brengt mee dat men van rechtswege ophoudt lid van de raad van toezicht te zijn.


13.5 De leden van de raad van toezicht tekenen bij aanvang van hun werkzaamheden het daartoe bestemde ondertekeningsformulier voor de raad van toezicht.


13.6 Indien naar het oordeel van de raad van toezicht een lid in de vervulling van zijn taak ernstig tekortschiet of zich gedraagt op een wijze die het aanzien van de raad van toezicht of de universiteit kan schaden, kan de raad van toezicht hem tijdelijk of blijvend schorsen in de uitoefening van zijn functie. Een besluit hiertoe kan door de raad van toezicht slechts worden genomen nadat betrokkene is gehoord in een vergadering van de raad van toezicht dan wel betrokkene kenbaar heeft gemaakt daarvan geen gebruik te willen maken.


13.7 De raad van toezicht verkiest uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een assessor.


13.8 Indien sprake is van langdurige of blijvende verhindering dan wel een blijvende schorsing van een lid van de raad van toezicht dan wel van het ontstaan van een tussentijdse vacature benoemt de raad van toezicht een vervangend lid voor ten hoogste de resterende zittingsperiode.


Artikel 14 (oud: 15) – werkwijze raad van toezicht

14.1 De raad van toezicht vergadert zo vaak het belang van de universiteit dat vereist, maar ten minste vijf keer per jaar.


14.2  De raad van toezicht regelt zijn eigen werkwijze in het in artikel 13.2 bedoelde reglement.


14.3 De raad van toezicht wijst uit zijn midden een auditcommissie aan en regelt haar samenstelling en bevoegdheden.


14.4 De vergaderingen van de raad van toezicht worden als regel bijgewoond door het college van bestuur. Het college van bestuur heeft daarin adviserende stem. Het college van bestuur is niet aanwezig bij de behandeling van comitézaken.

Toel.: De werkwijze van de raad van toezicht kan het best worden geconcretiseerd in een door de raad zelf vast te stellen reglement. Niet langer wordt voorgeschreven dat de raad van toezicht tenminste één keer per jaar gezamenlijk met het curatorium vergadert. (oud: 15.7). Ten aanzien van welke zaken het curatorium een taak heeft is geregeld in artikel 16. In principe oefent het curatorium deze taken zelfstandig uit. Behandeling in een gezamenlijke vergadering maakt de onderscheidene verantwoordelijkheden van de raad van toezicht en het curatorium diffuus. Het reglement voor de raad van toezicht en het reglement voor de uitoefening van de taken van het curatorium bedoeld in art. 18.4  kunnen hierover nadere regels geven.


Artikel 15 (oud: 16) – verantwoording aan generale synode

15.1 De raad van toezicht legt aan iedere gewone generale synode verantwoording af over het door hem uitgeoefende toezicht op het bestuur van de universiteit.


15.2 De raad van toezicht legt daarbij aan de generale synode onder meer over:

  1. de door de raad van toezicht goedgekeurde meerjarenbegroting, jaarlijkse begrotingen, jaarrekeningen en jaarverslagen van het college van bestuur als bedoeld in artikel 12.2 sub h, alsmede de bijbehorende schriftelijke rapporten van een registeraccountant als bedoeld in artikel 12.2 sub s;
  2. het verslag van het college van bestuur als bedoeld in artikel 8.6;
  3. het door de raad van toezicht goedgekeurde instellingsplan als bedoeld in artikel 8.4;
  4. het verslag van het curatorium als bedoeld in artikel 19.2.

15.3 Het rapport van de raad van toezicht geeft inzicht in de hoofdlijnen van beleid en uitvoering daarvan. Het rapport vermeldt op welke wijze door de raad van toezicht, het college van bestuur en het curatorium uitvoering is gegeven aan de door de generale synode gegeven opdrachten.


Artikel 16  (oud: 17) – curatorium


16.1 De universiteit is er in al haar geledingen op gericht dat het onderwijs, het onderzoek en de kennisuitwisseling  in overeenstemming zijn met de Heilige Schrift en de belijdenisgeschriften van de kerken èn dat het gereformeerd karakter en wetenschappelijk niveau van het onderwijs, het onderzoek en de kennisuitwisseling worden bevorderd.


16.2 Het curatorium staat de raad van toezicht bij met betrekking tot het toezicht op het gereformeerd karakter en het wetenschappelijk niveau van het onderwijs, het onderzoek en de kennisuitwisseling evenals op het afwijzen van alles wat in het onderwijs, het onderzoek en de kennisuitwisseling met Gods Woord en de gereformeerde confessie in strijd is.

Toel:In aansluiting op het bepaalde in artikel 12.3 wordt de taak van het curatorium als commissie van de raad van toezicht in algemene zin omschreven als ‘toezien op het gereformeerd karakter en wetenschappelijk niveau’ van onderwijs, onderzoek en kennisuitwisseling. De artikelen 16.3, 16.4 en 16.5 bevatten een concretisering van deze taak.


16.3 Het curatorium adviseert de raad van toezicht over:

  1. voordrachten van het college van bestuur aan de generale synode voor de benoeming van gewoon hoogleraren en buitengewoon hoogleraren;
  2. voordrachten van het college van bestuur voor de benoeming van universitair hoofddocenten en universitair docenten met een aanstelling voor onbepaalde tijd en een formatie-omvang van 0,6 fte of meer;
  3. voorgenomen benoemingen door het college van bestuur van universitair hoofddocenten en universitair docenten evenals onderzoekers met een aanstelling voor bepaalde tijd;
  4. voordrachten aan de generale synode van leden van het curatorium;
  5. de goedkeuring van de onderwijsprogramma’s, de onderzoeksprogramma’s en het plan voor kennisuitwisseling, respectievelijk bedoeld in artikel 12.2, sub e, f en g;
  6. zaken waarvan de raad van toezicht, het college van bestuur of het curatorium van mening is dat daarvoor een breed draagvlak nodig is.

Toel.: Dit artikel bevat een opsomming van de adviestaken van het curatorium. De inhoud is ontleend aan oud-artikel 15.7.


16.4 Het curatorium staat verder het college van bestuur met raad terzijde door:

  1. het geven van inhoudelijke stimulansen om het gereformeerd karakter van het onderwijs, het onderzoek en de kennisuitwisseling zoveel mogelijk te bevorderen;
  2. het tijdig signaleren van inhoudelijke probleempunten in het onderwijs, het onderzoek en de kennisuitwisseling;
  3. te adviseren over het omgaan met veranderingen in theologische inzichten en de gevolgen daarvan voor het onderwijs, het onderzoek en de kennisuitwisseling.

16.5 Het curatorium is belast met het adviseren over een eventueel bezwaar dat in overeenstemming met artikel 18.2 door een kerk of kerklid tegen een mondelinge of schriftelijke uitlating van een (emeritus-) docent of andere onderwijsgevende of onderzoeker wordt ingebracht. Het kan tevens aan het college van bestuur een voorstel doen of een oordeel geven omtrent disciplinaire maatregelen of ongevraagd ontslag als bedoeld in de artikelen 29.2, 30.2 en 31.2.


Artikel 17 (oud: 18) – samenstelling curatorium

17.1 Het curatorium bestaat uit vier predikanten en twee (emeritus-)hoogleraren of universitair (hoofd)docenten van een andere universiteit.

Toel.: Nu de predikant-leden van het curatorium niet meer worden voorgedragen door de particuliere synoden kan de omvang van het curatorium worden beperkt tot een aantal dat nodig is voor een goede uitoefening van zijn taken. Afgezien is van de mogelijkheid ook secundi te benoemen. In plaats daarvan kan zo nodig gebruik gemaakt worden van de in artikel 17.8 genoemde vervangingsmogelijkheid.


17.2 De leden van het curatorium worden door de generale synode benoemd op voordracht van de raad van toezicht, die hierover het advies inwint van het zittende curatorium, en op basis van vooraf openbaar gemaakte door de raad van toezicht opgestelde profielen.

Toel.: Door de benoeming van de leden door de generale synode wordt de verantwoordelijkheid van de kerken als geheel voor het gereformeerd karakter van het onderwijs, het onderzoek en de kennisuitwisseling tot uitdrukking gebracht. De voordracht door de raad van toezicht, de betrokkenheid van het curatorium en de opstelling vooraf van profielen maken het mogelijk rekening te houden met de vereiste deskundigheden voor het geheel van het curatorium en voor de individuele leden.


17.3 De leden van het curatorium worden benoemd voor een periode van drie jaren. Zij zijn tweemaal herbenoembaar voor een nieuwe periode van drie jaren.


17.4 Als voorwaarde voor benoeming als lid van het curatorium geldt dat men belijdend lid moet zijn in volle rechten van één van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Indien een lid van het curatorium niet langer aan deze benoemingsvoorwaarde voldoet, dient hij het curatorium hiervan onverwijld in kennis te stellen. Het niet langer voldoen aan deze benoemingsvoorwaarde brengt mee dat men van rechtswege ophoudt lid van het curatorium te zijn.


17.5 De leden van het curatorium ondertekenen bij aanvang van hun werkzaamheden het daartoe bestemde ondertekeningsformulier voor het curatorium.


17.6 Indien naar het oordeel van het curatorium een lid in de vervulling van zijn taak als lid ernstig tekortschiet of zich gedraagt op een wijze die het aanzien van het curatorium of de universiteit kan schaden, kan de raad van toezicht op voorstel van het curatorium hem tijdelijk of blijvend schorsen in de uitoefening van zijn functie. Het voorstel hiertoe kan door het curatorium slechts worden gedaan nadat betrokkene is gehoord in een vergadering van het curatorium dan wel betrokkene kenbaar heeft gemaakt daarvan geen gebruik te willen maken.

Toel.: Het besluit tot schorsing dient door de raad van toezicht te worden genomen nu het gaat om het lidmaatschap van een commissie van de raad van toezicht.


17.7 Het curatorium kiest uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een assessor.


17.8 Indien sprake is van langdurige of blijvende verhindering dan wel een blijvende schorsing van een lid van het curatorium dan wel van het ontstaan van een tussentijdse vacature benoemt de raad van toezicht na advies te hebben ingewonnen van het curatorium een vervangend lid voor ten hoogste de resterende zittingsperiode.


Artikel 18 (oud: 19) – werkwijze curatorium

18.1 Het curatorium vergadert zo vaak een goede taakuitoefening dat vereist, maar tenminste vier keer per jaar. De raad van toezicht stelt na ingewonnen advies van het curatorium ter zake nadere regels.

Toel.: De nadere regels zullen onder meer betrekking hebben op de onderlinge informatie-uitwisseling tussen curatorium, raad van toezicht en college van bestuur. Het bijwonen van de vergaderingen van het curatorium door de rector behoeft niet in het statuut te worden geregeld.


18.2 Een kerk of kerklid dat een gemotiveerd bezwaar wenst in te dienen tegen een mondelinge of schriftelijke uitlating van een (emeritus-) docent of andere onderwijsgevende of onderzoeker van de universiteit, richt zich eerst tot betrokkene. Indien het bezwaar niet wordt weggenomen, richt hij zich uiterlijk één jaar na de desbetreffende uitlating tot het college van bestuur. Het college van bestuur vraagt het advies van het curatorium in overeenstemming met de regels van het in artikel 18.4 vermelde reglement. Als een bezwaar betrekking heeft op het college van bestuur of een lid daarvan treedt de raad van toezicht voor de behandeling van het bezwaar in de plaats van het college van bestuur.

Toel.: De laatste zin is toegevoegd om te voorkomen dat het college van bestuur moet oordelen in eigen zaak.


18.3 Indien naar het oordeel van het curatorium disciplinaire maatregelen en/of onvrijwillig ontslag nodig zijn tegen een (emeritus-)docent of andere onderwijsgevende of onderzoeker, doet het daarvoor een voorstel dat wordt behandeld in een gecombineerde vergadering van het college van bestuur met het curatorium en de raad van toezicht. Artikel 29 resp. 30 resp.31 is verder van toepassing. De laatste zin van artikel 18.2 is van overeenkomstige toepassing.


18.4 De raad van toezicht stelt, op voorstel van het college van bestuur en na ingewonnen advies van het curatorium een reglement vast voor de uitoefening van de taken van het curatorium als bedoeld in artikel 16.2 en ter uitwerking van artikel 18.2 en 18.3.

Toel.: Omdat het curatorium een commissie is van de raad van toezicht en mede een functie vervult ten behoeve van het college van bestuur wordt het reglement vastgesteld door de raad van toezicht op voorstel van het college van bestuur.


Artikel 19 (oud: 20) – verantwoording

19.1 Het curatorium verantwoordt zich over de door hem verrichte werkzaamheden tegenover de raad van toezicht in een jaarlijks rapport. Het college van bestuur ontvangt daarvan een afschrift.


19.2 De rapportage betreffende de door het curatorium verrichte werkzaamheden, welke is bestemd voor de generale synode wordt door het curatorium uitgebracht aan de raad van toezicht en wordt door de raad van toezicht gevoegd bij het rapport van de raad van toezicht aan de generale synode als bedoeld in artikel 15.

Toel.: Deze wijze van rapportage maakt het mogelijk dat de generale synode kennis kan nemen van de rapportage van het curatorium en biedt de raad van toezicht de mogelijkheid daaraan desgewenst toe te voegen wat hij vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het integrale toezicht dienstig acht.


61-120602 TU - Bijlage 3 - Ontwerp Statuut TU - deel 2

 

Deel 2 Statuut

-                      ( oud: E. DOCENTENVERGADERING, art. 21 en 22)

Toel.: De docentenvergadering behoeft niet bij statuut geregeld te worden.


 
D. SENAAT


Artikel 20 (oud: 23) – samenstelling

20.1 De senaat bestaat uit de gewoon hoogleraren.


20.2 Buitengewoon hoogleraren, bijzonder hoogleraren, evenals universitair hoofddocenten en universitair docenten in volledige of niet volledige dienst kunnen op uitnodiging van de rector de vergaderingen van de senaat bijwonen en hebben daar adviserende stem.


20.3 De rector is de voorzitter van de senaat. De senaat wijst uit zijn midden een secretaris aan.


Artikel 21 (oud: 24) – taken


De senaat is belast met de volgende taken:

  1. het adviseren van het college van bestuur op het gebied van de aanstelling van promovendi.
  2. het als college voor promoties beoordelen van dissertaties en het toelaten tot promoties.
  3. het adviseren van het college van bestuur op het gebied van de verlening van eredoctoraten.
  4. het doen van voordrachten aan de raad van toezicht op het gebied van de benoeming van de rector evenals in voorkomend geval van de waarnemend rector.

Toel.: De werkwijze van de senaat behoeft niet bij statuut geregeld te worden.


(oud: G. UNIVERSITEITSBERAAD)

Toel.: Het Universiteitsberaad als overlegorgaan met vertegenwoordigers van door de generale synode aangewezen generaal-synodale deputaatschappen voorziet in de praktijk niet in de veronderstelde behoefte. De samenstelling van het beraad is zeer breed en het werkterrein van de deputaatschappen loopt sterk uiteen. De belangstelling om aan het overleg deel te nemen blijkt dan ook minimaal. Het doel om elkaar wederzijds te informeren en met elkaar te beraadslagen over ontwikkelingen in het gereformeerd theologisch onderwijs, onderzoek en kennisuitwisseling en feedback uit de kerken te geven kan ook op andere meer gerichte manieren worden bereikt.
De materie van de artikelen huidige artikelen 26 t/m 28 is dan ook niet meer opgenomen.

 

E. WETENSCHAPPELIJK PERSONEEL


Artikel 22 (oud: 29) – formatieplan

22.1 Het college van bestuur stelt een formatieplan vast waarin per vakgebied de belasting voor onderwijs, onderzoek en kennisuitwisseling wordt bepaald.


22.2 Het formatieplan wordt periodiek geactualiseerd.


22.3 Beslissingen over de vervulling van docent-vacatures worden genomen op basis van het formatieplan.


Artikel 23 (oud: 30) – functies

23.1 Aan de universiteit kunnen voor onderwijs, onderzoek en kennisuitwisseling worden benoemd: gewoon hoogleraren, buitengewoon hoogleraren, universitair hoofddocenten en universitair docenten, evenals in de gevallen bedoeld in artikel 33 bijzonder hoogleraren.


23.2 Aan de universiteit kunnen onderzoekers worden aangesteld voor het doen van theologisch onderzoek op basis van een aanstelling voor bepaalde tijd.


23.3 Specifieke onderdelen van de opleiding kunnen worden verzorgd door externe docenten, onder verantwoordelijkheid van de vakdocent, op basis van een overeenkomst van opdracht.


23.4 Nadere regels betreffende in dit artikel genoemde en eventuele andere wetenschappelijke functies worden bij of krachtens het universiteitsreglement gesteld.

Toel.: Het toegevoegde art. 23.4 maakt het mogelijk ook wetenschappelijk personeel in andere functies aan te stellen. Dit en een omschrijving van de verschillende functies kunnen beter bij of krachtens het universiteitsreglement worden geregeld.


Artikel 24 (oud: 31) – benoemingen door de generale synode.

24.1 Gewoon hoogleraren en buitengewoon hoogleraren worden benoemd door de generale synode.


24.2 Universitair hoofddocenten en universitair docenten, telkens met een aanstelling voor onbepaalde tijd en een formatie-omvang van 0,6 fte of meer, worden benoemd door de generale synode.


24.3 In geval van een vacature betreffende een functie als bedoeld in artikel 24.1 of 24.2 doet het college van bestuur aan de generale synode een voordracht. De voordracht is inhoudelijk gemotiveerd, gerelateerd aan het formatieplan en omschrijft inhoud en omvang van de vacante functie binnen de desbetreffende vakgroep. De voordracht behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht, na ingewonnen advies van het curatorium.

Toel.:  Conform artikel 16.3 adviseert het curatorium over deze voordrachten aan de raad van toezicht. Hoe deze voordrachten overigens tot stand komen kan bij of krachtens het universiteitsreglement bepaald worden.


Artikel 25 (oud: 32) – benoemingen door college van bestuur

25.1 De benoeming van andere docenten dan bedoeld in artikel 24 geschiedt door het college van bestuur.


25.2 In geval van een vacature betreffende een functie als bedoeld in artikel 25.1 geeft het college van bestuur aan de raad van toezicht kennis van een voorgenomen benoeming. Het bericht is inhoudelijk gemotiveerd, gerelateerd aan het formatieplan en de beschikbare budgettaire mogelijkheden en omschrijft inhoud en omvang van de vacante functie binnen de desbetreffende vakgroep. De benoeming behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht, na ingewonnen advies van het curatorium.


25.3 Onderzoekers worden benoemd door het college van bestuur. De benoeming is inhoudelijk gemotiveerd, gerelateerd aan het onderzoeksprogramma en omschrijft inhoud en omvang van de vacante functie binnen de desbetreffende onderzoeksgroep.


25.4 Externe docenten voor specifieke onderdelen van de opleiding ontvangen daartoe een opdracht voor bepaalde tijd van het college van bestuur.

Toel.: Omdat het in dit artikel gaat om benoemingen door het college van bestuur wordt niet meer gesproken van een voorstel tot benoeming (zoals in het huidige art. 32.3) maar van een kennisgeving van een voorgenomen benoeming. Conform art. 16.3 adviseert het curatorium over een dergelijk voornemen aan de raad van toezicht. Hoe een dergelijke benoeming overigens tot stand komt kan bij of krachtens het universiteitsreglement bepaald worden.


Artikel 26 (oud: 33) – algemene benoemingsvoorwaarde en ondertekeningsformulier

26.1 Als voorwaarde voor benoeming als lid van het wetenschappelijk personeel geldt dat men belijdend lid moet zijn in volle rechten van één van de Gereformeerde Kerken in Nederland of van één van de kerken waarvan de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft uitgesproken dat deze te herkennen zijn als kerken van Jezus Christus die zich onderwerpen aan Gods Woord en zich gebonden weten aan de gereformeerde belijdenissen. Indien een lid van het wetenschappelijk personeel niet langer aan deze eis voldoet, dient hij het college van bestuur hiervan onverwijld in kennis te stellen en eindigt de benoeming als lid van het wetenschappelijk personeel van rechtswege. Deze benoemingsvoorwaarde dient te worden opgenomen in de individuele overeenkomst met ieder lid van het wetenschappelijk personeel.


26.2 In bijzondere gevallen kan van de in artikel 26.1 bedoelde benoemingsvoorwaarde ontheffing worden verleend indien dat nodig is voor een goede voorziening in een vacature, niet zijnde een vacature voor gewoon hoogleraar.

Toel.: De benoemingsvoorwaarde betreffende kerklidmaatschap is van direct belang met het oog op de realisering van de doelstelling van de universiteit (art. 3).Het is niet uitgesloten dat het in de toekomst onmogelijk zal blijken voor alle wetenschappelijke functies geschikte kandidaten te vinden. Daarom voorziet dit artikel in een ontheffingsmogelijkheid voor wetenschappelijk personeel, niet zijnde gewoon hoogleraar. Ook de aldus benoemde wetenschapper zal het in art. 26.3 bedoelde ondertekeningsformulier moeten tekenen.


26.3 De gewoon hoogleraren, buitengewoon hoogleraren, universitair hoofddocenten en universitair docenten, hetzij met een aanstelling voor onbepaalde tijd hetzij met een aanstelling voor bepaalde tijd, zullen bij aanstelling een door de generale synode vastgesteld ondertekeningsformulier tekenen als blijk van instemming met de leer van de Heilige Schrift, zoals die in de belijdenisgeschriften van de kerken is samengevat, en van hun bereidheid om deze zuivere leer te onderwijzen en tegen dwalingen te verdedigen.


26.4 De ondertekening als bedoeld in artikel 26.3 zal bij benoeming door de generale synode in de regel plaatsvinden tijdens een openbare zitting van de generale synode. Indien de generale synode inmiddels is gesloten en in geval van benoeming door het college van bestuur, zal deze ondertekening plaatsvinden in een gecombineerde vergadering van de raad van toezicht en het college van bestuur. In geval van een gewoon hoogleraar of buitengewoon hoogleraar zal de rector van deze ondertekening melding maken bij de inauguratie.


Artikel 27 (oud: 34) – ontslag wegens leeftijd en op eigen verzoek door of namens generale synode

27.1 Aan een gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, universitair hoofddocent en universitair docent, die is benoemd door de generale synode, wordt met ingang van de eerste dag van de maand waarin betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt ontslag verleend door de generale synode.


27.2 Aan een gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar alsook een universitair hoofddocent en universitair docent, die is benoemd door de generale synode, kan op eigen verzoek door de generale synode eerder ontslag worden verleend.


27.3 Valt het tijdstip van ontslag als bedoeld in artikel 27.1 en 27.2 buiten de tijd dat de generale synode vergadert, dan zal de bevoegdheid tot het verlenen van ontslag namens de generale synode bij de raad van toezicht liggen.

Toel.: Het ligt meer voor de hand de raad van toezicht als deputaatschap van de generale synode met deze taak te belasten dan zoals in het huidige statuut het geval is het college van bestuur.


27.4 Van een verleend ontslag als bedoeld in dit artikel zal door de raad van toezicht mededeling worden gedaan aan alle kerken.


Artikel 28 (oud: 35) – ontslag wegens leeftijd en op eigen verzoek door college van bestuur

28.1 Aan een universitair hoofddocent en een universitair docent die benoemd is door het college van bestuur met een aanstelling voor onbepaalde tijd, wordt met ingang van de eerste dag van de maand waarin betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt ontslag verleend door het college van bestuur.


28.2 Aan een universitair hoofddocent en een universitair docent die is benoemd door het college van bestuur, hetzij met een aanstelling voor onbepaalde tijd hetzij voor bepaalde tijd, kan op eigen verzoek door het college van bestuur tussentijds ontslag worden verleend.


28.3 Aan een onderzoeker die is benoemd door het college van bestuur met een aanstelling voor bepaalde tijd kan op eigen verzoek door het college van bestuur tussentijds ontslag worden verleend.


Artikel 29 (oud: 36) – disciplinaire maatregelen

29.1 Ten aanzien van een gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, universitair hoofddocent, universitair docent of onderzoeker, ongeacht of hij is aangesteld voor onbepaalde tijd dan wel voor bepaalde tijd, die zich naar het oordeel van het college van bestuur in leer of leven ernstig misgaat, handelt in strijd met grondslag en/of doelstelling van de universiteit en/of in de uitoefening van zijn functie ernstig te kort schiet, kunnen door het college van bestuur disciplinaire maatregelen worden genomen van beperking van bepaalde werkzaamheden en/of bevoegdheden dan wel van volledige op-non-actief-stelling.


29.2 Het curatorium kan aan het college van bestuur een voorstel tot een disciplinaire maatregel doen als bedoeld in artikel
18.3. Indien geen voorstel van het curatorium is ontvangen als bedoeld in artikel 18.3, verzoekt het college van bestuur om het oordeel van het curatorium.


29.3 Alvorens te beslissen stelt het college van bestuur betrokkene in de gelegenheid persoonlijk door hem gehoord te worden.


29.4 Een voornemen tot een disciplinaire maatregel wordt behandeld in een gecombineerde vergadering van het college van bestuur met het curatorium en de raad van toezicht. Het college van bestuur beslist als bevoegd gezag.


29.5 In geval van een verlenging van een disciplinaire maatregel is artikel 29.3 opnieuw van toepassing. Artikel 29.2 en 29.4 zijn niet opnieuw van toepassing.


29.6 Een disciplinaire maatregel alsook een verlenging daarvan wordt schriftelijk en gemotiveerd door het college van bestuur aan betrokkene meegedeeld en vermeldt nauwkeurig op welke werkzaamheden en/of bevoegdheden de maatregel betrekking heeft alsook de termijn waarvoor deze geldt.

Toel.: Door in art. 29.1 de woorden ‘naar het oordeel van het college van bestuur’ in te voegen wordt bereikt dat in geval van beroep het inhoudelijke oordeel van het college, getoetst door het curatorium en de raad van toezicht, in beginsel zal worden gerespecteerd. Goedkeuring door de raad van toezicht past niet bij een normale rolverdeling in rechtspositionele zaken tussen bevoegd gezag en toezichthouder, zeker nu het voornemen tot een maatregel in een gecombineerde vergadering met de raad van toezicht wordt behandeld. Dit goedkeuringsvereiste is daarom niet meer opgenomen in art.29.1 en in art. 12.2. Het recht op juridische bijstand voor eigen rekening van betrokkene spreekt in geschillen in arbeidsverhoudingen vanzelf en behoeft niet bij statuut geregeld te worden, zoals in het huidige art. 36.3 het geval is.


Artikel 30 (oud: 37) – onvrijwillig ontslag door generale synode

30.1    Ten aanzien van een gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, universitair hoofddocent en universitair docent, die is benoemd door de generale synode, die zich naar het oordeel van het college van bestuur in leer of leven ernstig misgaat, handelt in strijd met grondslag en/of doelstelling van de universiteit en/of in de uitoefening van zijn functie ernstig te kort schiet, kan het college van bestuur de generale synode voorstellen over te gaan tot tussentijds onvrijwillig ontslag.


30.2    Het curatorium kan aan het college van bestuur een voorstel tot onvrijwillig ontslag doen als bedoeld in artikel 18.3. Indien geen voorstel van het curatorium is ontvangen als bedoeld in artikel 18.3, verzoekt het college van bestuur om het oordeel van het curatorium.


30.3    Alvorens tot een voorstel aan de generale synode over te gaan, stelt het college van bestuur betrokkene in de gelegenheid persoonlijk door hem gehoord te worden.


30.4    Een voorstel tot onvrijwillig ontslag aan de generale synode wordt behandeld in een gecombineerde vergadering van het college van bestuur met het curatorium en de raad van toezicht. Het college van bestuur beslist over het voorstel aan de generale synode.


30.5    De generale synode beslist over het onvrijwillig ontslag na betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld zich persoonlijk te doen horen.

Toel.: De toelichting op art. 29 is van overeenkomstige toepassing.


Artikel 31 (oud: 38) – onvrijwillig ontslag door college van bestuur

31.1    Ten aanzien van een universitair hoofddocent, universitair docent of onderzoeker, die is benoemd door het college van bestuur, die zich naar het oordeel van het college van bestuur in leer of leven ernstig misgaat, handelt in strijd met grondslag en/of doelstelling van de universiteit en/of in de uitoefening van zijn functie ernstig te kort schiet, kan het college van bestuur besluiten over te gaan tot tussentijds onvrijwillig ontslag.


31.2    Het curatorium kan aan het college van bestuur een voorstel tot onvrijwillig ontslag doen als bedoeld in artikel 18.3. Indien geen voorstel van het curatorium is ontvangen als bedoeld in artikel 18.3, verzoekt het college van bestuur om het oordeel van het curatorium.


31.3    Alvorens te beslissen stelt het college van bestuur betrokkene in de gelegenheid persoonlijk door hem gehoord te worden.


31.4    Een voornemen tot onvrijwillig ontslag wordt behandeld in een gecombineerde vergadering van het college van bestuur met het curatorium en de raad van toezicht. Het college van bestuur beslist als bevoegd gezag.

Toel.: De toelichting op art. 29 is van overeenkomstige toepassing.


Artikel 32 (oud: 39) – kennisgeving aan kerken

32.1    Indien het college van bestuur ten aanzien van een betrokkene een disciplinaire maatregel neemt als bedoeld in artikel 29, doet het daarvan mededeling aan de kerk waarvan betrokkene lid is, en ingeval betrokkene als predikant of emeritus predikant aan een kerk is verbonden, tevens aan die kerk.


32.2    Indien de generale synode besluit tot onvrijwillig ontslag van een gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, universitair hoofddocent en universitair docent als bedoeld in artikel 30, doet zij daarvan mededeling aan alle kerken.


32.3    Indien het college van bestuur besluit tot onvrijwillig ontslag van een universitair hoofddocent of universitair docent als bedoeld in artikel 31, doet het daarvan mededeling aan alle kerken.

-  ( oud: art. 40 - rechtspositie)

Toel.: Regels met betrekking tot de rechtspositie van het wetenschappelijk personeel kunnen beter bij of krachtens het universiteitsreglement worden gesteld.


Artikel 33 (oud: 41) – bijzondere leerstoel

33.1    De generale synode kan besluiten tot instelling van één of meer bijzondere leerstoelen aan de universiteit.


33.2    Een benoeming tot bijzonder hoogleraar gebeurt door het college van bestuur. Een voorstel tot benoeming is inhoudelijk gemotiveerd en behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht, na ingewonnen advies van het curatorium.

Toel.: De generale synode van Harderwijk 2011 besloot niet langer deputaten te benoemen als College van Toezicht op een bijzondere leerstoel en een bijzonder hoogleraar, maar deze taak te integreren in het reguliere toezicht binnen de universiteit. Daarom wordt niet langer een door de generale synode vast te stellen reglement voorgeschreven. Wel kan de generale synode aan een besluit tot instelling van een bijzondere leerstoel desgewenst voorwaarden verbinden, bij voorbeeld met het oog op het gereformeerd karakter van onderwijs en onderzoek. Ook kan de generale synode deputaten belasten met taken met het oog op de bijzondere leerstoel, zoals het geval is met deputaten archief en documentatie. Verder voorziet art. 23.4 van het statuut in de mogelijkheid met betrekking tot onderwijs, onderzoek en kennisuitwisseling van bijzonder hoogleraren nadere regels te stellen bij of krachtens het universiteitsreglement. Op die manier kan de materie die nu is geregeld in een afzonderlijk reglement voor bijzondere leerstoelen op een gelijke wijze worden geregeld als voor het overige wetenschappelijk personeel.

-          (oud: 42 onderzoekers)

Toel.: Naast wat in het statuut is bepaald over de aanstelling van onderzoekers (art. 23.2) en het onderzoeksprogramma (art. 44.1) kunnen bepalingen met betrekking tot onderzoekers beter bij of krachtens het universiteitsreglement worden gesteld.


F (oud: I) – ONDERSTEUNEND PERSONEEL


Artikel 34 (oud: 43) – formatieplan

34.1    Het college van bestuur stelt een formatieplan vast waarin de belasting voor het ondersteunend personeel ten behoeve van onderwijs, onderzoek en kennisuitwisseling wordt bepaald.


34.2    Het formatieplan behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht.


34.3    Het formatieplan wordt periodiek geactualiseerd.


34.4    Beslissingen over de vervulling van vacatures met betrekking tot het ondersteunend personeel worden genomen op basis van het formatieplan.

 -(oud: 44 t/m 49 – rechtspositie)

Toel.:  De materie van de rechtspositie van ondersteunend personeel behoeft geen regeling in het statuut.


G (oud: J) – STUDENTEN


Artikel 35 (oud: 50 en 51) – toelating en inschrijving

35.1    Wanneer een aspirant-student zich meldt voor toelating tot de universiteit, zal namens het college van bestuur met hem worden gesproken over vooral zijn motivatie voor de theologische studie aan de universiteit en zijn houding ten opzichte van Gods Woord, de gereformeerde belijdenis en het gereformeerd kerkelijk leven. Het college van bestuur heeft het recht om toelating te weigeren, wanneer hij het resultaat van het gesprek onvoldoende acht.

Toel.: Art. 7.37, vijfde en zesde lid, WHW noemt als gronden voor weigering van inschrijving het niet respecteren van de grondslag en doelstelling van de universiteit dan wel gegronde vrees voor het misbruik maken van de inschrijving door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van de universiteit. Of er reden is inschrijving te weigeren kan beoordeeld worden aan de hand van de resultaten van het toelatingsgesprek.


35.2    Een aspirant-student die lid is van één van de Gereformeerde Kerken of van één van de kerken waarvan de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft uitgesproken dat deze te herkennen zijn als kerken van Jezus Christus die zich onderwerpen aan Gods Woord en zich gebonden weten aan de gereformeerde belijdenissen, dient een goed getuigenis van zijn kerk aangaande belijdenis en wandel over te leggen.


35.3    Een aspirant-student die geen lid is van een van de hiervoor bedoelde kerken, ondertekent een door de rector opgestelde verklaring waaruit de positieve houding van de aspirant-student ten opzichte van het gereformeerde karakter van de universiteit blijkt en die de belofte van zijn kant bevat daarop geen inbreuk te zullen maken.


35.4    Het college van bestuur kan nadere regels stellen met betrekking tot de toelating van studenten.

Toel.: Art. 50 van het huidige statuut schrijft een reglement voor toelating tot de universiteit voor. Aangezien de essentie van de regels voor toelating al in dit artikel voorkomt is de vaststelling van nadere regels thans facultatief geformuleerd. Op grond van art. 7.33 WHW moet het college van bestuur wel regels van procedurele aard vaststellen met betrekking tot de inschrijving en op grond van art. 7.42, lid 4 WHW tevens met betrekking tot de beëindiging van de inschrijving van studenten.

         Art. 51.6 van het huidige statuut stelt van beslissingen van de rector betreffende inschrijving van studenten voor docenten en studenten beroep open op de raad van toezicht. Deze mogelijkheid is niet meer opgenomen. Voor (aspirant)studenten gelden de mogelijkheden van rechtsbescherming krachtens de WHW. De raad van toezicht is geen beroepsinstantie voor individuele gevallen, maar oefent integraal toezicht uit op het college van bestuur. Mochten er tussen een (aspirant)student en het college van bestuur problemen ontstaan die direct te maken hebben met het gereformeerd karakter van de universiteit, dan kunnen ook de reguliere advies- en klankbordmogelijkheden worden benut.

- (oud:  art.: 52) – vereiste vooropleiding

Toel.: Omdat er naast de wettelijke voorschriften geen bijzondere toelatingsvereisten meer gelden kan dit artikel vervallen.

- (oud: art. 53 – periodieke herinschrijving)

Toel.: Inschrijving is in art. 7.32 WHW afdoende geregeld..

- (oud: art.54) – bijzondere inschrijving

Toel.: De verschillende bijzondere inschrijvingsvormen behoeven geen regeling in het statuut.


Artikel 36 (oud: 55) – toegang tot onderwijs c.a.

36.1    Inschrijving als student geeft recht op het volgen van onderwijs, het afleggen van tentamens en examens en het gebruik maken van de door de universiteit aangeboden faciliteiten en voorzieningen.


36.2    Het college van bestuur kan bij reglement beperkingen aanbrengen op het gestelde in artikel 36.1 voor hen die de opleiding niet volgen ter voorbereiding op het ambt van predikant.


Artikel 37 (oud 56) – toezicht

37.1    Het college van bestuur ziet toe op de studievoortgang van de studenten en overige ingeschrevenen.


37.2    Ten aanzien van studenten en overige ingeschrevenen die zich naar het oordeel van het college van bestuur in leer of leven ernstig misgaan dan wel handelen in strijd met grondslag en/of doelstelling van de universiteit kunnen door het college van bestuur disciplinaire maatregelen worden genomen van beperking van bepaalde rechten en/of bevoegdheden dan wel van tijdelijke ontzegging van de toegang tot de universiteit.


37.3    Alvorens een disciplinaire maatregel te nemen stelt het college van bestuur betrokkene in de gelegenheid persoonlijk door hem gehoord te worden.


37.4    Een disciplinaire maatregel wordt schriftelijk en gemotiveerd door het college van bestuur aan betrokkene meegedeeld en vermeldt nauwkeurig op welke rechten en/of bevoegdheden de maatregel betrekking heeft alsook de termijn waarvoor deze geldt.


37.5    In geval van een situatie als bedoeld in artikel 37.2 kan het college van bestuur besluiten tot definitieve verwijdering en uitschrijving als student of overige ingeschrevene.


37.6    Alvorens een besluit als bedoeld in artikel 37.5 te nemen stelt het college van bestuur betrokkene in de gelegenheid persoonlijk door hem gehoord te worden.


37.7    Een besluit als bedoeld in artikel 37.5 wordt schriftelijk en gemotiveerd door het college van bestuur aan betrokkene meegedeeld.

Toel.: Het toezicht op studenten valt onder de verantwoordelijkheid van het college van bestuur. Of en zo ja hoe andere organen binnen de universiteit hierbij een rol spelen behoeft geen regeling in het statuut.

Art. 56.9 van het huidige statuut stelt van besluiten zoals nu geregeld in de artikelen 37.4 en 37.5 beroep open op de raad van toezicht. Om dezelfde redenen als ten aanzien van inschrijving van studenten is vermeld onder art. 35.4 is deze mogelijkheid niet meer opgenomen in het statuut.


Artikel 38 (oud: 57) – uitschrijving

38.1    Het college van bestuur beslist over uitschrijving bij afbreken of onderbreken van de studie en bij overschrijding van de maximale studieduur.


38.2    Indien een student of overige ingeschrevene niet langer voldoet aan artikel 35.1, 35.2 of 35.3, is hij gehouden dat mee te delen aan het college van bestuur. Het college van bestuur beslist over de gevolgen voor de inschrijving.

Art. 57.3 van het huidige statuut stelt van besluiten tot uitschrijving beroep open op de raad van toezicht. Om dezelfde redenen als ten aanzien van inschrijving van studenten is vermeld onder art. 35.4 is deze mogelijkheid niet meer opgenomen in het statuut.

          - (oud art. 58 - studentenraad)

Toel.:  Regels betreffende een studentenraad kunnen beter bij of krachtens het universiteitsreglement gesteld worden.


H. ONDERWIJS, ONDERZOEK EN KENNISUITWISSELING


Artikel 39 (oud: 59)  - opleidingen

39.1    De universiteit voorziet op basis van haar grondslag en ter verwezenlijking van haar doelstelling in de door haar aan te bieden theologische opleidingen.


39.2    De universiteit kent de volgende opleidingen:

  1. een driejarige voltijds bachelor-opleiding klassieke theologie;
  2. een driejarige voltijds master-opleiding klassieke theologie, die opleidt tot gereformeerd predikant/theoloog;
  3. eventuele overige door het college van bestuur vastgestelde en door de raad van toezicht goedgekeurde theologische opleidingen in deeltijd of voltijd.

39.3    De universiteit is als instelling bij de aanbieding van haar opleidingen primair gericht op de geïntegreerde vorming tot gereformeerd theoloog en gereformeerd predikant ten behoeve van de kerken.

-          (oud: artikel 60 -  vooropleiding)

Toel.: Aangezien de vooropleiding is opgeheven is er voor een regeling ter zake in het statuut geen aanleiding meer.


Artikel 40 (oud: 61) – onderwijsprogramma’s

40.1    Het college van bestuur draagt tenminste eenmaal per drie jaar zorg voor het vaststellen van onderwijsprogramma’s. Hierin zijn de hoofdlijnen van de inrichting van het onderwijs en het studieprogramma voor iedere aangeboden opleiding evenals de verdeling van de studielast over de verschillende vakgebieden omschreven.


40.2    De onderwijsprogramma’s behoeven de goedkeuring van de raad van toezicht na ingewonnen advies van het curatorium.

-          (oud: artikel 62 – onderwijs- en examenreglement)

Toel.: Art. 7.13 WHW bevat een uitvoerige regeling met betrekking tot de onderwijs- en examenreglementen. Er is geen aanleiding hierover ook in het statuut iets te regelen.


Artikel 41 (oud: art. 63) – kwaliteitszorg

41.1    Het college van bestuur draagt zorg voor de opzet en het functioneren van een kwaliteitszorgsysteem met betrekking tot alle werkzaamheden van de universiteit en de door haar aangeboden opleidingen. De beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs geschiedt mede aan de hand van het oordeel van de studenten.


41.2    Bij de beoordeling wordt ten minste aandacht besteed aan:

  1. een regelmatige controle van het tijdsbeslag dat voor de studenten voortvloeit uit de onderwijs- en examenregeling en de daarin vermelde studielast;
  2. de kwaliteit van het onderwijs aan en de begeleiding van de studenten.

41.3    Het college van bestuur geeft de raad van toezicht gevraagd en ongevraagd inzicht in de opzet en het functioneren van het kwaliteitszorgsysteem.

Toel.: Art. 9.8 WHW noemt als taak van de raad van toezicht onder andere het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg. De aanvulling van art. 41 met een derde lid is bedoeld om de raad van toezicht in de gelegenheid te stellen deze taak uit te oefenen.


