Ethiek

Synodeverslagen

Signalen

Bunschoten-Spakenburg, zaterdag 14 dec.
Bezinningsdag MVEA
Immanuelkerk, Plevier 2, 10.00-15.00 uur
info: www.bezinningmvea.nl

Emmeloord, vrijdag 24 januari
'Hoe lief heb ik uw wet'
Ds. A. Bas
De Ontmoeting, Europalaan 42, 20.00 uur



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Synodeverslag week 22 - Kinderdoop en overdoop


 D.J. Bolt
04-06-11

De Harderwijkse synode sprak op 3 en 4 juni 2011 over een aantal 'quaestio's' - in huis-tuin-keuken taal: 'vragen', - die door de Particuliere Synode Gelderland-Flevoland op haar tafel waren gelegd. Het betrof een drietal zaken (aangegeven daarbij is de datum van synodebehandeling): 

  1. Raakt weigeren kinderdoop fundamenteel leerstuk? (3 juni)
  2. Is 'overdoop' grond voor een feitelijke onttrekking? (4 juni)
  3. Is het niet gewenst dat er een protocol komt m.b.t. schorsen en afzetten? (3 juni)

 De laatste vraag valt natuurlijk niet onder het onderwerp als in de titel weergegeven maar behoorde wel tot de reeks vragen die de PS Gelderland/Flevoland aan de generale synode stelde. Daarom nemen we hem hier mee, temeer omdat de bespreking van het voorgestelde antwoord nauwelijks enige tijd vroeg.

 

De bespreking werd voorbereid door de synodecommissie Holland-Zuid met rapporten en conceptvoorstellen.

 

 

Quaestio 1 - Raakt weigeren kinderdoop fundamenteel leerstuk?

 

Commissie – Ds. Ophoff

Toelichting rapport is niet nodig. [zie rapport en voorstellen bijlage 1]

 

BESPREKING RONDE 1

 

Ds. Oostland

In de uitspraken van 1914 staat de conditie: "…mits dit niet eenig fundamenteel stuk der waarheid raakt…", is daarmee al niet het antwoord gegeven? Heeft dit punt al eens eerder in de geschiedenis van de kerk gespeeld?

 

Inhoudelijk: er wringt iets. Op pag. 3 staat dat de appellant zich niet beroept op de GS. Dus waar wacht de appellant op? Als hij iets van de GS had gewild had hij een appelschrift moeten indienen.

 

Op pag. 3 staat ook dat het gesprek in de gemeente met evangelischen over de gereformeerde leer niet wordt gestimuleerd met een lijst van afwijkingen die al of niet fundamenteel zijn. Daar ben ik het mee eens maar de synode kan hier wel inhoudelijk over spreken.

Het rapport zegt verder dat kerkenraden wel in staat zijn hierover te oordelen. Geldt dat wel voor alle kerkenraden? Vergelijk de richtlijnen voor huwelijk en echtscheiding. Richtlijnen kunnen helpen om in specifieke gevallen afwegingen te maken. Daarmee slaat de synode het gesprek niet dood.

 

Br. Feenstra

De commissie zegt aan het eind dat er t.a.v. de betekenis en reikwijdte van de uitspraak van Den Haag 1914 in het ressort van Gelderland nog enig werk te doen is. Met onze voorgestelde uitspraak, wat voor werk is dan nog nodig?

 

Ds. Trimp

Het geheel is nogal erg formeel. Ik ben ook van mening dat we niet aan het verzoek kunnen voldoen, maar niet op basis van de voorgestelde twee gronden. Er is door de PS in een appelzaak een uitspraak gedaan, en nu komt er als toegift een uitspraak van de generale synode. Daarin staat dan "dat de PS niet heeft aangetoond", dat is niet sterk, het is ook te gemakkelijk. Het is een zwaktebod hier want dat kan heel subjectief zijn. Waarom dan niet?, zou een terechte tegenvraag zijn. Daarom moet de commissie meer inhoudelijk spreken.

 

Een synode kan nooit een algemene uitspraak over tuchtwaardigheid doen. Vergelijk dat met wat er is uitgesproken over homoseksualiteit op de vorige synode. Daar gaan kerkenraden over.

 

Of de kinderdoop van fundamenteel belang is? Dat is een vreemde vraag van de PS.

We kunnen niet aan het verzoek voldoen. Grond 1 moet aangeven dat de doop fundamenteel is voor de identiteit voor onze kerken. En de kerkenraad beoordeelt een weigering van de kinderdoop.

 

Br. Van Dixhoorn

Gronden moeten aanpast worden. Die moeten wijzen op Bijbels onderricht dat zelfs kan leiden tot vermaan.

De acta van 1914 beschrijven een andere situatie dan nu. Toen ging het om iemand die kerklid wilde worden en moeite had met de kinderdoop. Nu weigeren kerkleden de kinderdoop. Qua zwaarte kan dit naast overdopen worden gezet.
Het handhaven voor de kinderdoop moet in de gronden sterker tot uiting komen.

 

Ds. Moedt

De commissie heeft voor een deel gelijk. Het verzoek van de PS kan niet worden gehonoreerd, zeker nu er geen appel van de broeder is. Maar de zaak is wel heel belangrijk. Het gaat om de bediening van de sacramenten, om een kenmerk van de kerk.

Het is onbevredigend als dit formeel wordt afgedaan. Wat betekent 1914 nú, ga dat eens uitzoeken.

 

Ds. Feijen

Het spoor van commissie Holland-Zuid is te volgen. Maar toch moeten we over de eigen schaduw heen stappen. Er ligt een probleemveld in de kerken. In kinderdoop en overdoop. In helikopterview zie je van alles gebeuren in de kerken. Geef beide zaken aan een studiecommissie voor rapportage aan de volgende synode. Het komt wettig uit de kerken.

Velen in de kerken kijken hier anders tegen aan. Vergelijk dit met de richtlijnen voor huwelijk en echtscheiding. Het zou me een lief ding waard zijn als er een studie aan wordt gewijd en richtlijnen worden vastgesteld waar we wat mee kunnen en we niet te formeel blijven.

Er is sprake van desintegratie van het kerkelijke leven op allerlei niveaus, ook op het punt van Gods verkiezing en welbehagen. Laten we hier goede aandacht aan geven.