Artikel 42 (oud: 64) – permanente educatie/postacademisch onderwijs

42.1    De universiteit biedt aan haar afgestudeerden en andere belangstellenden regelmatig permanente educatie en/of postacademisch onderwijs aan.


42.2    De organisatie van de permanente educatie/postacademisch onderwijs is opgedragen aan het college van bestuur.


Artikel 43 (oud: 65) – doctoraat

43.1    Aan de universiteit kan het doctoraat in de theologie worden verkregen op grond van de verdediging van een dissertatie.


43.2    De senaat stelt als college voor promoties een promotiereglement vast met betrekking tot de toelating tot de promotie en ter verdere regulering daarvan.

Toel.: Op grond van art. 7.19 WHW stelt het college voor promoties het promotiereglement vast en niet het college van bestuur zoals art. 65 (oud) bepaalt. Goedkeuring van het promotiereglement door de raad van toezicht past niet in relatie tot de senaat. Art. 24 (oud) belast de senaat o.m. met de taak van college voor promoties. Deze materie wordt op grond van art. 9.10 WHW nader geregeld in het universiteitsreglement. Dit reglement is op grond van art. 9.8 WHW en art. 12.2 statuut aan de goedkeuring van de raad van toezicht onderworpen.


Artikel 44 (oud: 66) – onderzoek

44.1    Het college van bestuur draagt tenminste eens per drie jaar zorg voor het vaststellen van onderzoeksprogramma’s voor de verschillende vakgebieden. Hierin zijn de prioriteiten voor het te verrichten wetenschappelijk onderzoek per onderzoeksgroep omschreven.


44.2    De onderzoeksprogramma’s behoeven de goedkeuring van de raad van toezicht na ingewonnen advies van het curatorium.


Artikel 45 (oud: -) – kennisuitwisseling

45.1    Het college van bestuur draagt tenminste eenmaal per drie jaar zorg voor het vaststellen van een plan voor kennisuitwisseling.


45.2    Het plan voor kennisuitwisseling behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht na ingewonnen advies van het curatorium.

Toel.: Art. 3.1 bepaalt dat de universiteit met het oog op haar doelstelling naast het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek ook taken vervult op het gebied van de kennisuitwisseling. Omdat het hierbij eveneens gaat om een kerntaak van de universiteit verdient het aanbeveling hiervoor een meerjarenplan voor te schrijven.

-          (oud: L. BIBLIOTHEEK)

Toel.: De materie van dit hoofdstuk (de huidige artikelen 67 t/m 69) kan beter bij of krachtens het universiteitsreglement geregeld worden).


I. FINANCIEN


Artikel 46 (oud: 70)

46.1    De kerken zijn verantwoordelijk voor de financiële instandhouding van de universiteit en maken daarbij zo mogelijk gebruik van overheidsbekostiging.

Toel.: Het noemen van overheidsbekostiging naast de bijdrage van de kerken doet recht aan de situatie sinds de toekenning van overheidsbekostiging.


46.2    Op voorstel van het college van bestuur bepaalt de generale synode telkens voor een periode van drie jaren de jaarlijks door de kerken te betalen bijdrage (quota). Het voorstel van het college van bestuur behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht.


46.3    Ter realisering van de doelstelling van de universiteit worden ook andere vormen van financiering benut, zoals verwerving van legaten, sponsoring en subsidies.

Toel.: Door een relatie te leggen met de doelstelling van de universiteit, zoals vermeld in art. 3, wordt een handvat geboden bij de beoordeling van andere financieringsvormen om te voorkomen dat de universiteit daardoor in een verkeerde afhankelijkheidsrelatie komt.


Artikel 47 (oud: 71) – begroting en jaarrekening

47.1    Het college van bestuur stelt jaarlijks voorafgaand aan het begrotingsjaar de begroting vast, waarin zijn opgenomen een personeelsparagraaf en een onderzoeksparagraaf.


47.2    Het college van bestuur stelt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar na controle door een door de raad van toezicht aan te wijzen registeraccountant de jaarrekening van het afgelopen jaar vast. De jaarrekening moet zijn voorzien van een verklaring en bijbehorende managementletter van de accountant.


47.3    Geraamde uitgaven welke in een begrotingsjaar niet gerealiseerd zijn, kunnen worden toegevoegd aan de algemene reserve. Overschrijdingen van het budget over enig jaar kunnen worden gecompenseerd ten laste van de algemene reserve.

Toel.: Dit artikel is toegevoegd om tegemoet te komen aan de in de praktijk gebleken behoefte aan enige zekerheid dat de geraamde middelen beschikbaar blijven ook als het door onvoorziene omstandigheden niet gelukt is alle middelen in het begrotingsjaar aan te wenden. Op deze manier wordt de facto een meerjarenuitgavenplafond gerealiseerd.


47.4    Het college van bestuur draagt zorg voor een solide beleid betreffende reserves en voorzieningen.

Toel.: Tot een goed financieel beleid behoort het vormen van reserves als buffer voor algemene risico’s en het treffen van voorzieningen met het oog op specifieke reële risico’s.


47.5    Het college van bestuur stelt driejaarlijks een meerjarenbegroting op ten behoeve van de generale synode.


47.6    De begroting, de jaarrekening en de meerjarenbegroting behoeven, evenals het reserve- en voorzieningenbeleid, de goedkeuring van de raad van toezicht.


47.7    Het boekjaar van de universiteit is gelijk aan het kalenderjaar.

- (oud:art. 72) – financieel beheer

Toel.: Het financieel beheer is in art. 8.2 opgedragen aan het college van bestuur waarop de raad van toezicht toeziet op grond van art. 12.2, die daarbij gebruik maakt van de auditcommissie bedoeld in art. 14.3.


Artikel 48 (oud: 73) – goedkeuring en décharge door generale synode

48.1    De raad van toezicht zendt ter goedkeuring aan elke generale synode voor ieder boekjaar dat is verstreken sinds de vorige generale synode de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag, zoals vastgesteld door het college van bestuur en goedgekeurd door de raad van toezicht. In het jaarverslag is een verantwoording van het uitgeoefende toezicht opgenomen.


48.2    Bij goedkeuring verleent de generale synode aan de raad van toezicht en het college van bestuur décharge voor het gevoerde financieel beleid en beheer en het uitgeoefende toezicht daarop.


J. MEDEZEGGENSCHAP


Artikel 49 (oud: 74 en 75) – medezeggenschap

49.1    Het college van bestuur doet een keuze uit de medezeggenschapsstelsels die volgens de wet mogelijk zijn. Deze keuze behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht.


49.2    Het college van bestuur stelt, afhankelijk van de in artikel 49.1 bedoelde keuze, een medezeggenschapsregeling dan wel een reglement voor de universiteitsraad vast.

Toel.: Art. 9.30 WHW laat het college van bestuur de keuze tussen een stelsel waarbij de Wet op de ondernemingsraden grotendeels van toepassing is en een stelsel met een universiteitsraad. Op 26 augustus 2010 heeft het college van bestuur gekozen voor een universiteitsraad en heeft het een reglement voor de universiteitsraad vastgesteld, waaraan de raad van toezicht zijn goedkeuring heeft gegeven. De WHW bevat ter zake een uitgewerkte regeling, waarvan de inhoud geen problemen oplevert in verband met grondslag en doelstelling van de universiteit en ook overigens voldoende aansluit bij de manier van werken binnen de universiteit. Aangezien de keuze telkens na vijf jaren opnieuw kan worden gemaakt is deze mogelijkheid in art. 49.1 opgenomen.


K. VERTEGENWOORDIGING


Artikel 50 (oud: 76) – vertegenwoordiging

De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de universiteit in en buiten rechte.

Toel.: De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de universiteit in en buiten rechte is geregeld in art. 9.2 WHW. Volledigheidshalve is dit artikel hier overgenomen. Art. 52 KO behoeft hiervoor dus niet te worden toegepast.


L. SLOTBEPALINGEN


Artikel 51 (oud: 77) – vaststelling en wijziging

51.1    Dit statuut is vastgesteld door


51.2    Dit statuut kan door een generale synode worden gewijzigd.


51.3    Als de generale synode niet vergadert is de raad van toezicht bevoegd, gehoord het college van bestuur, bepalingen van dit statuut te wijzigen als zij voortvloeien uit wijzigingen in wet- en regelgeving van de overheid. De raad van toezicht vermeldt deze wijzigingen in zijn rapport aan de generale synode, bedoeld in artikel 15 van dit statuut.

Toel.: Omdat de generale synode niet altijd vergadert komt het voor dat gewijzigde overheidsvoorschriften niet tijdig kunnen worden toegepast. Art. 51.3 beoogt in deze situatie te voorzien.


Artikel 52 (oud: 78) – inwerkingtreding

52.1    Dit statuut vervangt het voorgaande statuut.


52.2    Dit statuut treedt in werking per 1 januari 2013.


52.3    Artikel 17.1 treedt in werking na afloop van de benoemingstermijn van de door de Generale Synode van Harderwijk 2011/2012 benoemde leden van het curatorium.

Toel.: De Generale Synode van Harderwijk benoemde op grond van het geldende statuut negen predikanten voor een termijn van drie jaar als lid van het curatorium. Deze benoeming blijft van kracht tot de volgende Generale Synode.


61-120602 TU - Bijlage 3a - Ondertekeningsformulier leden RvT

 

Ondertekeningsformulier voor leden van de Raad van Toezicht van de theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland


Wij, ondergetekenden, leden van de Raad van Toezicht van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland, beloven hierbij, met een goed geweten voor de Heer, dat wij de ons in het statuut van de Theologische Universiteit opgedragen taken zorgvuldig zullen uitvoeren.


Wij beloven er daarbij in het bijzonder op te zullen toezien dat uit het onderwijs op de universiteit alles geweerd blijft dat zou afwijken van de Heilige Schrift of inbreuk zou maken op de leer van de Drie Formulieren van Eenheid – de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels – en dat deze leer daarbij in alle onderdelen met toewijding onderwezen en trouw verdedigd wordt, zonder dat openlijk of anderszins, al dan niet rechtstreeks, iets geleerd of gepubliceerd wordt dat daarmee in strijd is.

Vastgesteld door de generale synode van Harderwijk d.d. 2 juni 2012.



120602 TU - Bijlage 3b - Ondertekeningsformulier Curatoren

 

Ondertekeningsformulier voor curatoren van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland

Wij, ondergetekenden, curatoren van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland, beloven hierbij, met een goed geweten voor de Heer, dat wij de ons in het statuut van de Theologische Universiteit opgedragen taken zorgvuldig zullen uitvoeren.

 

Wij beloven in het bijzonder erop te zullen toezien dat uit het onderwijs op de universiteit alles geweerd blijft dat zou afwijken van de Heilige Schrift of inbreuk zou maken op de leer van de Drie Formulieren van Eenheid – de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels – en dat deze leer daarbij in alle onderdelen met toewijding onderwezen en trouw verdedigd wordt, zonder dat openlijk of anderszins, al dan niet rechtstreeks, iets geleerd of gepubliceerd wordt dat daarmee in strijd is.

 

Voorts beloven wij erop te zullen toezien dat het niveau van de wetenschappelijke vorming tot dienaren van Gods woord blijft gewaarborgd.

 

Tenslotte beloven wij, dat wij, indien er enige bedenking tegen de leer van één van de docenten bij ons zou rijzen, deze bedenking met hem zullen bespreken en dat wij, indien onze bedenking niet wordt weggenomen, deze ter kennis zullen brengen van het College van Bestuur.

 

Vastgesteld door de Generale Synode van Harderwijk d.d. 2 juni 2012.

 

120602 TU - Bijlage 4 - Brief aan CanRC

 

Aan de Canadian Reformed Churches

G.J. Nordeman, secretary

3182 Sprucehill Ave.

Burlington, ON

Canada ,L7N 2G5


Zwijndrecht/Kampen, 26 maart 2012


Weleerwaarde en eerwaarde heren en broeders,


Op 9 maart 2011 hebt u een brief gezonden aan de deputaten BBK van de Gereformeerde Kerken in Nederland. In die brief maakt u op meerdere punten uw zorgen kenbaar over ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken, o.a. ook ontwikkelingen ten aanzien van het Schriftgezag zoals u die signaleert aan de Theologische Universiteit.


De Generale Synode Harderwijk 2011 betrok uw brief bij de behandeling van het rapport van het rapport van de Raad van Toezicht van de Theologische Universiteit en droeg de Raad van Toezicht op de voortgezette synode van Harderwijk te dienen met een rapportage over de afhandeling van uw brief.


Het gesprek over uw bezwaren begon al tijdens de synode van Harderwijk. In uw brief rept u ook over de Buitenlandweek van de synode van 28 maart tot 2 april 2011. Op 30 maart werd door de Theologische Universiteit in overleg met deputaten BBK een bijeenkomst georganiseerd in Kampen. Op die bijeenkomst werd door meerdere hoogleraren en docenten een presentatie gegeven van ontwikkelingen op hun vakgebied en hoe daar in Kampen onderwijs over wordt gegeven. Na de presentaties was er steeds ruimte om vragen te stellen en een discussie te voeren over bezwaren. Ook uw afgevaardigden ds. J. de Gelder en br. G. Nordeman waren op deze dag aanwezig. Wij hebben de overtuiging dat we op deze manier een goede bijdrage hebben geleverd aan zusterkerken elders in de wereld om inzicht te geven in de theologiebeoefening in Kampen. Gelet op het karakter van de presentaties die meestal aan de hand van aantekeningen gegeven werden, konden we niet ingaan op het verzoek van een van uw afgevaardigden na terugkeer in Canada om de bijdragen in schriftelijke vorm ter beschikking te stellen. Uw afgevaardigden hebben ongetwijfeld zelf zorg gedragen voor een goed verslag!


In onze brief gaan we niet in op de zorgen die u uitspreekt over behandeling door de synode van Zwolle 2008 met betrekking tot bezwaren over(emeritus)hoogleraren van de universiteit. We beperken ons als Raad van Toezicht en College van Bestuur tot de bezwaren die u noemt met betrekking tot de benoeming van dr. S. Paas en de dissertatie van dr. K. van Bekkum.


De benoeming van dr. S. Paas als universitair docent is aan de orde geweest op de Generale Synode van Harderwijk 2011. Bij de synode waren geen bezwaren ingebracht tegen de benoeming, maar op verzoek van het moderamen van de Generale Synode bracht de Raad van Toezicht een aanvullend vertrouwelijk rapport uit, waarin werd ingegaan op de belangrijkste overwegingen rond de benoeming van dr. S. Paas als universitair docent. We hechten veel belang aan een goede relatie met de kerken in Canada en ook met de zuster-instelling in Hamilton, maar het zou te ver gaan wanneer we een vertrouwelijk rapport voor de synode aan u ter beschikking stellen.


Als Raad van Toezicht en College van Bestuur menen we er wel goed aan te doen u op enkele hoofdpunten met een antwoord te dienen.

  1. Allereerst moet worden vastgesteld dat Stefan Paas is gepromoveerd aan de Universiteit van Utrecht. Het proefschrift is opgezet volgens de daar geldende methoden. De promotie heeft plaatsgevonden in 1998, dus jaren voordat hij in Kampen werd benoemd. De benoeming in Kampen vond plaats mee op grond van zijn publicaties op het terrein van de missiologie. De dissertatie van Paas is een godsdiensthistorisch en niet een theologisch betoog (ook al vond de promotie plaats aan de theologische faculteit). Hierin bestrijdt hij op godsdiensthistorische gronden de gangbare schriftkritische wetenschap over de ouderdom van de bijbelse scheppingsvoorstellingen. Op verzoek van het College van Bestuur en de Raad van Toezicht is de Kamper oudtestamenticus prof. dr. G. Kwakkel ingegaan op de vragen die hierbij gesteld kunnen worden. Hij komt hierin tot de conclusie dat Paas zijn dissertatie heeft geschreven binnen het kader van de godsdiensthistorie, zonder zelf een geloofsstandpunt in te nemen. Dat laatste heeft hij wel gedaan in andere publicaties, waarin hij duidelijk laat zien dat hij zich door de Bijbelteksten zelf wil laten gezeggen. Paas heeft verklaard dat hij zich in de artikelen van Kwakkel gekend en goed weergegeven voelt. De keuze van Paas voor een puur godsdiensthistorische benadering is uiteraard voor discussie vatbaar, maar gegeven deze benadering en zijn expliciete verantwoording daarvan is de beschuldiging dat hij schriftkritische theorieën zou aanhangen ongegrond. Het verdient daarentegen waardering dat hij de moed had in een schriftkritische omgeving op een door die wetenschappers aanvaarde wijze aan te tonen dat het geloof in God als Schepper van veel oudere datum is dan algemeen wordt aangenomen.
  2. Het onvoldoende in rekening brengen van het kader waarin Paas zijn dissertatie schreef en het voorbijgaan aan de beperktheid van zijn onderzoeksvraag (de profeten en niet de Tora) werken door in bezwaren die zijn ingebracht tegen het spreken over de historiciteit van de beschrijving van de uittocht en intocht van Israël in Exodus. Op basis van algemeen als oud erkende teksten en opgravingen komt Paas tot de conclusie dat de uittocht alleszins voorstelbaar is als historische gebeurtenis. Hij heeft de inhoud van Bijbelse teksten over de uittocht niet aan een historische analyse onderworpen en deze derhalve ook niet betwijfeld. Hij heeft juist op één specifiek punt (de datering van uitspraken over God als Schepper) een bijdrage willen leveren aan het opkomen voor de historische betrouwbaarheid van het Oude Testament.
  3. Iets dergelijks doet zich voor met betrekking tot het spreken over God. De stelling dat ‘Jahweh waarschijnlijk een afsplitsing is van de Kanaänitische koningsgod El’ zou in flagrante strijd zijn met wat God Zelf bekendmaakt in Zijn Woord. Wat Paas in zijn dissertatie hierover zegt is het maximale wat een godsdiensthistoricus krachtens de principes en methodes van zijn vak meent te kunnen zeggen. Dat zegt dus niets over de theologische vraag of Jahweh echt de enige God is en of Hij dat altijd geweest is. Iedere schriftgelovige beaamt dat God de enige God is en Paas doet dat ook in hartelijk geloof. Het zegt evenmin iets over de vraag hoe het historisch precies gezeten heeft. Het zegt alleen maar iets over wat men binnen het kader van een bepaalde methode met alle beperkingen van dien meent daarover te kunnen zeggen. Paas sluit zich dus in zijn dissertatie aan bij het wetenschappelijk jargon dat gangbaar is bij het publiek waarvoor hij destijds schreef.
  4. U schrijft: “We would have expected that as a Reformed scholar he would have stated clearly that although he does not adhere to the religion-historical approach, he will use this approach in order to show that even on the basis of those presuppositions one can defend a creation belief in eight century prophets. “ (pag. 3) Het punt is dat dit precies is wat dr. Paas volgens zijn eigen getuigenis in zijn dissertatie in Utrecht heeft willen doen. Je kunt van mening verschillen over de vraag of Paas dat in 1998 in die context niet duidelijker had moeten markeren, maar het is op basis van zijn eigen verklaring volstrekt duidelijk dat dit zijn doelstelling was.
  5. U noemt op pag. 5 ook het artikel van Paas in Wapenveld. In het kader van de benoemingsprocedure is met Paas hierover goed doorgesproken. Uit dat gesprek is op een voor ons bevredigende manier gebleken dat dr. Paas ook ten aanzien van Genesis 1 en 2 de Schrift wil verstaan naar haar door God gegeven bedoeling. Dat neemt niet weg dat je over de concrete invulling met elkaar van mening kunt verschillen.

De Raad van Toezicht en het College van Bestuur hebben de conclusie getrokken, dat de Theologische Universiteit in dr. Paas een waardevolle docent heeft ontvangen die diepe eerbied heeft voor de Schrift als Gods Woord en zich gebonden weet aan de gereformeerde belijdenis. Door aanhangers van schriftkritische theorieën met hun eigen wapens te bestrijden steunde hij in feite de Bijbelgetrouwe wetenschap.


In uw brief maakt u ook enkele opmerkingen over de dissertatie van dr. K. van Bekkum. In het bijzonder zegt u dat het onderscheid dat Van Bekkum maakt tussen truth claim en truth value “ does not reflect a high view of Scripture and should be rejected.” 


Voor alle duidelijkheid: een Raad van Toezicht van een universiteit beoordeelt geen dissertaties. Ook het curatorium doet dat niet. Het wetenschappelijk oordeel is aan de beoordelingscommissie en de senaat. In wetenschappelijke tijdschriften wordt de discussie gevoerd over de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en ook dissertaties die in Kampen zijn verdedigd, moeten de toets van die wetenschappelijke kritiek kunnen doorstaan. Hypotheses en modellen die worden verdedigd, kunnen ook in die wetenschappelijke discussie worden weerlegd. De bijdrage over Jozua 10: 12-14 van E.A. de Boer en P.H.R. van Houwelingen die u noemt is niet gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift, maar is wel een illustratie van de discussie die gevoerd kan worden over resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Ook zij vermelden overigens dat Van Bekkum niet ontkent dat God op het gebed van Jozua een wonder heeft gedaan.


De Theologische Universiteit in Kampen houdt zich aan de Nederlandse wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs. Dat houdt ook in dat de Raad van Toezicht geen oordeel uitspreekt over dissertaties. De Raad van Toezicht en het Curatorium beoordelen wel de criteria en uitgangspunten die de promotor en de senaat toepassen. Om uw vragen naar aanleiding van de dissertatie van dr. Van Bekkum te beantwoorden, nemen we de verklaring van de hoogleraar Oude Testament dr. G. Kwakkel in deze brief op:

  1. Kern van gereformeerd bijbelonderzoek is – conform de door de Canadese broeders geciteerde bijbelteksten alsmede art. 3 – 7 NGB – de vraag naar de bedoeling van de teksten. Wat willen de teksten feitelijk zeggen? In navolging van Long kun je dat formuleren als de vraag naar de ‘truth claim’: wat is precies de ‘truth’ die de tekst ‘claimt’ te communiceren? Daarbij hoort ook de vraag naar de aard van de ‘truth claim’; bijvoorbeeld: bedoelt de tekst een historische of een ethische waarheid te communiceren, een combinatie van die twee of nog iets anders? Over die vraag naar de inhoud en de aard van de ‘truth claim’ mag je zo lang en zo breed met elkaar discussiëren als je maar wilt, zolang je maar bereid bent serieus naar de teksten te luisteren.
  2. Voor mij als gereformeerd theoloog staat het bij voorbaat vast dat als iets onder de feitelijke truth claim van de Schrift valt, dat het dan ook als waar, richtinggevend, normatief - want door God zelf ons geleerd - aanvaard moet worden. Discussie over de ‘truth value’ is in dat opzicht feitelijk niet meer nodig, want bij voorbaat ga ik ervan uit dat de ‘truth claim’ terecht is.
  3. Alleen kan het in sommige gevallen nuttig zijn die ‘truth value’ alsnog te gaan onderzoeken, bijvoorbeeld door wat de Schrift over historische gegevens zegt te gaan vergelijken met archeologische onderzoeksresultaten. Zo’n aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld in een dissertatie, heb ik dan niet nodig om voor mij zelf van de feitelijke ‘truth value’ van de concrete schrifttekst in kwestie overtuigd te raken. Het nut ervan is van andere aard en het is tweeledig:

 

  1. De discussie met anderen die mijn ‘overtuiging bij voorbaat’ ten aanzien van de ‘truth value’ niet delen; ik kan hun dan tot op zekere hoogte laten zien dat voor die ‘truth value’ meer te zeggen valt dan zij denken (dat is wat Van Bekkum in zijn dissertatie doet, maar dit tussen haakjes); of – wanneer het mij niet lukt meer te zeggen over de ‘truth value’ – realiseer ik mijzelf des te meer dat ik me echt baseer op de Schrift en op niets daarbuiten en dat hier dus het geloof echt de enige de factor is die alles beslist.

  2. Een eventuele aanleiding tot controle van mijn opvatting over de aard en inhoud van de ‘truth claim’. Mocht namelijk blijken dat bijvoorbeeld de archeologie een heel ander plaatje geeft dan ik meen dat de bijbeltekst geeft, dan doe ik er goed aan nog eens een keer te controleren of ik de bedoeling van de bijbeltekst echt wel goed begrepen heb. Zo ja, dan berust ik in voor mij op dat moment verder onoplosbaar verschil tussen bijbeltekst en buitenbijbels wetenschappelijk onderzoek. Zo nee, dan ben ik dankbaar dat ik verder gekomen ben in het verstaan van de Schrift. Maar in dit alles blijft staan dat ik de claims van de Schrift geloof en aanvaard om ‘hunszelfs’ wil, niet op grond van ander bewijs. (tot zover de verklaring van prof. dr. G. Kwakkel)

Geliefde broeders, u schrijft dat u zich zorgen maakt dat de Theologische Universiteit zich beweegt in een meer schriftkritische richting. Wij hopen u met onze schriftelijke reactie en op de studiedag op 30 maart 2011 in Kampen te hebben duidelijk gemaakt dat dat niet het geval is. Integendeel, Kampen houdt vast aan de oude koers dat de Schrift het Woord van God is dat gezaghebbend is voor ons en ook voor de manier waarop we de theologie beoefenen. Tegelijk zoeken hoogleraren en onderzoekers naar wegen om die positie in de huidige wetenschappelijke wereld te verdedigen en uit te werken. Dat vereist dat we die opstelling ook steeds weer toelichten naar de kerken in Nederland en ook elders in de wereld.


In het kader daarvan is de universiteit al enige tijd bezig een congres te beleggen in Hamilton om samen met uw theologen tot een goede wetenschappelijke gedachtewisseling te komen. Vanwege diverse omstandigheden is er sprake geweest van enige vertraging, maar wij hopen dat dit congres toch in 2013 gehouden kan worden. We hopen en bidden dat onze gedachtewisseling in de komende jaren weer geïntensiveerd mag worden en dat de theologen in Hamilton en Kampen samen met nog anderen een goede bijdrage kunnen leveren aan de gereformeerde theologie in de wetenschappelijke context van deze tijd.


Namens de Raad van Toezicht,

Ds. J. Ophoff, voorzitter

 

Namens het College van Bestuur,

Prof. dr. M. te Velde, voorzitter

 

CC aan deputaten BBK

 

120602 TU - Bijlage 5 - Profielschets leden RvT

 

PROFIELSCHETS LEDEN RAAD VAN TOEZICHT


Algemeen


De Raad van Toezicht bestaat uit 5 leden. Voor de leden van de Raad van Toezicht gelden onderstaande vereisten en competenties.


De toezichthouders:

  1. zijn lid van een van de Gereformeerde Kerken in Nederland en verbinden zich aan het begin van hun werkzaamheden via het ondertekeningsformulier aan de leer van de kerk; ze zijn betrokken bij de kerken en bij de universiteit; ze zijn in staat te beoordelen wat dienstbaar is aan de positieve ontwikkeling van de kerken en de gereformeerde theologie;
  2. hebben kennis en inzicht in regels en opvattingen over goed bestuur en over het onderscheid tussen bestuur en toezicht; ze zijn in staat om als toezichthouder te functioneren in een complexe omgeving en de eisen van de wet dienaangaande te vervullen;
  3. zijn in staat onafhankelijk en kritisch te functioneren en op een voor deze academische instelling strategisch niveau.
  4. beschikken over de gaven van zelfreflectie en communicatie die nodig zijn om te functioneren binnen de Raad van Toezicht en om het handelen van het College van Bestuur te evalueren en te toetsen.
  5. zijn samen in staat maatschappelijke, kerkelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen op de lange termijn in te schatten en de gevolgen daarvan naar de universiteit te vertalen;
  6. zijn samen in staat verschillende functionele aspecten, zoals onderwijskundige, organisatorische, financiële, personele, juridische en facilitaire aspecten in relatie tot elkaar af te wegen;
  7. zijn samen in staat om van hun werkzaamheden en beleid rekenschap af te leggen naar de generale synode en de overheid, en waar nodig naar de kerken en de samenleving.

Voor de voorzitter van het deputaatschap gelden daarnaast nog de volgende eigenschappen en vaardigheden:

De voorzitter:

  1. kan leiding geven aan de Raad van Toezicht.
  2. is in staat de Raad van Toezicht als eenheid te laten functioneren;
  3. is in staat om goede samenwerking tussen het College van Bestuur en de Raad van Toezicht en het curatorium te bevorderen met respect voor elkaars bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
  4. kan de organisatie naar buiten vertegenwoordigen.

Binnen de Raad van Toezicht functioneren twee theologen/predikanten. Zij:

  1. hebben theologische kennis op tenminste academisch master-niveau;
  2. beschikken over bestuurlijke capaciteiten.

Binnen de Raad van Toezicht is in ieder geval financiële expertise nodig. Het lid met deze expertise:

  1. is in staat de financieel-economische ontwikkeling van de universiteit op hoofdlijnen te beoordelen;
  2. is in staat de kwaliteit van de informatievoorziening te beoordelen en daarover te adviseren;
  3. heeft een financieel-economische kennis en vaardigheid op postacademisch niveau (controller, accountant).

Naast het theologische en financiële profiel gelden de volgende vier profielen, die zo evenwichtig mogelijk worden ingebracht binnen de Raad van Toezicht. De Raad van Toezicht maakt een keuze op basis van de actuele behoefte.

Organisatorisch:

  1. is in staat het beleid en de activiteiten te beoordelen in het licht van ontwikkelingen in de organisatiekunde en het Human Resources Management (HRM);
  2. heeft inzicht in een methodische aanpak van de innovatie en de kwaliteit van de organisatie;
  3. heeft een organisatiekundige of bedrijfskundige kennis, ervaring en vaardigheid op een niveau dat bij de universiteit past.

Juridisch:

  1. is in staat de juridische kwaliteit van de activiteiten en het beleid van de universiteit te beoordelen en daarover te adviseren;
  2. heeft relevante en in de praktijk gebleken kennis op minimaal WO-niveau.

Politiek-bestuurlijk:

  1. is in staat het beleid en de activiteiten te beoordelen in het licht van politieke en bestuurlijke ontwikkelingen en kan inschatten wat daarbij gevoelig kan zijn;
  2. is in staat om in een politiek-bestuurlijke omgeving de belangen van de universiteit te behartigen of daarover te adviseren;
  3. heeft een ruime ervaring in een politiek-bestuurlijke omgeving.

Onderwijskundig:

  1. is in staat het beleid en de activiteiten te beoordelen in het licht van de onderwijskundige en academische ontwikkelingen van de komende jaren;
  2. heeft zicht op toekomstige beleidsmatige ontwikkelingen in onderwijs en wetenschap.

Opgesteld door de Raad van Toezicht op 3 juni 2010.

 

120602 TU - Bijlage 6 - Profielschets leden Curatorium.docx

 

PROFIELSCHETS LEDEN CURATORIUM


Algemeen


Het curatorium bestaat uit 6 leden. Voor de leden van het curatorium gelden onderstaande vereisten en competenties.


De leden van het curatorium:

  1. zijn lid van een van de Gereformeerde Kerken in Nederland en verbinden zich aan het begin van hun werkzaamheden via het ondertekeningsformulier aan de leer van de kerk; ze zijn betrokken bij de kerken en de universiteit; ze zijn in staat te beoordelen wat dienstbaar is aan de positieve ontwikkeling van de kerken en de gereformeerde theologie;
  2. hebben kennis en inzicht in regels en opvattingen over goed bestuur en over het onderscheid tussen bestuur en toezicht
  3. zijn in staat onafhankelijk en kritisch te functioneren en op een voor deze academische instelling strategisch niveau;
  4. beschikken over de gaven van zelfreflectie en communicatie die nodig zijn om te functioneren binnen het curatorium en om het handelen van het College van Bestuur ten aanzien van het gereformeerd karakter te evalueren en te toetsen;
  5. zijn samen in staat maatschappelijke, kerkelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen op de lange termijn in te schatten en de gevolgen daarvan voor het gereformeerde karakter van de universiteit te vertalen;
  6. zijn samen in staat om van hun werkzaamheden en beleid rekenschap af te leggen naar de Raad van Toezicht en de generale synode.

Voor de voorzitter van het curatorium gelden daarnaast nog de volgende eigenschappen en vaardigheden:

De voorzitter:

  1. kan leidinggeven aan het curatorium;
  2. is in staat het curatorium als eenheid te laten functioneren;
  3. is in staat om goede samenwerking tussen het curatorium en de Raad van Toezicht evenals het College van Bestuur te bevorderen, met respect voor elkaars bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
  4. kan het curatorium naar buiten vertegenwoordigen.

Binnen het curatorium functioneren vier predikanten. Zij:

  1. hebben theologische kennis op tenminste academisch master-niveau;
  2. zijn in staat om wat er leeft binnen de kerken in te brengen;
  3. zijn in staat om op vertrouwelijke en evenwichtige wijze bezwaren uit de kerken aangaande leer of leven van de docenten te beoordelen.

 Binnen het curatorium functioneren bovendien twee hoogleraren of universitaire (hoofd)docenten. Zij:

  1. zijn actief betrokken bij wetenschappelijk onderwijs en onderzoek aan een andere universiteit;
  2. zijn in staat om “best-practices” binnen de academische wereld in te brengen;
  3. zijn in staat om op vertrouwelijke en evenwichtige wijze bezwaren uit de kerken aangaande leer of leven van de docenten te beoordelen.

 
120602 TU - Bijlage 7 - Instelling bijz. leerstoel christelijke identiteit - verbeterde versie

 

Vooraf

 

Dit rapport is gemaakt in opdracht van het College van Bestuur van de TU Kampen naar aanleiding van een onderzoek naar de wenselijkheid en mogelijkheid tot het instellen van een nieuwe leerstoel aan de TU Kampen.

 

Het College gaf opdracht voor het samenstellen van dit rapport nadat door diverse bij de TUK betrokken christenen het College in overweging hadden gegeven een leerstoel in te stellen onder de noemer christelijke identiteit. Om de mogelijkheid, wenselijkheid en relevantie van een dergelijke leerstoel te kunnen beoordelen, en een gedragen voorstel ter besluitvorming te kunnen voorleggen heeft het College besloten een nader onderzoek in te stellen.

 

Kern van het onderzoek werd gevormd door een serie interviews, gehouden tussen 20 november en 15 februari. De lijst met geïnterviewden is in een bijlage opgenomen.

 

Het onderzoek is uitgevoerd door drs. Elsbeth B. Vonkeman MBA te Groningen. De rapportage is eveneens door haar verzorgd.


1.     
Inleiding

 

Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw bevindt West-Europa zich in een voortgaand proces van secularisatie. Dit maakt het voor christenen noodzakelijk om de verhouding tussen religie en samenleving opnieuw te doordenken. Door de secularisatie immers is het decor van een christelijke samenleving, waar christelijke publieke actie altijd in geopereerd had, verdwenen. Te constateren valt dat individuele christenen en christelijke organisaties verschillende antwoorden geven op de afgenomen invloed van het christelijk geloof in de samenleving.

 

De TUK huldigt het standpunt dat het christelijk geloof ook betekenis heeft voor het publieke domein. Eén van de manieren waarop de TUK daarom wil inspelen op genoemde ontwikkelingen is de instelling van een bijzondere leerstoel christelijke identiteit.

 

Om hieraan op gepaste wijze invulling te kunnen geven is een onderzoek verricht. In dit kader zijn een aantal interviews gehouden met wetenschappers en met leidinggevenden in christelijke organisaties. In het onderhavige rapport worden de bevindingen die hierbij zijn opgedaan verwerkt tot een voorstel voor de invulling van bedoelde leerstoel.

 

Het rapport is als volgt opgebouwd: allereerst wordt een samenvattend verslag gegeven van de resultaten van de gehouden interviews (onder 2), vervolgens wordt een voorstel gedaan voor invulling en vormgeving van de bijzondere leerstoel (onder 3).

 
2.        Onderzoek onder deskundigen uit wetenschap en werkveld

 

Het onderzoek onder verschillende deskundigen uit wetenschap en werkveld heeft zich geconcentreerd rond twee vragen: 

  1. Is er voldoende aanleiding om tot het instellen van een leerstoel christelijke identiteit te komen?
  2. Welke thema’s voor onderzoek en welke onderwijsmogelijkheden ziet men voor zich in het kader van deze leerstoel? En kan het in Kampen?

In dit hoofdstuk komt een korte impressie van de beantwoording van beide vraagstukken aan bod, respectievelijk in paragraaf a en b. Vervolgens worden enige conclusies weergegeven in paragraaf c, waarbij ook de overwegingen van het College van Bestuur in de oordeelsvorming worden meegenomen.

 

a.        Context

 

Vele christelijke organisaties zien zich gesteld voor de vraag naar de eigen aard en bestaansgrond. De voortgaande ontzuiling in Nederland dringt hen daartoe. De verzuiling was het antwoord op de toenmalige context. Christenen waren present in de samenleving door middel van eigen organisaties. En de identiteit van deze organisaties werd eerst en vooral bepaald door de grondslag en het daaraan gekoppelde beleid betreffende de mensen die aan de organisatie verbonden konden zijn (leden en medewerkers). In deze bepaling van grondslag en leden/medewerkers stond een binding aan de kerken of aan kerkelijke documenten centraal.

 

Christelijke organisaties

Inmiddels kunnen we constateren dat alom binnen christelijke organisaties de binding aan kerken (en confessies) wordt losgelaten. De krant en de vakvereniging zijn hiervan goede (publieke) voorbeelden. Organisaties in onderwijs, zorg, particulier initiatief en politiek veranderen ieder in eigen tempo.

Het gereformeerd primair en voortgezet onderwijs houdt tot op heden het sterkst vast aan kerkelijke binding als voorwaarde voor deelname (waarbij de voorwaarden voor medewerkers beperkter zijn dan die voor leerlingen). Het onderwijs heeft in die zin nog een bijzondere positie dat de buffer van de grondwettelijke onderwijsvrijheid haar bescherming biedt. Maar ook binnen het onderwijs staat de kerkelijke binding onder druk, en wordt gezocht naar andere vormen van identiteitsbepaling. Het draagvlak van ouders voor de kerkelijke binding neemt af.

Binnen de zorg heeft de enorme schaalvergroting van de laatste twee decennia geleid tot een behoorlijke kaalslag ten aanzien van de levensbeschouwelijke identiteit van instellingen. Ziekenhuizen zijn inmiddels volledig seculier van karakter, binnen de psychiatrie is onder invloed van de antipsychiatrie in de jaren ’70 en ’80 de rol van religie gemarginaliseerd. Binnen de overige zorgvoorzieningen is de identiteit in de grote fusieoperaties er langzaam maar zeker steeds meer bij in geschoten. Alleen de intramurale zorg (zorg gecombineerd met wonen) kent nog vormen van identiteitsgebonden organisaties. Daarnaast zien we op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg de opkomst van een organisatie als Eleos die probeert een tegenbeweging tegen de reguliere (antireligieuze) psychiatrische zorg te leveren.

Een derde terrein van belang is dat van het particulier initiatief: op diverse plaatsen in het land zijn stichtingen actief die zich bezig houden met de ondersteuning van groepen in de samenleving die het moeilijk hebben, zoals vluchtelingen, mensen met een beperkt inkomen, prostituees (Present, het Scharlaken Koord). Deze inzet van christenen in een dergelijke stichting komt vaak voort uit grote compassie met een bepaalde doelgroep. Hier zien we een belangrijke kloppende ader van het christendom: bewogenheid vanuit het Evangelie. Maar ook een terrein dat in de gedachtevorming vaak onvoldoende in beeld is, omdat het gaat om particuliere (en soms ook wisselende) initiatieven (daarom van een andere mate van institutionalisering dan instellingen).

Binnen de politiek zien we dat de fusie van RPF en GPV heeft geleid tot een nieuwe vorm van samenwerken van christenen vanuit een gemeenschappelijke gedrevenheid. De kerkelijke achtergrond van al de leden van de nieuwe CU is in die zin niet meer relevant. Men herkent elkaar als volgelingen van Jezus Christus, die vanuit die verbondenheid met Christus willen werken. De Unieverklaring die bij de start van de nieuwe politieke combinatie werd opgesteld is in die zin fundamenteel: niet de grondslag maar de doelbepaling is de kern.

 

Pluralisering

Al deze zaken spelen zich af tegen de achtergrond van een samenleving waarin sprake is van radicale pluralisering. Christelijke kerken zijn sterk in de minderheid geraakt, en hebben te maken met een uiterst slecht imago in het publieke debat. De groeiende afkeer van christelijke instituties is duidelijk waarneembaar. Zie alleen al het telkens weerkerende debat over de onderwijsvrijheid (hoe lang zal artikel 23 nog bestaan in zijn huidige vorm?). En verder: de rol van religie in het algemeen in het publieke domein verandert sterk. De islam komt op in Nederland, terwijl aan de andere kant sprake is van opkomst van een stroming die we kunnen typeren als ‘verlichtingsdogmatisme’ (of wellicht zelfs verlichtingsfundamentalisme). Deze ontwikkelingen in de samenleving zijn waar het gaat om de plaats van christenen en christelijke organisaties te typeren als negatief (wellicht zelfs als ‘kwaadaardig’). En het roept om bezinning: wat is nu wijsheid, op welke wijze moeten we hierop antwoorden?

 

De afnemende relevantie van een kerkelijke verbinding als identiteitsbepalend element van organisaties leidt er niet toe dat de identiteitsvraag er niet meer toe doet. Die vraag doet er juist eens te meer toe. Er is sprake van een behoorlijke mate van verinnerlijking van de levensbeschouwelijke identiteit van organisaties (waar voorheen de buitengrens sterk kleurend was), waarbij gezocht moet worden naar een nieuwe balans met het uiterlijk van de organisatie en de wijze waarop de organisatie zich presenteert en bijdraagt aan de samenleving.

 

De genoemde verinnerlijking is overigens evenmin een vanzelfsprekendheid. Er wordt geconstateerd dat er sprake is van een forse verlegenheid rond identiteit: wat betekent geloof voor de wijze waarop je binnen de organisatie zorg of onderwijs verzorgt? Deze vragen zijn voor velen moeilijk te beantwoorden. De voorheen sterke koppeling tussen identiteit en grondslag lijkt geleid te hebben tot een gebrek aan gesprek/discussie over de betekenis van identiteit voor het werk.

 

Positie van individuele christenen

Ook voor individuele christenen speelt de vraag eens te meer op welke manier kan worden bijgedragen aan de samenleving. Voor individuele christenen is niets meer zo vanzelfsprekend als het in de hoogtijdagen van de verzuiling wel was. Christenen hebben in de huidige context de keuze: je kunt actief zijn in een christelijke organisatie, maar je kunt er ook voor kiezen om dat niet te doen. Het verschil in keuzes die christenen maken in het maatschappelijk functioneren is groter (en groeiende) dan in de afgelopen decennia het geval was.

Een bijkomende ontwikkeling heeft te maken met de wijze waarop jongeren organisaties ervaren. Jongeren denken veel meer in termen van netwerken dan van organisaties. Ze verbinden zich wel aan elkaar, maar doen dat op een minder institutionele wijze dan voorheen het geval was. Ze laten zich veeleer leiden door een gevoelde gezamenlijke doelstelling, een herkenning in gedrevenheid vanuit een overtuiging (zie hiervoor). Hun perceptie van het belang van christelijke organisaties is daarmee een andere dan die van hun ouders en grootouders. Zelfs als het gaat om hun kerkelijke binding wegen voor hen andere zaken: ze willen behoren tot een geloofsgemeenschap van kinderen van God, maar of dat een kerk is van deze of gene signatuur is niet het eerste waar op wordt gelet. En die ontwikkeling zal zich doorzetten naar de toekomst. Let wel: zij hechten niet minder aan onderlinge verbondenheid van christenen, maar op een andere manier, namelijk minder institutioneel (gedacht vanuit een gedeelde fundering of grondslag) maar meer vanuit een gedeelde gedrevenheid gericht op een specifieke doelstelling.

 

Het is dan ook belangrijk om te constateren dat christenen gemeenschappen blijven vormen, elkaar blijven opzoeken. Zo zijn er op verschillende plaatsen netwerken van jonge christenen die werkzaam zijn binnen een seculiere of neutrale context, en elkaar opzoeken in een poging om hun christen-zijn in hun werk te voeden door onderling overleg en gebed. Daarbij is het kenmerkend voor christenen dat zij een flinke maatschappelijke betrokkenheid tonen. Zie alleen al de mate waarin organisaties voor zorg en onderwijs van oudsher voortkomen uit christelijke initiatieven. Ook al neemt het belang van de institutionele vormgeving van die gemeenschappen af, het belang van de gemeenschapsvorming als zodanig is zozeer verbonden met de kern van de christelijke levenswijze dat we die gemeenschapsvorming telkens weer op nieuwe manieren zien ontstaan. En dat zal ook het geval (moeten) blijven naar de toekomst.

 

b.        Nadere uitwerking van de mogelijkheden voor een leerstoel

 

Met de respondenten in het onderzoek is ook gesproken over een nadere invulling van een mogelijke leerstoel: Welke thema’s op het gebied van onderzoek ziet men? Welke onderwijsvormen zouden daar zinvol aan gerelateerd kunnen worden?

 

Onderzoek

De TUK wil graag invulling geven aan een bijzondere leerstoel christelijke identiteit gegeven de overtuiging dat het christelijk geloof betekenis heeft voor het publieke domein. De verschillende respondenten herkennen zich hierin. Daarbij wordt geconstateerd dat er weliswaar binnen verschillende instellingen in het HBO en WO diverse mensen zijn die zich in hun werk bij tijden bezig houden met het onderwerp christelijke identiteit en christelijke presentie, maar dat van een primaire focus op deze vraagstelling geen sprake is tot op heden. Er ligt hier een belangrijk terrein van onderzoek redelijk braak. Zeker gelet op de snelle ontwikkelingen als hiervoor geschetst is dit een terrein dat het verdient om systematisch aandacht te krijgen.

 

Een andere overweging die in het licht van het uitbreiden van onderzoek vanuit de leerstoel wordt meegegeven ligt besloten in de ontwikkelingen naar de toekomst. Jonge mensen kunnen in Nederland tot en met het voortgezet onderwijs binnen een christelijke setting hun opleiding ontvangen. Daarna (bij de drempel van het hoger onderwijs) valt het christelijke element in hun opleiding vrijwel per definitie weg. Weliswaar worden zij verder gevormd in hun lidmaatschap van een gemeente, maar de relatie tussen hun persoonlijke (geloofs-) ontwikkeling en hun maatschappelijke ontwikkeling wordt niet meer gelegd in het onderwijs dat zij volgen. En als het gaat om hun maatschappelijk functioneren na afsluiting van hun opleiding werkt dit door. Kijken we naar christelijke organisaties: van jonge christenen met een beroepsopleiding wordt feitelijk verwacht dat zij uit zichzelf in staat zijn hun professionele vorming en hun levensbeschouwelijke overtuiging te combineren en van daaruit de identiteit van de organisatie in stand te houden en verder te ontwikkelen. Van een doordachte voorbereiding hierop is geen sprake. Van verschillende kanten is aangegeven dat dit een gemis is, dat leidt tot toenemende kwetsbaarheid van christelijke organisaties ten aanzien van de instandhouding van hun identiteit. En op individueel vlak is dit niet anders. Een van de respondenten merkt op dat het niet ‘vanzelf goed komt’ met christenjongeren in het hoger onderwijs. Ook hier is gedegen onderzoek en gedachteontwikkeling van belang. En uiteraard is onderwijs op dit punt vervolgens evenzeer van belang.

 

Onderwijs

Als het gaat om onderwijs dat door de hoogleraar kan worden verzorgd, wordt door respondenten gedacht in de richting van toerusting van (jonge) mensen die al een beroepsopleiding of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd. De hoogleraar die de leerstoel zal gaan invullen kan een belangrijke aanjagende rol hebben, zowel als het gaat om het onderzoek naar christelijke presentie in het publieke domein nu en in de toekomst, als in het opstarten van vormen van scholing op dit gebied. Bij het laatste kan gedacht worden aan een (duale) mastervariant, maar ook aan ‘losse’ masterclasses of andere vormen van postacademische scholing. Daarnaast wordt een bijdrage verwacht van de hoogleraar in de vorming van predikanten (de kerntaak van de TUK). Het lijkt zeer zinvol om predikanten op dit terrein te dienen met onderwijs, alleen al gegeven het feit dat hun toekomstige gemeenteleden vele uren van hun dagelijks bestaan in het publieke domein actief zijn.

 

Door de grote meerderheid van de respondenten wordt niet zozeer gekeken in de richting van het opstarten van een specifieke Bachelor opleiding met een christelijke signatuur (te ambitieus, en niet haalbaar binnen een kleine context als die van de TUK, en zeker niet in Kampen).

 

Plaats

Er is met respondenten ook gesproken over de plaats van de leerstoel. Het initiatief van de TUK wordt als een uitdaging gezien, en positief gewaardeerd. Men is daarbij in overwegende mate van mening dat het zinvol is deze leerstoel in Kampen te vestigen, bij de TUK. Wel is duidelijk dat het belangrijk is dat de hoogleraar een netwerk om zich heen opbouwt van wetenschappers en deskundigen uit het werkveld om mee samen te werken en kennis te ontwikkelen. Dit mee omdat de breedte van het onderzoeksterrein omvangrijker is dan de basis van Kampen: het gaat niet slechts om theologische noties.

 
c.         Conclusie

 

Het College van Bestuur ziet zich op grond van de resultaten van de gehouden interviews gesterkt in de overtuiging dat de instelling van een bijzondere leerstoel een zinvolle en relevante bijdrage kan leveren aan het leven en werken van christenen. Met de bestudering en praktisering van de gereformeerde theologie heeft de TUK ook iets te bieden voor andere vakgebieden. Theologie is relevant voor de manier waarop mensen in deze wereld staan. Die relevantie wordt invulling gegeven door middel van een dergelijke leerstoel.

 

Daarnaast ervaart het CvB instelling van deze leerstoel als een keuze die voortkomt uit wat we verlegenheid kunnen noemen: Nergens anders is een dergelijk initiatief genomen, nergens anders wordt dergelijk onderzoek gedaan. Daarbij is het maar heel beperkt mogelijk in Nederland om bezig te zijn met wetenschappelijk onderzoek en onderwijs waar ook een overtuiging in naar voren komt. Veel universiteiten willen meer neutraliteit hanteren in de beroepsbeoefening (heel waarneembaar in bijvoorbeeld het hanteren van een term als religiewetenschappen in plaats van theologie). Dat geldt voor vrijwel alle universitaire instellingen. Ook de Protestantse Theologische Universiteit en de VU – van oudsher de meest protestantse instellingen – zijn inhoudelijk pluraal geworden. De verschillende respondenten stemmen hiermee in, en benadrukken het feit dat het een uniek initiatief is dat door de TU Kampen wordt genomen, dat overwegend instemming krijgt, en bij voorbaat belangstellend wordt gevolgd.

 

Tenslotte blijkt uit het onderzoek dat er sprake is van levende behoefte aan kennisontwikkeling en kennisdeling op dit punt, zowel binnen de wetenschap als binnen het werkveld. Dit is eveneens een belangrijke motiverende factor voor instelling van deze leerstoel.

 

3.        Voorstel instelling bijzondere leerstoel binnen de TUK

 

Op grond van de positieve resultaten van het onderzoek heeft het College van Bestuur het navolgende voorstel tot instelling van een bijzondere leerstoel doen uitwerken. In dit hoofdstuk komen achtereenvolgens aan de orde: De leeropdracht (onder a), de aard van de leerstoel (onder b), doelstelling en inbedding (onder c), en de context en samenwerking (onder d). Afgesloten wordt met een korte reflectie op de bekostiging van de leerstoel.

 

a.        Leeropdracht

 

De leeropdracht van de leerstoel christelijke identiteit zal zijn:

 

Het doordenken van de maatschappelijke relevantie van het christelijk geloof en een christelijke wereldbeschouwing voor de wijze waarop christenen actief zijn in de post-verzuilde samenleving (zowel institutioneel als individueel) vanuit de vraagstelling: op welke wijze kan christelijke presentie in de samenleving nu en in de toekomst vorm krijgen?

 

Deze leeropdracht heeft meerdere kanten: het gaat niet slechts om een institutioneel perspectief (hoe gaan organisaties om met hun levensbeschouwelijke basis, nu het dominante grondslag denken binnen vrijwel alle organisaties tot het verleden gaat behoren) maar ook om het individuele perspectief van christenen die actief zijn in de samenleving op verschillende manieren. Door beide perspectieven open te houden kan een basisvraag voor studie open blijven, namelijk de vraag naar de wijze waarop christenen überhaupt op een positieve wijze present kunnen zijn in de samenleving.

Een aantal terreinen van onderzoek liggen open: onderwijs, zorg, wetenschap, politiek en kunst/cultuur. Op de eerste vier terreinen zijn diverse organisaties actief waarmee verbindingen zullen worden gelegd op het gebied van kunst/cultuur is dat minder het geval en zal nader moeten worden onderzocht hoe een verbinding kan worden gelegd.

De academische inbedding van de leerstoel is eveneens tweeledig: binnen de TUK zal een nauwe relatie worden gelegd met de leerstoel ethiek van prof. dr.  A.L. Th. de Bruijne, en het onderzoeksprogramma onder leiding van dr. S. Paas. Verder zal een relatie worden gelegd met andere universiteiten (zoals de VU, waar meerdere programma’s worden verzorgd die mogelijk relaties hebben met wat hier wordt beoogd). Ook zal gestreefd worden naar heldere samenwerking met (de kenniskringen van) lector Jan Hoogland en lector Pieter Vos die zijn verbonden aan de Gereformeerde Hogeschool in Zwolle.

 

Uiteraard zal de hoogleraar die op deze leerstoel wordt benoemd focus aan moeten brengen in het onderzoek. Het terrein van onderzoek is zeer breed, en kan onmogelijk in een keer worden bestreken. De keuze voor de focus zal volgen op de keuze voor de hoogleraar die uiteindelijk wordt benoemd. Daarnaast zal ook de verbinding van andere onderzoekers (AIO’s of UD’s) bijdrage aan focusontwikkeling. Tenslotte zal de verbinding van ondersteunende organisaties uit genoemde werkterreinen aanleiding geven tot focusontwikkeling.

 

b.        Aard van de leerstoel

 

De leerstoel christelijke identiteit zal een bijzondere leerstoel zijn. Er wordt naar gestreefd om aan de leerstoel in de komende periode een colloquium van academici van andere instellingen te verbinden, evenals een kenniskring van christenen die in een brede maatschappelijke context actief zijn en zich nader willen en kunnen bezinnen op dit onderwerp. Een en ander met als expliciete doelstelling om de verbinding van het werk van de TUK en de omringende samenleving nader invulling te geven, en over en weer tot kennisdeling en kennisvermeerdering te komen en de relevantie van de theologie voor de manier waarop mensen hun leven vorm geven nader te duiden.

 

Mogelijkheden

Naast het reguliere hoogleraarschap zijn diverse minder reguliere vormen van leerstoelen mogelijk. Twee vormen zijn overwogen: een buitengewone dan wel een bijzondere leerstoel. Een bijzondere leerstoel is een leerstoel waarvoor wet- en regelgeving geen andere eisen stellen dan voor een reguliere leerstoel. Het buitengewone karakter ervan is vooral waarneembaar in de invulling ervan: over het algemeen heeft een bijzonder hoogleraar een deeltijdaanstelling (en daarnaast dus ook nog een andere maatschappelijke functie elders), en ligt het zwaartepunt van het werk van de hoogleraar in onderzoek en daaraan gekoppeld onderwijs, en minder in de organisatie van de instelling zelf. De hoogleraar wordt uit de universitaire middelen betaald, zij het vaak uit bijzondere universitaire fondsen.

Een andere niet-reguliere vorm van hoogleraarschap is de figuur van de bijzonder hoogleraar. Hiervoor biedt de wet wel enige richtlijnen. Een bijzondere leerstoel wordt gevestigd door een andere rechtspersoon dan de universiteit zelf. De financiering van een dergelijke leerstoel is over het algemeen dan ook afkomstig van andere stichtingen of verenigingen dan de universiteit. Daarmee heeft die andere rechtspersoon uiteraard ook een overwegende invloed op de geformuleerde leeropdracht van de hoogleraar in kwestie.

 

Bijzonder hoogleraar

Het College van Bestuur kiest voor de instelling van een bijzondere leerstoel onder directe verantwoordelijkheid van het College. Hiermee is het mogelijk het onderzoek en onderwijs van de hoogleraar in kwestie nauw te laten aansluiten bij het onderwijs en onderzoek dat al binnen de huidige opleidingen wordt verzorgd. De invloed van de TU op de leeropdracht is daarmee geborgd. Tegelijkertijd kan met instelling van deze leerstoel nader invulling worden gegeven aan de ‘aantoonbare verbanden met actuele ontwikkelingen in het beroepenveld en het vakgebied’ waar het accreditatiekader van de NVAO om vraagt. We zien dat in het kader van onderwijskwaliteit aan dit type zaken in toenemende mate belang wordt gehecht, een gegeven waar het CvB zich terdege van bewust is. Al met al beoogt het College van Bestuur met instelling van deze leerstoel het door de universiteit geboden programma van onderwijs en onderzoek te verrijken.

 

Om aan zowel onderzoek als onderwijs op adequate wijze invulling te kunnen geven (zowel qua inhoud als met inachtneming van de eisen die wet- en regelgeving stellen) is het zeer wenselijk om de leerstoel stevig te verankeren in een breed academisch perspectief. Het vormen van een colloquium van wetenschappers vanuit verschillende instellingen is daarbij van belang, evenals het vormen van een netwerk van belanghebbenden die actief zijn binnen het publieke domein. Hiermee kan een tweeledig colloquium en werkveldkring om de leerstoel heen worden gevormd, enerzijds gevormd door denkers vanuit een academisch perspectief, anderzijds door christenen die proberen invulling te geven aan christelijke identiteit en christelijke presentie op verschillende (leidinggevende) posities in het publieke domein (binnen christelijke organisaties maar ook daarbuiten). Colloquium en werkveldkring zullen betrokken kunnen en moeten worden bij het geven van invulling aan onderwijs en onderzoek.

 

c.         Doelstelling en inbedding

 

Planvorming

De nieuw aan te stellen hoogleraar christelijke identiteit zal ter uitwerking van de leeropdracht (zie hiervoor) in nauw overleg met de leiding en de collega-hoogleraren een onderzoeksplan moeten opstellen en aan het College voorleggen ter goedkeuring. In dit onderzoeksplan zal de focus van het onderzoek worden uitgewerkt en zal ingegaan worden op welke wijze het onderzoek invulling zal worden gegeven (in theorie en empirie, met inzet van anderen zoals promovendi). Verder zal de aansluiting bij bestaande onderzoekslijnen binnen de TUK en daarbuiten worden geschetst. In de tweede plaats zal aan de nieuw aan te stellen hoogleraar gevraagd worden te komen tot een onderwijsplan, waarin wordt uitgewerkt welke vormen van onderwijs zullen worden opgepakt en welke aansluiting er gezocht zal worden bij de bestaande onderwijsprogramma’s.

 

Zowel in het onderzoeks- als het onderwijsplan zal uitgewerkt moeten worden op welke wijze de samenwerking van de hoogleraar met het colloquium en de werkveldkring vorm krijgt en inhoud wordt gegeven.

 

Onderzoek

De focus in het onderzoek zal mede afhankelijk zijn van de kennis en kundigheid van de te benoemen hoogleraar en nader beïnvloed worden door de partijen die aan de leerstoel zullen worden verbonden (zie onder a). Aansluiting moet worden gezocht bij de onderzoekslijn publieke theologie, die momenteel opnieuw wordt vormgegeven onder de noemer ‘Reformed Traditions in Secular Europe’. Deze onderzoekslijn staat onder leiding van Stefan Paas en richt zich op vragen met betrekking de dialectiek tussen de tradities van de Reformatie aan de ene kant en de Europese moderniteit aan de andere kant, waarbij alle deelprojecten zich richten op de interactie tussen het christelijk geloof en de Europese samenleving. Het accent in het onderzoek binnen deze onderzoekslijn tot nu toe ligt vooral op het denken vanuit de gereformeerde theologie en vanuit de (recente) historie. De bijdrage van de leerstoel christelijke identiteit aan dit onderzoeksprogramma is te vinden in het accent dat gelegd zal worden op het denken naar en vanuit christelijke organisaties zoals die heden ten dage functioneren. In die zin zal het onderzoek dat vanuit de leerstoel wordt ingevuld een versterking en aanvulling van de bestaande onderzoekslijn betekenen. Naast aansluiting bij het onderzoek binnen de TUK zal ook aandacht gegeven moeten worden aan de aansluiting bij onderzoek dat buiten de TUK wordt verricht. We denken hierbij aan het werk van de lectoren Jan Hoogland en Pieter Vos aan de GH te Zwolle.

 

Onderwijs

Ten aanzien van het onderwijs ligt een aantal concrete voornemens voor:

De hoogleraar zal een belangrijke aanjagende functie moeten hebben in het ontwikkelen van diverse vormen van onderwijs en vorming. Allereerst is de bijdrage aan de opleiding van predikanten (de kerntaak van de TU) relevant: predikanten dienen zich bewust te zijn van de ontwikkelingen in het publieke domein en de betekenis daarvan voor de wijze waarop christenen actief zijn.

 

Daarnaast zal de hoogleraar een bijdrage van belang kunnen leveren aan de verdere invulling van het eenjarige algemene Masterprogramma, en wel vooral aan de afstudeerrichting ‘Kerk en samenleving’ (Ethiek). Deze afstudeerrichting bezint zich op de publieke en politieke verantwoordelijkheid van christenen. Het nadenken over christelijke identiteit en presentie biedt daar een aanvulling en verbreding op. Gelet op de ontwikkelingen in de maatschappij, (waarin individualisering, pluralisering en een afname van waardering voor religie belangrijke elementen zijn) is deze afstudeervariant van de TUK een opleiding die meer dan nu nog het geval is studenten aan zich zou moeten kunnen verbinden.

 

Noot: Let wel: het is niet de bedoeling om een nieuwe afstudeervariant op te starten. Dit is inhoudelijk niet nodig, maar daarnaast mag niet onvermeld blijven dat de bestaande varianten al een zo grote variatie in aanbod bieden afgezet tegen het relatief kleine aantal studenten, dat een nieuwe variant geen zinvolle keuze zou zijn.

 Daarnaast wordt aansluiting bij het bestaande PEP programma (permanente educatie predikanten) verwacht.

 

Buiten de TUK worden op andere instellingen onderwijsprogramma’s verzorgd waartoe het werk van de nieuw aan te stellen hoogleraar zich dient te verhouden. We denken hierbij vooral aan het masterprogramma CSSS (Christian Studies of Science and Society) van de faculteit Wijsbegeerte van de VU en het masterprogramma Bestuurskunde: Besturen van maatschappelijke organisaties van diezelfde universiteit. Waar het eerste programma vooral het individueel ethische perspectief kiest als uitgangspunt voor het stellen van vragen over de wijze waarop professionals in de maatschappij keuzes maken, is het tweede programma vooral gericht op het institutionele perspectief van de maatschappelijke organisaties. Beiden werken in wat de VU noemt de ‘Christelijke traditie’. Daarmee wordt weliswaar in zekere mate invulling gegeven aan een levensbeschouwelijk perspectief op de vragen die in de maatschappij van vandaag en morgen op ons afkomen, maar er is geen sprake van de Bijbelse en gereformeerde theologische diepgang en richtingbepaling die binnen de TUK kan en zal worden geboden. Niettemin kunnen dergelijke onderwijsprogramma’s een bron van inspiratie voor andere betekenen, dan wel kan worden getracht te komen tot aansluiting bij deze programma’s.

 

Doelgroepen

Ten slotte (en niet het minst) gaat het om onderwijs en vorming voor anderen dan studenten die aan de TUK ingeschreven staan. Drie doelgroepen worden hierbij onderscheiden:

  • Studenten binnen andere hoger onderwijs instellingen. Elk jaar gaan rond de 600 jonge mensen uit gereformeerde gezinnen studeren aan een algemene instelling: deze jonge mensen zouden gediend kunnen worden met een of meer keuzevakken rond het thema Christelijke Identiteit, te volgen bij de TUK (in Kampen dan wel elders te verzorgen door de TUK).
  • Christenen actief in het publieke domein, die zich nader willen bezinnen op hun functioneren als christen in de wereld van nu: voor deze doelgroep kunnen masterclasses worden verzorgd op hoog niveau (postacademisch onderwijs). Hierbij kan zowel gedacht worden aan scholing van geïnteresseerde christen-professionals als aan scholing op maat voor christelijke organisaties die hun personeel hiermee willen toerusten om de identiteit van de eigen organisatie blijvend actueel invulling te geven (leiderschapstrainingen bijvoorbeeld). Mogelijk kan deze vorm van onderwijs uitmonden in een aanbod voor een duale Master-opleiding.
  • Afgestudeerden van de TUK die als predikant enige jaren actief zijn: de hoogleraar christelijke identiteit kan een bijdrage van belang leveren aan het PEP programma (permanente educatie van predikanten). Dit stelt predikanten in staat zich te blijven ontwikkelen, op de hoogte te blijven van de actuele maatschappelijke ontwikkelingen en zich daarop te bezinnen. Dit stelt hen in staat in hun werk in de gemeenten aan te blijven sluiten bij de vragen waarmee gemeenteleden in hun functioneren in de maatschappij worden geconfronteerd, en aan die betrokkenheid invulling te geven.

 

Zoals gezegd zal in dit aanbod van onderwijs het colloquium en de werkveldkring worden betrokken. Afhankelijk van de gekozen focus zal bepaald worden welke doelgroepen het eerst in aanmerking komen voor het verzorgen van een aanbod.

 

d.        Context en samenwerking

 

De nieuw te benoemen hoogleraar wordt benoemd als bijzonder hoogleraar, waarmee helder in beeld wordt gebracht dat het hier gaat om een leerstoel met een niet-regulier karakter. De leerstoel is er op gericht om de relatie van de TUK met christelijke organisaties die in het publieke domein actief zijn en met christenen die in het publieke domein actief zijn te versterken en te voeden. De TUK wil met de leerstoel haar rol als bron van kennis en reflectie voor christenen vergroten en het natuurlijke ‘huis’ worden voor hen die onderzoek en onderwijs op dit terrein zoeken dan wel bieden.

 

De TUK streeft naar het leggen van vruchtbare verbindingen met verschillende organisaties die zich verbonden weten met het werkterrein van de hoogleraar. In eerste instantie wordt daarbij gedacht aan het werk van organisaties als het LVGS (gereformeerd onderwijs), Reliëf (koepel van aanbieders in de zorg), ChristenUnie en ForumC (forum voor geloof, wetenschap en samenleving). Deze organisaties zal gevraagd worden deel te nemen aan de werkveldkring van de leerstoel. De werkveldkring zal worden aangevuld met vertegenwoordigers uit het domein kunst en cultuur (die zich over het algemeen minder nadrukkelijk aan elkaar verbonden hebben dan in de domeinen onderwijs, zorg, politiek en wetenschap).

 

Daarnaast zijn er vele initiatieven in Nederland die allemaal een klein deel van het werkterrein rond christelijke presentie bedienen. Denk aan de Vereniging Reformatorische Wijsbegeerte en de Stichting Christelijke Filosofie (voorziet in een kleine behoefte aan kennis betreffende christelijke filosofie), het Lindeboom Instituut, de Stichting voor Cultuurethiek of het IFES (die christelijke studenten aan elkaar verbindt, en spirituele en ethische scholing biedt aan studenten, waar een enorme behoefte aan blijkt te zijn). De instelling van deze leerstoel, en de vorming van een academische en maatschappelijke kenniskring biedt een optimale mogelijkheid om aan al deze initiatieven een basis te bieden: de leerstoel als de kern van een brede werkveldverbinding.

 

Een leerstoel heeft een zekere beeldvorming, een zekere maatschappelijke status waar een individuele belangenvereniging of een stichting niet tegenop kan. Wanneer masterclasses of studieavonden vanuit een leerstoel worden georganiseerd, is de publieke impact daarvan groter dan wanneer een stichting of vereniging dat doet. Daarbij komt dat de TUK een openbaar instituut is. En wel een sterk geprofileerd instituut. En dat heeft voordelen: Een leerstoel gevestigd aan een grote algemene universiteit heeft meer moeite de eigen publieke positie vorm te geven, omdat men alleen al moet ontstijgen aan de brede basis waaruit men voortkomt.

 

e.        Bekostiging

 

Om tot een vruchtbare implementatie van het genomen initiatief te komen is het van belang dat de instelling van de bijzondere leerstoel een zekere mate van stabiliteit in zich heeft. Vanuit die optiek zijn verschillende vormen van financiering overwogen.

In eerste aanleg is overwogen of het zinvol is te komen tot instelling van een bijzondere leerstoel, die door andere rechtspersonen dan de TUK wordt gefinancierd. Dit blijkt echter buitengewoon moeilijk, gegeven het feit dat het vrijwel niet mogelijk is in het werkveld instellingen te vinden die financieel voldoende draagkrachtig zijn om hiertoe over te gaan. Daarnaast is een ander aspect van belang in de afweging: uit oogpunt van stabiliteit (op langere termijn) is het het overwegen waard eigen inkomstenbronnen aan te boren voor deze leerstoel. Daarmee wordt bereikt dat de leerstoel op duurzame wijze kan bijdragen aan de ontwikkeling van de TUK als instelling voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Een instelling die niet alleen wetenschappelijk en theologisch maar ook maatschappelijk haar relevantie tot uitdrukking kan brengen in haar werk.

 

Het is daarom wenselijk dat de hoogleraar primair uit de middelen van de universiteit wordt betaald, en de leerstoel een onderdeel van de basis van de universiteit wordt. Hiermee wordt de kern van het nieuwe werkterrein van de TUK op stabiele wijze invulling gegeven. Voorzien wordt dat hiervoor een basisbudget benodigd is van rond de € 60.000,-- op jaarbasis. Uit dit budget kan de aanstelling van de hoogleraar in deeltijd worden bekostigd en zijn er enige middelen om het (onderzoeks-)werk aan te vatten.

 

Inspanningsverplichting

Hier tegenover kan een inspanningsverplichting van de TUK worden gesteld: Het onderwijs voor studenten binnen de TUK zowel als studenten binnen andere instellingen dan de TUK, die bezig zijn met hun primaire opleiding (ofwel anderen dan post-master of duale studenten) kan uit eigen middelen worden verzorgd. Hiermee geeft de TUK invulling aan de taak die zij voor zich weggelegd ziet in de vorming van jonge christenen in hun presentie als christen in deze ontzuilde samenleving. Voor het betrekken van deze jonge christenen bij het onderwijs dat de TUK biedt is het van belang dat het deelnemen aan het geboden onderwijs geen grote financiële verplichtingen met zich meebrengt. Idealiter zou het een onderdeel van hun reguliere programma moeten vormen. Dit verhoogt de toegankelijkheid en daarmee de aantrekkelijkheid van de TUK als plaats van vorming en onderwijs voor anderen dan eigen studenten.

 

Cofinanciering

Voor het verder uitbouwen van het werkterrein van de bijzonder hoogleraar dienen meer fondsen te worden geworven. Op die wijze is het mogelijk om meer resultaten in termen van onderwijs en onderzoek te bereiken dan een enkele hoogleraar kan bereiken. Dit geldt vooral ten aanzien van het onderwijs dat wordt gegeven voor volwassen professionals (post-master, duaal) en het onderzoek dat hieraan ten grondslag ligt. Uitbreiding van het werk van de leerstoel vooral op dit terrein zal noodzakelijkerwijs moeten leiden tot uitbreiding van de kring van betrokkenen. Ter bekostiging hiervan is het aan te bevelen om te komen tot een vorm van cofinanciering van de TUK en derden.

 

Bijlage

 

Lijst met geïnterviewden

 

Mees te Velde College van Bestuur TUK

Jan de Jong College van Bestuur TUK      

Ad de Bruijne Hoogleraar TUK

Roel Kuiper Hoogleraar Erasmus (o.a.), lid Eerste Kamer voor de CU

Gerrit Glas Hoogleraar VU, psychiater

Govert Buijs Hoogleraar VU

James Kennedy Hoogleraar UvA

Cors Visser Directeur ForumC, forum voor geloof, wetenschap en samenleving

Maarten Verkerk Hoogleraar universiteit Eindhoven en Maastricht, voorzitter bestuur VitaValley, innovatienetwerk in de zorg

Jan Westert Voorzitter LVGS, het landelijk verband van gereformeerde schoolverenigingen

Thijs Tromp Directeur Reliëf, Christelijke vereniging van zorgaanbieders

Henk Jochemsen Hoogleraar VU en algemeen directeur Prisma, vereniging van christelijke ontwikkelingsorganisaties.

Kars Veling Directeur Prodemos, het huis voor democratie en rechtstaat

Andre Rouvoet Oud-partijleider CU, inmiddels voorzitter Zorgverzekeraars Nederland

 

120602 TU - Bijlage 8 - Rapport strategische versterking

 

Rapport strategische versterking Theologische Universiteit Kampen


§ 1.     Samenvatting


In dit deel van de rapportage gaan we na welke stappen er nodig en mogelijk zijn om de strategische positie van de TU te versterken.

  • We vermelden in § 2 eerst de uitgangspunten zoals die in de besluitvorming van de synode (Acta art. 66) zijn verwoord.
  • Vervolgens bespreken we in § 3 de krachtige punten in het huidige functioneren van de TU en een aantal punten waarin versterking nodig is.
  • Dan doen we in § 4 sub 1, 2, 3 en 4 verslag van de verkenning die heeft plaatsgehad naar mogelijkheden om samen te werken met andere theologische opleidingen.
  • We trekken m.b.t. de vestigingsplaats de lijn van Dienstbaar en Wendbaar (2009) verder door in § 4.5.
  • In § 5 treft u de conclusies uit paragraaf 4 aan en
  • tenslotte formuleren we in §6 de punten waarover we van de synode nadere besluitvorming en opdrachten vragen.


§ 2.     Opdracht en uitgangspunten


De basis voor de ingezette actie op het punt van samenwerking ligt in de besluitvorming van de generale synode van Harderwijk 2011. Die gaf (Acta art. 66, besluit 6) opdracht: “voort te gaan op de weg van strategische positionering van de Theologische Universiteit zoals die o.a. is vastgelegd in ‘Dienstbaar en wendbaar’. Zij formuleerde daarvoor een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden:

  1. “de Gereformeerde Kerken in Nederland weten zich krachtens artikel 18 KO verantwoordelijk voor het onderhouden van een eigen wetenschappelijke opleiding van hun predikanten, die zowel een bachelor- als een (predikants-) mastertraject omvat;
  2. de Theologische Universiteit staat open voor en is positief gericht op andere studie-uitgangen ten dienste van de bewaring en voortgang van het evangelie in kerk en wereld;
  3. samenwerking met andere instellingen dient de beoefening en uitstraling van de gereformeerde theologie nationaal en internationaal ten goede te komen c.q. te versterken;
  4. de aard en mate van de samenwerking van de Theologische Universiteit met andere instellingen dient in overeenstemming te zijn met de mate van kerkelijke en confessionele verbondenheid met deze instellingen;
  5. inhoudelijke samenwerking en afstemming met het HBO dient m.n. het beroepsvoorbereidend profiel van het onderwijs en het wetenschappelijk profiel van het onderzoek van de Theologische Universiteit te bevorderen.”

Verder besloot de synode (besluit 7) dat de RvT de synode in voortgezette zitting (in 2012) moet dienen met een rapportage op het gebied van o.a. “de mogelijkheden tot samenwerking met andere theologische opleidingen”. De argumentatie daarbij was: “het College van Bestuur en de Raad van Toezicht zullen enkele stappen moeten zetten om de positie van de universiteit te versterken. Wachten tot de synode van 2014 kan te lang zijn en verlammend werken om vervolgstappen te zetten in het proces dat de universiteit moet inzetten.”


§ 3.     Sterke en te versterken punten


Tegen de achtergrond van de actuele situatie van het Hoger Onderwijs in Nederland in het algemeen en van de theologie en van de kerken in het bijzonder [noot: In de sector spreekt men wel van ‘marginalisering van de theologie’ in het Nederlandse hoger onderwijs.] zijn er belangrijke goede aanknopingspunten [noot: Grotendeels ontleend aan de sterkte-zwakteanalyse die aan Dienstbaar en wendbaar ten grondslag lag. Vooral het financiële domein was toen anders door het ontbreken van overheidsfinanciering.]voor strategische versterking aanwezig die genoemd moeten worden:

  • De TU beschikt over ruim voldoende financiële middelen. Dat is te danken aan de bereidheid die de kerken steeds hebben getoond om niet te volstaan met minimale seminarie-voorzieningen, maar een goed functionerende eigen universiteit te onderhouden. Daar komt sinds 2010 de overheidsbekostiging bij. Deze combinatie leidt tot een gezonde financiële situatie.
  • De TU kent een lange lijn van continuïteit als instituut. Dat geeft haar stabiliteit en goede naamsbekendheid.
  • De TU heeft jaarlijks een voldoende instroom van studenten om in haar primaire processen redelijk te kunnen functioneren.
    [noot: Hier is een verband gelegd met het kunnen functioneren van vooral het onderwijsproces. Er is niet bedoeld dat er voldoende studenten zijn: de instroom in de bachelor is sinds een paar jaar weer enigszins op peil en om te voldoen aan de vraag uit de kerken is de instroom in de predikantsmaster te laag. De doelstelling voor het aantal studenten ligt dus echt behoorlijk hoger.]
  • De TU heeft een stevig team van bekwame docenten en onderzoekers, zowel mensen met jarenlange ervaring als jongere onderzoekers, zowel postdocs als aio’s.
  • De TU heeft vanouds een vaste band met de kerken. De laatste jaren is er sprake van ontwikkeling en versterking van die band.

In deze sterke uitgangssituatie zijn er tegelijk ook redenen om te werken aan versterking. Concreet zijn er de volgende punten te noemen:

  • Er is een betere balans nodig in de kosten/resultaten-verhouding en een grotere efficiëntie: met nagenoeg dezelfde middelen en infrastructuur zou een aanzienlijk groter aantal studenten kunnen worden bediend, terwijl met minder financiële middelen geen accrediteerbare theologische universiteit is te handhaven.
  • Wat de instroom betreft, het is nodig dat de aantrekkelijkheid van de TU wordt vergroot voor de volgende categorieën van potentiële studenten:
    • studenten uit de GKv die op dit moment de voorkeur er aan geven om elders theologie te studeren;
    • studenten uit de GKv die op zich wel belangstelling hebben voor theologie, maar die kiezen voor een andere studie omdat Kampen geen echte universiteitsstad is en de TU als vooral een binnenkerkelijke beroepsopleiding wordt ervaren;
    • studenten van buiten de GKv voor wie ‘Kampen’ niet aantrekkelijk is omdat het nog steeds vrijwel uitsluitend de ‘vrijgemaakte’ predikantenopleiding is;
    • buitenlandse studenten die een gereformeerde theologische opleiding zoeken, maar voor wie de Nederlandse taal een te hoge drempel is.
  • Het is nodig de TU nationaal en internationaal meer zichtbaar te maken, waarbij ze zowel meer aan anderen kan bieden als meer van anderen kan ontvangen. De kracht en vitaliteit van de gereformeerde theologie zouden in de huidige situatie van religie, kerk en samenleving meer hoorbaar en zichtbaar mogen zijn.
  • Een versterking van de instroom en van de doorstroom/uitstroom van de predikantsmaster is noodzakelijk; daarin ligt (vergelijk randvoorwaarde 1) immers het uiteindelijke bestaansrecht van onze theologische universiteit.
  • voor de predikantsopleiding is het nodig dat de afgestudeerden van de TU door een bredere setting en bredere interactie met anderen betere startkwalificaties en een breder profiel krijgen. Zo zullen zij n.l. niet alleen maar voor werk binnen de kerk geschikt zijn, maar vanuit kerk en theologie met het evangelie midden in de samenleving kunnen staan.
  • De TU heeft inbedding nodig in een bredere universitaire setting, zodat de vorming van a.s. predikanten niet tot omgang met voornamelijk gelijkgestemden beperkt blijft, maar er meer interactie wordt uitgelokt met studenten en wetenschappers uit andere kerken en religies, uit andere faculteiten en uit andere landen.

    Met dit punt laatste punt verweven is de vraag naar de optimale locatie voor de TU. Daarop gaan we in paragraaf 4.5 nader in.

§ 4.     Verslag van de verkenning m.b.t. samenwerking


In de periode november 2011 tot maart 2012 zijn er door het CvB gesprekken gevoerd met een aantal partijen in het veld van de theologische opleidingen. Vanwege de gedeeltelijke vertrouwelijkheid van de gesprekken is het niet mogelijk alle namen en feiten te noemen. Zo nodig kan er in een comitézitting mondeling meer informatie worden verstrekt. De belangrijkste resultaten geven we hieronder weer.


Achtereenvolgens staan we stil in § 4.1. bij de TU Apeldoorn, in § 4.2 bij de inbedding in een grote(re) universiteit, in § 4.3 bij de gesprekken over samenwerking met andere instellingen, in § 4.4 bij de mogelijkheden met betrekking tot onderzoek en tenslotte in § 4.5 bij de locatie.


Op de samenwerking met het HBO komen we hier niet (meer) terug. Voor deze samenwerking zij verwezen naar de oprichting van een Praktijkcentrum, waarin deze samenwerking tussen WO en HBO sterk is verankerd. Over een praktijkcentrum is een aparte notitie aan de synode gezonden.


§ 4.1   TU Apeldoorn


Een belangrijke partner als het om samenwerking gaat, is uiteraard de TU Apeldoorn. Met haar docenten en onderzoekers werken we al een groot aantal jaren samen, vooral op het terrein van het onderzoek. Hieronder treft u in chronologische volgorde de tot nu toe gezette stappen met de TU Apeldoorn en de resultaten daarvan aan:

  • Vanaf 2002 hebben de Theologische Universiteiten van Apeldoorn en van Kampen gezamenlijke onderzoeksprogramma’s. Ook bestuurlijk is er samenwerking gegroeid. Sinds begin 2009 is er ongeveer eens per twee maanden een gezamenlijke vergadering van de colleges van bestuur waarin uitwisseling en overleg plaatsvindt.
  • Begin september 2010 hebben de CvB’s een aantal scenario’s en vormen van samenwerking besproken, ook voor (delen van) het onderwijs. Van de zijde van de TUA is toen verklaard dat grote stappen in de samenwerking onmogelijk waren. Alleen samenwerking van onderop, op de werkvloer, zoals uitwisseling van docenten werd haalbaar geacht. Daarmee vervielen bijna alle varianten van samenwerking die ter tafel waren.
  • Korte tijd later, eind september 2010, leek de situatie zich te wijzigen. De synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken gaf opdracht tot een verkenning met betrekking tot de toekomst van de TUA als volgt: “(…) gezien de overbelasting van de wetenschappelijke staf en beperkte omvang van de universiteit aan de ene kant en de noodzaak van meer ruimte voor wetenschappelijk onderzoek en de eisen van de overheid aan de andere kant, zich te bezinnen op de toekomst van de TUA.” De synode werd provisorisch gesloten om zo nodig over voorstellen m.b.t. de toekomst van de TUA op een later tijdstip nog te kunnen beslissen.
  • De opdracht tot strategische versterking die de synode van de Gereformeerde Kerken in juni 2011vervolgens aan de TU Kampen gaf, bood mogelijkheden om van beide kanten een spoor uit te zetten naar een breed gereformeerde theologische opleiding in gezamenlijkheid (met behoud van ieders eigenheid) en daarvoor ook andere partijen te interesseren. In die richting zijn in april 2012 echter nog geen positieve ontwikkelingen te melden.
  • In de zomer van 2011 is op verzoek uit Apeldoorn afgesproken dat de TUA eerst haar verkenning bij andere instellingen zou afronden en dat de TUK zolang haar actie ‘in het veld’ zou opschorten, om uit te sluiten dat we elkaar voor de voeten zouden lopen.
  • Conform die afspraak is het CvB van de TU Kampen pas na 1 november 2011 zijn ronde van verkenning bij diverse theologische faculteiten begonnen.
  • Kort daarna, begin december 2011, werd vanuit Apeldoorn publiek gemaakt dat de TUA geen resultaten of voorstellen had die aan een voortgezette zitting van de christelijk-gereformeerde synode konden worden voorgelegd. Een eventueel vervolg op synodeniveau is hier dus pas in 2013 te verwachten.
  • Het CvB heeft eind maart 2012 aan het CvB van de TUA gemeld dat op het punt van zowel samenwerking in onderzoek als bezinning over de locatie van de TU aan onze synode (juni 2012) voorstellen zouden worden gedaan. In die voorstellen zou de TUK graag het perspectief van een versterkte samenwerking met de TUA een plek geven. Deze uitnodiging heeft niet tot een concrete bereidheidsverklaring van de TUA geleid om binnen afzienbare tijd mee te denken en mee te spreken over concrete stappen.
    • T.a.v. het vormen van een alliantie in onderzoek met bv. de ETF heeft de TUA gemeld dat dit voor haar geen prioriteit heeft. Wat het onderwijs betreft beperkt de TUA zich nu tot de wens om in de richting van een brede gereformeerde opleiding in de theologie te werken, en dat dan samen met de TUK en enkele andere partijen uit de gereformeerde gezindte te doen.
    • De TUA meldde dat ze hierover vooral met de Christelijke Hogeschool Ede in gesprek is en dat ze hoopt er later in 2012 een bijeenkomst over te organiseren.