 

Commissie – Ds. Ophoff

Ik wil er allereerst op wijzen dat het goed is te kijken naar wat wordt gevraagd, zie pag. 2: of de kinderdoop een fundamenteel stuk van de leer is dat met de tucht moet worden gehandhaafd. Meer wordt niet gevraagd. Opdracht van de generale synode is daar een antwoord op te geven.

 

De quaestio komt voort uit een appelzaak waar een classis en PS zich uit het oogpunt van recht mee bezig hebben gehouden. De PS heeft als rechter daarin al een uitspraak gedaan. En vervolgens nu óns de vraag gesteld over het karakter van de uitspraak van Den Haag. Dat is een merkwaardige gang van zaken. Dat moet je zo niet doen.

 

Grond 2 is de hoofdgrond. Als we de zaak toch inhoudelijke gaan behandelen leidt dat tot allerlei verwarring. Hoe kan het dat dit zo op de synode is gekomen?, wordt dan gevraagd. Hoe de geschiedenis van de tolerantie moet worden gelezen, is niet relevant. Dat wordt ons niet gevraagd.

 

De commissie heeft geprobeerd iets te zeggen van hoe kerkenraden met dit probleem in de gemeente moeten omgaan. Maar het gaat het verzoek ver te buiten om richtlijnen hiervoor te gaan genereren. Daarvoor is een andere aanvliegroute nodig. Met richtlijnen voor huwelijk en echtscheiding zijn diverse synoden bezig zijn geweest omdat er grote moeiten waren in de kerken. Daarom is dit niet te vergelijken. Richtlijnen hiervoor kan weer nieuwe spanningen oproepen.

 

De commissie Holland-Zuid spreekt zich niet uit over de appelzaak. Maar de vraag in de kerken is wel, of je 1914 hier zou mogen gebruiken. De vraag van de PS blijft dus liggen en daar moet naar worden bekeken. Daarom is er voor de PS nog het nodige werk te doen. Het onderliggende punt is nog niet naar tevredenheid opgelost, moet je constateren.

 

Grond 1 formuleert "niet aangetoond…". We hebben aangegeven wat aantonen betekent. De kerken omschrijven in hun belijdenis en formulieren wat de doop betekent. Maar de PS heeft aangegeven dat dat onvoldoende is. De grond lijkt sober maar de kerken zeggen hiermee dat het materiaal wat we hebben, voldoende is om daar mee te werken. Gronden als van ds. Trimp zijn niet nodig. Dan ga je inhoudelijk te ver t.o.v. het verzoek van Gelderland.

 

AMENDEMENT

 

Ds. Trimp

Ik kan de redenering van de commissie heel goed begrijpen maar het is toch te mager bij elkaar. Waarom niet in de gronden een statement maken als zó is de lijn - zonder dat je op het verzoek in gaat want de PS vraagt naar de bekende weg. Daar hoeft geen aparte uitspraak over worden gedaan. En, de GS heeft geen bevoegdheid te bepalen hoe een KR met zulke mensen die hun kinderen doop onthouden, moeten omgaan.

Daarom dien ik het volgende amendement in als vervanging van grond 1:

 

Grond 1: het goed recht van de kinderdoop als opdracht van God is duidelijk vastgelegd in onze belijdenis (b.v. zondag 26 en 27 HC) en geldt als één van de kenmerken van de ware kerk (art. 29 NGB) – daarover is geen uitspraak van een GS nodig in de zin van een al dan niet ‘fundamenteel leerstuk’

Grond 2: het behoort tot de verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerkenraad om in het pastoraat ouders die de doop aan hun kind onthouden Bijbels onderwijs te geven en liefdevol te vermanen.

 

BESPREKING RONDE 2

 

Ds. Oostland

Ik ben blij met het amendement van Trimp. Belangrijk is ook dat de oude grond 2 is blijven staan.

 

Br. Aartsma

De doop is zo helder en is veel bestudeerd in onze kerken. Dat is geen punt meer van discussie. De PS had zelf het antwoord kunnen vinden. Ze heeft er te weinig aandacht aan gegeven.
Ik ondersteun het amendement Trimp: in de belijdenis staat het antwoord al.

 

Ds. Scherff

Het geamendeerde besluit is innerlijk tegenstrijdig: het zegt 'niet voldoen aan', en gaat vervolgens in gronden toch een antwoord geven. Het voorstel van de commissie is dus beter.

 

Br. De Groot

'k Ben het eens met Feijen. Een snelle handreiking van een halve pagina in de ND zou kunnen helpen want het leeft sterk in de kerken.

 

Br. Greving

Ik sluit me aan bij ds. Scherff. 'Het is toch helemaal geen vraag', dat is toch de uitspraak? Dus voel ik niet voor aanvullende grond 1. Aanvullende grond 2 is mij wel sympathiek, daar ligt de verantwoordelijkheid.

'Is niet aangetoond' overtuigt veelal niet, maar er is geen andere keuze.

We moeten niet via een studiecommissie uitspraken gaan doen die een bindend karakter kunnen krijgen, want dat kan alleen maar tot verwijdering leiden.

 

Ds. Leeftink

We moeten hier niet op gaan studeren. Verwijzing naar de belijdenis is voldoende.

 

In 1914 werd toch in het kader van de doop gesproken over "niet dwaalt op eenig fundamenteel stuk van de leer". Graag wil ik horen of hier nu een fundamenteel stuk in geding is. Want bijvoorbeeld bij loochening van het werk van Jezus Christus als fundamenteel stuk van de leer, is er niet veel geduld om te onderwijzen door de kerkenraad. Dus ging het in 1914 om te goeder trouw dwalen op een niet-fundamenteel stuk van de belijdenis. We moeten het nu niet fundamenteler maken dan in 1914.

 

Ds. Moedt

Waarom zouden we zo negatief doen over grond 1. Dat formuleert op een positieve manier wat de commissie doet: 'daar staan wij voor'. Ik ondersteun Trimp van harte.

 

Ds. Feenstra

Grond 1 van de commissie zegt: formeel niet aangetoond. Maar de rest zijn wel inhoudelijke uitspraken. Is dat niet voldoende?

 

Br. Mollema

Ik vind het commissievoorstel veel beter doordacht dan dat van ds. Trimp. We moeten niet op formele gronden afwijzen en vervolgens er in grond 2 iets op ingaan. Grond 1 van de commissie uitstekend, is een zuivere redenering. Grond 1 van Trimp voegt niks toe.

 

Andere vraag. Ds. Trimp stelt dat we geen recht hebben te bepalen hoe een KR met zulke mensen die hun kinderen doop onthouden, moeten omgaan. Daar moeten we inderdaad voorzichtig mee zijn. Maar waarom zou, na studie, een GS geen recht hebben algemene uitspraken te doen? Maar ik kom niet met een tegenvoorstel. In elk geval moeten we niet dat knullige amendement toevoegen.

 

Commissie – Ds. Ophoff

We zijn het eens met sprekers die een tegenstrijdigheid zien tussen de uitspraak en de gronden van Trimp. Er staat teveel in grond 1 waardoor de onhelderheid versterkt wordt.

De zin van grond 2 van Trimp ontgaat ons.

De appellant is uitdrukkelijk uitgenodigd om in appel te gaan bij de GS. Maar dat heeft deze niet gedaan. Dan moet de PS dat niet even voor hem gaan doen.

 

Ds. Trimp

Het is niet een spontaan amendement. Er is een nachtje over geslapen. De gronden zijn ook niet tegenstrijdig met de uitspraak. Ze geven aan waarom niet op het verzoek wordt ingegaan.

De belijdenis is duidelijk, het is het tweede kenmerk van de kerk. Tucht handhaven is maatwerk van gemeente. De omgang met leden die moeite hebben met de kinderdoop, moet plaatselijk worden bekeken. Daar heb je als GS niets over te zeggen.

 

De commissie zegt dat in de commissiegrond 1 wat ik wil zeggen, eigenlijk al staat. Echter ik bekijk het van de andere kant: als het er al in zit, spreek dat dan ook expliciet uit.

 

Het punt van 1914 is lastig. Het gaat daar naar mijn indruk om toelaters met aarzelingen. Dat is zo anders dan de vraag die er nu ligt. Daarom moeten we die GS er buiten laten.

 

Ds. Leeftink

Kan er een derde ronde worden gegeven?

 

Preses

Ja, voor hen die daar dringend behoefte aan hebben.

 

BESPREKING RONDE 3

 

Ds. Leeftink

Ik ben voor duidelijkheid en daarom stem ik in met het amendement van Trimp. Zodat we niet de soortgelijke problemen krijgen als destijds met Leusden 1999 rond het vierde gebod.

 

Br. Wezeman

Graag nog aan grond 1 toevoegen: "Het verzoek van de PS is vragen naar de bekende weg omdat …"

 

Br. Mollema

Ik heb hier procedureel grote moeite mee. Andere mensen kunnen nu niet meer reageren.

 

Preses

We zijn hier nog niet klaar mee.

 

Commissie – Ds. Ophoff

Leeftink heeft iets gezegd in een 'drie minuten interpretatie' van Leusden met zijn grote gevolgen. Wat via een appelzaak op de GS kwam is daar door de GS in studie genomen met jarenlange gevolgen. Ik verbind daar een andere conclusie aan. Namelijk dat je niet vanuit een appel bredere zaken aan de orde moet stellen. We moeten appelzaken en bestuurszaken uit elkaar houden. Grond 2 van de commissie is de belangrijkste grond.

 

We ontraden de tekst van Wezeman ten stelligste. Bekende weg? Dat komt als een boemerang terug. Daarin ligt toch de suggestie dat het om een fundamentele zaak gaat. De commissie zegt: het probleem is in wezen niet opgelost, en houdt zich daarom aan een sobere maar inhoudrijke tekst.

 

Ds. Trimp

Ik wil commissiegrond 1 nog sterker maken dan hij al is. En toch wordt deze door de commissie ontraden? Het is wel gezegd maar moeten we het dan ook niet zo vastleggen?

 

STEMMING

 

Besluit Quaestio 1

- Amendement Trimp: verworpen V14T22O00

- Besluit: aanvaard V34T00O02

 

 

Quaestio 2 - Is 'overdoop' grond voor een feitelijke onttrekking?

 

Commissie – Ds. Van Dijk

Het is een actueel thema. Het vraagt om duidelijke taal. [zie bijlage 2 voor rapport en voorstel]

 

BESPREKING RONDE 1

 

Ds. Harmannij

De strekking steun ik maar de details niet overtuigend. Moet de GS besluit 1b uitspreken? Het zal wel waar zijn maar is niet een slag in de lucht, een uitspraak zonder betekenis?

 

In besluit 1c kan taalkundig 'waar' beter vervangen worden door 'aangezien'.

Wat betekent in besluit 1d 'alle andere gevallen'? Alle t.o.v. besluit 1c? Dit moet wat hoekiger worden geformuleerd.

Zelfde verhaal in de gronden. De commissie trekt het breed, door categorisch in grond 3 zelfs als conditie voor onttrekking de instemming van het gemeentelid te stellen. Echter we moeten maar niet al te grote uitspraken doen.

Verder in grond 3 kan 'heeft recht op…' beter vervangen worden door 'heeft de kerkenraad de opdracht tot…'

 

Ds. Leeftink

Ik kan me vinden in de grote lijn maar heb wel een paar vragen.

Het is terecht om na een bewuste keuze toch nog de tijd als kerkenraad te nemen. Overdoop is geen onttrekking metterdaad. Iemand moet dat zelf aangeven.

Het onderscheid tussen 'bewust' en 'opwelling' is terecht. Maar bij besluit 1c gaat het om een bewuste overdoop. Het zou jammer zijn nog een heel traject met de broeder of zuster te moeten lopen want er is vaak al gekozen. Dus punt c duidelijker formuleren.

 

Bij grond 2 spreekt u over 'bewuste daad'. Maar overdoop is toch een bewuste daad? Waarom constateert u dan niet een bewuste onttrekking?

 

Ds. Trimp

Ik heb dezelfde moeite als Harmannij. Ik ben het dus wel met de strekking eens maar er wordt nog erg gefocust op de aandacht voor het gemeentelid. Dat is een gevaar. Overdoop is een objectief gegeven. Het is van belang welke vragen daarbij zijn gesteld, b.v. over het lidmaatschap van die gemeenschap dat er mee wordt verkregen. Dus de formulering moet sterker worden gemaakt door ook de gevolgen er bij te betrekken. Je hebt je gevoegd bij een andere gemeenschap. In het conceptbesluit wordt teveel afhankelijk van grond 3 gemaakt.