§ 4.2.      Incorporatie in een grote(re) universiteit?


Een van de opties om de positie van de TU Kampen te versterken zou zijn, dat de TU een verband aangaat met de theologische faculteit van een van de grote Nederlandse universiteiten. Voor die formule heeft de Protestantse Theologische Universiteit gekozen, om redenen die voor een deel vergelijkbaar zijn met de hierboven geschetste factoren en motieven. Het is intussen ook goed om te bedenken dat overal aan de theologische faculteiten krachtig wordt ingezet op vergroting van het aantal studenten. Dat aantal studenten (preciezer: het aantal inschrijvingen en het aantal diploma’s) bepaalt immers voor een groot deel de overheidsfinanciering. Omdat de TU voor het grootste deel door de kerken wordt gefinancierd is die afhankelijkheid van studentenaantallen bij de TU minder.


Bij onze verkenning is gebleken dat de TU Kampen met haar studenten en docenten aan enkele Nederlandse theologische faculteiten, te weten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en aan de Rijksuniversiteit Groningen, hartelijk welkom zou zijn voor vestiging op eenzelfde wijze als de PThU, met een gedeeltelijke voortzetting (bv. voor 40%) van de eigen opleidingen, terwijl dan de andere delen in gezamenlijkheid zouden worden ingevuld. Het is duidelijk dat dit op een aantal van de gesignaleerde verbeterpunten winst zou opleveren, n.l. ten aanzien van de inbedding in een breder universitair klimaat, de interactie met andere studenten en wetenschappers en dergelijke. Maar daarvoor zou dan een flink deel van de eigen opleiding moeten worden ingeleverd. Dat doet geen recht aan de sterke punten van de bestaande opleiding en evenmin aan de gedachte dat strategische positionering tot versterking van de gereformeerde theologie moet leiden. Bovendien is het de vraag of de geografische ligging van zowel Amsterdam als Groningen niet te excentrisch is ten opzichte van de spreiding van de gereformeerde kerken door heel Nederland heen.


§ 4.3   Gesprekken over samenwerking met andere instellingen


Het CvB heeft verkennende gesprekken over samenwerking gevoerd met vertegenwoordigers van enkele andere instellingen die zelf geen zelfstandige opleiding verzorgen, n.l.

  1. de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding,
  2. het Hersteld Hervormd Seminarie, het Baptisten Seminarium en het Center for Evangelical and Reformation Theology.

Ad a.

De NGP heeft een overeenkomst met de TU Apeldoorn, waarbij is geregeld dat de NGP voor studenten uit de NGK zelf 20% van de Apeldoornse curricula mag invullen onder verantwoordelijkheid van de TUA. Op deze wijze studeren er op dit moment 12 Nederlands-gereformeerde studenten in Apeldoorn. [noot: De NGP heeft meer studenten, maar die studeren aan andere instellingen (TUK, VU).] De bestuurders van de NGP hebben bij de TUK en de TUA er krachtig op aangedrongen om te werken in de richting van een gezamenlijke bredere theologische universiteit en zullen daaraan zelf naar vermogen graag meedoen.

 

Ad b.

Deze instellingen hebben een overeenkomst met de theologische faculteit van de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarbij is het opleiden deels in gezamenlijkheid, deels in eigenheid (bv. 40% in de masterfase) geregeld op soortgelijke wijze als de PThU en de NGP dat hebben gearrangeerd. De ontvangende faculteit profiteert van een continue extra instroom van studenten uit de desbetreffende kringen. En de kleinere instelling of kerkengroep profiteert er van dat ze een gedeeltelijke eigen opleiding kan aanbieden op universitair niveau en in een dito inbedding tegen betrekkelijk lage kosten.

Uit de gesprekken is gebleken dat deze instellingen met belangstelling de ontwikkelingen volgen, vooral de initiatieven (eventueel allianties) die de beoefening van gereformeerde en bijbelgetrouwe theologie in Nederland verder versterken. Ze verwachten daarin vooral vanuit Kampen en Apeldoorn actie. Die actie zal bij voorkeur moeten liggen op gebieden die niet direct concurrerend zijn met de allianties die men nu al heeft met een andere theologische faculteit. Concreet is dan te denken aan mogelijkheden m.b.t. een internationale Engelstalige master, samenwerking in onderzoek, promotieprojecten en bijzondere leerstoelen. Mocht die samenwerking succesvol zijn op de hiervoor genoemde punten, dan is het niet uit te sluiten dat verdere strategische samenwerking in zicht kan komen.

Een vestiging in een grotere universiteitsstad zou daarbij een stap voorwaarts zijn. Voor kerken en instellingen die niet stammen uit de Afscheiding van 1834 en die geen verbinding hebben met de Kamper traditie van voor en na 1944, heeft ‘Kampen-Broederweg’ een goede reputatie, maar wordt het wel beleefd als een bijna exclusief vrijgemaakte plek.


§ 4.4   Mogelijkheden met betrekking tot onderzoek


In de verkenningsronde is er ook – in vervolg op eerdere gesprekken en afspraken – overleg geweest met de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven. Ondanks verschillen tussen de evangelische en de gereformeerde identiteit is er met de ETF een grote mate van verwantschap in denken en theologiseren. Dat is ook zichtbaar in het feit dat de ETF verschillende docenten en hoogleraren heeft die in Nederland tot orthodoxe kerken in de gereformeerde gezindte behoren.


De ETF als in België gevestigde instelling zal geen partner zijn in een Nederlandse alliantie voor gereformeerd theologisch onderwijs. Wel zien we van beide kanten perspectief in een nauwere samenwerking op het gebied van het onderzoek. Er zijn enkele verwante onderzoeksvelden, o.a. Post-Reformatie theologie. Bovendien zou het voor beide instellingen positief zijn wanneer ze hun begeleiding van promovendi konden combineren in een gezamenlijke graduate school. Dat schept meer mogelijkheden voor het delen van expertise, het organiseren van seminars, expertmeetings, symposia e.d. en het opzetten van gezamenlijke projecten. Het zou de zichtbaarheid en kracht van bijbelgetrouwe en gereformeerde theologie niet alleen in Nederland ten goede komen. Het zou ook betere aanknopingspunten bieden voor internationalisering in het onderzoek.


In een graduate school kunnen ook andere partijen participeren met wie een alliantie op het terrein van het bachelor en master onderwijs niet mogelijk is. Met de Commissie Leerstoelen van de Gereformeerde Bond is er in die richting contact en overleg geweest. We denken ook aan enkele van de hierboven genoemde vier kleinere instellingen. Met beperkte organisatorische maatregelen kan er al een flinke versterking van synergie en zichtbaarheid worden bereikt. Ook hier is overigens aandacht nodig voor het feit dat Kampen minder geschikt is als locatie voor zo’n graduate school in samenwerking met andere partijen.


Bij het vormen van een graduate school worden de afspraken die er zijn met de TU Apeldoorn voor de onderzoeksprogramma’s 2012-2017 uiteraard integraal gehandhaafd.


§ 4.5   Locatie


In het strategierapport Dienstbaar en wendbaar (december 2009) is op blz. 22 een paragraaf 3.4.3 over Kampen als locatie voor de TU opgenomen. Die luidde als volgt:


“In alle analyses komt de vraag rond de locatie terug. Het lijkt er op, dat Kampen qua locatie en entourage voor sommige studenten een belemmering is om voor de TUK te kiezen. Ze geven de voorkeur aan een grote universiteitsstad. Ook samenwerkingsaspecten maken het nodig serieus naar het locatievraagstuk te kijken. Rond dit aspect zijn vrij veel overwegingen en opties te noemen, die soms ook onderling tegenstrijdig zijn.


Voor de langere termijn wordt dit vraagstuk van een antwoord voorzien. De verschillende relevante factoren en opties zullen worden geïnventariseerd. Aan de hand daarvan wordt werk gemaakt van de sterke en zwakke punten van de huidige constellatie dan wel een andere keuze voorbereid.


Hoe dit uitpakt, hangt mede af van keuzes die men maakt bij andere theologische instellingen, zoals de Protestantse Theologische Universiteit en de Theologische Universiteit Apeldoorn.


Ten behoeve van toekomstige besluitvorming wordt tevens een onderzoek uitgevoerd waarbij de bruikbaarheid van de gebouwen en alle andere vastgoedaspecten in kaart worden gebracht.


Om Kampen een bredere uitstraling te geven kunnen bijvoorbeeld contractactiviteiten als avondcolleges e.d. op een andere locatie worden aangeboden.”


Aansluitend bij de tekst van D&W kunnen we melden dat op dit moment de voor ons belangrijkste beslissingen van theologische opleidingen wel zijn gevallen c.q. geëffectueerd. De PThU vertrekt in de komende maanden uit Leiden, Utrecht en Kampen. Ze vestigt zich in Amsterdam (VU) en Groningen. In Kampen blijft geen enkele andere instelling voor hoger onderwijs meer over. Aan de universiteit in Utrecht wordt de opleiding theologie beëindigd. De TUA heeft er van afgezien nadere toekomstplannen aan een voortgezette synode voor te leggen. In deze situatie kan de in 2009 opgeschorte bezinning over de locatievraag verder worden voortgezet.


Wij realiseren ons dat we hiermee een punt aansnijden waar veel aan vast zit. De Gereformeerde Kerken hebben meer dan 150 jaar hun predikantsopleiding in Kampen gehad. Als ze in de komende jaren zouden besluiten tot verplaatsing naar een grote universiteitsstad, heeft dat allerlei consequenties. Maar ook een besluit om te blijven in Kampen heeft vergaande consequenties. Ongewijzigd en zonder versterkende maatregelen verdergaan in Kampen is geen optie. Wat de vestigingsplaats betreft staat de TU daarom op een kruispunt. Er dient op korte termijn een degelijk onderzoek te komen naar de relevante factoren, de pro’s en contra’s en de haalbaarheid van zowel blijven in Kampen als verhuizen naar elders.


Met het Ministerie van OCW is een verkennende gesprek gevoerd om te zien of een aanvraag voor een verplaatsing vanuit het perspectief van de overheid aan de orde zou kunnen zijn en onder welke condities. In dat gesprek is onder meer gebleken dat een verplaatsing een lichte toets zou ondergaan en dat in ieder geval met relevante partijen in het domein van de theologie voorafgaand een gesprek zou moeten plaatsvinden. De staatssecretaris zal de resultaten van die gesprekken betrekken in zijn standpuntbepaling over verplaatsing. Gezien het scherpe profiel van de TUK lijkt dat echter niet prohibitief te kunnen zijn.


§ 5.     Conclusies


Op grond van de in paragraaf 4 genoemde onderdelen komen we per onderdeel tot het onderstaande:


Met betrekking tot de TU Apeldoorn:

Onze conclusie is dat er op dit moment een aanzienlijk verschil in snelheid is tussen de TUA en de TUK. Cultuurverschillen tussen beide instellingen spelen daarbij een rol. Op dit moment is er – hoezeer ook gewenst en gehoopt – onvoldoende uitzicht op een concrete versterkte positionering van gereformeerd theologisch onderwijs en onderzoek binnen afzienbare tijd in gezamenlijkheid met de TUA. Voor ons betekent dit dat we met andere partijen het overleg verder zullen moeten voeren. De TU Apeldoorn blijft voor ons de partner met wie wij graag gezamenlijk optrekken en ook in het overleg met andere partijen zullen wij zo handelen dat de optie van samenwerking met de TU Apeldoorn altijd mogelijk blijft.


Met betrekking tot incorporatie in een grote(re) universiteit:

Onze conclusie is dat incorporatie in deze vorm bij een grote(re) universiteit niet gepast en niet vruchtbaar is.


Met betrekking tot de samenwerking met andere instellingen
:

Onze conclusie is dat het gewenst is om met de genoemde instellingen nader in gesprek te gaan over samenwerking en alliantie. En verder, dat daarbij speciale aandacht voor de vestigingsplaats nodig is.


Met betrekking tot het theologisch onderzoek:

Onze conclusie is dat het aanbeveling verdient om samen met de ETF Leuven en andere geïnteresseerde partners over te gaan tot de vorming van een graduate school waarin samengewerkt wordt ten behoeve van grotere kracht en zichtbaarheid van bijbelgetrouw en gereformeerd theologisch onderzoek. Ook hierbij is een keuze voor de vestigingsplaats van belang.


Met betrekking tot de locatie:

Onze conclusie is dat de tijd is aangebroken voor de TU Kampen om de balans op te maken over haar vestigingsplaats. Nader onderzoek is nodig m.b.t. eventuele verplaatsing van de TU, bij voorkeur naar een grote universiteitsstad.


§ 6.     Te nemen besluiten


De Raad van Toezicht en het College van Bestuur vragen de synode om op grond van het bovenstaande met betrekking tot strategische versterking van de positie van de TU de volgende maatregelen te fiatteren c.q. opdrachten te geven, een en ander met inachtneming van de door de synode in eerdere besluiten genoemde voorwaarden:


De synode draagt de Theologische Universiteit op:

zelfstandig voort te gaan op de weg van strategische versterking, ook als dit vooralsnog niet in gezamenlijkheid met de Theologische Universiteit Apeldoorn mogelijk is;

en keurt daarbij goed:

  1. het aangaan van verbindingen met andere instellingen op het terrein van theologisch onderwijs voor een samenwerking die voldoet aan de door de synode eerder gestelde randvoorwaarden (voornamelijk 3 en 4) en die tegelijk de TU verder brengt in de gesignaleerde noodzaak van versterking;
  2. het ruimte bieden aan andere instellingen om voor de aan hen verbonden studenten een deel van de opleiding zelf te verzorgen binnen de accreditatie van de TU;
  3. het aangaan van samenwerking met de Evangelische Theologische Faculteit Leuven en andere partners op het gebied van het theologisch onderzoek, met handhaving van de bestaande samenwerking in onderzoeksprogramma’s met de Theologische Universiteit Apeldoorn.

De synode draagt de Theologische Universiteit voorts op:

na te gaan, welke consequenties de noodzakelijke versterking en/of de samenwerking met anderen hebben voor de locatie waar de TU gevestigd is, en daarbij vooral de optie van vestiging in een grote universiteitsstad nader te onderzoeken.

 

De synode besluit:

voor het bedoelde nader onderzoek eenmalig een bedrag van € 35.000,-- beschikbaar te stellen.

 

120602 TU - Bijlage 9 - Rapport strategische versterking - onderdeel internationalisering

 

Rapport strategische versterking onderdeel internationalisering

 

§ 1.     Inleiding


In dit onderdeel gaan we in op de strategische versterking van de TU die nodig is op het terrein van de internationalisering.


We geven eerst weer wat er in Dienstbaar en Wendbaar (2009) over internationalisering is vastgelegd en formuleren in het kort de visie die ons motiveert om van internationalisering meer werk te maken. (§ 2)


Daarna noteren we de vorderingen die er sinds 2009 zijn gemaakt en noemen we een paar belangrijke verbeterpunten waarmee de TU aan de slag moet. (§ 3)


Vervolgens schetsen we welke maatregelen er nodig zijn op het gebied van de reguliere opleidingen (§ 4), het deelnemen aan het internationaal theologisch discours (§ 5) en het bieden van opleiding en kennisuitwisseling voor geestverwante christenen wereldwijd (§ 6).


Tenslotte geven we aan wat de budgettaire consequenties van de te nemen maatregelen zijn (§ 7) en een voorstel voor de te nemen besluiten door de synode.


§ 2.     Strategie en visie

In het strategierapport Dienstbaar en Wendbaar (2009) werd in paragraaf 3.4.4 het volgende over internationalisering geschreven:


“Zonder goed beleid met betrekking tot internationalisering kan een universiteit niet volwaardig functioneren. Internationalisering verdient een sterke impuls. We denken daarbij aan de volgende speerpunten:

 

Onderwijs:

  • Engelstalige Vooropleiding
  • Engelstalige Master Algemeen: op basis van de vraag onder (m.n. buitenlandse) studenten. Wordt daarom in opleidingsaanbod expliciet meegenomen.
  • studentenuitwisseling met buitenlandse instellingen
  • regelmatig een gerenommeerde gastdocent uitnodigen voor een semester in Kampen.
  • eigen docenten laten optreden aan andere universiteiten als visiting professor

 Onderzoek:

  • projecten in samenwerking met collega’s in het buitenland
  • gezamenlijke publicaties
  • uitnodigen van research fellows voor half jaar verblijf
  • organisatie van conferenties/symposia/congressen met collega's uit het buitenland.

Wil de internationalisering body krijgen dan is investeren in een coördinator een must.

Voor deze vormen van internationalisering zal in de komende jaren nadrukkelijk worden gebudgetteerd.”

 

Hier ligt een visie achter die in D&W kort is verwoord in de samenvatting: “Voor versterking en profilering van de gereformeerde theologie is internationalisering van groot belang.” Sindsdien zijn we er nog meer van doordrongen geraakt dat voor een goed functioneren van de TU de dimensie van de internationalisering onmisbaar is. Drie motieven hebben we daarvoor:

  1. Internationalisering levert stimulansen op voor de theologiebeoefening aan de TU. Studenten ontvangen in het buitenland prikkels om met andere ogen naar de gereformeerde theologie te kijken. Hoogleraren en docenten uit het buitenland die hier bijvoorbeeld een half jaar verblijven, stimuleren met hun bijdragen het onderwijs en onderzoek in Kampen. Zo worden predikanten en theologen opgeleid met een attitude en vakmanschap die breder is dan de Nederlandse context. Daardoor zijn predikanten en theologen meer toegerust om het Evangelie van Christus in deze tijd voor het voetlicht te brengen in de gemeente en in de theologische wetenschap;
  2. Wij willen met onze gereformeerde theologie in Kampen in wisselwerking blijven met wat op de verschillende vakgebieden elders de vragen en discussies zijn. Die wetenschappelijke debatten worden in toenemende mate internationaal gevoerd, zowel met theologen uit de gereformeerde of reformatorische traditie als met theologen uit andere tradities. De TU wil investeren in participatie en zichtbaarheid in het internationale theologische discours op de punten die aansluiten bij haar expertise en eigen traditie;
  3. Wij willen – aansluitend bij een positie die de TU vanouds heeft – internationaal onze bijdrage leveren in opleiding en kennisuitwisseling ten dienste van de oecumenische partners van de Gereformeerde Kerken.

Wij voelen ons hierin gesteund door de besluiten van de synode op 3 juni 2011 op grond van de toen ingediende zgn. Aanvullende notitie.


§ 3.     Vorderingen en ambitiepunten


Tegen de achtergrond van de voornemens uit Dienstbaar en wendbaar zijn er in de voorbije twee jaar duidelijk vorderingen gemaakt op het terrein van de internationalisering.

  • Het aantal bezoeken van Kamper docenten en onderzoekers aan buitenlandse opleidingen en congressen is flink toegenomen.
  • Enkele docenten uit het buitenland hebben in Kampen gastcolleges gegeven, soms een dag, soms een hele week.
  • Er zijn nu vier instellingen in Europa waarmee de TU een zgn. Erasmuscontract voor uitwisseling van docenten en studenten heeft.
  • Er is een tutor aangesteld die buitenlandse studenten begeleiding geeft bij hun studie in Kampen.
  • Een drieweekse internationale cursus voor theologen uit oecumenische partnerkerken wordt samen met De Verre Naasten dit jaar voor de tweede keer in onze universiteit gegeven.
  • De hoogleraar Oude Testament zal m.i.v. de volgende cursus zowel in Kampen als in Aix-en-Provence doceren.
  • Een promovendus gaat voor zijn onderzoek in de patristiek een jaar in Leuven wonen.
  • In juni 2012 zullen zeven buitenlandse jonge theologen een fellowship-maand in Kampen doorbrengen, waarbij ze hun onderzoek aan elkaar en aan Nederlandse belangstellenden presenteren en kennis maken met de Kamper universiteit en bibliotheek.
  • In de cursus 2012-2013 komen twee buitenlandse hoogleraren voor een periode naar Kampen en geven zij gastcolleges. Eén van hen komt hier in het kader van coöperatie in een onderzoeksproject.

Daarnaast zijn er ook belangrijke ambitiepunten.

  • Om te beginnen blijken de Kamper studenten nauwelijks tot een studie in het buitenland te bewegen zolang daar niet één op één Kamper studiepunten voor worden toegekend.
  • Verder is het aantal buitenlandse studenten in Kampen gering (minder dan 10) en dus zijn in de reguliere studentengroepen andere culturen en tradities nauwelijks aanwezig.
  • Er vindt geen gerichte werving en selectie van buitenlandse studenten plaats. We krijgen signalen dat de taaleisen die in Nederland worden gesteld een hoge drempel vormen.
  • Ook doen veel buitenlandse studenten onaanvaardbaar lang over hun studie. Op academisch gebied komt het te weinig voor dat een hoogleraar of onderzoeker van elders gedurende langere tijd in Kampen werkt.
  • Verder heeft overleg vooral met DVN en met de Oost-Europa-organisatie Fundament duidelijk gemaakt, dat er langs allerlei kanalen vanuit de Gereformeerde Kerken theologische kennisuitwisseling plaatsvindt en contacten op dat terrein worden onderhouden, maar dat er meer coördinatie zou kunnen zijn en daardoor ook een veel krachtiger positionering ten behoeve van oecumenische partners.
  • Een belangrijk verbeterpunt is tenslotte, dat de internationale dimensie van de TU door de jaren heen en tot op vandaag voor een groot deel uit ad hoc-elementen en – acties bestaat. Ook Dienstbaar en wendbaar kwam daar nog niet bovenuit. De strategische voornemens zijn er maar beperkt uitgewerkt in organisatiemaatregelen en nauwelijks in structureel budget. De aanstelling van een 0.1 fte docent als coördinator internationalisering, versterkt met een student-assistent voor dit terrein, heeft zeker geholpen om internationalisering meer te thematiseren en te ordenen in de instelling.

Maar er is duidelijk veel meer nodig. Wij stellen ons voor op de volgende terreinen verdere concrete stappen te zetten:

a)        In de reguliere opleidingen

b)        Het deelnemen aan het internationaal theologisch discours

c)         Het bieden van opleiding en kennisuitwisseling voor geestverwante christenen wereldwijd


De verdere uitwerking daarvan treft u hierna aan.


§ 4.     Maatregelen in de reguliere opleidingen


In de reguliere opleidingen willen we vooral de volgende maatregelen nemen:

  • In de lopende herziening van de curricula voor bachelor en master wordt structureel de internationale dimensie verwerkt. Dat betekent bijvoorbeeld dat studenten een deel van hun bachelor in het buitenland kunnen / moeten doorbrengen.
  • Om een grotere betekenis te kunnen hebben voor buitenlandse studenten zowel vanuit Europa als vanuit andere delen van de wereld wordt een Engelstalige algemeen theologische master tot stand gebracht.
  • Jaarlijks streven we naar een aantal van (voorlopig) 8 studenten die een substantiële periode in het buitenland studeren (conform de prestatieafspraken met het ministerie van OCW).
  • Voor het gebruik maken van de Erasmus-uitwisseling en voor uitwisseling met verwante instellingen binnen en buiten Europa worden jaarlijks doelen gesteld en afspraken gemaakt met zowel docenten als studenten.
  • De TU organiseert de werving en selectie van goede promotiestudenten uit diverse delen van de wereld, waaronder alumni uit instellingen met een gelijke academische standaard goed vertegenwoordigd zijn. Zij organiseert dat hiervoor zo nodig stipendia ter beschikking komen.
  • De TU organiseert de werving en selectie van studenten uit diverse delen van de wereld die geïnteresseerd zijn in een Kamper master-diploma. Zij organiseert dat hiervoor zo nodig stipendia ter beschikking komen.
  • De TU wil aantrekkelijk zijn voor excellente studenten (die eventueel na hun studie onderzoek willen gaan doen) door het aanbieden van een Engelstalige master.
  • De TU organiseert voor buitenlandse studenten structurele en intensieve begeleiding bij hun studie ter optimalisering van het studierendement.
  • De TU let bij vacatures en benoemingen op mogelijke beschikbaarheid van goede kandidaten uit het buitenland.
  • De aansturing zal plaatsvinden via rectoraat en mentoraat, ondersteund door een fulltime coördinator internationalisering en in een teamverband van meer mensen die op dit terrein actief zijn (tutor, ambassadeurs) alsook in samenspraak met externe partijen. We streven ernaar om internationalisering zo veel mogelijk gewoon onderdeel van het primaire proces te laten worden.
  • Met allerlei maatregelen zullen we niet bereiken wat we willen, als de attitude van de medewerkers aan de TU niet is gericht op de internationale dimensie. Wanneer internationalisering niet op de werkvloer als relevant en nodig wordt gezien, hebben de maatregelen een hoog afbreukrisico. Dit vraagt speciale bearbeiding in communicatie en door stimulerende voorbeelden.

§ 5.     Deelnemen aan het internationaal theologisch discours.


Onderzoek is voor de Theologische Universiteit een belangrijke component. De internationale component is een centraal onderwerp in de omvang van de bekostiging door de Rijksoverheid; de visitatie op het gebied van onderzoek focust hierop omdat het een belangrijke kwaliteitsindicator blijkt te zijn. Deze argumenten komen bovenop de hierboven genoemde intrinsieke motivatie voor internationalisering.


Internationale kennisuitwisseling betekent dat je als Universiteit samenwerkt in onderzoek en zo kun je door goed gekozen kennispartners, die aanvullende expertise en/of interessegebieden hebben, meerwaarde creëren.


Door gemeenschappelijke publicaties en subsidieaanvragen met andere partijen zijn er ook kansen op (output)financiering.


Op het terrein van onderzoek en academische uitwisseling staan de volgende maatregelen op het programma:

  • De TU schept structureel in een meerjarenplanning gelegenheid voor buitenlandse hoogleraren en onderzoekers om voor een langere tijd (bv. een half jaar) of voor een kortere periode (bv. een maand) in Kampen te komen werken, bv. in de vorm van een visiting professor of een research fellow.
  • De TU maakt met de leiders van de onderzoeksprogramma’s een meerjarenplanning voor internationalisering via samenwerking met collega’s in het buitenland in projecten, conferenties en publicaties.
  • De programmaleiders zijn qualitate qua verantwoordelijk voor een goede internationale performance van de onderzoekers aan wie zij leiding geven.
  • De TU biedt onderzoeksprojecten aan om excellente studenten te binden en te boeien.


We tekenen hierbij aan:

  • Voor een goed gestalte geven aan de internationale dimensie zijn ook hier de attitude en motivatie van docenten en onderzoekers beslissend. Enerzijds is hiervoor in het team een goede basis aanwezig, anderzijds zullen er steeds weer stimulansen nodig zijn.
  • Voor de voorzieningen is het CvB verantwoordelijk, het stimuleren en aansturen zal vooral door de te benoemen coördinator internationalisering moeten gebeuren. Daarnaast streven we er ook naar om internationalisering zo veel mogelijk gewoon onderdeel van het primaire proces te laten worden.


§ 6.     Het bieden van opleiding en kennisuitwisseling voor geestverwante christenen wereldwijd.


In deze paragraaf gaat het over activiteiten t.b.v. verwante kerkelijke partners in het buitenland. Aansluitend bij de positie die de TU vanouds heeft, kan zij ook in de toekomst een bijdrage leveren in opleiding en kennisuitwisseling in het kader van internationale contacten vanuit de Gereformeerde Kerken. Het gaat hier om wat jarenlang werd aangeduid als ‘verbreiding van de gereformeerde theologie’. De hierin te ontplooien activiteiten zijn van wat andere aard dan die in de voorgaande paragrafen, omdat de universitaire en de kerkelijke verantwoordelijkheden hier in elkaar overlopen. De TU kan hier niet op dezelfde wijze verantwoordelijk zijn als voor de acties in de beide vorige paragrafen.


Voor een flink deel werden deze activiteiten tot nu toe ook niet direct door de TU behartigd, maar door de IRTT, sinds kort de afdeling Advies en Training van DVN, in vervolg op vaak jarenlange missionaire arbeid in het buitenland, en ook wel door andere organisaties, zoals Fundament en Litindo.


Het laatste jaar is er in het bijzonder tussen de TU en DVN-ZHT intensief overleg geweest over het organiseren van meer synergie op dit terrein. Geconstateerd werd dat er op dit moment de volgende activiteiten vanuit de Gereformeerde Kerken plaatsvinden, via DVN-ZHT, Fundament, TU, Litindo, de Ukraïne-commissie van de Gelderse kerken en nog andere actoren:

  • missiologische training en voorbereiding voor uitgezondenen naar het buitenland;
  • internationale trainingen/conferenties in Nederland gehouden op het gebied van de gereformeerde theologie;
  • gastcolleges en gastdocentschappen in het buitenland door individueel uitgezondenen;
  • adviseringstrajecten op het gebied van kerk-zijn en theologische thema’s ten bate van buitenlandse partners;
  • ontwerpen van programma’s voor theologische instituten en kerken op het gebied van curriculum-opbouw, capacity-building, theologische aanvulling en uitwisseling etc.

 In veel van deze activiteiten gaat het inhoudelijk om een op de TU Kampen georiënteerde theologie, en voor een groot deel worden ze ook uitgevoerd door Kamper docenten of oud-leerlingen van Kampen. Aansluitend hierbij verzorgt de TU zelf dan nog binnenshuis een stuk ‘oecumenische assistentie‘ via haar reguliere functies, n.l. het ontvangen en begeleiden van buitenlandse studenten voor een vervolgstudie in Kampen, hetzij in een masteropleiding hetzij in een promotietraject.


Uit de contacten van het voorbije jaar is duidelijk geworden dat meer synergie en coördinatie over en weer tot versterking van de gereformeerde theologie wereldwijd kan leiden en dat tegelijk de versterking van de internationale positie van de TU er mee gediend is. Van de zijde van DVN-ZHT en de stichting Fundament is zeer constructief meegewerkt aan de bezinning en planvorming op dit terrein (stuk van zaken).


Het voorgaande vraagt om een verder ontwerpen van een gezamenlijk programma door vooral DVN-ZHT en de TU alsook het vinden van een goede organisatievorm daarvoor. Bij het gevoerde overleg is intussen wel gebleken dat voor een effectieve internationale kennisuitwisseling bekwame ambassadeurs nodig zijn. Zij moeten de verbindingen met kerken, instellingen en theologen in diverse delen van de wereld leggen en de concretisering van plannen aansturen. Daarnaast kunnen ze ook zelf als docent en adviseur inzetbaar zijn.

Een belangrijke stip op de horizon is wat de TU betreft een volledig Engelstalige masteropleiding in internationale gereformeerde theologie. Van onze buitenlandse partners krijgen we signalen dat zij maar beperkt overweg kunnen met het aanbod dat we nu hebben: een eenjarige master op één van de terreinen van de theologie. Veel krachtiger zou het zijn wanneer er een geïntegreerde Engelstalige master ‘gereformeerde theologie’ zou zijn (1 of 2 jaar) waar studenten uit allerlei landen in compacte vorm zo veel mogelijk waardevolle elementen uit de gereformeerde traditie kunnen bestuderen. Dat kan worden vorm gegeven in nauwe samenwerking met andere gereformeerde opleidingen, in aansluiting bijvoorbeeld bij de EURC en de ICRC. Voor de diplomering kan mogelijk gebruik worden gemaakt van onze Nederlandse accreditatie. Op de keeper beschouwd is deze Engelstalige Master daarom een centrale ambitie  binnen de internationalisering.


§ 7.     Consequenties voor het budget van de TU


Hieronder is een overzicht gegeven van nieuwe concrete beleidsvoornemens van de TU in het kader van internationalisering, voor zover ze financiële consequenties hebben.

 

 

2012

2013

2014 evj

Internationalisering

€ 225.000

 

€ 290.000

€ 290.000

Engelstalige master

€ 50.000

 

€ 75.000

€75.000

Werving PhD-studenten, netwerken, voorbereiden convenanten met buiten-landse instellingen enz, 0,5 fte postdoc

€ 40.000

€ 40.000

€ 40.000

International Relationship Office

 

€ 40.000

€ 60.000

€ 60.000

Wisselleerstoel

€ 10.000

€ 55.000

 

€ 55.000

Kosten visiting professors

€ 45.000

€ 45.000

 

€ 45.000

Begeleiding buitenlandse promovendi

€ 10.000

 

€ 15.000

€ 15.000

Gastenverblijven/ inrichting en renovatie

 

€ 30.000

-

-

Maatregelen in het kader van theologische, oecumenische assistentie.

p.m.(zie toelichting)

 

 

 

























Toelichting:                                                                                                                                                           

  1. Het uitvoeren van een Engelstalige master vergt een investering, vooral door extra inzet van uren van docenten voor colleges en ontwikkelen van nieuwe curricula. Ook zullen flankerende investeringen nodig zijn in Engelse vertalingen van bestaande readers en een geheel Engelstalige webtekst.
  2. Voor werving van PhD-studenten wordt een ambassadeur aangesteld, die daadwerkelijk verbindingen heeft en kan leggen met veel geïnteresseerde theologen in de Europese, Oost-Europese, Angelsaksische wereld, Zuid Amerika, Azië en Afrika.
  3. De ambitie is dat we onze internationale contacten een krachtige impuls geven door binnen de instelling de regie op en ondersteuning van alle internationaliseringsactiviteiten (stimuleren van alle activiteiten voor studenten en onderzoekers, coördineren van visiting professors, ondersteunen Erasmus-aanvragen, en dergelijke) onder te brengen in een International Relationship Office. Deze ambitie komt in de plaats van de urenuitbreiding (0,2 fte) binnen de huidige constructie.
  4. Het instellen van een wisselleerstoel is van belang om de samenwerkingsconvenanten structureel te honoreren en vruchtbaar te maken.
  5. Door het benoemen van visiting professors verzekert de TU zich van een goede interactie en gastcolleges met buitenlandse hoogleraren. In 2011 en in 2012 is bij de TU beperkt ervaring opgedaan met visiting professors. Enkele van onze professoren hebben inmiddels een aanstelling ontvangen als zodanig.
  6. Begeleiding van buitenlandse promovendi vergt additionele inzet en mankracht.
  7. Gastenverblijven worden aangepast om voldoende redelijk bewoonbare kamers te hebben.
  8. De middelen voor maatregelen in het kader van theologische, oecumenische assistentie zijn van ouds opgenomen in de budgetten die daarvoor door de Synode aan DVN en aan IRTT ter beschikking worden gesteld. Hoewel nodig en waardevol, zijn deze budgetten op een andere plaats gealloceerd. Mogelijk zouden deze middelen kunnen worden ondergebracht in een vernieuwd IRTT. Het gaat dan om geld voor a) ambassadeurs; b) stipendia; c) uitzending van docenten kort- en langverbanders; d) internationale cursussen en conferenties; e) het bouwen en bieden van een Engelstalige master internationale gereformeerde theologie.

Dit totaalbeeld geeft dus maatregelen voor zover ze financiële consequenties hebben. Een deel van deze uitgaven wordt binnen het huidige budget van de TU uitgevoerd respectievelijk komt uit eigen fondsen.


De synode besluit: 
 

  1. dat dit rapport tegemoet komt aan de wens van de synode dat meer inhoud moet worden gegeven aan internationalisering;
  2. voor de internationalisering additionele middelen ter beschikking te stellen voor een jaarlijks bedrag van € 225.000,-- in 2012 en jaarlijks € 290.000,-- (structureel) vanaf 2013;
  3. een oproep te doen aan het adres van de (zendende) instanties binnen de GK om elk een structureel deel van hun begroting in overleg met de TU en DVN-ZHT te besteden aan theologische opleiding en kennisuitwisseling als hier boven beschreven.

 

120602 TU - Bijlage 10 - Project Praktijkcentrum

 

Op weg naar een Praktijkcentrum: 

samenwerken in de kerkelijke dienstverlening.

 

Voorstel aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland

 

Versie 3.0- 19 mei 2012



1. Samenvatting en beslispunten


1.1 Samenvatting


De Theologische Universiteit Kampen, de Gereformeerde Hogeschool Zwolle en Deputaten OOG (verder: ‘partijen’) stellen aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland voor om onderzoek en dienstverlening te integreren in een ‘Praktijkcentrum voor theologie en gemeenteopbouw’. Generale Deputaten Diaconie (GDD) zijn bij de totstandkoming van dit voorstel betrokken geweest, maar willen zich thans niet committeren aan (met name fase 2 van) dit plan.

 

Met de nieuwe samenwerking willen partijen een volgende stap zetten in de kwaliteit van de ondersteuning van de opbouw van de kerken. Al in 2008 onderkende de GS Zwolle-Zuid de meerwaarde van samenwerking tussen de verschillende partijen op het terrein van de kerkelijke dienstverlening. Aan de Theologische Universiteit Kampen (verder TU) en aan Centrum Dienstverlening werd gevraagd om, samen met de Gereformeerde Hogeschool Zwolle (verder GH), die samenwerking vorm te geven. Van beide instellingen wordt bovendien wettelijk gezien verwacht dat zij bijdragen aan de ontwikkeling van de beroepen waarop hun onderwijs is gericht en aan kennisdienstverlening.

 

TU en GH zijn daarbij actief in het beperkte gebied van de kerkelijke dienstverlening binnen met name de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Daar ontmoeten zij ook de overige dienstverlenende deputaatschappen, waaronder OOG (met Centrum Dienstverlening als uitvoeringsorganisatie) en GDD (met het Diaconaal Steunpunt).

 

De GS Harderwijk 2011 bevestigde het streven naar samenwerking en concretiseerde de opdracht tot het onderzoeken van de mogelijkheden om tot een Praktijkcentrum te komen. In dat Praktijkcentrum komen onderzoek en dienstverlening geïntegreerd tot stand en voor de kerken beschikbaar. Er is een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd en op basis daarvan is een voorlopige Stuurgroep ingericht om de voorstellen concreet uit te werken. De Stuurgroep bestaat uit (leden van) Deputaten OOG en (leden van) het College van Bestuur van de TU en van de GH.

 

De inhoud van de samenwerking en de vorm waarin dat het beste kan, zijn twee aparte vraagstukken. Partijen kiezen er voor om zo praktisch mogelijk te starten met samenwerking op een aantal inhoudelijke onderwerpen en projecten, die aansluiten bij de individuele plannen en programma’s van de partners. Zo wordt ervaring opgedaan en kunnen snel de eerste resultaten van de samenwerking gezien worden. In de samenwerking bundelen partijen de beschikbare kennis, kunde en relaties in de organisaties. In Hoofdstuk 3 gaan we nader op het programma in.

 

De samenwerking is tegelijkertijd niet vrijblijvend en heeft gevolgen voor de positionering en het functioneren van elk van de partners. Partijen hebben zich daarom jegens elkaar verplicht om in een tweede fase een verdergaande en permanente vorm van organisatorische samenwerking te realiseren, waarbij het Diaconaal Steunpunt (DS) als zodanig zelfstandig blijft (en voorlopig dus alleen meedoet in de programmatische samenwerking). Bij die organisatorische samenwerking spelen complexe vragen van organisatorische, bestuurlijke, financiële, rechtspositionele en technische aard.

 

Partijen werken er aan om eind oktober 2012 een businessplan gereed te hebben waarin de bestuurlijke en juridische vorm van de samenwerking zijn uitgelijnd, evenals de rechtspositionele vraagstukken die aan de orde zijn (eventueel een sociaal plan), en de vraagstukken rondom financiën en huisvesting zijn beantwoord. De implementatie kan direct daarna ter hand worden genomen en in september 2013 voltooid zijn.

 

Met deze notitie is uitvoering gegeven Besluit 7f van de Generale Synode te Harderwijk dd. 3 juni 2011: “de Raad van Toezicht [van de TU] op te dragen (…) de synode te dienen met een rapportage inzake (f) de uitwerking van de ‘Aanvullende notitie’ alsmede de afstemming met deputaten F&B over de financiële gevolgen”. Als grond voerde de Synode aan dat er “enkele stappen moeten worden gezet om de positie van de universiteit te versterken. Wachten tot de synode van 2014 kan te lang zijn en verlammend werken om vervolgstappen te zetten in het proces dat de universiteit moet inzetten.”


1.2 Besluiten


De synode heeft kennis genomen van:

  • het rapport ‘Op weg naar een Praktijkcentrum’, waarin  een  bredere motivering is gegeven en waarin  een outline van het programma is gegeven, en
  • in het bijzonder het commitment van partijen (d.d. 27 februari 2012), dat luidt als volgt:

 

“Deputaten OOG, de Gereformeerde Hogeschool, Generaal Diaconaal Deputaten en de Theologische Universiteit hebben de handen ineengeslagen om te komen tot een gezamenlijk programma, gericht op een optimale ondersteuning van de opbouw van onze kerken. In een eerste fase zetten we ons in om de aanwezige kennis, kunde en relaties in onze organisaties maximaal te benutten bij het uitvoeren van het programma. In een tweede fase zullen we ook een nieuwe organisatiestructuur vormgeven die de samenwerking verder bevordert en versterkt, waarbij het Diaconaal Steunpunt organisatorisch zelfstandig blijft. In bestuurlijk overleg op 23 februari 2012 is nog eens ons commitment bevestigd en zijn voor de komende periode procesafspraken gemaakt.