 

Er is al eens een notitie gemaakt door Zeewolde, kunt u daar iets over zeggen?

 

Ds. Moedt

Als iemand zich bewust heeft laten overdopen, dan is daarbij ook een gesprek geweest. Feitelijk gaat het dan om een onttrekking. Ik kan me wel in de hoofdlijn van het voorstel vinden maar de praktijk is vaak anders.

Ook ontstaat er vaak ontrust in de gemeente. De kerkenraad zal hierover voorlichting moeten geven aan de gemeente.

 

Br. Mollema

Het zal een lastige worsteling zijn geweest van de commissie. De facto is er sprake van een onttrekking. Besluit c zou beter kunnen worden vervangen door de zin uit de toelichting: "Een kerkenraad kan uit het gedrag van een gemeentelid concluderen dat iemand zich onttrokken heeft. Maar dat kan nooit als de betrokkene er blijk van geeft daar niet mee in te stemmen." Dat is algemener en niet zo gekoppeld aan de overdoop.

 

Commissie – Ds. Van Dijk

We komen terug met een aanpassing van grond 3, dus dat even parkeren.

 

Besluit b is een uitspraak. Die constatering vormt wel een bouwsteen voor het vervolg.

 

Harmannij wil grond 2 ook zonder instemming van het gemeentelid. Toch moet die instemming er wel in blijven staan voor zolang er nog contact mogelijk is. Alleen als iemand met onbekende bestemming vertrokken is, houdt het op.

We spreken over recht, want het blijft een gemeentelid waar we onze handen niet van af mogen trekken. Het is een gemeentelid dat ernstig dwaalt en dat dus vermaand moet worden en goed onderwezen.

 

Leeftink zet een bewuste keuze tegenover een opwelling om zich te laten overdopen. Maar hier gaat het ook om een bewuste keuze om lid te blijven van de GKv. Dat kan niet zonder meer wat dat is in strijd met de belijdenis en de leer van de kerk. Maar je kunt niet gelijk zeggen: u bent geen lid meer. Dan moet het gaan om een bewuste keuze voor die andere kerk.

 

Leeftink noemt de overdoop een objectief gegeven. Dat is waar maar de oorspronkelijke doop is dat ook. En de waterceremonie van de overdoop erkennen we niet want die verdraagt zich niet met de belijdenis van de kerk. Daarom blijven we het gemeentelid op de 'eerste' doop aanspreken. Dat geeft wel een hoge spanning want die doop blijft. 'Ontdopen' zoals men in België meende te kunnen doen, kan nooit. Maar je kunt iemand ook niet dwingen tot consequenties van de overdoop. Hooguit kun je zo iemand excommuniceren na vermaning en afwijzende reactie daarop. Daar gaat het om.

 

Onrust in de gemeente is een behoorlijk probleem. Maar dat is niet op te lossen door het lid af te snijden. Je kunt ook niet tegelijk op allerlei manieren lid van de kerk zijn.

 

Wat Mollema betreft over besluitonderdeel c, we hebben ons geconcentreerd op de vraag of overdoop een bewuste beslissing tot losmaking van de kerk is, of niet.

 

We hebben nu een andere redactie van besluitonderdeel c:

 

'Wanneer het gemeentelid de overdoop presenteert als een overgang naar de gemeente waar de doop plaats vindt, de kerkenraad de tijd neemt om zich te overtuigen van het bewuste karakter van deze keuze van het gemeentelid en zo ook ruimte creëert voor bekering.'

 

In onderdeel d formuleren: 'dat ook in andere gevallen…'

 

In de Zeewolde-notitie wordt ook niet simpel de overdoop als een onttrekking gezien maar een 'aanvliegroute' met veel pastorale elementen gekozen. Het verschil met Veenendaal, waar overigens geen beleidsstuk van beschikbaar is, is niet zo groot.

 

AMENDEMENTEN

 

Ds. Leeftink

Het alternatief van de commissie maakt het voor mij niet duidelijker. Gesprekken zijn er al lange tijd geweest als er een bewuste keuze gemaakt wordt. Als er dan een overgang naar die andere gemeente wordt gepresenteerd, dan is er niet nog een heel traject van vermaan en bekering nodig. Daar moet de kerkenraad zich van overtuigen.

Samen met Moedt dien ik een amendement in om het tweede deel van het besluitonderdeel te vervangen door:

 

dat waar overdoop de bewuste keuze van het betrokken gemeentelid inhoudt van een overgang naar de gemeente waar de doop plaats vindt, de kerkenraad zich hiervan overtuigt alvorens met instemming van het betrokken gemeentelid zijn of haar onttrekking te constateren en af te kondigen;

 

Waarom wordt er in besluitonderdeel c wél van vermaan en daarop volgende bekering besproken maar niet in d? Juist bij d waarin er (ook) sprake is van een opwelling wil je toch ook bekering en berouw?

 

Br. Mollema

Ik ben het helemaal eens met de strekking maar de moeite blijft met de tekst. Onderdeel c plakt twee dingen aan elkaar, die niet koppelbaar zijn.

Vergelijk overdoop met kerkgang bijvoorbeeld. Dan is het ook waar. Daarom niet een amendement dat het veel korter formuleert namelijk:

 

ook in het geval van overdoop kan de constatering van een onttrekking alleen volgen uit een bewuste overgang naar een andere gemeente;

 

Ds. Harmannij

Het is aardiger als besluit niet 'uit te spreken' maar 'te antwoorden' op de quaestio.

 

Ds. Ter Beek

Met onderdeel c kun je alle kanten uit. Daarom sluit ik me aan bij Leeftink en Mollema.

 

BESPREKING RONDE 2

 

Br. Aartsma

Ik heb meegemaakt dat er 40 leden werden overgedoopt en naar een andere gemeente gingen. De praktijk is vrijwel altijd dat na een langdurig traject in het eindstadium aangesloten wordt bij de andere gemeente. In een opwelling laten overdopen en lid willen blijven komt niet veel voor. Daarom steun ik het amendement Leeftink/Moedt.

 

Br. Greving

Het concept voldoet nog niet helemaal als antwoord. De situatie overdopen en lid willen worden van de andere kerk, maar onder aandrang van ouders toch lid blijven, is niet gedekt. Dat kan niet. Ik kom daar niet goed uit met d en met de amendementen. Accepteren we nu een 'duo lidmaatschap'? Daar is een antwoord op nodig. Is hier kerkrechtelijke informatie over ingewonnen? Duo lidmaatschap kan niet.

 

Ds. Harmannij

Het commissie voorstel loopt niet echt. Mollema is hier weer te ver van af, het is te kort door de bocht. Dat is het voorstel Leeftink/Moedt beter, helderder.

 

Ds. Trimp

Het is belangrijk het niet helemaal te laten afhangen van de instemming van het lid. De kerkenraad moet er de consequentie uit trekken en niet de houding van het kerklid geheel bepalend laten zijn.

 

Overdoop als objectief gegeven, is wel het feit. Dat mag sterker worden aangezet.

 

Ds. Niemeijer

De vraag die voorligt, is niet wat kerken te doen hebben bij overdoop, maar of de overdoop een feit van onttrekking is. De doop betekent inlijving in de kerk van Christus. De doop is niet puur alleen dopen, maar heeft ook kerkelijke consequenties. In de CGK wordt het wel als breuk met de kerk gezien hoewel dat nog niet direct betekent dat het een onttrekking is. De doop niet los verkrijgbaar, je wordt in de gemeente gedoopt.

Vraag is, kan een kerkenraad concluderen tot een feitelijke onttrekking? Daarbij moet eerste brief aan de Korinthiërs worden betrokken. Het antwoord op de vraag is dat onttrekking alleen kan worden geconstateerd als er een bewuste overgang naar een andere gemeente is. Overdoop is niet te tolereren, dus moet er vermaand worden met hoop op bekering. Ik sluit me aan bij Mollema, dat is de lijn.

 

Preses

Het amendement Mollema heeft consequenties voor de formulering van onderdeel d. Daar moet het woordje 'ook' in:

 

"ook in het geval van overdoop kan de constatering van onttrekking alleen volgen uit de bewuste overgang naar die ander gemeente". (Overgenomen).

 

Commissie – Ds. Van Dijk

Acceptatie van duo lidmaatschap kan niet. We zijn in één lichaam gedoopt. Dan zit er wel spanning op. We mogen hier niet forceren. We hebben de amendementen van Harmannij en Mollema overgenomen.

 

Commissie – Ds. Ophoff

Amendement Harmannij is ook overgenomen.

 

De stap die gedaan wordt bij overdopen heeft een hele grote betekenis. Dan is er veel geduld en onderwijs. Lang niet altijd gaat er een heel traject aan vooraf. Volgens ons is het een opdracht voor KR om een tijdje mee op te lopen, om de schapen bij de kudde te bewaren. Dat moet zelfs bij heel merkwaardige dingen, keuzen. Blijft dat de doop niet herhaalbaar is. Dat element moeten we hier benadrukken.

 

Commissie – Ds. Van Dijk

Er is contact geweest met de proff. B. Kamphuis en M. te Velde. Zij hebben advies gegeven.

 

Ds. Moedt/ds. Leeftink

We stemmen in met het amendement van Mollema. Tekst moet nog wel wat worden bijgeschaafd. We nemen ons amendement dus van tafel.

 

Preses

Het voorstel staat op de beamer.

 

STEMMING

 

Besluit Quaestio 2 [zie bijlage 3]

Besluit aanvaard: V33T00O01

 

[zie bijlage 3]

 

 

Quaestio 3 - Procedures schorsen en afzetten

 

Zie bijlage 4.

 

Commissie Holland-Zuid

Geen toelichting nodig.

 

BESPREKING RONDE 1

Niemand meldt zich.

 

STEMMING

Besluit aanvaard VaaT00O00.

 

 

Bijlagen

 

 

Bijlage 1 - Rapport met voorstel weigering kinderdoop

 

De PS Gelderland-Flevoland (in het vervolg PS Gelderland) legt de vraag aan de GS Harderwijk voor om “om ten aanzien van de gereformeerde leer over de kinderdoop tot een besluit te komen of de kinderdoop tot een fundamenteel leerstuk van de gereformeerde leer behoort, dat door de kerkenraden in de weg van de tucht gehandhaafd moet worden”. In het vervolg schetsen we eerst de voorgeschiedenis, voor zover die van belang is voor de beoordeling van het verzoek.

De PS Gelderland behandelt in 2010 een appelschrift van br. B. uit W. Hij heeft in 2009 aan de classis Arnhem het verzoek gedaan de kerkenraad van W. ernstig terecht te wijzen omdat deze gemeenteleden toeliet aan het avondmaal die moeite hadden met de kinderdoop en hun kinderen daarom niet lieten dopen. Omdat de classis niet aan dit verzoek voldeed, richtte de broeder zich vervolgens tot de Particuliere Synode om de afwijzing van zijn appel als onrechtmatig aan te merken. De kerkenraad handhaaft de gereformeerde belijdenis inzake de kinderdoop en spreekt over christelijke tolerantie van een ouderpaar dat moeite heeft met de kinderdoop en hun kind niet laat dopen. De kerkenraad spreekt in dit kader over zwakheid die er nog in de gemeente is, onder verwijzing naar art. 29 NGB en de Generale Synode van ’s-Gravenhage 1914: naar het voorbeeld van de Apostolische Kerk kan er tolerantie worden geoefend jegens broeders, die te goeder trouw in enig stuk der leer dwalen, mits dit niet enig fundamenteel stuk van de waarheid raakt, de dwalenden bereid zijn zich beter te laten onderrichten en beloven voor dit gevoelen geen propaganda te maken. Appellant noemt hier tegenover Zondag 27 een fundamenteel leerstuk van de kerk.

De uitspraak van de synode van 1914 is als volgt (art.138  Acta GS 1914) Vraag van de Particuliere Synode van Friesland (Zuidelijk gedeelte) : Of iemand, die in alles met de Gereformeerde Belijdenis accoord gaat, maar den Kinderdoop verwerpt, doch voor dit afwijkend gevoelen belooft geene propaganda te maken en de getuigenis heeft van een vromen wandel, geacht mag worden te voldoen aan de vereischten, gesteld in artikel 61 der Kerkenordening voor de toelating tot het Heilig Avondmaal ?

 

doet Prof. Dr H. H. KUYPER mededeeling van den zakelijken inhoud van

haar rapport en voorlezing van de conclusiën [Bijlage XCVII].