 

Een gezamenlijke missie en visie is al tot stand gekomen en we zijn bezig met de ontwikkeling van een meerjarenprogramma. Dat meerjarenprogramma maakt gebruik van de expertise die bij de verschillende instellingen aanwezig is en bouwt voort op de programma’s  zoals die met name bij het Centrum-G  en het Diaconaal Steunpunt aanwezig zijn.

 

De kracht van het gezamenlijk programma en van de bundeling van krachten zal geïllustreerd worden met de aanpak van enkele concrete projecten, bijvoorbeeld:

•   De catechetenschool

•   Een evaluatie van de gemeentestichtingsmethodieken

•   Een onderzoek naar de omgang van kerkenraden met echtscheiding

 

Ten behoeve van een goede kennisuitwisseling, samenwerking en effectiviteit achten wij het  noodzakelijk een fysieke werk- en ontmoetingsplek te hebben op één locatie. Daarnaar doen we onderzoek. Vooralsnog richt de samenwerking zich op het uitvoeren van een gezamenlijk programma zonder directe gevolgen voor de rechtspositie van de participerende medewerkers.”

 

Besluit:

  1. goedkeuring te verlenen aan het voornemen van de TU en Centrum-G om samen met de Gereformeerde Hogeschool (GH) met voortvarendheid en zorgvuldigheid te streven naar de inrichting van één Praktijkcentrum op het gebied van praktische theologie, praktijkgericht onderzoek, kennisverwerving en dienstverlening;
  2. waardering uit te spreken voor de participatie van de GH in het proces van vorming van een Praktijkcentrum;
  3. in het Praktijkcentrum het desbetreffende (en hieronder genoemde) deel van de activiteiten van de TU, GH en Centrum-G onder te brengen;
  4. de TU, Centrum-G en DS op te dragen om verdere uitvoering te geven aan het commitment dat zij, samen met de GH, hebben om verder te werken aan een programmatische samenwerking;
  5. opdracht en mandaat te geven aan Deputaatschap OOG en aan de TU om, samen met de GH, verder te werken aan de totstandkoming van een Praktijkcentrum, zodat uiterlijk 31 oktober 2012 (fase 1) een businessplan gereed ligt dat leidt tot de realisatie (bestuurlijke inbedding en vormgeving) van het Praktijkcentrum per 30 september 2013 (fase 2);
  6. te bepalen dat het Praktijkcentrum bestuurlijk gevestigd zal zijn aan de TU;
  7. te bepalen dat partijen een stuurgroep samenstellen die vanuit de betrokken deputaatschappen cq organisaties in evenredigheid is samengesteld; deze stuurgroep zorgt voor sturing op en realisering van de programmatische fase en staat borg voor een goede organisatorische integratie (inclusief voor zover aan de orde een zorgvuldige uitvoering van een sociaal plan) volgens het businessplan;
  8. deputaten OOG en het College van Bestuur cq de Raad van Toezicht van de TU op te dragen via de stuurgroep in het businessplan bestaande goedlopende onderdelen van de respectievelijke uitvoerende organisaties te waarborgen;
  9. de budgettaire aanwijzingen te geven dat een praktijkcentrum binnen de gezamenlijke instellingsbudgetten wordt gerealiseerd;
  10. 10. opdracht te geven aan TU en Deputaten OOG om gezamenlijk, via hun stuurgroep, te rapporteren over de totstandkoming van het Praktijkcentrum aan de Synode van 2014.

Omdat deze besluitvorming interfereert met synodale besluitvorming in eerdere fase,

besluit de synode tevens:

  1. deputaten OOG  op te dragen aan de eerstvolgende synode te rapporteren over de wijze waarop functies worden of zijn ondergebracht zoals het beheer van een website of de projectgeldenverdeling binnen ASE, omdat die functies niet meegaan naar het Praktijkcentrum;
  2. partijen op te dragen gezamenlijk verantwoording te nemen voor de uitvoering van de volgende opdrachten, verstrekt aan Deputaten OOG en GDD, omdat die deel uitmaken van de plannen voor een praktijkcentrum:
    1. Besluit 2 (28 mei 2011) mbt instelling van een Advies-en Studiecentrum Gemeentegroei;
    2. Besluit 3 (28 mei 2011) mbt de aandachtspunten binnen dit Studiecentrum;
    3. Besluit 6 (14 mei 2011) mbt de oprichting van een catechetenschool;
    4. Besluit 6 (14 mei 2011) mbt samenwerking op het gebied van diaconaat;
  3. deputaten OOG op te dragen om aan de eerstvolgende synode voorstellen te doen met betrekking tot de voortzetting dan wel inhoud van hun taak als deputaatschap, na de bestuurlijke en organisatorische integratie van het Praktijkcentrum.

Grond:

  1. samenwerking en gedeeltelijke integratie van kerkelijke organisaties komt tegemoet aan de al langer bestaande wens van een kwalitatief betere en efficiënt georganiseerde dienstverlening aan de kerken (zie Acta GS 2008, art. 141 en bijbehorende stukken);

  2. de voorgestelde vorming van een praktijkcentrum is een goede invulling van de impulsen die de GS Zwolle-Zuid 2008 heeft gegeven om via overleg in een regiegroep partijen bij elkaar te brengen die gezamenlijk ondersteuning bieden     voor de praktijken in de kerkelijke werkvelden;

  3. ze beantwoordt aan de besluiten van de GS Harderwijk 2011 aan kerkelijke partijen om te bezien welke vormen van samenwerking en onderlinge afstemming van werkzaamheden mogelijk zijn, teneinde de door de kerken beschikbaar     gestelde personele en materiële middelen zo doelmatig mogelijk te besteden

    [noot: De samenwerking werd expliciet opgenomen in punt 5b van de nieuwe instructie aan Deputaten OOG (besluit dd 14/5/2011) en in besluit 7f over de TU Kampen (besluit dd. 3/6/2011). Het zoeken van samenwerking komt expliciet ook terug in punt 5 van de instructie aan Deputaten GDD (besluit dd. 28/5/2011).];

  4. de synode heeft in eerdere besluiten goedkeuring gehecht aan het verzoek van GDD/DS om een zelfstandige organisatie te blijven. De inhoudelijke reden hiervoor was dat bestaande, goedlopende onderdelen gewaarborgd moeten blijven. Dat wordt binnen een Praktijkcentrum zoals beschreven voldoende gewaarborgd.

2. De samenwerking onderbouwd


2.1 inleiding


In dit hoofdstuk gaan we uitgebreider in op de motieven voor het Praktijkcentrum. We geven aandacht aan missie/visie, de doelstelling (de ondersteuning van de opbouw van de kerken in brede zin), de toegevoegde waarde (hoe willen we ons onderscheiden van anderen), de activiteiten (welke activiteiten nemen we wel en niet op in het Praktijkcentrum en waarom) en kwaliteitscriteria (hoe willen we het resultaat en de kwaliteit van onze activiteiten meten en beoordelen?).

 

Daarnaast gaan we in op de verbinding van kerken en praktijkcentrum, de vraag uit de kerken, de deelnemende partners en op wat de kerken ervan gaan merken.

 

In deze tekst staat ons een Praktijkcentrum voor ogen waarin TU, GH, OOG en GDD alle vier samenwerken. In de programmatische samenwerking (fase 1) zijn deze vier partijen betrokken, terwijl in de organisatorische samenvoeging (fase 2) GDD een eigen standpunt ten opzichte van het Praktijkcentrum wil innemen. 

 

2.2 De kerken en het Praktijkcentrum


a. aanleiding


Binnen de GKv, die we voor het gemak beschouwen als de directe ‘opdrachtgever’ van de TU, Centrum Dienstverlening en het Diaconaal Steunpunt, zien we de laatste jaren een toenemende behoefte aan bezinning op praktisch-theologische uitdagingen binnen de gemeenten en richting de samenleving. Ook is er behoefte aan ondersteuning. Die is, anders dan vroeger, minder gericht  op kennis en vaardigheden, maar meer op informatie, advies en begeleiding. Deze ontwikkeling is ook aangeduid in de rapportage van Deputaten OOG aan de Synode Harderwijk 2011.


b. huidige situatie


In de kerken is veel kennis en deskundigheid beschikbaar: in de gemeenten zelf, in de wetenschappelijke en de beroepsopleidende instellingen, in de diverse kerkelijk opgezette steunpunten: de Theologische Universiteit Kampen en deputaatschappen zoals OOG, GDD en daarmee verbonden instituten Centrum Dienstverlening en Diaconaal Steunpunt.

Daarnaast is de GH actief binnen de GKv, weliswaar niet als kerkelijk gebonden instituut, maar wel met een grondslag die zeer nauw aansluit bij de grondslag van de wel kerkelijk gebonden instituten. Deze nauwe verbondenheid was voor de GS Zwolle Zuid 2008 reden om ook de GH te betrekken bij de samenwerking met de ‘eigen’ kerkelijke instituten.


c. vraag uit de kerken


De behoefte aan bezinning binnen de kerken bestrijkt een breed spectrum: het gaat om vraagstukken rond de liturgie, catechese en allerlei vormen van gemeenteopbouw; om missionair optreden, de roeping om ook diaconaal aanwezig te zijn in de samenleving; aard, waardering en ethiek van relaties en (seksuele) diversiteit; het samenwerken en samengaan met gemeenten uit andere gereformeerde en niet-gereformeerde tradities.

Deze vraagstukken zijn ook uitdagingen in systematisch theologische en kerkrechtelijke zin; synodes denken er op allerlei wijzen over na en in gemeenten worden ze bestudeerd. Tegelijk en daarnaast worden gemeenten geconfronteerd met de actualiteit van dit soort vraagstukken en de uitdaging om antwoorden te vinden die recht doen aan Gods woord, gereformeerd en christelijk belijden, traditie en actualiteit.

 

Deze vragen en uitdagingen zijn niet overigens alleen actueel binnen de GKv, maar breed in de christelijke wereld aanwezig. Ook in andere kerkgemeenschappen wordt nagedacht over de manier waarop die vragen vanuit de kerkelijke organen het beste ondersteund kunnen worden. 

 

De vraag uit de kerken zal o.i. in de komende jaren ook meer gericht worden op de rol van de kerk in de samenleving. Maatschappelijke ontwikkelingen dringen ertoe de huidige rol van plaatselijke gemeenten te hervormen. Met name de diaconale aspecten van gemeentezijn zullen daarbij in dienstverlening en onderzoek een belangrijke plaats innemen. Deze ontwikkelingen maken dat samenwerking en synergie op dit punt binnen het praktijkcentrum positieve gevolgen kan hebben voor onderwijs, onderzoek, visievorming en praktische ondersteuning, waarbij diaconaat steeds minder een geïsoleerde plaats in kan nemen.


d. nut van de samenwerking


Met de samenwerking en de integratie van de verspreid aanwezige kennis en deskundigheid zijn de kerken gediend. Onderzoek, bezinning en de dienstverlening, in de vorm van informatievoorziening, advies en begeleiding, kunnen effectiever, sneller en met meer diepgang en relevantie invulling krijgen. In Hoofdstuk 3 gaan we hier uitgebreider op in.

 

Bovendien is er vanuit de kerken een duidelijke wens om de beschikbare financiële middelen gerichter te benutten. Dat is niet alleen van belang in tijden van economische druk, zoals nu, maar dat wordt ook gevoed door de verwachte afname van de middelen in de komende jaren, als gevolg van een teruglopend ledenaantal.

 

Er ligt dus een tweeledige opdracht en kwaliteitseis: versterking van de outcome en impact van de inzet van middelen.

[Noot: Output is het aantal geproduceerde eenheden, zoals artikelen, cursussen & trainingen, instrumenten etc.; outcome is de winst, het resultaat of het succes van de producten, inclusief de markt- of maatschappelijke relevantie; impact is het maatschappelijk gevolg van het gebruik van de producten, inclusief de gevolgen daarvan voor de producent van de producten.]


2.3 Het Praktijkcentrum als antwoord op de vraag uit de kerken


We willen een praktijkcentrum dat gereformeerde theologie praktijkgericht inzet om kennis te bieden en door goede adviezen en dienstverlening richting te helpen geven aan kerken. Daarbij zijn de kerken zelf een belangrijke bron en doelgroep van kennis en deskundigheid. Het praktijkcentrum is dienstbaar aan de kerken en richt zich op kennis en dienstverlening die voor de kerken relevant is bij de bezinning op de vraagstukken waarvoor de kerken zich gesteld zien.

 

Uitgangspunt voor de organisatie is dat degelijk praktijkonderzoek, gereformeerde reflectie en professionele begeleiding samengaan. De verbinding is er, vanuit praktisch perspectief, zeer bij gebaat als de medewerkers elkaar regelmatig ontmoeten en met elkaar in gesprek gaan: ontmoeting als broedplaats. In de business case voor de tweede fase (de organisatorische samenwerking) werken we dit concreet uit.

 

We kiezen in de eerste fase voor programmatische samenwerking. Zo kunnen we snel en actueel en vraaggericht werken, terwijl de complexe vraagstukken rond organisatie, de rechtspositie van medewerkers, budgetten, etc. in een latere fase aan de orde komen.

 

Kennis en ervaring in de gemeenten mobiliseren we door tijdelijke netwerken op te zetten per onderzoeksthema, waarin naast het praktijkcentrum en zijn medewerkers, gemeenten en gemeenteleden met kennis participeren.

 

De meerwaarde van de samenwerking verbeelden we met een model van ‘kamers’ (zie hierna fig. 1), waar degelijk praktijkonderzoek, wetenschappelijke reflectie (bezinning) en professionele begeleiding (advies en experiment) permanent met elkaar in verbinding staan.

De kwaliteitsborging vindt plaats via een programmaraad (met een brede samenstelling en participatie vanuit verschillende werkveldcommissies) en via externe visitaties.

 

 

 

Figuur. 1: Praktijkcentrum in de context van de samenwerking

 

[Noot: De processen en producten kunnen vaak op voorhand omschreven worden, bij de adviesfunctie hangen proces en outcome (weergegeven met een vraagteken) af van gestelde vraag en gewenst type product/dienst.]


2.4. De deelnemende partners


a. Motieven voor deelname


Bij de bezinning die in de kerken plaatsvindt, wordt zoals gezegd steun gevraagd en gevonden bij de TU, de GH en de deputaatschappen OOG (met Centrum Dienstverlening), en GDD (met Diaconaal Steunpunt). Al deze instituten zijn, los van elkaar, klein en beschikken over een beperkte ontwikkelingscapaciteit. Mede door de geringe omvang zijn er onvoldoende mogelijkheden om van elkaars kennis en ervaring gebruik te maken. Versterking van de slagkracht door meer samenwerking en vermindering van de concurrentie waren nadrukkelijk een argument voor zowel de GS van 2008 als die van 2011 om op nauwere samenwerking aan te dringen.

 

De kracht van de samenwerking ligt niet zozeer in de grootte, maar vooral in de aanvulling die partijen elkaar kunnen bieden. Ieder is sterk op een specifiek eigen terrein: TU en GH brengen onderwijs en onderzoek als kracht in, Centrum Dienstverlening en het Diaconaal Steunpunt beschikken over een schat aan praktijk- en advieservaring.

Alle instellingen hebben ervaring met publicaties en informatievoorziening, ieder echter vooral op de eigen (werk)terreinen en hoofdzakelijk binnen de eigen kring.
[Noot: Het Diaconaal Steunpunt is recent een officiële samenwerking aangegaan met de NGK en er is samenwerking  met de CGK. Centrum Dienstverlening kent op missionair gebied al een lange samenwerking met IZB en projectmatig met bijvoorbeeld IFES (studentenwerk) en de BGO (jongerenwerk). Ook wordt al een aantal jaren een bijdrage geleverd aan de NGP (de predikantenopleiding van de NGK). ] Alle instellingen hebben behoefte aan gerichte samenwerking op het terrein van bezinning en onderzoek.


b. Bijdrage van de deelnemende partners


i. GDD/Diaconaal Steunpunt

Vanuit het Diaconaal Steunpunt (DS) is samenwerking gewenst om de huidige kracht te kunnen continueren. DS kent een helder profiel en wordt gemakkelijk ‘gevonden’ door de diakenen. Mede dankzij het werk van GDD kan diaconaat in de kerken op een brede en inspirerende manier vormgegeven worden. Tegelijk is er behoefte aan meer systematisch onderzoek en verdere doordenking en ondersteuning bij de ontwikkeling van het concept ‘de diaconale gemeente’. In de praktijk zijn de deelnemers aan het PC met dezelfde thema’s bezig.  Ontwikkeling van één kenniseconomie is voor ieder voordelig.

Op dit moment is GDD/DS nog niet in staat om verdergaande stappen dan de programmatische samenwerking (fase 1 van het Praktijkcentrum) te nemen.

 

ii. Gereformeerde Hogeschool

Vanuit de GH is de behoefte gelegen in de verdere ontwikkeling van het praktijk-georiënteerd onderzoek, als een van de bij de wet verplicht gestelde taken aan het HBO (opleiden voor de praktijk, onderzoeken van de problemen van de praktijk en formulering van praktijktheorieën, ondersteunen in probleemoplossing en verbetering van de praktijk). Om dit te realiseren is massa nodig om handelingsgericht onderzoek uit te voeren, inclusief de daarbij gewenste (praktisch-)theologische bezinning. Hoewel geen strikt GKv-instituut weet de GH zich nauw verbonden met de ‘kleinere’ gereformeerde kerkgenootschappen en de daarmee verwante delen uit de PKN en de evangelische groepen. De vragen uit de kerken zijn van dusdanige aard dat samenwerking met andere instituten zeer wenselijk is.

 

iii. OOG/Centrum Dienstverlening

Vanuit het Centrum Dienstverlening is de behoefte aan samenwerking gelegen in de noodzaak om beter in te kunnen spelen op de vraag naar ondersteuning van gemeenten. Deze vraag betreft niet alleen advisering van gemeenten maar ook het doordenken van  praktisch theologische onderwerpen, het doen van onderzoeken en het opzetten van kennis- en ervaringsnetwerken. Als kleine organisatie kan Centrum Dienstverlening niet goed inspelen op deze brede vraag zonder directe steun uit onderzoek en uit praktisch-theologische en sociaal-wetenschappelijke reflectie.

 

iv. Theologische Universiteit

Vanuit de TU is de behoefte in formele zin, de wet, vergelijkbaar met die van de GH, zij het dat de TU als wetenschappelijk instituut de drie velden opleiden, onderzoeken, ondersteunen vanuit het perspectief van de wetenschapsbeoefening en wetenschappelijke theorievorming dient te benaderen. Daarnaast speelt als motief de taakstelling vanuit de GS en de GKv-kerken en de wens om tot een goede kennis-economie voor de GKv en andere gereformeerde en nauw verwante groepen te komen, op basis van bijbelgetrouwe wetenschapsbeoefening en praktisch-theologische ontwikkeling.

De TU kent niet meer een vanzelfsprekende relevantie voor de kerken via populaire publicaties van enkele docenten in boeken en bladen. Haar karakter als door de kerken gedragen instelling vraagt andere manieren om in wisselwerking met de kerken te staan. De kerkelijke praktijken zijn bronnen die materieel leveren om wetenschappelijk te bearbeiden en theologisch over te publiceren.


2.5. Effecten voor de kerken


Kennis en deskundigheden die in de instituten en de kerken aanwezig zijn, worden gebundeld in één Praktijkcentrum; daardoor ontstaat een geïntegreerd aanbod van dienstverlening voor de kerken vanuit één front office. Dat maakt de dienstverlening overzichtelijk en toegankelijk.

 

 

Voorbeeld:

Indien een gemeente wil onderzoeken of kleine groepen onderling pastoraat kunnen ontwikkelen en diaconaal present kunnen zijn in de samenleving, kan een gemeente die hierover al ervaring heeft gevraagd worden mee te denken in de ontwikkeling.

Zo’n lokaal project kan onderdeel zijn van een thema als lokale pastorale gemeenteontwikkeling, met een wetenschappelijk-theologische insteek over de eigen aard en verantwoordelijkheid van gemeenteleden ten opzichte van elkaar in pastorale zin, een praktijk-theologische insteek over hoe zoiets ondersteund en geïmplementeerd kan worden en een praxeologische insteek hoe dit door kerkelijk werkers de facto kan worden uitgevoerd.

De outcome is dan wetenschappelijk-theologisch (t.b.v. TU praktische theologie), praktijkgeoriënteerd-theologisch (t.b.v. GH), praktisch instrumenteel (t.b.v. Centrum-G en DS) en de impact is voor alle instituten en de kerken, gemeenten en gemeenteleden als geheel relevant te maken in allerlei publicaties en (hand)boeken en door een concreet ondersteuningsaanbod.

 

Christelijke kerk zijn vraagt om permanente herbronning op het evangelie zelf (Bijbel), in de traditie van de kerken (belijdenis). Op deze wijze ondersteunen we kerken en gemeenteleden te staan in de actualiteit van het gelovig leven in de moderne Nederlandse samenleving vanuit trouw aan de Bijbel en vanuit de brede gereformeerd-christelijke traditie.

 

Ieder van de deelnemende instellingen brengt een eigen afnemersbestand in, hoewel de afnemers elkaar aanzienlijk overlappen. De relaties tot de afnemers zijn open en direct, maar vergen systematisering in de definiëring van de vraagstukken die door de afnemers relevant geacht worden op korte en middellange termijn en voor de afnemers directe impact kunnen hebben.

Het praktijkcentrum heeft een brede doelgroep die in twee niveaus kan worden bezien: in eerste instantie de achterban van de GKV, NGK en CGK. De meerwaarde van de samenwerking is in principe ook van belang voor andere kerkgenootschappen die daarvoor belangstelling hebben.

 

Daarnaast zijn afnemers de studenten aan de TU en GH, lezers van publicaties, geïnteresseerde gemeenteleden via na- en bijscholingstrajecten (bijvoorbeeld AKZ+, nascholingsaanbod van TU en GH, specifieke scholingstrajecten die ontwikkeld kunnen worden in PC voor – groepen – gemeenteleden).

 

2.6       De aansluiting op overheidsbeleid


In de zomer van 2011 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de nota “Kwaliteit in verscheidenheid, Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap” aan de Tweede Kamer gestuurd. Daarin zijn verschillende speerpunten aangegeven, zoals de ook in de Prestatieafspraken opgenomen kennisvalorisatie. Dat betekent dat de overheid het van belang vindt dat universiteiten kennis beschikbaar maken voor maatschappelijke benutting en te vertalen in onder meer dienstverlening.

De inrichting van een Praktijkcentrum draagt sterk bij aan deze profilering in het kader van prestatieafspraken, omdat kennis aan kerkelijke doelgroepen ter beschikking wordt gesteld.

Ook in het HBO is een Hoofdlijnenakkoord opgesteld. Daarin maken de hogescholen afspraken met de staatssecretaris van OCW. Dat gebeurt door met het oog op de gewenste ontwikkelingen tot 2025 een basis te leggen voor een toekomstbestendig hoger onderwijsbestel. Onderdeel daarvan is dat de onderzoekers bijdragen aan onderzoek gericht op de beroepspraktijk. Zo komt de verbinding tot stand van het onderwijs met praktijkgericht onderzoek.

Voor beide wetenschappelijke instellingen geldt dat de kennisvalorisatie op het gebied van de maatschappelijke relevantie van de kerk op diaconaal terrein in de toekomst van groot belang kan zijn, gezien de maatschappelijke ontwikkelingen.


3. Programma Praktijkcentrum i.o.


3.1 Inleiding


De volgende beschrijving van het inhoudelijke programma van het Praktijkcentrum i.o. is geschreven door diegenen binnen Theologische Universiteit (TU), Gereformeerde Hogeschool (GH), Centrum-g, en Diaconaal Steunpunt (DS) die het uitvoerende werk zullen doen. Deze programmabeschrijving kan gelezen worden als een concrete invulling van m.n. hoofdstuk 1 van dit voorstel. Enige overlap met de inhoud van hoofdstuk 2, maar ook met par. 4.1 (‘Fase 1: programmatische samenwerking’)  is daarmee gegeven.

 

Voor deze beschrijving hebben wij ons het volgende voorgenomen. Allereerst (par. 2) willen we duidelijk maken wat het inhoudelijke programma van het Praktijkcentrum wil bereiken: wat is de missie ervan, waar koersen we op, op welke manier kunnen wij het kerk-zijn van plaatselijke gemeenten versterken, hoe kunnen wij de gaven die God aan gemeenteleden geeft recht doen. Belangrijk hierbij is om duidelijk te maken wat de meerwaarde van het Praktijkcentrum is ten opzichte van de huidige situatie.

 

Daarnaast (par. 3) willen we aan de hand van een vijftal concrete projectplannen laten zien hoe de samenwerking binnen het Praktijkcentrum concreet gestalte krijgt. Ook hierbij willen we duidelijk maken welke meerwaarde structurele samenwerking tussen de vier in fase 1 betrokken organisaties (Centrum-g, DS, GH en TU) heeft.

 

Tenslotte (par. 4) willen we laten zien hoe de ineenschuiving van de activiteiten van Centrum-g, DS, GH en TU (op de relevante onderdelen uiteraard) er uit ziet.


3.2 Visie en doelstelling voor het Praktijkcentrum


Het Praktijkcentrum wil op drie onderdelen de kerken dienen. Allereerst is er de concrete dienstverlening aan gemeenten en kerkenraden. Daarnaast is er onderzoek dat aan de basis ligt van deze dienstverlening, en dat vervolgens ook toetst of deze dienstverlening adequaat is gelet op de doelstellingen. In de derde plaats wil het Praktijkcentrum de praktijk een slag voor zijn door visievorming te ontwikkelen en uit te dragen. Wij willen namelijk niet alleen output genereren, maar ook outcome. Het is onze stellige verwachting dat kwalitatief hoogstaande dienstverlening, in combinatie met onderzoek en visievorming, ertoe kan bijdragen dat wij niet alleen reageren op de praktijk, maar ook proactief kunnen opereren.

 

De meerwaarde van inhoudelijke samenwerking tussen DS, centrum-g, GH en TU op de werkvelden zal zich moeten bewijzen in de praktijk. Op voorhand is er bij deze vier partijen echter al wel een duidelijk beeld hoe deze meerwaarde moet worden verkregen. In deze paragraaf wordt dit beeld uitgewerkt.


a. Het Praktijkcentrum is allround


Het Praktijkcentrum wil een allround onderzoeks- en dienstencentrum zijn voor gemeentes en gemeenteleden. Met allround bedoelen we twee dingen. Allereerst: het Praktijkcentrum heeft de kennis, vaardigheden en tools om gemeenten en gemeenteleden op de meeste onderdelen van het kerk-zijn te stimuleren, adviseren, ondersteunen en toerusten. Dit betekent dat het Praktijkcentrum voor alle vragen vanuit de kerken een advies-op-maat zal geven waarbij een adequate analyse van de vraag vooropstaat. Wat zijn de diepere vragen achter de vraag? Hoe kan ook aan deze diepere vragen recht gedaan worden?

De praktische advies- en informatiefunctie die het Diaconaal Steunpunt via haar website, trainingen, brochures en hotline service vervult, is en blijft een herkenbare en toegankelijke toerustingsfunctie voor diakenen.

 

De missie van een allround benadering voor het Praktijkcentrum betekent dat de kerken nadrukkelijk opgezocht zullen worden. We willen weten op welke punten zij stimulans en ondersteuning zoeken. Het Praktijkcentrum is dus niet alleen reactief maar wil ook proactief de kerken benaderen. Het Praktijkcentrum moet hiervoor zo gestructureerd zijn dat de bezinning en visievorming direct gekoppeld zijn aan concrete input in de kerken. Het Praktijkcentrum moet geen producten of diensten ontwikkelen die niet worden afgenomen. Om dit te voorkomen is structureel onderzoek naar de situatie van de kerken noodzakelijk. Alleen door gericht onderzoek komt naar boven wat de uitdagingen en problemen zijn waarop het Praktijkcentrum zijn waarde bewijst. Voor dit onderzoek is de inbreng van GH en TU binnen het Praktijkcentrum een voorwaarde.


b. Onderzoek


Hiermee is het tweede aspect van ‘allround’ benoemd. Voor een proactieve houding als onderdeel van de allround benadering van het Praktijkcentrum is onderzoek noodzakelijk. Er zal structureel en theoretisch verantwoord onderzoek moeten worden gedaan. Hiervoor is de inbreng van de Academie voor Theologie (GH) en de sectie praktische theologie van de TU noodzakelijk.

 

Dit onderzoek is om tenminste drie redenen van belang. Allereerst: in een sterk veranderende culturele en maatschappelijke context blijven de kerken niet buiten schot. Veel concrete aanleidingen voor kerken en gemeenteleden om contact te zoeken met het Praktijkcentrum raken aan deze snel veranderende context. Een tijd waarin voor gemeentes en gemeenteleden niets meer vanzelfsprekend is, vraagt om een gedegen theoretische verantwoording van de concrete antwoorden. Het Praktijkcentrum is dé instantie waar inzichten van wetenschappelijke theorieën (fundamental science) verbonden worden aan de praktijk (praxis) zodat praktijkvraagstukken beter kunnen worden opgepakt.

 

Kwalitatief goed uitgevoerd onderzoek is ook om een tweede reden van belang. Kennis en inzicht uit de praktijk moet verbonden worden met de theorievorming. Wetenschappelijk en praktijk-theoretisch onderzoek is nodig om te ontdekken welke theorieën voor analyse en verandering van de praktijk relevant zijn. Waar nodig moet onderzoek ook aanpassing van en aanvulling op de theorie opleveren. Alleen zo krijgt de bearbeiding van de praktijk de kwaliteit die zij verdient en nodig heeft.

 

De inbedding van het wetenschappelijke en praktijk-theoretische praktisch-theologisch onderzoek binnen het Praktijkcentrum is in de derde plaats van groot belang voor de Academie voor Theologie (GH) en de sectie praktische theologie van de TU zelf. Beide onderwijsinstellingen willen en moeten hun onderzoek en onderwijs afstemmen op de praktijk van de kerken. Om dit te bewerken is structurele input vanuit de praktijk binnen deze onderzoeks- en onderwijsinstellingen noodzakelijk. Het Praktijkcentrum wil dit voor zowel GH als TU borgen. De afstemming van het onderwijsaanbod op de concrete praktijk, op grond van kwalitatief goed onderzoek van de praktijk, is een noodzakelijke voorwaarde voor het leveren van goed onderwijs. Zowel GH als TU hechten daarom veel waarde aan de totstandkoming van ons Praktijkcentrum. Beide instellingen hebben bovendien de verplichting tot dienstverlening aan het werkveld waarop zij zich richten, conform wet- en regelgeving. Binnen het Praktijkcentrum kan deze op een waardevolle, geïntegreerde wijze haar plaats krijgen.

 

Zonder totstandkoming van het Praktijkcentrum is onderlinge afstemming van onderwijs, onderzoek en dienstverlening moeizamer en lopen deze drie het risico van versnippering. 


c. Kennisbeweging


Het Praktijkcentrum moet daarom een consequente kennis-beweging uitvoeren. Deze kennisbeweging vindt plaats door het gezamenlijk oppakken van concrete dienstverlening, onderzoek, en visievorming.

 

Er worden aan de basis door gemeentes en gemeenteleden allerlei ervaringen opgedaan met het gemeente-zijn. Er zijn allerlei visies, meningen, praktijkervaringen met catechese, met jongerenwerk, met missionaire plannen, met kerkenraadswerk en diaconaal gemeente-zijn etc. Deze praktijkkennis is een belangrijke bron van informatie en visievorming die binnengebracht moet worden op het niveau van praktijk-reflectie zoals deze binnen de Academie voor Theologie en het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken (GH) en de afdeling Praktische Theologie (TU) gebeurt. De praktijk is dus bron van kennis op twee manieren. Allereerst 1) worden door actoren binnen de kerken (zoals diakenen, predikanten, jeugdleiders etc.) allerlei vormen van kennis opgedaan waarvan de andere niveaus kunnen profiteren. Bovendien 2) moet de nieuwsgierigheid naar wat er nu werkelijk gebeurt op praktijkniveau de ruimte krijgen. Binnen de GH en de TU moet de nieuwsgierigheid naar wat er speelt en welke diepere motieven en factoren bij alles wat er gebeurt systematisch bearbeid en beschreven worden.

 

Vervolgens kan er op het niveau van praktijk-theorie (GH) systematische verwerking van deze beide kanten van de praktijk (praktijkkennis en –ervaring; nieuwsgierigheid) plaatsvinden. Op welke manieren sluit de praktijktheorie aan op de praktijk, en op welke manieren kan deze aansluiting verbeterd worden? Helder is dat dit ook het onderwijs op HBO-niveau raakt. Welke inhoud krijgen de studenten aan de Academie voor Theologie mee om in de praktijk beslagen ten ijs te komen?

 

Daarnaast zijn deze praktijkkennis en het niveau van praktijktheorie op hun beurt onderwerp van bredere wetenschappelijke reflectie en theorievorming. Hoe en waar sluiten de overkoepelende theorieën vanuit verschillende (theologische en andere) vakgebieden aan op de praktijk waarop zij reflecteren? Helder is dat ook hier geldt dat dit het onderwijs – op WO-niveau – raakt. Klopt het praktijkbeeld waarvoor de TU mensen opleidt wel met de echte werkelijkheid? Hoe moet de praktijkkennis in het licht van wetenschappelijke theorievorming en reflectie bezien worden? Wat zijn hiervan de consequenties voor inhoud en vorm van het onderwijs aan de TU?

 

Naast deze beweging van ‘onderen’ (praktijk) naar ‘boven’ (theorie) is er ook een omgekeerde beweging. Op wetenschappelijk niveau (TU) is er theorievorming over allerlei onderdelen van het kerk-zijn en alles wat zich rondom dat kerk-zijn (binnen en buiten de kerk) afspeelt. Er zijn theologische concepten over wat kerk-zijn bijbels gezien betekent, er wordt nagedacht over de invloed van culturele ontwikkelingen op de kerk, er is bezinning op de sociologische aspecten van het kerk-zijn etc. Deze theorie poogt (onderdelen van en processen binnen) het kerk-zijn te conceptualiseren en te verhelderen. Deze theorieën worden – deels – empirisch onderbouwd en uitgewerkt. Daarbij fungeert de praktijk als bron van kennis, waarbij empirisch onderzoek nodig is om de praktijk (theoretisch verantwoord) in kaart te brengen.

 

Vervolgens kan op het niveau van praktijk-theorie (GH) gewerkt aan theorieën waarin de wetenschappelijke theorieën doorvertaald worden naar concrete theorieën op (onderdelen van) de werkvelden. Ook daarvoor is empirisch praktijkonderzoek nodig.

 

Tenslotte worden de praktijktheorieën op praktijkniveau gebruikt door degene die in het werkveld actief is (gemeenteleden, ouderlingen, diakenen). Daar worden deze theorieën getoetst en toegepast: werkt het zo, en werkt het zo goed? In de praktijk wordt ook opgemerkt of de theorie niet moet worden aangepast, bijgesteld, omgewerkt. Zo begint de beweging van onderaf weer te ontstaan.

 

Alle vier partijen die in fase 1 van het Praktijkcentrum betrokken zijn kunnen met deze kennis-flow dus aanwijsbaar en concreet hun winst doen.

 

Voorbeeld

Een voorbeeld ter illustratie. Binnen de GKv Zijdekamp wordt begin 2010 duidelijk bij de kerkenraad: er is onder ons behoefte aan het werken met ‘kleine groepen’. De predikant heeft in de classis wat rondgevraagd en komt met een visie-document zoals dat in een buurgemeente gefunctioneerd heeft. Dat wordt als uitgangspunt genomen voor verdere gedachtevorming. Eind 2010 besluit de kerkenraad dat de gemeente gaat toewerken naar het werken met kleine groepen.

 

Een kleine commissie gaat in 2011 aan de gang met praktische uitwerking. Communicatie met de gemeente wordt goed in de gaten gehouden, door via het kerkblad, materiaal voor wijkavonden en twee gemeenteavonden het onderwerp te bespreken. Op de gemeente-avonden komen medewerkers van de TU en de GH spreken over dit thema.

 

De commissie zorgt voor een goede groep potentiële kringleiders, die allemaal in het najaar van 2011 een toerustingscursus voor kringleiders van centrum-g volgen. Ze willen het ‘Handboek kringleiders’ (GH) gaan gebruiken gedurende hun werk als kringleider.

 

Toch blijkt in juni 2012 dat het proces ergens hapert. Er zijn nog weerstanden, vragen. Daarom wordt contact gezocht met het Praktijkcentrum: willen jullie meekijken, en adviseren?

 

Zo’n vraag wordt in het Praktijkcentrum ingebracht binnen het werkveld ‘Ambt en gemeente’. Er wordt een projectplan voor deze lokale gemeente geschreven, hoe dit proces aangepakt gaat worden. Hier kan het Praktijkcentrum laten zien dat het een meerwaarde heeft boven het vroegere centrum-g. Wanneer namelijk blijkt dat er niet slechts een relatief eenvoudig communicatieprobleem speelt en dus snel advies verleend kan worden, maar dat er dieper liggende factoren een rol spelen, komt de kennisbeweging op gang. Diegenen die vanuit de GH en de TU het onderwerp ‘kleine groepen in de kerk’ behartigen, kunnen vanuit conceptuele reflectie bezien welke informatie nodig is om te ontdekken waar de haperingen zich precies bevinden. Tegelijk willen zij ontdekken waar de theorie misschien onvoldoende houvast biedt om tot oplossingen te komen. Dat is aanleiding voor theoretische reflectie. Stel – bijvoorbeeld – dat in Zijdekamp veel gemeenteleden familie van elkaar zijn, en de cultuur er niet een is waarbij geloofsgesprekken gemakkelijk gevoerd worden. Of Zijdekamp heeft sterk ingezet op diaconale kringen, mede gericht op de niet-kerkelijke omgeving – en dat is spaak gelopen. Stel dat blijkt dat hier één van de oorzaken ligt voor de ‘hapering’ in het proces. Dan wordt de volgende vraag: Wat levert onderzoek en analyse van deze situatie op voor de verdere theorievorming op WO niveau over het werken met kleine groepen binnen dit ‘soort’ gemeentes? Wat betekent dit voor de praktijktheorie over ‘kringen en kleine groepen’: hoe moeten professionals in de kerk (predikanten, kerkelijk werkers) voorbereid worden op de diversiteit aan culturen binnen gemeentes voor wie zij opgeleid worden?

 

 

Kortom: de dienstverlening aan plaatselijke kerken kan een verdiepingsslag krijgen. Tegelijk kan de output van zowel TU als GH op het gebied van onderwijs nog beter toegespitst worden op de praktijk. Bovendien kan via (empirisch) onderzoek een bijdrage geleverd worden aan de theorievorming op de verschillende werkvelden.

 

3.3 Algemeen programma werkvelden


De betrokken organisaties kiezen er voor de indeling van het werk vooralsnog op te zetten vanuit de volgende werkveld-verdeling: 

  • pastoraat & toerusting
  • ambt & gemeente
  • diaconale gemeente
  • missionaire gemeenteopbouw
  • gemeentestichting
  • kinderen & jongeren

Vanzelfsprekend hebben veel projecten en opdrachten (deels) een werkveld overstijgend karakter, maar de indeling in deze vijf werkvelden geeft toch houvast om concrete taken te verdelen. Elk werkveld wordt onderverdeeld in verschillende soorten activiteit: dienstverlening, onderzoek, visievorming.


a. Dienstverlening


Alle vier de partijen die het Praktijkcentrum (fase 1) dragen verlenen diensten aan de kerken op een of meerdere, of alle werkvelden. Daarbij willen we onderscheiden tussen 

  • kennisoverdracht waarbij het accent ligt op het uitdragen van getoetste praktijktheoretische kennis;
  • procesbegeleiding waarbij inhoudelijke kennis én agogische vaardigheden belangrijk zijn;
  • praktische informatievoorziening. 

Concreet. De dienstverlening die nu door alle partijen wordt verleend, is er gewoon en blijft er ook. Daarbij gaat het in veel gevallen om korte adviesvragen. Daarnaast verleent Praktijkcentrum diensten aan kerkenraden, diakenen en gemeenten in de vorm van kennisoverdracht door middel van gemeenteavonden en lezingen; cursussen voor gemeenteleden en/of ambtsdragers; artikelen in diverse media (Dienst, Reformatie, website e.d.); praktijktheoretische publicaties (vakpublicaties; handboeken op diverse deelterreinen); onderwijs (naast het eigen onderwijs binnen GH en TU: AKZ+ en PEP). 

De levering van deze diensten vindt plaats in onderling overleg tussen de deelnemende uitvoerders. Daarbij is van belang op welk niveau de diensten worden ingeschaald (toepassing van bestaande theoretische kennis; procesbegeleiding; onderwijs op HBO of WO niveau; publicatie op HBO of WO niveau).

Het aanbod van dienstverlening is echter een gezamenlijke zaak waar alle niveaus aan moeten bijdragen. Bijvoorbeeld: een cursus ‘geloofsgesprekken voeren’ is een product van TU, GH, Centrum-g, en DS. Voorbereiding van deze diensten moet op de drie niveaus worden voorbereid (wetenschappelijk, praktijktheoretisch, en praktijk niveau). De ontwikkeling van deze diensten is hiermee nadrukkelijk ingebed in de hele kennisbeweging zoals hierboven omschreven. Dit betekent dat ook bestaande producten op het gebied van dienstverlening worden besproken en ingebed in de kennisbeweging van het Praktijkcentrum.


b. Onderzoek


Het Praktijkcentrum wil waar mogelijk de praktijk een slag voor zijn. Het gaat er niet alleen om concrete diensten te verlenen, maar in het licht van Gods Woord en met het oog op de context van het kerk-zijn onderzoeken wat er gebeurt en gebeuren kan in de kerken.