 

Dienovereenkomstig besluit de Synode:

 

aan de Particuliere Synode van Friesland (Zuidelijk gedeelte) te antwoorden:


vooreerst,
   

dat de Generale Synode over dit bepaalde geval geene beslissing kan geven, omdat haar daartoe de noodige gegevens ontbreken en een generale uitspraak, dat afwijking van een bepaald leerstuk der Kerk geen beletsel zal behoeven te wezen om iemand tot de gemeenschap der Kerk toe   te laten, niet wenschelijk kan wezen;

 

ten tweede,  

dat de Generale Synode echter wel wil uitspreken, dat onze Gereformeerde Kerken steeds hebben geoordeeld, dat naar het voorbeeld der Apostolische Kerk tolerantie kan worden geoefend jegens broeders,      die ter goeder trouw in eenig stuk der leer dwalen, mits dit niet eenig fundamenteel stuk der waarheid raakt, de dwalenden bereid zijn zich beter te laten onderrichten, en beloven voor dit gevoelen geen propaganda temaken, waarbij het natuurlijk van zelf spreekt, dat zulke broeders, zoolang ze in dat gevoelen volharden, in geen geval voor eenig ambt in de Kerk verkiesbaar zijn;

 

ten derde,    

dat de Generale Synode aan den betrokken Kerkeraad, desnoods met advies van de Classis, de beslissing moet overlaten, of in het hier bedoelde geval zulk een tolerantie wenschelijk en geoorloofd is.

 

 

De PS Gelderland heeft zich bij de appelzaak bezig gehouden met de vraag of de kinderdoop een fundamenteel stuk van de waarheid is. De PS verwijst naar het commissierapport in 1914 dat ervan uitgaat dat de broeder of zuster die moeite heeft met de kinderdoop, zijn of haar kinderen toch zal laten dopen. Maar dat rapport heeft een andere status dan de synode-uitspraak en de kerken zijn dus niet gebonden de eis te stellen dat (aanstaande) ouders die moeite hebben met de kinderdoop hun kinderen  laten dopen. De PS schrijft ook dat de synode-uitspraak van 1914 een belangrijke verantwoordelijkheid geeft aan de kerkenraad en dat de kerkenraad van W. de ruimte heeft om zijn eigen besluit te nemen. De PS besluit aan het verzoek van br. B. niet te voldoen.

 

Gronden voorleggen quaestio

Ondanks deze uitspraak in de appelzaak is het naar het oordeel van de PS Gelderland gewenst dat een vraag aan de generale synode wordt voorgelegd om zich over de tolerantie bij weigering van de kinderdoop uit te spreken. Op advies van de deputaten ex art. 31 KO heeft de PS Gelderland besloten deze zaak niet via de weg van de rechtspraak in de kerkelijke weg aan de orde te stellen, omdat dat alleen zou kunnen leiden tot een besluit inzake de kerk te W. Hoewel anderen zich dan op zo’n besluit zouden kunnen beroepen, is het de vraag of dit terecht zou zijn omdat iedere situatie weer anders is.

De PS Gelderland verzoekt de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken om ten aanzien van de gereformeerde leer over de kinderdoop tot een besluit te komen of de kinderdoop tot een fundamenteel leerstuk van de gereformeerde leer behoort, dat door de kerkenraden in de weg van de tucht gehandhaafd moet worden.

De gronden voor het verzoek worden door de PS Gelderland zo samengevat: 

  1. De uitspraak van GS 1914 lijkt, ook gelet op publicaties over dit onderwerp, een vrij bredeuitleg te hebben gekregen, waarvan de vraag is of die uitleg nog/wel strookt met de bedoelingen van de GS 1914.
  2. De kerken komen door veranderingen van kerkelijke structuren (zoals inkerkplantingssituaties) en door contacten van leden van de kerken met meer evangelische stromingen vaker in aanraking met vragen over welke afwijkingen van de gereformeerde leer fundamenteel zijn en welke niet of wel (onder omstandigheden) getolereerd kunnen worden.
  3. De eenheid van belijden en de eenheid van handhaving van de gereformeerde leer en daarop gebaseerde handhaving van de tucht vereist het doordenken, uitgaande van wat de Schrift leert over de kinderdoop, van vragen over hoe om te gaan met kerkleden die twijfelen over de bediening van de Heilige Doop aan hun kinderen, over de toelating aan het Heilig Avondmaal en de vraag hoe dit uitwerkt op het geloof van andere broeders en zusters.
  4. De kerken hebben belang bij een zorgvuldig besluit over de consequenties die verbonden moeten worden aan afwijkingen van de kerkelijke leer over de Heilige Doop aan kinderen van gelovigen.

Beoordeling

Volgens art. 30 KO mag een meerdere vergadering slechts zaken in behandeling nemen die de kerken in haar ressort gemeenschappelijk aangaan of die in de mindere vergadering niet konden worden afgehandeld. Betreft het een nieuwe zaak die vanuit de kerken aan de orde wordt gesteld, dan kan deze alleen in de weg van voorbereiding door de mindere vergadering op de agenda van de meerdere vergadering worden geplaatst. Je kunt de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzoek zo samenvatten: heeft de PS Gelderland voldoende aangetoond dat deze zaak door de generale synode behandeld moet worden?

Bij de interpretatie van art. 30 KO zijn er twee gangbare interpretaties (verg. Acta Amersfoort 2005, art. 52). Volgens de ene interpretatie moet een mindere vergadering het probleem grondig hebben geanalyseerd om zich vervolgens eventueel met een verzoek tot de meerdere vergadering te wenden. Volgens de andere interpretatie toont de mindere vergadering aan dat gezamenlijke bezinning en besluiten gewenst zijn, omdat alle kerken met deze problematiek te maken hebben en  bijvoorbeeld rechtsongelijkheid dient te worden voorkomen.

De tweede interpretatie is van toepassing op de benadering van de PS Gelderland om deze zaak op de GS te brengen. Bij het onderhavige verzoek valt op dat het in feite gaat om een appelzaak die behandeld is door de PS Gelderland. De PS heeft uitgesproken dat de betreffende kerkenraad zich terecht beroept op de uitspraak van de synode van ’s-Gravenhage 1914 en tegelijk stelt men de vraag of die uitleg nog wel strookt met de bedoelingen van de GS 1914. Het verzoek van de appellant is afgewezen door de PS en appellant beroept zich niet op de GS in een appelschrift, maar dit verzoek van de PS kan er toe leiden dat de GS in feite een uitspraak doet over de zaak die in het appel aan de orde was, zonder dat de appelzaak als zodanig op de synode dient. 