Door GH en TU wordt – soms met inschakeling van studenten – onderzoek gedaan. Daarbij moet onderscheiden worden tussen empirisch onderzoek, bijvoorbeeld onderzoek naar de effectiviteit en toepasbaarheid van (nieuwe) methoden voor de werkvelden of data-verzameling (wat gebeurt er in het kerk-zijn?); evaluatief onderzoek, dat gericht is op het ontwikkelen van visie, met soms meer empirisch, soms meer literatuuronderzoek; en theoretisch onderzoek om te ontdekken wat de wetenschappelijke of praktijk-theoretische stand van zaken op een bepaald terrein is.

Dit onderzoek is tevens materiaal waarmee de dienstverleningsactiviteiten worden voorzien van content.

 

Concreet. Door het Praktijkcentrum wordt onderzoek gedaan naar: 

  • toetsing van de waarde van life-reviews in het pastoraat;

  • landelijk onderzoek naar beleid van kerkenraden inzake echtscheiding en hertrouwen na scheiding (in opdracht van Raad van Advies Huwelijk en Echtscheiding (GKv));

  • de (gereformeerde) identiteit van plaatselijke kerken (WO-niveau);

  • wat zijn de knelpunten etc. rondom de continuering van "diaconaal bewustzijn en diaconaal niveau" binnen diaconieën? (HBO-niveau);

  • hoe kunnen diaconale organisaties en kerken in lokaal diaconaat samenwerken waarbij samenwerking is gericht op het versterken van de maatschappelijke presentie en sense of ownership van de lokale kerken? Hoe voorkom je dat kerken hun samenlevingsdiaconaat outsourcen naar diaconale organisaties? (DS in samenwerking met Stichting Present en andere diaconale organisaties en diaconale bureaus) (HBO-niveau);

  • Community and worship. Het belang van de kerkdienst voor community in de beleving van kerkgangers binnen de kleinere gereformeerde kerkgemeenschappen. Bovendien zijn er plannen voor een project ´kritieke eredienst´ (WO en toegepast niveau);

  • Ambt en leiderschap in de 21e eeuw. Beschrijvend en explorerend onderzoek naar vigerende ambtsopvattingen en –beleving in theologie en kerk (ism de werkgroep ‘Reinventing Ministry’ vanuit diverse theologische faculteiten) (WO-niveau);

  • gemeentestichtingsprojecten;

  • de missionaire potentie van ‘kleine groepen’ (WO-niveau);

  • participatie van jongeren in de kerk: ‘jong, [goed]gelovig en kerk’ (HBO-niveau);

  • de voorwaarden en mogelijkheid voor het komen tot de oprichting van een ‘catechetenschool’.

  • Leren en vormen van leren. Cultuur en leerprocessen, invloed op leren binnen de gemeente.

c. Visievorming


Om de hierboven omschreven kennisbeweging effect te laten hebben, is het noodzakelijk dat tussen de uitvoerders binnen het Praktijkcentrum systematisch en methodisch overleg plaatsvindt. Daartoe komen de betrokkenen tenminste twee keer per jaar bij elkaar voor nascholing over trends en topics uit de werkvelden, hetzij door iemand intern, hetzij door iemand van buiten de betrokken organisaties. Bij deze nascholing worden ook de free-lancers die voor centrum-g diensten verzorgen, nadrukkelijk betrokken. Daarnaast komen de betrokkenen per werkveld 5-6x per jaar samen voor overleg.

 

Bovendien is het noodzakelijk dat alle concrete output van het Praktijkcentrum (dienstverlening en onderzoek) tot stand komt als product van deze kennisbeweging. Het Praktijkcentrum wil de praktijk immers waar mogelijk ook een slag voor zijn. Zo kan het Praktijkcentrum niet alleen output maar ook outcome realiseren. De genoemde kennisbeweging is hiervoor een voorwaarde. Alleen op die manier kunnen de trends binnen de kerken gesignaleerd en bearbeid worden, door de verbinding van kennis en ervaring.

 

Concreet. De resultaten van visievorming zullen worden gedeeld met de kerken in de vorm van: 

  • publicaties, zowel voor gemeenteleden (Dienst, Reformatie, websites en andere media) als voor praktijktheoretische en wetenschappelijke fora.
  • symposia, congressen, studiedagen, expertmeeting e.d.;
  • organisatie van kennisuitwisseling met kerken en kerkelijke vergaderingen.

3.4 Het programma concreet uitgewerkt

1.  Onderzoek gemeentestichting.

De opdracht van de GS 2011 (acta art. 54 besluit 3) om gemeentestichtingsprojecten te onderzoeken wordt uitgelegd als de vraag naar a) legitimiteit (is gemeentestichting een verantwoorde manier van zending bedrijven in Nederland) en b) effectiviteit van missionaire gemeentestichting in Nederland (doen deze projecten waarvoor ze bedoeld zijn), alsmede c) de vraag naar de identiteit van de nieuwe gemeenschappen die op deze manier ontstaan (in hoeverre zijn zij gereformeerd). Dit wordt uitgewerkt in vijf deelonderzoeken: 1) een scherpstelling van wat de GS precies bedoeld heeft (Centrum-G); 2) ontwikkeling van een evaluatief theologisch model voor gereformeerde identiteit (TU); 3) theologische evaluatie van gemeentestichtingsprojecten (TU en GH); 4) motieven achter gemeentestichting in Europa (TU); 5) bespreking van bekostigingsstructuren van gemeentestichtingsprojecten (Centrum-G, TU, GH).


2. Huwelijk en echtscheiding.

Deputaten Huwelijk en echtscheiding hebben gevraagd om een onderzoek naar de praktijk van echtscheiding en hertrouwen in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. In het bijzonder zijn de deputaten geïnteresseerd in de manier waarop kerkenraden omgaan met de richtlijnen die het deputaatschap heeft opgesteld. En naar het functioneren van de Raad van Advies. Gezien de breedte van de vraagstelling is in de opzet gekozen voor een kwantitatief, cijfermatig onderzoek d.m.v. een enquête en een kwalitatief onderzoek dat d.m.v. het bespreken van casus ingaat op de manier van handelen van kerkenraden en betrokkenen in dergelijke zaken. Omdat het deputaatschap het onderzoek zo veel mogelijk met studenten wilde uitvoeren is gekozen voor een onderzoek in 2 fasen; een in omvang en aantal beperkte  pilotfase uitgevoerd door onderzoekers die daarmee methode ontwikkelen voor het bredere landelijke onderzoek, dat uitgevoerd gaat worden door studenten.


3. Diversiteit.

De plurale en multivocale samenleving leidt tot toenemende diversiteit, ook in kerkelijke gemeenten. Deze observatie leidt vrijwel onmiddellijk tot een volgende, namelijk dat men binnen kerken die toegenomen diversiteit niet altijd even adequaat weet te hanteren. Diversiteit kan veroorzaakt worden door a) generatieperspectief: verschillen in generaties leiden tot diverse waardeoriëntaties en daarmee appreciatie van de inrichting van het gemeenteleven; b) geloofstalenperspectief: samenhangend met vorig perspectief (maar niet één op één) valt toenemende verscheidenheid op te merken in ‘talen van geloof’: ratio-emotio-relatio; c) identiteitsperspectief: toenemende diversiteit in identiteit-beleving: zijn we gereformeerd – evangelisch – charismatisch of ‘gewoon’: christelijk. Mogelijk zou een vierde perspectief relevant kunnen zijn, namelijk d) genderperspecctief: man-vrouwverschillen. Het praktijkcentrum zal binnen de werkelijkheid van de toegenomen diversiteit een praktijk georiënteerd handelingsonderzoek ontwerpen en in samenwerking met verschillende gemeenten in Nederland uitvoeren. Het initiatief hiervoor ligt bij GH en Centrum G.

 

4. Diaconaat.

De GS 2011 heeft de Deputaten Generale Diaconale Zaken ( acta art. 58, besluit 2a1, 2, 4 en besluit 2d) deze deputaten o.a. de opdracht gegeven plaatselijke kerken (diaconieën) te informeren en te adviseren in hun diaconale arbeid, gericht op het zijn van ‘diaconale gemeente’, zowel intern als in de samenleving, daarbij ondersteunend en stimulerend te zijn ten aanzien van diaconale beleidsvorming en het bevorderen van deskundigheid van diaconieën en/of individuele diakenen. Daarbij vult besluit 2d expliciet als opdracht aan om goede studie te maken van onderwerpen die van belang zijn voor een Bijbelse en actuele visie op de taak en werkwijze van diakenen, diaconieën en het diaconaat van de gemeente. Vanuit de idee tot een praktijkcentrum te komen, hebben DS en de Academie Theologie elkaar gevonden in het ontwikkelen en aanbieden van een cursus: ‘Diaconaat met Perspectief: De Barmhartige Kerk’. Voor diakenen zijn relevante inhouden ontleend aan het curriculum van de Academie Theologie, waarin ‘diaconale gemeenteopbouw’ twee maal zeven weken centraal staat. Zowel de GH als het Diaconaal Steunpunt heeft relevante inzichten samengebracht in een programma van vijf werkconferenties. De eerste gesprekken over deelname en/of aanmeldingen komen momenteel binnen.


5. Catechetenschool.
De GS 2011 heeft besloten ‘Deputaten O.O.G. een haalbaarheidsonderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheden voor de oprichting van een catechetenschool’ (acta art. 52, besluit 3). Dit artikel legt tevens legt vast dat voor een dergelijk onderzoek (maximaal) € 10K uit eigen middelen kunnen worden ingezet. Er is een initiatief alhoewel de achtergronden en motieven niet ondubbelzinnig duidelijk zijn. Gestart zou moeten worden met definiëring van de concrete aanleiding en de exacte focus van dit onderzoek (voorfase, actoren Centrum-G, GH). Op basis van beschikbare informatie zou deze focus zo geformuleerd kunnen worden. Het onderzoek biedt: a) een helder beeld van motieven van catecheten om catechese te verzorgen of dit te beëindigen; b) inzicht in motieven voor catecheten om te stoppen met catechisatie; c) inzicht in een al dan niet ervaren behoefte aan ondersteuning onder catecheten; d) inzicht in de mate waarin de catechetenschool hierin een oplossing kan bieden. Onderdeel van gesprek kan nog zijn of ambtsdragers en/of kerkenraden in dit onderzoek óók bevraagd gaan worden. Een zelfde overweging geldt de ouders. In samenwerking tussen Centrum-G en GH zal een onderzoeksopzet geformuleerd en uitgevoerd worden voor dit praktijkgericht onderzoek.


4 Vormgeving van de samenwerking


4.1 Fase 1: programmatische samenwerking


TU, GH en OOG kiezen voor het bereiken van het einddoel in twee fasen: eerst programmatische samenwerking, vervolgens een bestuurlijke en juridische integratie.

In de fase van de programmasamenwerking werken partijen, op basis van een samenwerkingsovereenkomst, gezamenlijk aan de realisering van omschreven activiteiten/programma’s. In deze fase wil en kan GDD/DS eveneens participeren. Tot die overeenkomst behoort: 

 

  • opdracht tot realisering het van omschreven programma
    Het programma van het praktijkcentrum komt onder leiding te staan van een Programmacoördinator, die daarmee de namens partijen aangewezen eindverantwoordelijke is voor de realisatie van het programma. Als coördinator is aangewezen dr.J.H.F.Schaeffer, postdoc onderzoeker aan de TU Kampen. Er is 0,2 fte aan capaciteit hiervoor vrijgemaakt.
  • regeling van de verantwoording
    De Programmacoördinator legt verantwoording af aan de Stuurgroep, die functioneert als een soort  Programmaraad, waarin elk van de partijen vertegenwoordigd is. De stuurgroep heeft gemandateerde bevoegdheden namens de (colleges van bestuur cq van deputaten van de) vier in fase 1 participerende organisaties.
    De programmaraad stelt op voorstel van de coördinator het programma vast en ziet toe op de voortgang en de resultaten.
    De Stuurgroep dient in deze fase in ieder geval te bewaken dat bestaande, goedlopende onderdelen van de vier betrokken organisaties in de programmatische samenwerking gewaarborgd zijn.
  • toegekende capaciteit
    Door de realisatie van het programma stellen partijen de daarvoor in de beleidsprogramma’s en jaarplannen opgenomen personele capaciteit en andere middelen beschikbaar.
    Daarnaast wordt de bijbehorende capaciteit voor administratieve, financiële en ondersteunende werkzaamheden ter beschikking gesteld. Deze wordt vrijgemaakt uit de reguliere capaciteit, op grond van het uitgangspunt dat het bij de samenwerking vooral om een andere manier van werken gaat. 
  • Communicatie
    In het businessplan voor fase 2 wordt ook een communicatieplan ontwikkeld.

4.2. Fase 2: werken aan één organisatie


Uiteindelijk krijgt de samenwerking gestalte in een vergaande organisatorische vorm. Daarbij achten partijen het niet logisch en ook niet verantwoord dat het praktijkcentrum als organisatie náást de bestaande dienstverlenende organisaties gaat opereren. Dat is om bestuurlijke én inhoudelijke redenen ongewenst. Een businessplan wordt ontwikkeld in het najaar van 2012, waarin gewaarborgd wordt dat bestaande, goedlopende onderdelen van de bestaande organisaties blijven bestaan. Over de vraag welke onderdelen dat zijn moet unanieme overeenstemming bereikt worden binnen het businessplan.

 

Gezien de inhoud van de programmatische samenwerking (fase 1) en de wenselijkheid om tot één dienstverlenende organisatie te komen, willen TU, GH en OOG er sterk voor pleiten dat ook GDD/DS zich bij fase 2 aansluit. 

 

Aan de totstandkoming van de samenwerking zijn kosten verbonden in de vorm van tijd (overleg) en geld (investeringen, ontvlechtingskosten, frictiekosten). Daarnaast zijn er de kosten van de samenwerking zelf. In Fase 1 worden die kosten gedekt uit de bestaande budgetten van de partners.

 

De budgettaire gevolgen van een integratie kunnen, wat de reguliere en structurele uitgaven betreft, binnen de gezamenlijke kerkelijke budgetten van TU en van Centrum-G (en GH) worden uitgevoerd. Incidentele kosten voor aanpassing van de huisvesting en voor een mogelijk sociaal plan vanwege boventalligheid van personeel kunnen aanleiding zijn voor een eenmalige extra uitgave; ook deze worden binnen budget bekostigd.

 

Het Praktijkcentrum is bestuurlijk gevestigd aan de TU. Deze beslissing betekent dat het onderzoek van de universiteit op een reguliere wijze betrokken kan worden in de visitaties (dat geldt mutatis mutandis dan ook voor de GH). Omdat het hier gaat om kennisvalorisatie (kennis nuttig maken voor kerken en maatschappij) kan in de nieuwe prestatieafspraken met de overheid deze factor ook worden opgevoerd. Kortom, het versterkt de kwaliteit van de Theologische Universiteit en van de Gereformeerde Hogeschool in de optiek van de Reviewcommissies HBO en HO.

 

Centrum Dienstverlening verricht nu ook administratieve dienstverlenende taken ten behoeve van andere organisaties, zoals DVN, Diaconaal Steunpunt, LPB, SKW en de VSE. Daarnaast is er het beheer van de website www.homoindeKerk.nl ondergebracht en worden de projectfinancieringen van ASE binnen het Centrum uitgevoerd. Een goede oplossing voor deze onderdelen zal in deze tweede fase zorgvuldig aandacht krijgen.


5 Overleg en draagvlak


De in dit rapport beschreven plannen zijn besproken met de medewerkers van Centrum Dienstverlening en van het Diaconaal Steunpunt en met de relevante groepen medewerkers van GH en TU. Binnen de GH en de TU is eveneens de Medezeggenschapsraad resp. Universiteitsraad om advies gevraagd. Over de inhoud van de voorstellen is verder overleg gevoerd met Deputaten F&B en met de Financiële Commissie van de Synode Harderwijk 2011 (op 16 april 2012).

 

Verder is er bestuurlijke instemming verkregen van OOG, GH en TU, zoals uit ondertekening blijkt.

 

Zoals gezegd is GDD/DS wel bij de totstandkoming van deze tekst betrokken, en wil GDD/DS in fase 1 van het Praktijkcentrum participeren. Generaal-Diaconale Deputaten willen thans geen toezegging doen over participatie in fase 2 van het Praktijkcentrum.

 

Kampen/Zwolle, mei 2012.

 

Deputaten Ondersteuning en Ontwikkeling van Gemeenten,

Dr. J. (Jan) van der Eijk, voorzitter Deputaatschap OOG

 

Theologische Universiteit,

Prof. dr M. (Mees) te Velde, voorzitter College van Bestuur

Drs. J. (Jan) de Jong MCM CMC, lid College van Bestuur

 

Gereformeerde Hogeschool,

Drs J.(Jacob) D. Schaap MPM, voorzitter College van Bestuur;

Dr H.(Henk) Geertsema, directeur a.i. Academie Social Work&Theologie

 


120602 TU - Bijlage 11 - Regeling studiefinanciering

 

Regeling studiefinanciering naar art. 19 KO voor theologische studenten van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

 

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

 

Theologische Universiteit: de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland, gevestigd te Kampen, Broederweg 15;

de kerken: de Gereformeerde Kerken in Nederland;

deputaten: de generaal synodale deputaten, tot juni 2011 belast met de uitvoering van art. 19 van de kerkorde;

Bureau studiefinanciering Theologische Universiteit Kampen: rechtspersoon, opgericht om de taken van het voormalige deputaatschap art. 19 KO over te nemen en de Regeling studiefinanciering theologische studenten uit te voeren;

student: hij die per eerste, gewone inschrijving als regulier student aan de Theologische Universiteit staat ingeschreven of hij die op basis van art. 8 KO is toegelaten om een ad hoc studietraject aan de Theologische Universiteit te doorlopen;

inwonende student: student die woont op het adres van zijn ouders of van een van hen;

uitwonende student: student die niet thuiswonend is;

studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;

WSF 2000: Wet studiefinanciering 2000, Wet van 14 juli 2000, Stb. 2000, 286, met de actueel geldende daarin ingevulde bedragen;

diplomatermijn WSF 2000: de termijn waarbinnen een diploma in het hoger onderwijs moet worden behaald conform artikel 5.5 WSF 2000;

gezinstoeslag: de wettelijke toeslag als bedoeld in artikel 3.4 van de WSF 2000.

thesaurier: de verantwoordelijke beheerder van het studiefonds. De thesaurier legt jaarlijks voor 1 april verantwoording af aan de Raad van Toezicht van de Universiteit.

 

Artikel 2.  Doel en doelgroep

Het Bureau Studiefinanciering heeft als doel financiële steun te verlenen aan studenten aan de Theologische Universiteit die voldoen aan de beide volgende voorwaarden:

  1. dat ze ingeschreven staan met het uitgesproken doel zich na hun studie beschikbaar te stellen voor het predikantschap in een Gereformeerde Kerk in Nederland of in een binnen- of buitenlandse kerk waarmee de Gereformeerde Kerken in Nederland kerkelijke gemeenschap oefenen;
  2. dat ze tijdens hun studie of een gedeelte daarvan door het ontbreken van andere financiële voorzieningen en middelen geheel of gedeeltelijk op deze kerkelijke voorziening voor hun levensonderhoud zijn aangewezen.

Artikel 3. Duur van de ondersteuning

Steun wordt nimmer toegezegd voor een periode van een jaar. Elk jaar zal de student een nieuwe aanvraag doen, zoals ook gebruikelijk bij Studiefinanciering. Gewijzigde omstandigheden kunnen dan in rekening worden gebracht.

Bij het verstrekken van financiële steun wordt voor de reguliere studenten uitgegaan van een te ondersteunen studieduur van maximaal drie jaar en drie maanden voor de bachelor en/of eveneens maximaal drie jaar en drie maanden voor de predikantsmaster. Voor de studenten ex art. 8 KO geldt een te ondersteunen studieduur van maximaal twee jaar en drie maanden. De steun wordt verstrekt tot en met de maand waarin de student zijn laatste studieonderdeel afrondt.

 

Artikel 4. Vorm van de ondersteuning

De ondersteuning vindt plaats in de vorm van renteloze leningen. Deze worden telkens voor één studiejaar toegekend en in maandelijkse termijnen uitbetaald. Bij tussentijdse wijziging van een steunbedrag of wanneer de studieperiode waarvoor ondersteuning kan worden gevraagd niet het gehele studiejaar omvat, wordt aan elke maand een twaalfde deel van het jaarbedrag toegerekend.

 

Artikel 5.  Aanvragen

  1. Hij die voor het eerst financiële steun verlangt, dient daartoe zo spoedig mogelijk na aanmelding bij de universiteit een verzoek in bij het Bureau Studiefinanciering, met gebruikmaking van het door het Bureau te verstrekken aanvraagformulier.
  2. Zij die al eerder ondersteuning ontvingen, dienen een aanvraag om voortzetting daarvan uiterlijk op 1 juni voorafgaand aan het nieuwe studiejaar bij het Bureau Studiefinanciering in te dienen, met gebruikmaking van het desbetreffende formulier.

Artikel 6.  Benodigde documenten

De student zal bij zijn aanvraag ten behoeve van de beoordeling alle benodigde documenten voegen die op het aanvraagformulier staan vermeld, met ten minste:

  • een financieel plan voor de hele studieduur;
  • het laatst vastgesteld belastbaar inkomen en de vermogenssituatie van aanvrager en evt. partner;
  • begroting van inkomsten en uitgaven per maand;
  • actueel overzicht van studievorderingen;
  • bij eerste keer ook overzicht van studie en beroep in voorafgaande jaren;
  • eventuele stukken waaruit blijkt dat aanvrager niet meer voor Studiefinanciering van overheidswege in aanmerking komt

 

Artikel 7. Systematiek en maximering

  1. Bij de toekenning van de leningen worden naar analogie van de WSF 2000 de volgende categorieën gehanteerd:
    • basislening voor kosten van levensonderhoud
    • OV-voorziening
    • collegegeld-garantie
    • gezinstoeslag
  2. Bij de kerkelijke ondersteuning worden als uitgangspunt voor een redelijk bestedingspatroon van de student de normen gehanteerd van de WSF wet- en regelgeving.
  3. De financiële steun van het Bureau Studiefinanciering zal niet meer bedragen dan twee derde van de gelden die de student voor levensonderhoud en studie nodig heeft.
  4. Wanneer iemand in deeltijd studeert, wordt het bedrag van zijn lening naar evenredigheid berekend.
  5. Er wordt geen steun verleend met terugwerkende kracht, tenzij wordt aangetoond dat het Bureau Studiefinanciering de vertraging in de behandeling van de aanvraag heeft veroorzaakt.

Artikel 8.  Besluitvorming en vastlegging

De thesaurier beoordeelt en beslist met advies van de medewerker studentenzaken en de onderwijscoördinator van de Theologische Universiteit over de ingediende aanvragen om steun, en wel binnen twee weken na ontvangst van alle benodigde stukken en inlichtingen. Zo nodig spreken zij vooraf met de betreffende student over zijn aanvraag. Daarbij kan gevraagd worden nadere gegevens te verschaffen die moeten dienen om inzicht te krijgen in zijn financiële situatie. Het besluit wordt schriftelijk vastgelegd in een proces-verbaal en door thesaurier en medewerker ondertekend.

 

Artikel 9.  Kennisgeving en toelichting

  1. Het Bureau Studiefinanciering stelt een student die om financiële steun heeft verzocht uiterlijk een week na het nemen van de beslissing op zijn aanvraag schriftelijk hiervan in kennis.
  2. Desgewenst licht de thesaurier aan de student nader mondeling de beslissing toe.
  3. Van een dergelijk gesprek wordt door de aanvrager een verslag gemaakt en aan de thesaurier ter goedkeuring voorgelegd. 

Artikel 10. Verzoek om herziening van beslissing

  1. Een student kan schriftelijk en met redenen omkleed aan het Bureau Studiefinanciering verzoeken om herziening van de beslissing op zijn aanvraag, uiterlijk vier weken na dagtekening van de beslissing.
  2. De thesaurier beslist op een dergelijk verzoekschrift uiterlijk drie weken nadat het is ingediend. Hij stelt, voordat hij een beslissing neemt de student in de gelegenheid zijn verzoek om herziening mondeling toe te lichten.

Artikel 11.  Aanvaarding door de student

De student zendt binnen twee weken na de in art. 9.1 genoemde beslissing aan het Bureau Studiefinanciering een schriftelijke verklaring dat hij de hem toegekende steun aanvaardt. Hij verklaart zich tevens akkoord met de in deze Regeling vastgestelde voorwaarden en bepalingen, in het bijzonder die met betrekking tot kwijtschelding en terugbetaling. Hij gebruikt daarvoor het hem door het Bureau Studiefinanciering verstrekte format.

 

Artikel 12.  Informatieplicht

  1. De student dient het Bureau Studiefinanciering onverwijld schriftelijk in te lichten wanneer hij:
    1. zijn studie in de theologie onderbreekt of afbreekt, om welke reden dan ook;
    2. wanneer hij geen lid in volle rechten van een Gereformeerde Kerk meer is;
    3. wanneer hij terugkomt op zijn voornemen predikant te worden in de Gereformeerde Kerken, hetzij uit eigen beweging hetzij omdat na beroepbaarstelling geen beroep door een kerk op hem wordt uitgebracht of doordat hij zijn Praktische aantekening niet mag halen
    4. dan wel anderszins in omstandigheden komt te verkeren waardoor voor een toekenning en uitkering van steun of voor een kwijtschelding de basis redelijkerwijs vervalt.

      Ten onrechte ontvangen bedragen zullen worden teruggevorderd.
  2. De student is verplicht om tijdig het juiste correspondentieadres aan het Bureau Studiefinanciering kenbaar te maken en wijziging daarvan steeds onverwijld door te geven. Dit blijft ook na afronding van de studie gelden tot het moment dat de laatste kwijtschelding of terugbetaling heeft plaatsgehad.

 

Artikel 13.  Stopzetting of vermindering

Wanneer er sprake is van een van de situaties als genoemd in art. 12.1 neemt de thesaurier een besluit over de opschorting c.q. beëindiging van de financiële steunverlening. De student ontvangt binnen zes weken een schriftelijke en beargumenteerde kennisgeving van de beslissing en van de consequenties die daaruit krachtens deze Regeling voortvloeien.

Ook kan een beslissing worden genomen over stopzetting of vermindering van de studiefinanciering wanneer de student onvoldoende studievorderingen maakt. In dat geval zal de thesaurier een beslissing nemen nadat hij advies heeft ingewonnen van de docentenvergadering.

 

Artikel 14. Kwijtschelding

  1. Een afgestudeerde heeft recht op kwijtschelding van de opgebouwde studieschuld in termijnen wanneer hij het ambt van predikant aanvaardt in een van de Gereformeerde Kerken in Nederland of in een binnen- of buitenlandse kerk waarmee de Gereformeerde Kerken in Nederland kerkelijke gemeenschap oefenen.
  2. De kwijtschelding geschiedt in vijftien gelijke jaarlijkse termijnen gerekend vanaf het tijdstip dat hij als predikant bevestigd wordt.
  3. Kwijtschelding vindt eveneens plaats wanneer de student of predikant overlijdt of door langdurige invaliditeit niet in staat is de studie te voltooien of om werkzaamheden als predikant te verrichten dan wel uit dien hoofde als predikant is geëmeriteerd. De hierboven bedoelde invaliditeit dient te worden aangetoond door twee medische verklaringen, waarvan in ieder geval één niet door de eigen huisarts is afgegeven en die eveneens aanleiding geven tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding.
  4. Van elke kwijtschelding doet het Bureau Studiefinanciering schriftelijk mededeling aan de student of in voorkomende gevallen zijn nabestaanden.
  5. Indien op een kandidaat gedurende een periode van twee jaar na zijn beroepbaarstelling geen enkel beroep wordt uitgebracht zal (in afwijking van het in artikel 15 bepaalde) een kwijtschelding plaatsvinden analoog aan de kwijtscheldingsregeling in art.14.1 en 14.2.

 

Artikel 15. Terugbetaling van leningen

  1. Een student of oud-student die conform deze regeling renteloze leningen heeft ontvangen, dient deze aan het Bureau Studiefinanciering terug te betalen, tenzij kwijtschelding plaatsvindt in overeenstemming met artikel 14.
  2. Zodra een student of oud-student niet meer in aanmerking komt voor kwijtschelding, vraagt hij schriftelijk aan het Bureau Studiefinanciering een opgave van zijn studieschuld.
  3. Het Bureau Studiefinanciering verstrekt de gevraagde opgave, onder vermelding van alle gegevens die voor de terugbetaling nodig zijn.
  4. Het bedrag dat jaarlijks moet worden terugbetaald, wordt vastgesteld op basis van de financiële draagkracht van de schuldplichtige naar analogie van de vigerende rijksregeling (WSF 2000).
  5. Uiterlijk twee jaar nadat de inschrijving van de student aan de Theologische Universiteit eindigt, gaat de periode van terugbetaling in. Deze omvat maximaal 15 jaar, waarbij jaarlijks minimaal een vijftiende deel van de studieschuld moet worden afgelost.
  6. Binnen de grenzen van de hierboven geformuleerde bepalingen kan de thesaurier met een oud-student een individuele terugbetalingsregeling treffen, die schriftelijk moet worden vastgelegd en door beiden ondertekend.

Artikel 16. Hardheidsclausule

De thesaurier is bevoegd van een of meer bepalingen van deze Regeling af te wijken wanneer zich een zeer bijzondere situatie voordoet en/of een gewone toepassing ervan tot kennelijke onbillijkheid leidt. Hij zal dat niet doen dan na het inwinnen van advies van docent, vertrouwenspersoon, beroepscommissie of andere relevante persoon of instelling.

 

Artikel 17. Onvoorziene gevallen

In gevallen waarin deze regeling niet voorziet of welke voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn,

beslist de thesaurier, na advies van de medewerker studentenzaken en de onderwijscoördinator. 

 

Artikel 18.  Beroep en hoger beroep

Wanneer een student of oud-student meent dat hem door een beslissing van de thesaurier onrecht is aangedaan, zal ad hoc een arbitragecommissie van drie deskundigen worden samengesteld voor het doen van een bindende uitspraak. Beide partijen wijzen elk een lid van de commissie aan. Deze twee leden wijzen samen een derde lid aan. Zij doen binnen 6 weken na hun aanwijzing uitspraak over het geschil. Hoger beroep tegen deze uitspraak is alleen mogelijk bij de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland

 

Artikel 19.  Inwerkingtreding en overgangsbepalingen

Voor studenten die tot 1 sept. 2012 door deputaten naar art. 19 KO en het Bureau Studiefinanciering zijn gesteund in overeenstemming met de door de Generale Synode van Leeuwarden 1990 vastgestelde en in 1993 en 1996, en in 2005, 2008 en 2011 gewijzigde “Regeling studiefinanciering theologische studenten”, gelden ten aanzien van toekenning van financiële steun, kwijtschelding en terugbetaling de bepalingen van die regeling en de eventuele aanvullende schriftelijke afspraken met het Bureau Studiefinanciering die men kan overleggen.

Deze regeling treedt in werking per 1 augustus 2012.

 

Artikel 20. Titel

Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling studiefinanciering naar art. 19 KO voor theologische studenten van de Gereformeerde Kerken in Nederland”.

 

 

120602 TU - Bijlage 12 - Statuut BSF TU

                                                                                                                     

Statuut Bureau Studiefinanciering

 

Artikel 1 -bureau

Er is een 'Bureau Studiefinanciering Theologische Universiteit Kampen opgericht bij besluit van de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt) te Zwolle-Zuid 2008 (Acta art. 107).

Het Bureau wordt hierna verder aangeduid als 'Bureau Studiefinanciering'.

Het Bureau Studiefinanciering is gevestigd te Kampen.

 

Artikel 2 -doelstelling

Het Bureau Studiefinanciering heeft als doel financiële steun te verlenen aan studenten aan de Theologische Universiteit die voldoen aan de beide volgende voorwaarden: 

  1. dat ze ingeschreven staan met het uitgesproken doel zich na hun studie beschikbaar te stellen voor het predikantschap in een Gereformeerde Kerk in Nederland of in een binnen- of buitenlandse kerk waarmee de Gereformeerde Kerken in Nederland kerkelijke gemeenschap oefenen;
  2. dat ze tijdens hun studie of een gedeelte daarvan door het ontbreken van andere financiële voorzieningen en middelen geheel of gedeeltelijk op deze kerkelijke voorziening voor hun levensonderhoud zijn aangewezen.

Artikel 3 – zelfstandig onderdeel

Het Bureau Studiefinanciering is een zelfstandig onderdeel van de Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt) in de zin van art. 2: 2 Burgerlijk Wetboek en bezit als zodanig rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht.

 

Artikel 4 – thesaurier

  1. Het Bureau Studiefinanciering staat onder leiding van een thesaurier. De thesaurier wordt benoemd door de raad van toezicht van de Theologische Universiteit.
  2. De thesaurier is belast met het bestuur en beheer van het Bureau Studiefinanciering. Hij is verantwoordelijk voor de regelmatige uitvoering en voortgang van alle bureauwerkzaamheden.
  3. De thesaurier kan de feitelijke bureauwerkzaamheden opdragen aan derden.

Artikel 5 – financiële steunverlening

  1. De criteria en de procedure voor financiële steunverlening worden geregeld in het uitkeringsreglement.
  2. Het uitkeringsreglement wordt geredigeerd door de thesaurier. Het  wordt vastgesteld door de raad van toezicht. 
  3. Het Bureau Studiefinanciering draagt zorg voor de goede uitvoering van de financiële steunverlening met inachtneming van het uitkeringsreglement.

 Artikel 6 – begroting en jaarrekening

  1. De thesaurier stelt jaarlijks een begroting, jaarrekening en jaarverslag op. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
  2. Op de jaarstukken wordt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar controle toegepast door een registeraccountant. De aanwijzing van een registeraccountant door de thesaurier behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht.
  3. Eens per drie jaren stelt de thesaurier een meerjarenbegroting op ten behoeve van de generale synode.
  4. De stukken als bedoeld in art. 6.1 en 6.3 behoeven de goedkeuring van de raad van toezicht.

Artikel 7 – raad van toezicht

  1. Het toezicht op het Bureau Studiefinanciering wordt uitgeoefend door de raad van toezicht van de Theologische Universiteit.
  2. De raad van toezicht vergadert tenminste één keer per jaar over de aangelegenheden van het Bureau Studiefinanciering en draagt overigens zorg voor een regelmatig toezicht.
  3. De thesaurier informeert de raad van toezicht gevraagd en ongevraagd over alle aangelegenheden die voor een goede uitoefening van het toezicht van belang zijn.

Artikel 8 – verantwoording aan generale synode

  1. De raad van toezicht brengt aan iedere gewone generale synode verslag uit over het door hem uitgeoefende toezicht op het Bureau Studiefinanciering.
  2. De raad van toezicht legt daarbij aan de generale synode tenminste over:
    1. de door de raad van toezicht goedgekeurde meerjarenbegroting, jaarlijkse begrotingen, jaarrekeningen en jaarverslagen van de thesaurier;
    2. de bijbehorende schriftelijke rapporten van een registeraccountant;
    3. een voorstel tot vaststelling van een jaarlijks quotum voor de financiële steunverlening krachtens het uitkeringsreglement aan de daarvoor in aanmerking komende studenten in de theologie.
  3. Bij goedkeuring verleent de generale synode aan het Bureau Studiefinanciering en de raad van toezicht decharge voor het gevoerde financieel beleid en beheer en het uitgeoefende toezicht daarop.

 

Artikel 9 -reglementen

  1. Naast het in art. 5 genoemde uitkeringsreglement kan de thesaurier andere regelingen vaststellen ten behoeve van een goede organisatie van het Bureau Studiefinanciering.
  2. Dergelijke regelingen behoeven de goedkeuring van de raad van toezicht.

 Artikel 10 -vertegenwoordiging

  1. De thesaurier vertegenwoordigt het Bureau Studiefinanciering in en buiten rechte.
  2. Hij is daartoe krachtens deze bepaling door de generale synode gemachtigd.

 Artikel 11-geheimhouding

Ieder die noodzakelijk bekend is met persoonlijke financiële gegevens van een aanvrager of ontvanger van financiële steunverlening is verplicht tot geheimhouding daaromtrent jegens derden.

 

Artikel 12 -beroep

Wanneer een student of oud-student meent dat hem door een beslissing van de thesaurier onrecht is aangedaan, zal ad hoc een arbitragecommissie van drie deskundigen worden samengesteld voor het doen van een bindende uitspraak. Beide partijen wijzen elk een lid van de commissie aan. Deze twee leden wijzen samen een derde lid aan. Zij doen binnen 6 weken na hun aanwijzing uitspraak over het geschil. Hoger beroep tegen deze bindende uitspraak is alleen mogelijk bij de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland

 

Artikel 13 – onvoorzien

In gevallen waarin dit statuut niet voorziet, beslist de thesaurier.

 

Artikel 14 – vaststelling en wijziging

  1. Dit statuut is vastgesteld door de generale synode Harderwijk 2011, in voortgezette vergadering bijeen op 2 juni 2012.
  2. Dit statuut kan door een generale synode worden gewijzigd.

 

120602 TU - Motivering - internationalisering

 

Motivering gevraagd bedrag voor strategische versterking TU onderdeel Internationalisering

 

In de zgn. aanvullende notitie (2011) aan de GS Harderwijk is een bedrag gevraagd van € 342.000,--, waarvan € 125.000,-- voor het Praktijkcentrum en € 217.000,-- voor Internationalisering.

 

Het onderzoek naar de additionele kosten en investeringen voor de aanvullende notitie hebben we zowel met de financiële commissie als met deputaten F&B op 16 april jl. besproken. Ons voorstel zag er toen als volgt uit:

 

Financiële consequenties // totaaloverzicht

Onderwerpen

2012

2013

2014

2015 evj

Strategische samenwerking

€ 32.000

 

 

 

Praktijkcentrum

€ 25.000

€ 45.000

€ 45.000

€45.000

Internationalisering

 

€ 220.000

 

€ 247.000

€ 227.000

€ 210.000

Bijzondere leerstoel christelijke identiteit

€ 30.000

€ 30.000

€ 30.000

€ 30.000

Totaal

€ 302.000

€ 322.000

€ 302.000

€ 285.000  en volgende jaren

 

Na bespreking van alle onderdelen hebben we in de notulen het volgende vastgelegd: 

  • “De RvT zal voor de synode alvast de besluiten formuleren en voor wat betreft de aanvullende notitie zal de budgetvraag liggen tussen € 200.000,-- en € 250.000.--
  • F&B gaat eigen advies uitbrengen. Ter voorbereiding hierop willen ze de stukken van de TU op korte termijn aangeleverd hebben, omdat voor 10 mei ook het advies van F&B gereed zal moeten zijn. JdJ (Jan de Jong) geeft aan dat deze week de herziene aanvullende notitie beschikbaar is.”

Na deze constructieve bespreking is de uitvoering van het e.e.a. verder ter hand genomen. In de discussie over dit rapport tijdens de Raad van Toezicht vergadering van 10 mei 2012 kwam sterk boven tafel dat Internationalisering als kernelement een Engelstalige Master zou moeten bevatten. Tot dan toe was een bedrag van € 15.000,-- opgenomen, voor additioneel Engelstalig drukwerk en zo. Buiten beeld was gebleven dat de ontwikkeling en uitvoering van zo’n curriculum een behoorlijke inspanning vergt. Feitelijk is het een extra opleiding, want de Nederlandstalige master kan niet zomaar door deze Engelstalige vervangen worden.

 

De Raad van Toezicht heeft besloten dat deze volledig Engelstalige variant in de ramingen zou moeten worden opgenomen. Dat is gebeurd. Het gaat om bedragen die in het eerste jaar €50.000,-- bedragen en in latere jaren €75.000,--. Deze bedragen zijn de (enige) verklaring voor het feit dat we in onze rapportage uitkomen boven de eerder genoemde € 200.000,-- en € 250.000,--.

 

Wij menen oprecht dat wij met ons verzoek een reëel voorstel doen dat niet uit de lopende middelen kan worden voldaan en dat een zekere versterking zal blijken te zijn om in de toekomst een voluit gereformeerde theologische opleiding te zijn, die ook buiten het Nederlandstalige gebied opleiding en onderzoek kan aanbieden.


 

61-120602 - CieGron - Brief Wezeman-Mollema inz TU

 

Aan het moderamen van de GS Harderwijk 2011 van de Gereformeerde Kerken in Nederland

C. c . Raad van Bestuur en Raad van Toezicht van de Theologische Universiteit Kampen

 

Haren/Ede 4 mei 2012

 

Geachte broeders,

 

Ondergetekenden hebben q.q. voorzitter commissie Groningen resp. moderamenlid-contactpersoon overleg gehad met CvB en RvT van de TU. Daarna hebben wij inzicht gehad in de stukken die aan de synode zullen worden toegezonden. Er stond ons een drietal vragen voor ogen: 

  1. Zijn de stukken behandelingsrijp
  2. Is het nodig de commissie Groningen nog in te schakelen
  3. Zijn er knelpunten in de stukken gevonden die wellicht nog bijstelling vragen.

Ad 1, 2.

Na lezing van de stukken en na ons gesprek  met de broeders van de TU zijn we van oordeel dat de stukken grosso modo behandelingsrijp zijn. Ook achten we inschakeling van de commissie Groningen niet meer opportuun. Er is geen tijd meer en de commissie is inmiddels gehalveerd. Bovendien is het erg handig om K. Wezeman vrijuit te laten spreken tijdens de synodebehandeling, gezien zijn materiedeskundigheid.

 

Ad 3.

Er zijn inderdaad knelpunten ontdekt, zowel in de stukken zelf als in de procedure. Het zal de behandeling ter synode dienen als deze zoveel mogelijk worden opgehelderd voor aanvang daarvan. Het belangrijkste knelpunt is de frictie die bestaat met deputaten F&B. Dat betreft op de eerste plaats de extra votering door de synode. F&B heeft  eigen opvatting die ze aan de synode wil kenbaar maken. Dat is haar goed recht en uiteindelijk zal de synode oordelen of de aangevulde plannen kwalitatief voldoende om de extra votering te rechtvaardigen. Verder is er een knelpunt inzake de toekomstige positie van deputaten F&B t.o.v. de verzelfstandigde TU. Ons voorstel is hier om F&B een plek te geven in het auditcomité van de TU en dit comité meer aan te kleden (zie hierna) .  Daarnaast houdt F&B uiteraard de verantwoordelijkheid om de ondersteuningsaanvraag door de TU aan de kerken te beoordelen op de consequenties die deze heeft voor de jaarlijkse quota en daaraan in haar advies aan de synode eventueel grenzen te verbinden.