Het feit dat de PS Gelderland een uitspraak heeft gedaan over de appelzaak is al een bewijs dat deze zaak door de mindere vergadering kon worden afgehandeld.

Het werkt ook heel verwarrend wanneer het probleem dat in een appelzaak aan de orde is, door de mindere vergadering die een uitspraak heeft gedaan, toch nog als min of meer algemeen probleem op de meerdere vergadering aan de orde wordt gesteld. Bij de behandeling van het onderwerp wordt het dan heel lastig onderscheid te maken tussen de oorspronkelijke aanleiding en het algemene probleem waarvan verondersteld wordt dat meer kerken daarmee te maken hebben. Ook in het vervolg van het proces zullen beide zaken dan gemakkelijk door elkaar worden gehaald.

 

Ook in de andere overwegingen heeft de PS Gelderland niet aangetoond dat dit onderwerp door de GS behandeld moet worden. De PS stelt dat de kerken door verandering van kerkelijke structuren (zoals in kerkplantingssituaties) en door contacten van leden van de kerken met meer evangelische stromingen vaker in aanraking komen met vragen over welke afwijkingen van de gereformeerde leer fundamenteel zijn en welke afwijkingen niet of wel (onder omstandigheden) getolereerd kunnen worden. In situaties van kerkplanting zal door een gemeente samen met bijvoorbeeld de classiskerken moeten worden overwogen welke keuzes gemaakt worden, maar het duidelijk uitgangspunt moet zijn dat het geheel van de christelijke geloofsleer wordt bewaard. Het gesprek met gemeenteleden over de vragen die vanuit evangelische opvattingen aan de gereformeerde leer gesteld worden, wordt niet gestimuleerd door een lijst met afwijkingen die al of niet fundamenteel zijn. Zowel bij kerkplanting als in het gesprek met gemeenteleden kan een kerkenraad uiteindelijk tot het oordeel komen dat een bepaalde afwijking van de gereformeerde leer verdragen kan worden, maar dat is altijd een zaak van afweging in die concrete situatie.

 

De vraag hoe kerkenraden zullen omgaan met gemeenteleden die twijfelen over de bediening van de heilige doop aan hun kinderen en daarom weigeren hun kinderen te laten dopen, hoort thuis in het pastoraat. De PS Gelderland schrijft zelf dat de motieven van ouders om hun kind niet te laten dopen verschillend zijn. Het is bij uitstek een zaak van de kerkenraad hoe de ambtsdragers in hun pastorale zorg voor de gemeente daarmee zullen omgaan, waarbij het Woord van God in de gemeente wordt verkondigd en de christelijke leer gehandhaafd. Kerkenraden zijn in staat concrete gevallen ook concreet te beoordelen. Dat geldt ook in vele andere situaties waar kerkenraden geroepen zijn tot een oordeel te komen in liefde voor de concrete schapen van de kudde en voor die kudde gezamenlijk. Het spanningsveld waarmee elke kerkenraad regelmatig te maken krijgt, wordt niet opgelost door met landelijke richtlijnen te komen. Wanneer de generale synode daar in deze situatie toch toe zou overgaan, roept dat de vraag op naar allerlei andere situaties waarin zulke richtlijnen dienstbaar zouden kunnen zijn. Die benadering suggereert dat landelijke richtlijnen de oplossing zouden betekenen voor allerlei spanningsvelden in het pastoraat in de gemeente. Het tegendeel is het geval. Het neemt de verantwoordelijkheid weg van de kerkenraad en het roept nieuwe spanningsvelden op met kerkenraden die in hun situatie goede redenen zien af te wijken van de landelijke richtlijnen.

Alles afwegende is de commissie van oordeel dat de PS Gelderland niet heeft aangetoond, dat dit verzoek behandeld moet worden door de generale synode.

Bij dit oordeel past nog wel een opmerking. In de desbetreffende appelzaak is geen diepgaand onderzoek gedaan naar de betekenis van de uitspraak van ’s-Gravenhage 1914 inzake tolerantie. Het is niet duidelijk geworden wat de uitspraak precies betekent of dat dat niet meer te achterhalen is. Ook is niet duidelijk geworden of we vandaag nog achter die uitspraak staan, gesteld dat er helderheid is over de betekenis of dat het bijvoorbeeld de voorkeur zou verdienen vandaag een andere en nieuwe uitspraak te doen.

Zonder dat de commissie Holland-Zuid zich uitspreekt over de appelzaak is het belangrijk dit te noteren. Met de uitspraak van de PS Gelderland is er geen duidelijkheid gekomen over het belangrijkste punt in de appelprocedure: de betekenis en reikwijdte van de uitspraak van ’s Gravenhage 1914. Op dat gebied is er voor de kerken in het ressort Gelderland nog werk te doen.

 

Commissie Holland-Zuid

 

Voorstel: commissie Holland-Zuid

 

Materiaal:

  1. brief van de Particuliere Synode Gelderland-Flevoland d.d. 22 december 2010 met het verzoek “om ten aanzien van de gereformeerde leer over de kinderdoop tot een besluit te komen of de kinderdoop tot een fundamenteel leerstuk van de gereformeerde leer behoort, dat door de kerkenraden in de weg van de tucht gehandhaafd moet worden”;
  2. rapport over de quaestio van de PS Gelderland-Flevoland inzake weigering kinderdoop.

Besluit:

aan het verzoek niet te voldoen.

 

Gronden:

  1. de PS heeft niet aangetoond dat een aanvulling of bevestiging nodig is van wat de kerken over de doop van de kinderen uitspreken in hun belijdenis, kerkorde en doopformulieren;
  2. de aanleiding voor dit verzoek ligt in een appelzaak. Uit het feit dat de PS in die appelzaak uitspraak heeft gedaan, blijkt dat de onderhavige zaak door een mindere vergadering kon worden afgehandeld.