 

Na lezing van het ontwerp statuut hebben wij daarover de volgende kanttekeningen. (A t/m G):

A) In het statuut wordt verwezen naar nadere regelingen die op dit moment niet beschikbaar zijn. Dat bemoeilijkt de beoordeling van de kwaliteit van het statuut. Bij de behandeling zal minstens helder moeten zijn welke onderwerpen in de nadere regelingen aan de orde komen. Ook moet de synode bij behandeling  van het statuut op enkele belangrijke punten nadere eisen kunnen stellen aan die regelingen.

 

B) In art 8.6 staat: Het college van bestuur brengt aan iedere gewone generale synode verslag uit over het functioneren van de universiteit en legt daarbij verantwoording af van het door hem gevoerde beleid en beheer. Het verslag wordt via de raad van toezicht aan de generale synode aangeboden. En in art 12.1 staat: De raad van toezicht is belast met het toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door en namens het college van bestuur.  En in art 15 gaat het over de verantwoording door de RvT hierover aan de synode. Dit is verwarrend. Het college van bestuur representeert een universiteit, dus een publieke instelling en verantwoordt zich als zodanig naar de maatschappij in brede zin, inclusief de kerken en haar synode. Maar de specifieke lijn van verantwoording naar de synode der kerken die haar ondersteunen is: Het CvB legt verantwoording af aan de RvT en de laatste aan der synode.

 

C) In art 15.1 staat: De raad van toezicht brengt aan iedere gewone  generale synode verslag uit over het door hem uitgeoefende toezicht op het bestuur van de universiteit. Brengt verslag uit aan  zou moeten zijn legt verantwoording af aan. Immers verslag uitbrengen is slechts een middel. Zie ook het kopje boven het artikel. Verder verdient het de voorkeur om onder 15.1 te specificeren waarover verantwoording wordt afgelegd: 

  • het strategisch beleid en de realisatie daarvan, het personeelsbeleid en het beloningsbeleid m.b.t. het CvB;  
  • het uitgeoefende toezicht m.b.t. de in art 12 genoemde werkzaamheden;
  • het eigen functioneren van de rvt op basis van een jaarlijks te verrichten assessment  (incidenteel met externe steun?)
  • compliance m.b.t. alle voor de universiteit relevante wet- en regelgeving.
  • interne controle
  • effectiviteit van de bestedingen, d.w.z. het aanwenden voor het doel waarvoor de gelden zijn gevoteerd (in de financiële verantwoording).

Op de laatste drie gebieden ligt een ook belangrijke taak voor het auditcomité. Deze punten zouden bij voorkeur  ook onder 14.3 auditcomité kunnen worden geëxpliciteerd. Ook dient voordracht van een audit- comitélid door de synode (dep. F&B) te worden geregeld. Daartoe zou moeten vervallen dat de raad van toezicht uit haar midden een auditcomité aanwijst. Gezien de vereiste specifieke deskundigheid is het beter om externe bemensing te regelen, waarbij één lid van het comité tevens lid van de RvT zou kunnen zijn.

 

D) Volgens art 13.2 kiest de raad van toezicht uit haar midden een voorzitter. Is instemming van de synode hier niet gewenst?

 

E) Art 17.1 zegt Het curatorium bestaat uit vier predikanten en twee (emeritus-)hoogleraren of universitair (hoofd)docenten van een andere universiteit.  Een oneven aantal (bijv. 5) werkt beter dan een even aantal en predikanten zou logischerwijs kunnen worden vervangen door theologen. Ook rijst de vraag of de benoeming van de voorzitter van het curatorium wellicht instemming van de synode behoeft.

 

V.w.b. de aanvullende notities enkele opmerkingen.

Het rapport samenwerking omvat zaken die ingrijpend en nieuw zijn. Het tijdpad is ambitieus en het onderzoek naar de haalbaarheid moet nog worden gedaan. Kan dit worden behandeld door de verlengde synode, binnen het door haar gestelde mandaat?

Het rapport internationalisering beschrijft voor een deel wat er al gebeurt en verder de aanbod kant van internationale samenwerking. Overigens ontbreekt daarin de samenwerking met Sao Paolo, die toch belangrijk werd geacht. Maar over de benodigde cultuuromslag binnen de TU t.a.v. internationalisering wordt niet gesproken, terwijl dat juist was aangemerkt als limiterende factor.

De samenwerking met GHZ, OOG GDD inzake het praktijkcentrum en de inbreng van hun budgetten vereisen van hun zijde instemmingsverklaringen voor de behandeling ter synode.

 

Graag tot nadere toelichting bereid,

 

K. Wezeman

K. Mollema

 

120602 TU - TU reactie op kanttekeningen Wezeman-Mollema

 

In het statuut wordt verwezen naar nadere regelingen die op dit moment niet beschikbaar zijn. Dat bemoeilijkt de beoordeling van de kwaliteit van het statuut. Bij de behandeling zal minstens helder moeten zijn welke onderwerpen in de nadere regelingen aan de orde komen. Ook moet de synode bij behandeling van het statuut op enkele belangrijke punten nadere eisen kunnen stellen aan die regelingen.

Reactie:

1. Een aantal nadere regelingen wordt ook in het huidige statuut al voorgeschreven of mogelijk gemaakt. Dat betreft art. 8.3 (universiteitsreglement), art. 10.2 (rectoraat), art. 18.4 (curatorium), art. 35.4 (toelating studenten), art. 36.2 (beperking rechten van studenten), art. 43.2 (promotiereglement). Op deze punten bevat het ontwerp-statuut dus geen verandering in de bestaande situatie.

 

2. Zoals is vermeld in de algemene toelichting op het ontwerp-statuut (par. 5) is deregulering één van de oogmerken om te komen tot een nieuwe statuuttekst. Het belangrijkste argument daarvoor is het voorkomen van overlap van bepalingen in de wet of het universiteitsreglement en in het statuut. In de toelichting is vermeld welke criteria hierbij zijn gehanteerd en hoe het toezicht van de generale synode is verzekerd. Deregulering is aan de orde bij de volgende artikelen: art.23.4 (evt. andere wetenschappelijke functies), art. 24.3, 25.2 en 25.3 (interne procedures bij voordrachten) en bij het niet meer opnemen van de oude artikelen 40 en 44 – 49( rechtspositie personeel), 42 (onderzoekers). 54 (bijzondere inschrijvingen), 58 (studentenraad) en art. 67-69 (bibliotheek).

 

3. Enigszins vernieuwd is de opdracht aan de raad van toezicht in art. 13.2 om een reglement voor de raad van toezicht vast te stellen. In het huidige statuut staat dat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. De inhoud ervan moet in overeenstemming zijn met wet en statuut en bevat naast een aantal huishoudelijke zaken met name een concretisering van de code goed bestuur Overeenkomstig de regels van goed bestuur wordt het reglement  – na een interne voorbereiding - vastgesteld door de raad van toezicht zelf. Dit proces is momenteel in een ver gevorderd stadium.

 

4. Een bijzondere vorm van deregulering komt voor in art. 33 inzake bijzondere leerstoelen. Zoals vermeld in de algemene toelichting, par. 11 onder 4, is deze wijziging een uitvloeisel van het besluit van de Generale Synode van Harderwijk het toezicht op de bijzondere leerstoelen te integreren in het algemene toezicht binnen de universiteit.

 

5. Tenslotte zij verwezen naar de toelichting op verschillende artikelen van het ontwerp-statuut.

 

B) In art. 8.6 staat: Het college van bestuur brengt aan iedere gewone generale synode verslag uit over het functioneren van de universiteit en legt daarbij verantwoording af van het door hem gevoerde beleid en beheer. Het verslag wordt via de raad van toezicht aan de generale synode aangeboden. En in art. 12.1 staat: De raad van toezicht is belast met het toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door en namens het college van bestuur. En in art. 15 gaat het over de verantwoording door de RvT hierover aan de synode. Dit is verwarrend. Het college van bestuur representeert een universiteit, dus een publieke instelling en verantwoordt zich als zodanig naar de maatschappij in brede zin, inclusief de kerken en haar synode. Maar de specifieke lijn van verantwoording naar de synode der kerken die haar ondersteunen is: Het CvB legt verantwoording af aan de RvT en de laatste aan de synode.

 

Reactie

De genoemde artikelen zijn ongewijzigd overgenomen uit het huidige statuut.

De raad van toezicht heeft zowel een wettelijke taak en status als de status van deputaatschap van de kerken. In die laatste hoedanigheid legt de raad verantwoording af aan de generale synode.

De kerken hebben recht op een zo goed mogelijke rapportage over het door de universiteit gevoerde beleid en beheer, die verder gaat dan alleen het door de raad van toezicht uitgeoefende toezicht. Daarin voorziet art. 8.6 door van het college van bestuur een verslag over het functioneren van de universiteit te vragen, dat desgewenst ook schriftelijk of mondeling kan worden toegelicht. Aanbieding van het verslag via de raad van toezicht maakt het mogelijk dat de raad zijn integrale toezichtsverantwoordelijkheid kan blijven waarmaken.

Het verwarrende zou gelegen kunnen zijn in het gebruik van de term ‘verantwoording’ in art. 8.6. Door dit zinsdeel te schrappen wordt duidelijker dat alleen de raad van toezicht als deputaatschap verantwoording aan de generale synode aflegt zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het belang van een rapportage door het college van bestuur aan de generale synode.  Noot: dit artikel is aangepast in de definitieve versie van het statuut.

 

C) In art. 15.1 staat: De raad van toezicht brengt aan iedere gewone generale synode verslag uit over het door hem uitgeoefende toezicht op het bestuur van de universiteit.  ‘Brengt verslag uit aan’ zou moeten zijn ‘legt verantwoording af aan’. Immers, verslag uitbrengen is slechts een middel. Zie ook het kopje boven het artikel.

 

Reactie

Aansluitend aan het onder B)4 vermelde lijkt het logisch de voorgestelde tekstwijziging aan te brengen. De term ‘verantwoording’ wordt dan zowel gebruikt voor de publieke verantwoording door college van bestuur en raad van toezicht (ieder voor zijn deel) als voor de kerkelijke verantwoording door de raad van toezicht.  Noot: dit artikel is aangepast in de definitieve versie van het statuut

Verder verdient het de voorkeur om onder 15.1 te specificeren waarover verantwoording wordt afgelegd:

 

-         het strategisch beleid en de realisatie daarvan, het personeelsbeleid en het beloningsbeleid m.b.t. het CvB;

-         het uitgeoefende toezicht m.b.t. de in art. 12 genoemde werkzaamheden;

-         het eigen functioneren van de rvt op basis van een jaarlijks te verrichten assessment (incidenteel met externe steun?);

-         compliance m.b.t. alle voor de universiteit relevante wet- en regelgeving;

-         interne controle;

-         effectiviteit van de bestedingen, dwz het aanwenden voor het doel waarvoor de gelden zijn gevoteerd (in de financiële verantwoording).

 

Reactie

De universiteit verantwoordt zich over beleid en beheer primair jaarlijks conform de voorschriften van de overheid en de code goed bestuur universiteiten. Nagenoeg alle hierboven genoemde zaken komen daarbij aan de orde.

De driejaarlijkse verantwoording aan de generale synode kan hiervoor niet in de plaats komen maar sluit hierbij wel aan door overlegging van onder meer de jaarstukken.

Het statuut is niet de plaats om in algemene zin voorschriften te geven over de inhoud van de verantwoording aan de generale synode. Voor zover er behoefte bestaat aan specifieke verantwoording kan de synode dit uitspreken bij de behandeling van de meerjarenbegroting of van speciale voorstellen met betrekking tot de universiteit.

 

Op de laatste drie gebieden ligt ook een belangrijke taak voor het auditcomité. Deze punten zouden bij voorkeur ook onder 14.3 auditcomité kunnen worden geëxpliciteerd. Ook dient voordracht van een auditcomitélid door de synode (dep. F&B) te worden geregeld. Daartoe zou moeten vervallen dat de raad van toezicht uit haar midden een auditcomité aanwijst. Gezien de vereiste specifieke deskundigheid is het beter om externe bemensing te regelen, waarbij één lid van het comité tevens lid van de RvT zou kunnen zijn.


Reactie

Een auditcommissie is primair belast met de ondersteuning van de toezichthoudende rol van de raad van toezicht. Daarom is het gebruikelijk dat alleen leden van de raad van toezicht zitting hebben in de commissie. (cf. aandachtspunten Nationaal register Commissarissen en Toezichthouders).

Voor de universiteiten is dit verwoord in de code goed bestuur universiteiten: De raad van toezicht kan uit zijn midden een auditcommissie aanwijzen. Als dit niet gebeurt vervult de gehele raad deze taken.(art. 3.3.6).

In het reglement voor de raad van toezicht worden taken en bevoegdheden van de auditcommissie geregeld.

Specifieke deskundigheid behoort volgens de profielschets van de raad van toezicht binnen de raad en dus binnen de commissie aanwezig te zijn. Zo nodig kan de commissie deze ook extern aantrekken.

Ook als (met hantering van het principe ‘pas toe of leg uit’) besloten zou worden het lidmaatschap te ontkoppelen van het lidmaatschap van de raad van toezicht blijft gelden dat de commissie de raad van toezicht ondersteunt in haar toezichthoudende taak conform wet en statuut. Daarin past geen voordracht door de synode of een andere instantie buiten de universiteit.

D) Volgens art. 13.2 kiest de raad van toezicht uit haar midden een voorzitter. Is instemming van de synode hier niet gewenst?

Redactie:

Deze bepaling is overgenomen uit art. 14.10 van het huidige statuut. De generale synode benoemt de leden van de raad van toezicht en kan invloed uitoefenen op de benoeming van de voorzitter door aanwijzing van een samenroeper van deputaten. Dat is een betere vorm dan een goedkeuringsvereiste achteraf.

 

E) Art. 17.1 zegt Het curatorium bestaat uit vier predikanten en twee (emeritus-)hoogleraren of universitair (hoofd)docenten van een andere universiteit. Een oneven aantal (bijv. 5) werkt beter dan een even aantal en predikanten zou logischerwijs kunnen worden vervangen door theologen. Ook rijst de vraag of de benoeming van de voorzitter van het curatorium wellicht instemming van de synode behoeft.

Reactie

Uitgangspunt was dat het curatorium niet groter moet zijn dan nodig is met het oog op een goede taakverdeling, terwijl twee leden van buiten de universiteit een minimum is. Om te bereiken dat de nadruk ligt op de theologische inbreng is gekozen voor een verhouding van 2 : 1. Omdat het curatorium geen uitvoerende taken heeft is een even aantal leden geen bezwaar.

De nadruk ligt op het predikant zijn, omdat het curatorium nauw betrokken is bij de realisering van de eerste doelstelling van de universiteit, te weten de wetenschappelijke, geestelijke en praktische vorming van (aanstaande) gereformeerde predikanten. In de profielschets krijgt dit vorm o.a. door de eisen van het hebben van theologische kennis op tenminste academisch master-niveau en het in staat zijn om wat er leeft binnen de kerken in te brengen.

Voor het voorzitterschap geldt hetzelfde als hiervoor vermeld onder D.

 

7 mei 2012.

 

120602 TU - xF&B Advies inz. TU



DEPUTAATSCHAP FINANCIËN EN BEHEER

 

Adres:Vuurdoorn 22

7742 SW Coevorden

Telefoon: 0524 515459

E-mail:financien@gkv.nl

 

Aan de Generale Synode GKv Harderwijk 2011
Postbus 770  3800AT Amersfoort

Tevens per email: synode@gkv.nl
Coevorden, 14 mei 2012


Weleerwaarde en eerwaarde broeders,


In uw zitting(en) in juni a.s. zult u enkele onderwerpen behandelen die betrekking hebben op de Theologische Universiteit te Kampen (TU). Volgens afspraak zijn deputaten Financiën & Beheer (F&B) betrokken geweest bij de voorbereiding van de volgende twee onderwerpen:

  • Herziening statuut.
  • Nadere uitwerking en onderbouwing van de “aanvullende notitie” van de TU, door de synode behandeld in juni 2011. In die notitie van de TU werd een aantal aanvullende activiteiten voorgesteld, met een geraamde toename van de jaarlasten van € 342.000,=.

Ter voorbereiding van de voorstellen over deze onderwerpen heeft in de eindfase van het opstellen van de voorstellen van de TU enkele keren overleg plaatsgevonden tussen F&B en de TU. Met de financiële commissie ( FC) van de synode is verschillende malen goed overleg geweest. Onderstaande rapportage van F&B wordt door de FC grotendeels gedragen. Er is een verschil van inzicht als het gaat om het aangepaste statuut. De FC deelt in deze de visie en de voorstellen van de TU. De nieuwe structuur met een Raad Van Toezicht vraagt om meer eigen financiële verantwoordelijkheid is de mening van FC.

Uit bovengenoemde overleggen bleek dat wij, vanuit onze verschillende verantwoordelijkheden, met name met de TU op een aantal punten zodanig verschil van inzicht hadden, dat een afzonderlijk advies van F&B inzake de voorstellen van de TU wat ons betreft wenselijk was. Ons onderstaande advies heeft betrekking op de volgende (onderdelen van) voorstellen van de TU:

  • Aanpassing Statuut, financieel deel, voorstel door ons ontvangen op 11 mei jl.
  • Hoofdstuk 8 Uitwerking van de “Aanvullende notitie” m.b.t. de ontwikkeling van de TU in de jaren 2011 – 2014, uit de voorstellen aan de synode 2012, die eveneens door ons op 11 mei zijn ontvangen. De overige hoofdstukken van deze voorstellen aan de synode zijn door de TU niet aan F&B beschikbaar gesteld en derhalve niet in ons advies betrokken. Dit geldt ook voor verwijzingen naar onderbouwingen en/of besluitvoorstellen in andere hoofdstukken. Op 16 april 2012 heeft in een gezamenlijk overleg van TU (RvT en CvB), FC en F&B finale afstemming plaatsgevonden over de concept voorstellen van de TU aan de GS.  In de definitieve voorstellen van de TU, die wij op 11 mei 2012 ontvingen is het toen besproken budget desondanks nog eens met € 90.000 verhoogd, waardoor de kosten voor maatregelen internationalisering de raming in de “aanvullende notitie” van de TU uit 2011 aanzienlijk overstijgen. Over deze extra verhoging heeft geen overleg tussen F&B en de TU meer kunnen plaatsvinden. Dit vergroot de bezwaren van F&B uit oogpunt van effect op het quotum.

Overigens is een afzonderlijk advies van F&B ook gebruikelijk t.a.v. de voorbereiding van de “reguliere” meerjarenbegrotingen. De voorstellen in de “aanvullende notitie” hebben het karakter van een wijziging van de meerjarenbegroting.

Onderstaand geven wij eerst een kort resumé van onze voorstellen en adviezen m.b.t. beide onderwerpen, waarna voor elk van beide onderwerpen een nadere toelichting en onderbouwing volgt.


RESUMÉ VOORSTELLEN EN ADVIEZEN


Statuut


De aanwezigheid van een statuut bij de TU vereist naar de mening van F&B een duidelijke vastlegging van de verhoudingen tussen TU en F&B in dat statuut, die in lijn is met de (financiële) instructies voor deputaatschappen. Beide regelingen (instructies en statuut) zijn door een synode vastgestelde documenten en dienen daarom met elkaar overeen te stemmen. F&B heeft daartoe bij de TU amendementen op het door de TU voorgestelde statuut ingediend, die door de TU niet zijn overgenomen in de voorstellen aan uw synode.

Wij stellen u voor:

  • alsnog de amendementen van F&B in het statuut van de TU te verwerken (zie de als bijlage bijgevoegde tekstvoorstellen).
  • indien u besluit de amendementen van F&B niet in het statuut te verwerken in elk geval de expliciete verwijzing naar de (financiële) instructies voor deputaatschappen op te nemen, zoals door ons voorgesteld bij art. 48.1, om twijfel over de toepasselijkheid van de instructies m.b.t. de TU te vermijden.

Indien u besluit geen van beide voorstellen over te nemen dan vereist het door de TU voorgestelde statuut, mede gezien een deel van de toelichting die wij op het laatste moment ontvingen, naar onze mening aanpassing van sommige bepalingen uit de instructies dan wel buiten werking stelling van die bepalingen t.a.v. de TU. In dat geval zal het de vraag zijn of F&B voldoende instrumentarium behoudt om de verantwoordelijkheid t.a.v. de TU effectief te kunnen (blijven) dragen. Ook rijst dan de vraag welke gevolgen een dergelijk besluit heeft voor het adequaat beheren en bewaken van de financiële positie van de GKv als geheel.


De juridische vormgeving als zelfstandig rechtspersoon kan de kerken, die nog steeds hoofdfinancier en eindverantwoordelijk voor instandhouding zijn, bestuurlijk op ongewenst grote afstand plaatsen. Dat klemt nog des te meer als ook het praktijkcentrum bestuurlijk bij de TU wordt ondergebracht. De invloed van de kerken op wellicht circa 75% van het quotum (inclusief praktijkcentrum) wordt hierdoor mogelijk flink beperkt.


Aanvullende notitie


In 2011 stelde de “aanvullende notitie” van de TU een extra jaarlast van € 342.000 in het vooruitzicht (internationalisering € 217.000, praktijkcentrum € 125.000). In de begrotingen 2012 t/m 2014 is toen door de synode een reservering van € 300.000 per jaar opgenomen. De nu door de TU ingediende voorstellen brengen een extra structurele jaarlast van ± € 290.000 mee, volledig bestemd voor internationalisering. De rijksbijdrage is inmiddels m.i.v. 2012 € 150.000 hoger vastgesteld dan in 2011 bekend was. In de begrotingen 2011 en 2012 veronderstelde loonkosteninflatie van ± 1,5% per jaar treedt niet of nauwelijks op, waardoor een ruimte ontstaat van ± € 50.000.


Op grond van de argumenten die wij in het vervolg van deze notitie verder hebben uitgewerkt adviseren wij:

  • positief over de voorstellen inzake het praktijkcentrum, gezien de verwachting dat de kerken door samenwerking en synergievoordelen meer geboden kan worden dan nu het geval is binnen de bestaande budgettaire ruimte van de deelnemende deputaatschappen en de GH te Zwolle. Een optimale en vergaande integratie met Centrum Dienstverlening van OOG is daarvoor een onmisbare voorwaarde, omdat anders beoogde synergievoordelen niet zullen ontstaan en de voorgestelde financiering feitelijk niet beschikbaar zal komen. In hoeverre dat ook geldt voor het Diaconaal Steunpunt is ons uit de overleggen en de aan u voorgelegde voorstellen niet duidelijk geworden.
    Gezien het financiële belang en de financiële en organisatorische risico’s achten wij nauwe betrokkenheid van F&B bij het voorgestelde proces voor de ontwikkeling van een businessplan voor het praktijkcentrum noodzakelijk.
  • de “meerwaarde” voor de kerken te bepalen m.b.t. de voorstellen inzake samenwerking, internationalisering en bijzondere leerstoel christelijke identiteit, en die meerwaarde af te wegen tegen de wenselijkheid het quotum t.l.v. de kerken te beperken.
  • voorzover u op inhoudelijke gronden instemt met de voorstellen van de TU als financiële dekking aan te wijzen de ruimte binnen de bestaande begrotingen van de TU a.g.v. verhoging van de rijksbijdrage (€ 150.000) + niet opgetreden loonkosteninflatie over 2011 en 2012 (€ 50.000) + verhoging quotum (€ 90.000) = totaal (voorzover nodig) € 290.000. Voorzover de rijksbijdrage in de komende jaren structureel lager zal uitkomen dan € 1,3 miljoen zal (alsnog) aanvulling uit quotumverhoging nodig zijn.
    Daarboven heeft de TU voorgesteld € 80.000 uit “eigen middelen” te financieren, waarmee de totale structurele extra jaarlasten van de voorgestelde maatregelen uitkomen op € 370.000 + een PM-post bij internationalisering.
  • v.w.b. de financiële aspecten in te stemmen met een budget voor een haalbaarheidsonderzoek naar een andere vestigingsplaats voor de TU van € 35.000. Gezien de naar verwachting grote financiële gevolgen van een dergelijk besluit lijkt definitieve besluitvorming door een volgende (extra) synode ons wenselijk.

 TOELICHTING EN ONDERBOUWING


Herziening statuut


Het bestaande statuut riep met enige regelmaat gevoelens van spanning op tussen twee toezichthoudende rollen:

  • De Raad van Toezicht (RvT) van de TU, wettelijk voorgeschreven, benoemd door de generale synode, vanuit de kerken gezien te kwalificeren als deputaatschap, belast met integraal toezicht op het handelen van het College van Bestuur (CvB).
  • Deputaten F&B, belast met partieel toezicht vanuit het financiële perspectief van de kerken (controller namens de kerken zoals uw synode in 2011 bepaalde). De instructies voor F&B en de regeling verhouding deputaatschappen / F&B (beide door de synode vastgesteld) gelden in gelijke mate voor alle deputaatschappen, inclusief de TU. Voor de TU gelden enkele in die instructies expliciet vastgelegde uitzonderingsbepalingen om recht te doen aan de integrale toezichthoudende rol van de RvT.

Het voelen van een zeker spanningsveld is inherent aan de keuze voor een vorm van “dubbel” toezicht. Het is echter nog maar de vraag of in dit opzicht de verhoudingen wezenlijk verschillen van de andere deputaatschappen met een “eigen” uitvoeringsorganisatie. Ook daar wordt soms een vergelijkbaar spanningsveld ervaren. Sinds de synode van Leusden (1999) hebben de kerken hier bewust voor gekozen, omdat behoefte werd gevoeld aan meer (integrale) sturing van en toezicht op het geheel van de kerkelijke financiën. Bijvoorbeeld waren in de jaren voor 1999 naar het oordeel van de synode bij een aantal deputaatschappen ongewenst omvangrijke reserves opgebouwd. In de jaren na 1999 zijn die reserves in overleg met F&B planmatig afgebouwd naar niveaus die, ook in totaal, in een redelijke verhouding staan tot de financiële risico’s die we gezamenlijk als kerken lopen.


Regeling verhouding TU (RvT) en F&B


In ons overleg met de TU zijn wij er van uitgegaan dat de synode de rol van F&B t.o.v. de deputaatschappen, zoals omschreven in de instructies, wil handhaven. Wil de synode daarin m.b.t. de TU verandering aanbrengen dan dienen de instructies zodanig gewijzigd te worden dat bevoegdheden en verantwoordelijkheden van F&B t.a.v. de TU met elkaar overeenstemmen.


Bij het voorbereiden van de wijzigingen van het onderdeel “Financiën” van het statuut hebben wij daarom in eerste instantie gepleit voor het opnemen in het statuut van een aantal bepalingen waarin de verhouding RvT en F&B werd geregeld, om zo het statuut in overeenstemming te brengen met de instructies voor deputaatschappen. Dit stuitte bij de TU op bezwaren vanwege het karakter van het statuut zoals de TU dat ziet in het kader van de Wet Hoger Onderwijs (WHW). Daarom heeft de TU in het voorstel aan uw synode de verhouding RvT/F&B niet in het statuut opgenomen.


Als alternatief heeft de TU in een overleg de mogelijkheid geopperd de verhoudingen nader uit te werken in een aantal afzonderlijke werkafspraken. Ook al legt de WHW naar ons oordeel in dit opzicht geen beperkingen op, wij vonden de vorm in dezen minder belangrijk dan de inhoud. Daarom konden wij ons als compromis wel vinden in het afzonderlijk vastleggen van een aantal werkafspraken, mits deze als instructies zouden worden opgenomen in de instructie (regeling verhouding deputaatschappen t.o.v. F&B), de regeling die als onderdeel van de instructies voor deputaatschappen door de synode is vastgesteld, aangevuld met een verwijzing naar de instructies in het statuut.  De TU bleek echter slechts bereid pas na de besluitvorming van uw synode verder te spreken over werkafspraken. In elke vormgeving is de kernvraag of de instructies voor deputaatschappen wel of niet van toepassing zullen blijven voor de TU. De toelichting met een nadere motivering en uitwerking van de zelfstandigheid van de TU, waarvan wij op het laatste moment slechts kort kennis hebben kunnen nemen, stemmen op wezenlijke onderdelen (bijvoorbeeld t.a.v. beleid reserves) niet overeen met de instructies voor deputaatschappen. De juridische vormgeving als zelfstandig rechtspersoon kan de kerken, die nog steeds hoofdfinancier en eindverantwoordelijk voor instandhouding zijn, bestuurlijk op ongewenst grote afstand plaatsen. Dat klemt nog des te meer als ook het praktijkcentrum bestuurlijk bij de TU wordt ondergebracht. De invloed van de kerken op wellicht circa 75% van het quotum (inclusief praktijkcentrum) wordt hierdoor mogelijk flink beperkt.


Daarom handhaven wij ons voorstel om de verhouding TU/F&B in het statuut te regelen. Wij hebben daartoe onze geamendeerde versie van het financiële deel van het statuut bijgevoegd (één exemplaar met wijzingsmarkeringen en toelichtingen, en één schone versie zonder markeringen).


Indien uw synode besluit ons voorstel niet over te nemen achten wij het van belang dat in elk geval de door ons in art. 48.1 voorgestelde verwijzing naar de instructies voor deputaatschappen wordt opgenomen, om de schijn te vermijden dat het statuut de instructies terzijde zou kunnen stellen.


Aard van het toezicht van F&B


In de instructies voor F&B is een zwaar accent gelegd op het beheersen van de kosten (voor de kerken), waar mogelijk verminderen van kosten, genereren van derde geldstromen, beperken van de omvang van reserves tot wat nodig is voor afdekken van risico’s etc. Ook in het rapport “Dragelijke lasten” van F&B, waarvan de aanbevelingen in juni 2011 door uw synode zijn aanvaard, komen die doelstellingen terug, aangevuld met een versterkte nadruk op het zichtbaar maken van nut, noodzaak en belang voor de kerken van de activiteiten van deputaatschappen en de relatie tussen die activiteiten en de omvang van de kosten. Ofwel, vanuit de kerken gezien: krijgen de kerken “waar voor hun geld”? En is het de “waar” die de kerken wensen of nodig hebben?


TU financieel zelfstandig?


Overeenkomstig de strekking van de kerkenorde (KO) begint het financiële deel van het statuut (TU-voorstel aan synode) met de bepaling: “De kerken zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van de universiteit en maken daarbij zo mogelijk gebruik van overheidsbekostiging.”


De kerken maken gebruik van overheidsbekostiging, en vullen financieel aan wat nodig is voor de universiteit van de kerken. Dat is een heel ander beeld dan een opmerking in de toelichting van de TU dat de kerken (lees F&B) ontmoedigend werken door het afromen van verhogingen van de rijksbijdragen. Naar onze mening zet dat de zaken op zijn kop. De kerken houden in stand: de TU is 100% van en voor de kerken. Zo lang dat het uitgangspunt blijft zijn de kerken 100% verantwoordelijk voor de financiering, ook als de rijksbijdrage zou wegvallen. Ook daarin verschilt de TU niet van andere deputaatschappen. Het financiële belang voor de kerken deed synoden in het verleden kiezen voor “checks and balances”, wat soms enige doublure inhoudt. Het is aan de synode om te besluiten of dit wel of niet gehandhaafd moet worden.


Als de (financiële) voorstellen in de “aanvullende notitie” worden gehonoreerd blijft de TU voor circa 50% afhankelijk van bijdragen van de kerken. En synoden willen die bijdragen niet hoger laten worden dan nodig is (diverse artikelen uit de instructies F&B): natuurlijk spanningsveld tussen ambitie (TU) en geld (kerken).


De grotere financiële zelfstandigheid in het nieuwe statuut moet ondernemingszin stimuleren en daardoor goed zijn voor de kerken omdat het tot lagere kosten zal leiden, zo lezen we in de toelichting. Om dat goede effect voor de kerken te bereiken moeten dan toch die lagere kosten weer ten gunste van de kerken komen (lagere quota)? Wat verandert er dan ten opzichte van de huidige situatie? Bij deze redenering gaan we voorbij aan de vraag of een instelling als de TU werkelijk financiële prikkels nodig heeft om in het belang van de kerken kostenbewust te handelen.


De voorstellen van de TU vergroten vooral de financiële zelfstandigheid binnen de synodeperioden van drie jaar. Het “doorschuiven” van budget voor uitgestelde werkzaamheden is echter nu al mogelijk en is in de praktijk bij verschillende deputaatschappen toegepast. Het volledig toevoegen van alle overschotten aan de reserves, met gelijktijdig opheffen van het stellen van maxima aan die reserves, is echter niet in overeenstemming met art. 10 van de “Regeling verhouding deputaatschappen/F&B”, die voor alle zelfadministrerende deputaatschappen geldt (en feitelijk ook voor alle andere).


In art. 47.4 van het conceptstatuut wordt het beleid inzake reserves en voorzieningen geheel opgedragen aan het CvB van de TU. Dat gaat nog weer een stap verder dan de voorgaande alinea en komt eveneens niet overeen met het hiervoor genoemde art. 10 en met art. 8 van de “instructie F&B”. Overigens worden ook nu al geen statische maxima aan reserves gehanteerd, doch wordt jaarlijks de gewenste omvang van reserves op grond van genoemde artikelen uit de instructies in onderling overleg bepaald. Juist in de afgelopen jaren is, mede op initiatief van F&B, het eigen vermogen van de TU fors verhoogd.


De wens van de TU om volledig zelf verantwoordelijk te worden voor reservevorming betekent tevens afbouw van de Centrale Algemene Reserve (CAR) van F&B v.w.b. het aandeel dat daarin begrepen is voor de risico’s van de TU. Ook dat zou aanpassing van de instructies F&B vragen. Bovendien is splitsing van de CAR niet in overeenstemming met het eerder door synoden beoogde streven naar schaalvoordelen van concentratie van reserves.


Samenvatting conclusies herziening statuut


Samenvattend komen wij tot de volgende conclusies, uitgaande van handhaving van de huidige financiële regelingen voor deputaatschappen:

  1. De verhouding tussen de TU en F&B dient in het statuut van de TU te worden geregeld, met verwijzing in de statuten (art. 48.1) naar de instructies deputaatschappen inzake financieel beleid en beheer (zie bijgevoegd door F&B geamendeerd tekstvoorstel financieel deel statuut).  De nu geldende instructies voor deputaatschappen blijven ook voor de TU volledig van kracht, tenzij de synode (een deel van) die instructies voor de TU buiten werking stelt.
  2. Het vergroten van de zelfstandigheid van de TU t.a.v. het omgaan met overschotten en tekorten en het volledig zelfstandig verantwoordelijk maken van de TU voor het beleid inzake reserves en voorzieningen wijkt af van de (financiële) instructies voor deputaatschappen. Indien de synode daarmee instemt zal ook dat aanpassing van de financiële instructies voor deputaatschappen vragen of meer uitzonderingsbepalingen voor de TU.
  3. Zelfstandige verantwoordelijkheid voor reserves bij de TU heeft consequenties voor de CAR van F&B omdat dubbele reservering voor risico’s moet worden voorkomen.
  4. Vergroting van de (financiële) zelfstandigheid van de TU, en dienovereenkomstige aanpassing van de instructies, roept de vraag op in hoeverre F&B zijn financiële (control)rol t.a.v. de TU dan nog verantwoord kan invullen. F&B zal over die (eventuele) gevolgen dan rapporteren aan de synode 2014 te Ede.
  5. Indien een (groot) deel van de instructies voor de deputaatschappen m.b.t. de TU buiten werking wordt gesteld kan dat tot een zodanig beperkte rol voor F&B leiden dat er naast de uitgebreide integrale toezichtrol van de RvT geen effectieve mogelijkheden overblijven om het partiële financiële toezicht namens de kerken verantwoord in te blijven vullen. Indien die situatie ontstaat kan F&B de bij instructie opgedragen verantwoordelijkheden t.a.v. de TU inzake financieel beleid en beheer en het quotum niet blijven dragen.

Aanvullende notitie


Tijdens de synodeperiode in 2011 kwam van de zijde van de TU, daartoe uitgenodigd door de synode commissie “Groningen”, een “aanvullende notitie” ter tafel, die boven de eerder ingediende meerjarenbegroting een verdere verhoging van de jaarlasten met € 342.000,= aankondigde. Hiervan was bestemd voor aanvullende maatregelen op het gebied van internationalisering € 217.000,= en voor de inrichting van een “Praktijkcentrum” € 125.000,=.


Op verzoek van de synode heeft de TU nu een nadere uitwerking en onderbouwing van de voorgestelde “aanvulling” gegeven. Tevens vroeg de synode om een nadere “Verkenning strategische samenwerking”.


Schaalgrootte en (strategische) samenwerking


Voor dit onderwerp is “slechts” een eenmalige uitgave van € 35.000,= opgenomen voor (verder) onderzoek. De verkenningen die inmiddels zijn uitgevoerd wijzen naar de mening van de TU in de richting van een spoedige verplaatsing van de TU naar “een universiteitsstad”.  Zoals de TU zelf ook meldt in de voorstellen zal dit grote financiële gevolgen hebben. Die financiële gevolgen zijn nog op geen enkele wijze inzichtelijk, terwijl de voorstellen niet duidelijk maken hoe het verdere besluitvormingsproces na het haalbaarheidsonderzoek dient te verlopen. De voorstellen wekken de indruk dat na de nu van de synode gevraagde intentieverklaring geen verdere synodale besluitvorming nodig is, omdat de TU voor de kosten naar alternatieve financieringsbronnen wil zoeken. Dat vinden wij een wankele basis, terwijl daarmee bovendien nog niet is voorzien in het opvangen van eventueel hogere jaarlijkse exploitatielasten.

Het instemmen met een nader haalbaarheidsonderzoek zal naar onze mening op dit moment mede gebaseerd moeten zijn op een conclusie van de synode dat verhuizing van de complete TU in beginsel aanvaardbaar is, mits de condities (waaronder financiële) ook aanvaardbaar zullen blijken.


Gezien de te verwachten ingrijpende financiële gevolgen lijkt het ons voor de hand te liggen dat F&B vanuit zijn controlrol namens de kerken nauw bij dit proces wordt betrokken, en dat voor een definitief “go or no go” een synodaal beslismoment wordt gecreëerd.


Praktijkcentrum


De TU heeft de mogelijkheden voor het inrichten van een praktijkcentrum nader onderzocht in samenwerking met twee deputaatschappen (OOG en GDD) en de Gereformeerde Hogeschool Zwolle (GH). Geconcludeerd werd in eerste instantie dat het inrichten en in stand houden van een praktijkcentrum voor een groot deel mogelijk zou zijn binnen de ruimte van de financiële budgetten van de vier samenwerkende partijen. Daarin waren begrepen de budgetten voor het in stand houden van het huidige Centrum Dienstverlening (deputaatschap OOG) en het Diaconaal Steunpunt (deputaatschap GDD).


Wij waren van mening dat deze samenwerking meer mogelijkheden zou moeten kunnen bieden dan “financiering voor een groot deel” uit bestaande budgetten, om de volgende redenen:

  • het meedoen van GDD met het Diaconaal Steunpunt, waarmee invulling wordt gegeven aan reeds langer bestaande wensen vanuit de kerken tot verdere integratie, zal extra integratie- en schaalvoordelen moeten (kunnen) opleveren. In de definitieve versie van de voorstellen is echter (opnieuw) een voorbehoud gemaakt t.a.v. integratie van (een deel van) het Diaconaal Steunpunt.
  • de synode gaf in 2011 aan OOG opdracht tot een kritische doorlichting van efficiency en effectiviteit, en nam een voorschot op de uitkomsten door bevriezing van het budget voor de periode 2012 – 2014.
  • verdergaande integratie van de activiteiten van vier partijen zal de mogelijkheden voor het bereiken van integratie- en schaalvoordelen (kunnen) verruimen.

Op verzoek van F&B is daarom het voorstel voor het inrichten van een praktijkcentrum bij u ingediend met de taakstelling het praktijkcentrum geheel te realiseren binnen de bestaande budgettaire kaders van de samenwerkende partijen (voornamelijk TU en OOG). De GH heeft daarin een bijzondere positie, omdat hun financiële middelen geen bijdragen van onze kerken bevatten.


Aan volgende synoden dient te worden gerapporteerd hoe kosten en baten zich dan tot elkaar verhouden, en of er aanleidingen en/of mogelijkheden zijn die verhouding (verder) te verbeteren, zoals dat bij elk deputaatschap doorlopend plaatsvindt overeenkomstig de instructies.


In een ander hoofdstuk van de voorstellen van de TU dan het ons bekende hoofdstuk 8 is nader uitgewerkt hoe het praktijkcentrum zal (samen)werken, welke producten en diensten men (in hoofdlijnen) wil “leveren” en in welke opzichten men meer denkt te kunnen gaan bieden dan in de huidige situatie het geval is. Het inhoudelijke oordeel over de “waarde” daarvan voor de kerken is niet aan F&B maar aan de synode. In dat “andere” hoofdstuk zijn ook de concept besluitvoorstellen voor de synode opgenomen, waarvan F&B op het laatste moment nog slechts kort kennis heeft kunnen nemen.


Vanuit financieel perspectief gezien beoordelen wij de voorgestelde ontwikkeling naar een praktijkcentrum positief, vanwege de mogelijkheden om (op termijn) meer te bieden voor hetzelfde of minder geld. Gezien het financiële belang en de financiële en organisatorische risico’s achten wij nauwe betrokkenheid van F&B bij het voorgestelde proces voor de ontwikkeling van een businessplan voor het praktijkcentrum noodzakelijk.


Internationalisering


Volgens de nadere uitwerking zullen de structurele jaarlasten van de voorgestelde maatregelen om internationalisering te versterken voor de komende jaren uitkomen op € 290.000, aanzienlijk meer dan de raming in de “aanvullende notitie” van de TU uit 2011 ad € 217.000. Naar onze mening kan dit bedrag als maximum worden gezien, omdat de mogelijkheden om voor deze activiteiten extra bijdragen van derden (subsidies e.d.) te verwerven nog niet of nauwelijks zijn verkend. In dit kader zijn met name mogelijke bijdragen van de kant van zendende instanties (ZHT) genoemd, waarvan uit de voorstellen niet blijkt  of en tot welke omvang hier mogelijkheden liggen en waarvoor eventuele kosten t.l.v. de TU PM zijn geraamd. Overigens komen de bijdragen linksom of rechtsom uit bijdragen van kerkleden, zodat de vraag naar de “waarde” voor kerkleden gelijk blijft.


In de begroting 2012 was € 37.000,= opgenomen voor direct aan internationalisering toe te rekenen activiteiten. Met de nu voorgelegde voorstellen stijgt dit bedrag tot € 327.000. De hiermee te realiseren activiteiten en resultaten zijn nu (vooral in een ander hoofdstuk dan het ons bekende hoofdstuk 8 van de TU-voorstellen) uitgebreider beschreven dan in de “aanvullende notitie” uit 2011. De beoordeling van nut en noodzaak voor de kerken van de voorgestelde maatregelen is niet aan F&B, doch aan de synode. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van het op de valreep door de TU voorgestelde extra bedrag van € 90.000, voornamelijk te besteden aan het realiseren van een Engelstalige masteropleiding Theologie (voor € 75.000 jaarlijks), waarvoor ons geen haalbaarheidsonderzoek bekend is en waarover geen overleg meer heeft kunnen plaatsvinden.


Op het totale financiële plaatje en de gevolgen van de voorstellen voor dit plaatje gaan wij verderop nader in.


Bijzondere leerstoel “christelijke identiteit”


Niet rechtstreeks voortvloeiend uit de “aanvullende notitie” is het voorstel voor het instellen van een bijzonder leerstoel christelijke identiteit. De kosten van deze leerstoel zijn geraamd op € 60.000. Er is een taakstelling opgenomen om deze kosten voor de helft te dekken uit bijdragen van derden, waarna voor rekening van de TU resteert een bedrag van € 30.000. De TU kan dit bedrag dekken uit bestaande budgetten.


De beoordeling van de waarde voor de kerken van deze bijzondere leerstoel is niet aan F&B, doch aan de synode, inclusief de vraag of de waarde van deze leerstoel de inzet van € 30.000 uit bestaande budgetten rechtvaardigt.


Totaalbeeld financiële consequenties


Uitgaande van realisatie van een praktijkcentrum binnen de budgetten van de daarin samenwerkende partners bestaat het financiële plaatje voor de komende jaren uit een toename van de structurele jaarlasten t.l.v. het quotum van de kerken van € 290.000 (bestemd voor maatregelen internationalisering) + een PM-post t.b.v. het eventueel kiezen voor een andere vestigingsplaats voor (delen van) de universiteit.


Bovendien stelt de TU voor om in totaal € 80.000 per jaar uit “eigen middelen” te financieren (tutor € 30.000, stipendia buitenlandse studenten € 20.000, bijzondere leerstoel “christelijke identiteit” € 30.000). De totale extra jaarlasten van de voorgestelde maatregelen komen daarmee op € 370.000, waarvan € 340.000 voor maatregelen internationalisering (“aanvullende notitie” TU 2011 € 217.000).


De tekst in paragraaf 8.5 van de huidige “aanvullende notitie” van de TU geeft geen volledig en actueel beeld van de werkelijkheid:

  • De door u in 2011 goedgekeurde meerjarenbegroting 2012 – 2014 hield, gebaseerd op de strategienotitie “Dienstbaar en wendbaar”, reeds een verhoging in van ruim € 200.000,= per jaar ten opzichte van de door de GS Zwolle Zuid vastgestelde begroting 2011. Daardoor stijgen de lasten bij honorering van de nu ingediende voorstellen feitelijk met ruim € 490.000 (van circa € 2,7 miljoen tot ruim € 3,2 miljoen). Deze bedragen zijn exclusief kosten van eventuele keuze voor een andere vestigingsplaats.
  • In de begroting 2012 is nog uitgegaan van een rijksbijdrage van € 1,146 miljoen, doch de werkelijke rijksbijdrage voor 2012 bedraagt € 1,3 miljoen. De TU gaat in paragraaf 8.5 van de voorstellen nog steeds uit van de “oude” rijksbijdrage van € 1,1 miljoen.

Ontwikkeling quotum TU lange termijn


De ontwikkeling van het quotum TU van 1999 t/m 2014, uitgaand van realisatie van de voorstellen 2012 van de TU ad € 200.000, kan als volgt worden weergegeven (totalen afgerond, tenzij anders vermeld berekend o.b.v. gelijkblijvend ledental van 123.000 en zonder aftrek rijksbijdrage ad € 1,3 miljoen in 2012 e.v. jaren):

 

Omschrijving

Quotum per lid (€)

Bedrag quotum totaal (€)

Quotum 1999

11,40

1.400.000

Op basis van een inflatie van ± 2,5% zouden deze quotumbedragen in 2014 zijn toegenomen tot

16,30

2.000.000

Toename quotum in 15 jaar door inflatie

5,10

600.000

 

 

 

Raming quotum 2014 incl. nieuwe voorstellen TU

24,40

3.000.000

Toename quotum in 15 jaar door stijging lasten

8,10

1.000.000

 

 

 

Raming quotum 2014 o.b.v. te verwachten ledental van 121.500

24,70

3.000.000

Vermindering a.g.v. rijksbijdrage € 1,3 miljoen

10,70

1.300.000

Raming werkelijk quotum TU 2014 na aftrek rijksbijdrage

14,00

1.700.000

 

 

 

Quotum 2012 inclusief reservering € 300.000, rijksbijdrage € 1.146.000, aantal leden 123.069

14,56

1.800.000

 

De toename van de totale jaarbijdrage van de kerken boven de inflatie bedraagt over deze 15 jaar derhalve ± € 1.000.000. Daarvan komt ± € 500.000 voor rekening van de totale stijging in 2012 t.o.v. de door Zwolle Zuid vastgestelde begroting 2011.


Vergelijking met andere universiteiten


De vergelijkingsmogelijkheden met andere universiteiten zijn beperkt gebleken. De Universiteit voor Humanistiek en de Protestantse Universiteit zijn ongeveer drie keer zo groot als de TU. De Christelijke Gereformeerde Universiteit te Apeldoorn (TUA) is nog het meest vergelijkbaar. Onderstaande cijfers zijn gebaseerd op enkele cijferopstellingen die wij hebben ontleend aan jaarverslagen van de desbetreffende universiteiten uit 2010, waar mogelijk gecorrigeerd voor recente ontwikkelingen. Ondanks het globale karakter van de cijfers denken wij dat het van belang is enkele hoofdlijnen daaruit in uw overwegingen te betrekken.


De rijksbijdrage voor de TUA per student is ook na de aanpassingen van die bijdrage in 2012 nog licht hoger dan die voor de TU. De lasten van de TUA per student zijn ± € 3.000,= per student lager dan bij de TU (vergelijkingsbasis jaarverslag 2010, dus nog exclusief de geraamde toename van de lasten van de TU ad € 290.000 in 2012). In de CGK dekt de bijdrage van de kerken ± 26% van de lasten. Volgens recente berichten in de pers zal dit aandeel de komende tijd nog enigszins (moeten) toenemen. In de GKv is voor dekking van de lasten, inclusief de nieuwe voorstellen, een bijdrage van de kerken van ± 50% nodig.


Het quotum 2012 voor de universiteit bedraagt in de CGK ± € 6,95 per lid, in de GKV € 14,56 (incl. reservering ad € 300.000). Blijkens bovenstaande tabel wordt het quotum 2014 na enkele correcties voor de GKv geraamd op € 14,00. De quota in CGK en GKv komen weliswaar wat dichter bij elkaar te liggen, doch het verschil blijft aanzienlijk.


De Universiteit voor Humanistiek kan door nog lagere kosten per student dan de TUA functioneren zonder bijdrage van een “achterban” (2010). De cijfers van de PThU zijn slecht vergelijkbaar vanwege de aanwezigheid van tijdelijke reorganisatiekosten in de cijfers van 2010, en door een groot verschil in de rijksbijdrage per student, die in 2010 (onverklaarbaar) veel hoger was dan bij alle andere universiteiten.


Een verantwoorde en dragelijke (extra) last?


De extra last is financieel gezien gemakkelijk(er) te dragen door de rijksbijdrage (in 2012 € 1,3 miljoen). Doordat in de begroting 2012 van de TU voorzichtigheidshalve nog was uitgegaan van het toen bekende niveau van € 1,15 miljoen zit er in de begroting voor 2012 nog een ruimte van € 150.000,=. Tevens is in de begrotingen van de afgelopen jaren een salarisinflatie van 1,5% geraamd, die zich niet heeft voorgedaan. Dat levert een ruimte in de begroting op van ± € 50.000,=. Totale ruimte voor financiering van extra uitgaven is derhalve ± € 200.000,=. Na gebruik van die ruimte voor de nu voorgestelde extra lasten resteert nog een uit quotumverhoging te dekken extra bedrag van € 90.000, afgezien van een mogelijke toename van de lasten a.g.v. een eventuele verhuizing van de TU naar een andere vestigingsplaats.


Hierbij merken wij op dat nog niet bekend is of het niveau van de rijksbijdrage voor de komende jaren structureel op het niveau van € 1,3 miljoen zal uitkomen. Voorzover het structurele niveau in de komende jaren lager zal uitkomen zal (alsnog) aanvulling uit quotumverhoging nodig zijn.


Het feit dat “slechts” voor een deel van de lastenverhoging een verhoging van het quotum nodig is  neemt niet weg dat volgens de instructies voor de deputaatschappen alle deputaatschappen voortdurend worden opgeroepen al hun kosten waar mogelijk te beperken. In het rapport “Dragelijke lasten”, waarvan de conclusies en aanbevelingen door de synode in 2011 zijn aanvaard, is dat aangescherpt en is aangegeven dat deputaatschappen voortdurend de relatie tussen baten en lasten inzichtelijk moeten maken. Ofwel: deputaatschappen moeten kerken en kerkleden steeds goed inzicht geven in prestaties en kosten, zodat ze “weten waarvoor ze (extra) geven”.


Die afweging blijft naar onze mening ook vereist als er voor een deel “ruimte” is door een rijksbijdrage. Daarom hebben wij in het bovenstaande vooral ook de financiële gevolgen zonder rijksbijdrage zichtbaar gemaakt. Want of de extra maatregelen worden betaald uit een verhoging van het quotum of uit het achterwege laten van een verlaging van het quotum a.g.v. de rijksbijdrage: het moet wel worden opgebracht door (een dalend aantal) kerkleden. En dat blijft ook gelden als mogelijk alsnog een deel van de kosten kan worden “verhaald” op zendende instanties.


De TU heeft in de voorstellen een nadere onderbouwing gegeven van nut en noodzaak voor de kerken van de voorgestelde maatregelen. Is die onderbouwing zo helder en overtuigend dat het “gemiddelde” kerklid voor de voorgestelde maatregelen graag (extra) zal willen geven? Is de verbinding met vragen en behoeften vanuit de kerken, de “waarde voor de kerken”, voldoende inzichtelijk gemaakt?


Op deze vragen kan F&B het antwoord niet geven, dat is aan u als synode. De adviezen van F&B zijn uitsluitend gebaseerd op de hoofdstuk 8 uit de voorstellen van de TU, zonder de onderliggende detailuitwerking per onderwerp in andere hoofdstukken. Kijkend vanuit het financiële perspectief kan F&B, op grond van zijn opdracht, niet anders dan constateren dat de voorgestelde verhoging van de lasten niet past in de beoogde ontwikkeling van het quotum.


In de door de synode vastgestelde meerjarenbegroting voor de TU is uitgegaan van een jaarlijkse stijging van het quotum van ± 4%, ter dekking van verwachte totale loonkosteninflatie, omdat voorzichtigheidshalve is uitgegaan van de verwachting dat de rijksbijdrage geen compensatie voor inflatie zou gaan bevatten. In afwijking daarvan is echter de rijksbijdrage in 2012 gestegen en loonkosteninflatie zal naar verwachting voorlopig niet of nauwelijks aan de orde zijn. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar onze mening, mede in het licht van de financiële instructies van synoden aan deputaatschappen en de voortgaande daling van het ledental eerder vermindering van de uitgaven dan een toename.


Dat geldt des te meer omdat de keerzijde van de afwezigheid van loonkosteninflatie is dat inkomens van veel kerkleden nauwelijks zullen groeien en voor een deel zelfs zullen dalen. Ook dat pleit voor beperking van het quotum. De in het voorgaande geschetste ontwikkeling van het quotum voor de TU in de afgelopen 15 jaar en de vergelijking met enkele cijfers van andere universiteiten ondersteunen naar onze mening deze conclusies.


Samenvatting en conclusies inzake de “aanvullende notitie”

  1. Het praktijkcentrum zal worden ingericht op basis van de financiële taakstelling van realisatie binnen de bestaande budgetten van de samenwerkende deelnemers. Positief advies van F&B. Er is een onduidelijk voorbehoud t.a.v. de (financiële) inbreng van het Diaconaal Steunpunt.
  2. Voor internationalisering en inrichten van een bijzondere leerstoel “christelijke identiteit” is een extra budget geraamd van ± € 290.000,= per jaar.
  3. In verband met strategische samenwerking acht de TU het kiezen van een andere vestigingsplaats (een universiteitsstad) wenselijk ter versterking van positie en uitstraling. Verder haalbaarheidsonderzoek is nodig, inzicht in de financiële gevolgen ontbreekt op dit moment. Daarom is, na een nader haalbaarheidsonderzoek, een definitief synodebesluit nodig.
  4. De extra financiële lasten (€ 290.000) passen financieel gezien niet binnen de opdrachten tot kostenbeheersing in de instructies voor deputaatschappen, mede gezien de ontwikkeling van het quotum in de afgelopen 15 jaar en gezien enkele extern vergelijkende cijfers van andere universiteiten.
  5. Het oordeel over de vraag of nut en noodzaak (voor de kerken) van de voorgestelde maatregelen voldoende onderbouwd en inzichtelijk gemaakt zijn om deze extra lasten (€ 290.000 + extra aanwending eigen middelen TU € 80.000 = totaal € 370.000) desondanks toch te rechtvaardigen is aan de synode.
  6. Indien de synode besluit in te stemmen met de voorgestelde maatregelen, dienen de extra lasten ad € 290.000,= te worden gedekt uit de ruimte in de begroting 2012 (hogere rijksbijdrage € 150.000,= + ontbreken salarisinflatie € 50.000,=). Voor het dan nog ongedekte restant ad € 90.000 is de jaarlijkse reservering voor dat doel ad € 300.000,= (begrotingen 2012 – 2014) slechts voor een deel nodig en kan het restant van die reservering ad € 210.000 in 2012 vrijvallen. Afhankelijk van inflatie ontwikkeling kan dat ook gelden voor 2013 en 2014.

Wij wensen u wijsheid en bovenal Gods zegen toe bij al de besluiten die u de komende weken moet nemen.

 

Met broedergroet,

namens deputaten F&B,


E.T. Doornbos, secretaris 

 

120602 TU - xF&B Financiën uit concept statuut TU - versie F&B  incl. wijzigingen

 

Voorstel statuut TU (artikelen mbt financiën en begroting) /definitieve versie G. Schutte dd 12 april 2012.


[alle wijzigingen en opmerkingen van Henk]                


Aangevuld (met wijzigingsmarkering + toelichtende opmerkingen in de kantlijn) met voorstellen amendementen F&B voor verwerking in statuut, om verhouding van TU t.o.v. F&B vast te leggen in statuut, als bijlage toe te voegen bij advies van F&B aan GS Harderwijk t.b.v. besluitvorming in voortgezette zitting in juni 2012.


I. FINANCIEN


Artikel 46 (oud: 70)

46.1    De kerken zijn verantwoordelijk voor de financiële instandhouding van de onderhouden voor de opleiding van hun predikanten een theologische

[opmerking Henk: Deze tekst sluit beter aan bij de ontwerp Werkorde]

universiteit en maken daarbij zo mogelijk gebruik van overheidsbekostiging een rijksbijdrage.


[opmerking: Hier bewust de rijksbijdrage genoemd als tweede financiële hoofdstroom naast de bijdrage van de kerken als eerste hoofdstroom. Dit laat onverlet de mogelijkheid van andere subsidies, ook van het Rijk, zoals genoemd in art. 46.5]


Toel.: Het noemen van overheidsbekostiging naast de bijdrage van de kerken doet recht aan de situatie sinds de toekenning van overheidsbekostiging.


46.2    Op voorstel van het college van bestuur

[opmerking: Is  het niet vreemd dat niet de RvT als door de synode benoemde deputaten dit voorstel doet? Relatie Synode / TUK loopt toch via RvT/deputaten? En is het niet logisch dat dit in lijn is met art. 48.1?]

bepaalt

[opmerking: Formeel qua redactie: in een statuut van de TU hoort toch geen bepaling over iets wat de synode doet of hoort te doen?]


doet aan de generale synode telkens voor een periode van drie jaren een voorstel voor de jaarlijks door de kerken te betalen bijdrage (quotum). Het voorstel van het college van bestuur behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht.


46.3    De raad van toezicht verstrekt aan deputaten Financiën en Beheer (F&B) alle benodigde informatie om hen in staat te stellen hun adviesrol aan de generale synode en hun controlrol namens de kerken te vervullen, zoals vastgelegd in de instructies voor de deputaatschappen. Dit betreft met name de (meerjaren)begrotingen, het quotumvoorstel, de jaarrekeningen, het beleid inzake reserves en voorzieningen en het risicobeheer, gericht op beheersing en egalisatie van het quotum en op beheersing van de financiële risico’s voor de kerken.


46.4    De raad van toezicht overlegt jaarlijks op nader te bepalen tijdstippen met deputaten F&B over de in art. 46.3 genoemde onderwerpen, en wordt daarin naar behoefte bijgestaan door het college van bestuur.


[opmerking: Voorstel voor twee nieuwe artikelen waarin de verhouding met F&B wordt geregeld.
Dit vereist niet (direct) aanpassing van de instructies voor deputaatschappen, omdat in die instructies al (mogelijke) uitzonderingsbepalingen zijn opgenomen m.b.t. de TUK inzake aangaan overeenkomsten met derden, reserves en voorzieningen en de plaats waar liquiditeiten worden beheerd. Voorstel om hier geen concrete artikelen uit instructies te noemen, omdat anders elke aanpassing van de instructies, al is het maar bij verandering van nummering, ook tot aanpassing van het statuut zou moeten leiden.

Indien eventueel nog te maken nadere concrete afspraken (volgens afspraak niet via statuut te regelen) dat nodig maken, kan via een volgende synode indien nodig alsnog aanpassing van instructies plaatsvinden.]

46.53  Ter realisering van de doelstelling van de universiteit worden kunnen ook andere vormen van financiering worden benut, zoals verwerving van legaten,  sponsoring en subsidies. De voorwaarden voor aanvaarding van deze middelen moeten passen binnen de doelstelling van de universiteit, dit ter beoordeling van de raad van toezicht.


Toel.: Door een relatie te leggen met de doelstelling van de universiteit, zoals vermeld in art. 3, wordt een handvat geboden bij de beoordeling van andere financieringsvormen om te voorkomen dat de universiteit daardoor in een verkeerde afhankelijkheidsrelatie komt.


Artikel 47 (oud: 71) – begroting en jaarrekening


47.1    Het college van bestuur stelt jaarlijks voorafgaand aan het begrotingsjaar de begroting vast, waarin zijn opgenomen een personeelsparagraaf en een onderzoeksparagraaf. Indien deze jaarbegroting afwijkt van de meerjarenbegroting vraagt de raad van toezicht voorafgaand aan de goedkeuring advies aan deputaten Financiën & Beheer.


47.2    Het college van bestuur stelt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar na controle door een door de raad van toezicht aan te wijzen registeraccountant de jaarrekening van het afgelopen jaar vast. De jaarrekening moet zijn voorzien van een verklaring en bijbehorende managementletter van de accountant.


47.3    Geraamde uitgaven welke in een begrotingsjaar niet gerealiseerd zijn, kunnen  worden toegevoegd aan de algemene reserve. Overschrijdingen van het budget over enig jaar kunnen worden gecompenseerd gedekt ten laste van de algemene reserve. In overleg met deputaten Financiën & Beheer kan hiervan voor nader te bepalen categorieën over- of onderschrijdingen worden afgeweken.


[opmerking: Deze bepaling wordt noodzakelijk geacht om het desgewenst mogelijk te maken afwijkende afspraken te maken over b.v. het verrekenen van trendmatige verhogingen van salarissen en rijksbijdragen.]


Toel.: Dit artikel is toegevoegd om tegemoet te komen aan de in de praktijk gebleken behoefte aan enige zekerheid dat de geraamde middelen beschikbaar blijven ook als het door onvoorziene omstandigheden niet gelukt is alle middelen in het begrotingsjaar aan te wenden. Op deze manier wordt de  facto een meerjarenuitgavenplafond gerealiseerd.


47.4    Het college van bestuur draagt zorg voor een solide beleid betreffende reserves en voorzieningen, als onderdeel van de verantwoordelijkheid voor het risicobeheer van de universiteit. Ten aanzien van de minimale en maximale omvang van reserves en voorzieningen vindt afstemming plaats met deputaten Financiën & Beheer.


[opmerking: O.i. vormen reserves en voorzieningen samen de zekerheidsbuffers voor specifieke en algemene risico’s van de universiteit, en dienen onderdeel van risicobeheer te zijn. Aangezien risico’s uiteindelijk altijd bij de kerken terechtkomen is afstemming hierover met F&B noodzakelijk.]


Toel.: Tot een goed financieel beleid behoort het vormen van reserves als buffer voor algemene risico’s en het treffen van voorzieningen met het oog op specifieke reële risico’s.


47.5    Het college van bestuur stelt driejaarlijks een meerjarenbegroting op ten behoeve van de generale synode.


47.6    De begroting, de jaarrekening en de meerjarenbegroting behoeven, evenals het reserve- en voorzieningenbeleid,  de goedkeuring van de raad van toezicht.


47.7    Het boekjaar van de universiteit is gelijk aan het kalenderjaar.

- (oud:art. 72) – financieel beheer


Toel.: Het financieel beheer is in art. 8.2 opgedragen aan het college van bestuur waarop de raad van toezicht toeziet op grond van art. 12.2, die daarbij gebruik maakt van de auditcommissie bedoeld in art. 14.3.


Artikel 48 (oud: 73) – goedkeuring en décharge door generale synode


48.1    De raad van toezicht zendt ter goedkeuring aan elke generale synode voor ieder boekjaar dat is verstreken sinds de vorige generale synode de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag, zoals vastgesteld door het college van bestuur en goedgekeurd door de raad van toezicht. In het jaarverslag is een verantwoording van het uitgeoefende toezicht opgenomen. De raad van toezicht is bij het financieel beheer gehouden aan de instructies van de generale synode betreffende DF&B en de regeling inzake de verhouding van deputaatschappen t.o.v. DF&B.

[opmerking: Voorstel voor een toe te voegen bepaling  over de toepasselijkheid van de instructies voor deputaatschappen, die ook voor de TU van kracht blijven tenzij de synode expliciet anders besluit.]


48.2    Bij goedkeuring verleent de generale synode aan de raad van toezicht en het college van bestuur décharge voor het gevoerde financieel beleid en beheer en het uitgeoefende toezicht daarop.


120602 TU - xGDD Toelichting inz Praktijkcentrum

 

Diaconaal Steunpunt

 

Toelichting op de GDD beslissing betreffende het Praktijkcentrum

 

I. Samenvatting

Het GDD is voorstander van nauwe samenwerking op het gebied van praktijkgerichte theologie, praktijkgericht onderzoek, kennisverwerving en dienstverlening op het gebied van het diaconaat middels een Praktijkcentrum. Het GGD is van harte bereid vanuit de eigen organisatie aan dit Praktijkcentrum mee te werken. Vanaf het eerste overleg tussen de verschillende partijen van het centrum i.o. heeft het GDD duidelijk gemaakt dat die samenwerking is op basis van organisatorische zelfstandigheid en programmatische betrokkenheid. Daar is door de betrokken partijen in de discussies steeds mee ingestemd.


Organisatorische zelfstandigheid van GDD/DS is geen doel in zichzelf maar integratie is dat evenmin en nu zeker nog een brug te ver:

  • Deputaten hebben het finale conceptplan pas op 23 april 2012 ontvangen, te laat om een afgewogen oordeel te vormen over de mogelijke consequenties die het plan voor het DS uiteindelijk kan hebben.
  • Het DS is al vele jaren een efficiënt en effectief functionerend en gewaardeerde helpdesk voor de toerusting van diakenen van de GKv;
  • Het GDD heeft verplichtingen ten opzichte van de NGK en CGK betreffende het DS:

    • Sinds 1 april 2012 is het GDD voor het DS een officiële samenwerking aangegaan met de NGK. Diakenen van de NGK kunnen volledig gebruik maken van alle faciliteiten van het DS, en de NGK betaalt hier ook voor,
    • Het DS werkt nauw samen met het Diaconaal Bureau van de CGK. Een  alliantie van de diaconale bureaus op termijn behoort tot de reële opties. 
  • Het conceptplan mist een solide onderbouwing voor de organisatorische en financiële levensvatbaarheid van de integratie van (o.a.) het DS in het Praktijkcentrum (PC). Hiermee nu instemmen legt het DS onnodig in de waagschaal waarmee diakenen niet zijn gediend.
  • De diakenen zijn historisch en moreel eigenaar van het DS en moeten derhalve een stem hebben wanneer het profiel van het DS verandert. De huidige kwaliteit van het DS moet gewaarborgd blijven ten behoeve van het werk van de diakenen in de veranderende samenleving.

Op basis van deze gronden kan het GDD geen handtekening onder het huidige plan zetten.


Het GDD kan in dit stadium [noot: Het plan voor het Praktijkcentrum is in zijn huidige vorm onvolledig en onduidelijk over essentiële zaken om de consequenties van integratie en de levensvatbaarheid van het centrum te beoordelen. ] niet meegaan met de consequentie die dit plan [noot: Op weg naar een Praktijkcentrum:  samenwerken in de kerkelijke dienstverlening, 23 april 2012] voor het Diaconaal Steunpunt (DS) met zich meebrengt, namelijk de verplichting tot een permanente vorm van organisatorische integratie, zoals geformuleerd voor de tweede fase van het concept plan. Het GDD is van harte bereid tot nauwe samenwerking zoals voor fase 1 van het plan geformuleerd. Het GDD zal ook constructief het gesprek aangaan over een meer structurele integratie. Maar op dit moment is er nog te weinig duidelijkheid om het DS zonder meer aan dit proces over te geven.

 

II. Toelichting

 

1. GDD samenwerking en GS besluiten


In dit gedeelte geven we kort weer wat de GS over samenwerking van het GDD met andere partijen recentelijk geformuleerd heeft.

 

1.1 GS 2008 (VII)

De GS 2008 vroeg van het GDD een inspanningsverplichting om te komen tot integratie met het deputaatschap OOG. Deze taakstelling kwam voort uit de wens van de GS om te komen tot vereenvoudiging van de kerkelijke deputatenstructuur en een meer geïntegreerd aanbod van kerkelijke diensten. Eventuele integratie van de uitvoeringsorganen Diaconaal Steunpunt en het Centrum Dienstverlening ligt in het verlengde van deze opdracht.

 

GDD stelt aan de GS 2008 voor om GDD een zelfstandig deputaatschap te laten blijven, met een eigen Diaconaal Steunpunt (DS) van en voor de diakenen:

  1. Het GDD/DS is er ten behoeve van de diakenen en diaconieën en is tot stand gekomen op verzoek van de diakenen. De diensten van het DS (1 fte) worden volledig bekostigd door het landelijk kerkverband. De waardering en het gebruik van het DS blijven onveranderd groot.
  2. Het GDD kent als primaire taakgebieden: leidinggeven aan het DS van en voor diakenen, adviseren aan diakenen omtrent de toekenning van quota aan instellingen, die oorspronkelijk door of met diakenen zijn opgericht, voor hulp- en dienstverlening op diaconaal vlak.
  3. Het GDD is breed samengesteld uit personen met relevante competenties: het stuurt  het DS direct, actief en inhoudelijk aan. Tegelijkertijd vormt het DS met zijn korte lijnen naar de diakenen een essentiële informatiebron voor het GDD.

Het ‘succes’ van het DS wordt bepaald door de toegankelijkheid en herkenbaarheid voor de diakenen. De kwaliteit van de voorlichting en advisering is hoog en toegesneden op de praktijk van het diakenwerk. Deze ‘helpdesk’-functie van het DS dient minimaal op het huidige niveau te worden gehandhaafd om diakenen in de veranderende wereld adequaat te ondersteunen. Het inzetten van de Diaconaal Consulent voor andere doeleinden geeft risico op een verminderde inzet voor deze ondersteuning. De diakenen zijn historisch en moreel eigenaar van het DS en moeten derhalve een stem hebben wanneer het profiel van het DS verandert. De huidige kwaliteit van het DS moet gewaarborgd worden ten behoeve van het werk van de diakenen in de veranderende samenleving en de veranderende kerk.

 

GS 2008 besluit GDD op te dragen in samenspraak met aanpalende deputaatschappen te bezien, welke vormen van samenwerking en onderlinge afstemming van werkzaamheden mogelijk zijn, teneinde de door de kerken beschikbaar gestelde personele en materiële middelen zo doelmatig mogelijk te besteden (besluit 2.5);

Verder besluit de GS 2008 (Besluit 5): aan deputaten op te dragen het geregeld contact met deputaten diaconale zaken van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK-DD) voort te zetten met onder meer aandacht voor mogelijkheden van samenwerking tussen beide bureaus in concrete diaconale projecten, maar ook contacten te onderhouden met daarvoor in aanmerking komende diaconale bureaus c.q. deputaatschappen uit andere kerkgenootschappen. Dit mede om optimalisering van het werk van het Diaconaal Steunpunt te bevorderen.


1.2 GS 2011 (28 mei 2011)

Ook de GS 2011 neemt gelijkluidende besluiten als de GS 2008 (2.5 en besluit 5. inzake samenwerking met aanpalende deputaatschappen (besluit 2.5) en met de CGK en andere in aanmerking komende kerkgenootschappen inzake diaconale bureaus c.q. deputaatschappen (besluit 4.).

 

Verder besluit deze GS:

  • deputaten opdracht te geven verdere gesprekken te voeren met de Centrale Diaconale Commissie van de NGK om te komen tot een gezamenlijk Diaconaal Steunpunt (besluit 6.).
  • deputaten ruimte te geven om studie te doen en onderzoek te verrichten naar diaconale zaken en hierbij zoveel mogelijk samenwerking en afstemming te zoeken met deputaten OOG, de Theologische Universiteit en derde partijen (besluit 5).
  • deputaten op te dragen om met de Theologische Universiteit in gesprek te blijven over de noodzaak om in het studieprogramma meer integrale aandacht te geven aan het diaconaat (besluit 7).
  • deputaten GDD te ontslaan van hun inspanningsverplichting tot integratie met deputaten OOG (besluit 9).
  • het GDD en deputaten OOG op te dragen om de samenwerking op het gebied van het diaconaat in de kerken voort te zetten en te intensiveren en doublures te voorkomen (besluit 10).

Een nu te nemen besluit richting PC is niet goed mogelijk zonder verantwoording van  deze al door de GS genomen besluiten.


2. Samenwerking GDD en CGK en NGK

Het GGD onderhoud intensieve contacten met de Diaconale Deputaten van de CGK en met de Centrale Diaconale Commissie van de NGK. Die samenwerking komt uit in een nauwe samenwerking tussen het DS en het Diaconale Bureau van de CGK. Regelmatig vindt daarbij overleg plaats, neemt men deel aan elkaars jaarvergaderingen en diaconale projecten, en werken de bureaus samen aan lokale toerusting van diakenen. Een alliantie of zelfs integratie tussen de beide diaconale bureaus is, gezien de problemen waar diakenen door veranderend overheidsbeleid mee te maken krijgen, op termijn als realistisch te beoordelen.


Na intensief overleg tussen de CDC van de NGK en de GGD, om te komen tot een gezamenlijk Diaconaal Steunpunt voor diakenen, is per 1 april 2012 die samenwerking officieel van start gegaan. Deze samenwerking houdt ook een financiële ondersteuning in van de NGK aan het DS. Gezien de goede onderlinge contacten is verdere organisatorische samenwerking  te verwachten.


3. Samenwerking GDD en TU/GH en Centrum G

Het DS en de Gereformeerde Hogeschool - Academie Theologie (GH) werken nauw samen in het ontwikkelen en aanbieden van een cursus: ‘Diaconaat met Perspectief: De Barmhartige Kerk’. Voor diakenen zijn relevante inhouden ontleend aan het curriculum van de Academie Theologie, waarin ‘diaconale gemeenteopbouw’ twee maal zeven weken centraal staat. Zowel de GH als het Diaconaal Steunpunt heeft relevante inzichten samengebracht in een programma van vijf werkconferenties. Deze gezamenlijke conferenties worden dit jaar in de regio Gouda en Deventer gehouden.


De samenwerking met de TU Kampen is beperkt tot regelmatig contact met dr. Peter van de Kamp voor de inhoudelijke voorbereiden van de landelijke diakendag. Daarnaast heeft GDD/DS de afgelopen periode concreet meegedacht in een diaconale PEP cursus.

De samenwerking met Centrum G beperkt zich het laatste jaar tot vooral collegiaal overleg.  Gesproken is om een diaconaal thema toe te voegen aan het nieuw ontwikkelde product ‘in gesprek over’, een product dat kerken wil helpen om moeilijke onderwerpen bespreekbaar te maken. Vanuit DS is aangegeven dat een module ‘in gesprek over geldbesteding’ wenselijk zou zijn. Verder is benoemd dat diaconaat en missionair kerk zijn sterk met elkaar verbonden zijn; dat is nog niet verder uitgewerkt.


4. Samenwerking GDD en Praktijkcentrum i.o.


Naar aanleiding van eerdere gesprekken in 2008 heeft een projectgroep, bestaande uit leden van het GDD, TU, OOG en GHZ, in de zomer van 2011 een eerste verkenning uitgevoerd in enkele workshops waarin is nagegaan in hoeverre samenwerking tussen de genoemde instituten denkbaar en haalbaar is. De betrokkenheid van het DS is daarin als volgt aangegeven:


“De betrokken partners in de samenwerking zijn overtuigd van de noodzaak om het Diaconaal Steunpunt (DS) te betrekken bij de samenwerking vanwege de genoemde redenen: één kenniseconomie voor de kerken, combinatie van onderzoek en onderwijs met de praktijk van diakenen (input uit DS), vanuit de praktijk met dezelfde thema’s bezig als het DS, en de noodzaak om te stimuleren tot een diaconale gemeente.


De partners besluiten om het DS een beredeneerde plek te geven, waarbij de eigenheid van de helpdesk voor diakenen niet verloren gaat en de eigen positie gehandhaafd blijft. Met inzet van 1 fte voor deze functie. Organisatorisch zelfstandig en programmatisch betrokken.”


In het najaar van 2011 spreken de vertegenwoordigers van TUK, GH Zwolle en deputaatschap OOG de volgende intentie uit:

  1. De activiteiten binnen het Centrum Dienstverlening, TUK en GHZ gericht op ondersteuning van de opbouw van gemeenten worden op elkaar afgestemd en programmatisch ondergebracht in een gezamenlijk meerjarenplan ;
  2. In de eerste helft van 2012 zal uitvoering van het gezamenlijke plan  plaatsvinden in elk van de betrokken instellingen onder regie van een gezamenlijke stuurgroep ;
  3. Na goedkeuring van betrokken instanties zal de uitvoering van dit gezamenlijke plan neergelegd worden bij een op te richten Praktijkcentrum; 

Waarmaken van de intenties vereist het realiseren van de volgende doelen: 

  • Het ontwikkelen van een meerjarenplan ter ondersteuning van opbouw van gemeenten  en het uitvoeren van een gezamenlijk jaarprogramma in 2012 (eind januari 2012);
  • Het ontwikkelen van een business plan (BP) 2012-2017 voor het Praktijkcentrum waarin doelstellingen, middelen en beoogde resultaten van het PC beschreven worden (tussen nu en eind januari 2012) ;
  • Het verkrijgen van instemming met het BP door relevante bestuurslichamen (TUK, GHZ, deputaten OOG, GDD,  en direct betrokkenen (o.a. medewerkers) (februari-maart 2012);
  • Het ter goedkeuring aanbieden van een  voorstel aan de synode betreffende de oprichting van een PC (incl. financiële regelingen en beheersstructuren) en het eventueel opheffen van bestaande regelingen en bestuursstructuren (apr/mei 2012).

In de periode augustus tot december 2011 is het GDD niet gevraagd mee te doen in   bovenstaand overleg en het GDD is dan ook niet betrokken geweest bij de totstandkoming van deze intentieverklaring. Contacten op initiatief van het GDD met de TUK leiden ertoe dat het GDD vanaf januari 2012 in enkele projectengroepen meedraait. Dit resulteert in februari 2012 tot de volgende verklaring (d.d. 27 februari 2012):


“Deputaten OOG, de Gereformeerde Hogeschool, het Generaal Diaconaal Deputaatschap en de Theologische Universiteit hebben de handen ineengeslagen om te komen tot een gezamenlijk programma, gericht op een optimale ondersteuning van de opbouw van onze kerken. In een eerste fase zetten we ons in om de aanwezige kennis, kunde en relaties in onze organisaties maximaal te benutten bij het uitvoeren van het programma. In een tweede fase zullen we ook een nieuwe organisatiestructuur vormgeven die de samenwerking verder bevordert en versterkt, waarbij het Diaconaal Steunpunt organisatorisch zelfstandig blijft. In bestuurlijk overleg op 23 februari 2012 is nog eens ons commitment bevestigd en zijn voor de komende periode procesafspraken gemaakt.


Een gezamenlijke missie en visie is al tot stand gekomen en we zijn bezig met de ontwikkeling van een meerjarenprogramma. Dat meerjarenprogramma maakt gebruik van de expertise die bij de verschillende instellingen aanwezig is en bouwt voort op de programma’s zoals die met name bij het Centrum-G en het Diaconaal Steunpunt aanwezig zijn.”


Uitspraken in het conceptplan voor het Praktijkcentrum (4.1) gaan echter verder dan  organisatorische zelfstandigheid van het DS: “Partijen kiezen voor het bereiken van het einddoel in twee fasen: eerst programmatische samenwerking, vervolgens een bestuurlijke en juridische integratie.” Ook uitspraken in de samenvatting van het plan (1.1) wijzen op de consequenties vooraf: “De samenwerking is tegelijkertijd niet vrijblijvend en heeft gevolgen voor de positionering en het functioneren van elk van de partners. Partijen hebben zich daarom jegens elkaar verplicht om in een tweede fase een verdergaande en permanente vorm
van organisatorische samenwerking te realiseren.”


Het plan is in zijn consequenties incompleet voor de vergaande consequenties die het bij ondertekening heeft voor het DS. Het plan mist o.a. criteria voor:


a)    Heldere uitgangspunten, doelstellingen en vooronderstellingen;

b)    Een transparante organisatie- en beheerstructuur;

c)    Haalbaarheidscriteria: financieel, bedrijfseconomisch, organisatorisch en juridisch;

d)    Risicoanalyse;

e)    Kwaliteitsborging van de dienstverlening op basis van de verwachtingen van partijen;

f)    Waarborgen voor de personele bezetting en benodigde competenties.


Samenvattend kunnen we stellen dat het tweefasenplan voor het Praktijkcentrum in zijn huidige vorm onvolledig en onduidelijk is over essentiële zaken om de consequenties van integratie en de levensvatbaarheid van het centrum te kunnen overzien en te beoordelen. Het GDD sluit niet uit dat het DS op termijn wel in het Praktijkcentrum ondergebracht zou kunnen worden. Het ingrijpende proces vraagt echter voor GDD om een degelijk bestuurlijk traject, zowel binnen GDD, als naar DS, NGK, CGK en de partners in het Praktijkcentrum. De termijn is daarvoor voor GDD te kort geweest om dit voor de synodezitting op verantwoorde wijze te kunnen doen. Het GDD zegt toe om zich constructief voor dit proces in te zetten, waarbij de kwaliteit van het DS uiteraard het primaire belang is.


GDD,


Zwolle, 10 mei 2012.



61-120608 TU - Amendement Wezeman-Bakker-Mollema inz besluit 3 leerstoel CI

 

Besluit 3 (Voorstel oprichting bijzondere leerstoel “christelijke identiteit”)

  1. een bijzondere leerstoel christelijke identiteit in te stellen conform artikel 33 van het statuut van de Theologische Universiteit uit te spreken dat het instellen van een bijzondere leerstoel Christelijke Identiteit door de synode  positief wordt gewaardeerd;
  2. de TUK op te dragen de synode van Ede 2014 te dienen met een overzicht van de noodzakelijke maatregelen die randvoorwaardelijk zijn voor de verbreding van de Universiteit als bedoeld in het voorstel;
  3. de TUK op te dragen samenwerking te zoeken met de TUA en de GH en CHE bij het instellen van zo een bijzondere leerstoel
  4. het huidige reglement voor bijzondere leerstoelen vervallen te verklaren met ingang van een door het College van Bestuur te bepalen datum

Gronden :

  1. de instelling van een bijzondere leerstoel christelijke identiteit past in de strategie van de TU en zal een zinvolle en relevante bijdrage leveren aan het leven en werken van christenen in deze maatschappij.  De leerstoel zal naar zijn aard een verdere strekking hebben dan de GKV wereld en dus is samenwerking met genoemde andere partijen die een eender belang hebben onontbeerlijk
  2. In het nog vast te stellen universiteitsreglement kunnen bepalingen worden opgenomen met betrekking tot bijzonder hoogleraren. Op deze manier kunnen de bepalingen die gelden voor andere docenten van overeenkomstige toepassing worden op bijzonder hoogleraren, verbonden aan een bijzondere leerstoel.