 

Bijlage 2 - Rapport met voorstel 'overdoop'

 

Vraag

De commissie verstaat de vraag van de PS Gelderland-Flevoland in deze zin: Is zich elders laten overdopen als zodanig voldoende om onttrekking aan de gemeente te constateren?

 

Aanleiding en belang

De PS stelt deze vraag omdat bleek dat er binnen het ressort door kerken verschillende antwoorden werden gegeven op de vraag.

Bijgevoegd is een stuk van de kerk te Zeewolde waarin het beleid gebaseerd is op de gedachte dat ‘overdoop’ als zodanig onttrekking impliceert.

De brief van PS Gelderland/Flevoland noemt de kerk van Veenendaal als een ander voorbeeld: daar “wordt op dit punt een ander beleid gevoerd en wordt dit niet als onttrekking gezien”. Helaas is er geen beleidsstuk uit Veenendaal bijgevoegd.

De PS acht de vraag van belang omdat er hier sprake zou zijn van rechtsongelijkheid.

Ook oordeelt de PS dat deze quaestio het particulier ressort overstijgt.

 

Overwegingen

 

1. De doop

In Matteus 28: 19 is de doop verbonden met het leerling worden van Jezus. In de doop verbindt God mensen zo nauw met Jezus dat ze deel hebben aan zijn dood en opstanding (Rom. 6: 3-4 en Kol. 2: 12). Ze worden met Christus bekleed (Gal. 3: 27) en zijn één lichaam geworden ( I Korinte 12: 13). De verbinding die God legt in de doop, raakt het hele leven van de dopeling en daarom is de doop onherhaalbaar. Het is één doop die hoort bij het ene geloof in de ene Heer (Ef. 4: 5). Met de Geloofsbelijdenis van Nicea belijden we als kerken ‘één doop tot vergeving van zonden’. In art. 34 NGB wordt het zo samengevat: door het sacrament van de doop ‘worden wij in de kerk van God opgenomen en van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd, om helemaal het eigendom te zijn van Hem, van wie wij het merk en veldteken dragen.’ De Heer geeft ons ‘wat door het sacrament wordt aangeduid, namelijk de onzichtbare genadegaven … Hij doet ons de nieuwe mens aan en Hij trekt ons de oude mens uit met al zijn werken.’ En dan vervolgt art. 34: ‘Daarom geloven wij dat wie tot het eeuwige leven wil komen, maar eenmaal gedoopt moet worden. De doop mag niet herhaald worden, want wij kunnen ook niet tweemaal geboren worden. Deze doop immers is niet alleen van waarde voor ons wanneer wij hem ontvangen en het water op ons is, maar gedurende ons hele leven.’

 

2. Materiële behandeling van de vraag

Er is aanleiding om te spreken van een zekere rechtsongelijkheid. In een situatie waarin gemeenteleden dwalen ten aanzien van de doop moet er door kerkenraden goede zorg en leiding worden gegeven. Dat betekent een vorm van standvastig en geduldig onderwijs vanuit het Woord van God en naar de belijdenis van de kerk. In dat onderwijs moet duidelijk uitkomen dat de doop als teken en zegel van de inlijving in de gemeente van Christus niet herhaalbaar is.

Maar wanneer in de ene gemeente vanuit die zorg en leiding geconstateerd wordt dat zich laten overdopen neerkomt op een zich onttrekken aan de gemeente, terwijl dat in een andere gemeente niet gebeurt worden gemeenteleden feitelijk anders benaderd en behandeld;

Conclusie: Er is reden om deze vraag in een generale synode te behandelen: de problematiek is landelijk en er is ook aanleiding om te spreken van rechtsongelijkheid die in concrete situaties grote gevolgen kan hebben.

 

3. Feitelijke onttrekking

De vraag van de PS spitst zich toe op het constateren van feitelijke onttrekking. Dat is kerkrechtelijk een moeilijk punt. Onze kerkorde zegt niets over onttrekking. Er zijn geen generale regelingen over. Hooguit is de praktijk te beschrijven:

gemeenteleden onttrekken zich aan de gemeenschap van de kerk door kennis te geven van de beëindiging van hun lidmaatschap. Daarin is het (ex)-gemeentelid actief. Het is daarom beter niet te spreken over feitelijke onttrekking. In de praktijk komt wel onttrekking metterdaad voor. Het gemeentelid doet dan niet mondeling of schriftelijk mededeling van onttrekking, maar laat bijvoorbeeld de ouderling niet meer toe en reageert niet op brieven van de kerkenraad. Of verhuist naar een andere woonplaats zonder een adres achter te laten en/of attestatie aan te vragen. Een gemeentelid kan ook actief worden in een andere gemeente uit een ander kerkverband, zonder de band met de eigen gemeente op te zeggen.

Ook in zulke omstandigheden zal een kerkenraad zich inspannen contact te hebben met het gemeentelid. Wanneer dat contact niet mogelijk is, zal de kerkenraad de gemeente daarover informeren en wanneer ook gemeenteleden niet in staat zijn het contact alsnog te leggen, zal er mededeling worden gedaan van onttrekking.

Een kerkenraad kan uit het gedrag van een gemeentelid concluderen dat iemand zich onttrokken heeft. Maar dat kan nooit als de betrokkene er blijk van geeft daar niet mee in te stemmen. Wanneer een gemeentelid te kennen geeft dat zijn/haar overdoop in het kader staat van een bewuste overstap naar een andere gemeente, zal de kerkenraad de gemeente mededeling doen van onttrekking. Net zoals in andere situaties zal de kerkenraad daarbij eerst het gesprek aangaan, onderwijs geven en oproepen tot terugkeer. Pas wanneer duidelijk is dat het gemeentelid volhardt in deze keuze, zal de kerkenraad er toe overgaan de onttrekking mee te delen aan de gemeente.

 

4. Onderwijs en vermaan

In het gesprek met een gemeentelid dat zich heeft laten overdopen, zal blijken dat er vaak heel uiteenlopende motieven zijn. Sommigen zien het als een bevestiging van vernieuwing van hun geloof. Anderen hebben zich op een emotioneel moment spontaan laten overdopen. Een kerkenraad geeft dan bijbels onderwijs en vermaan, gericht op de concrete situatie van dat gemeentelid. De achtergronden en motieven van het gemeentelid zullen bij de voortgang van dat gesprek ook steeds duidelijker worden. Soms zal het gemeentelid vrij snel tot het inzicht komen dat men een dwaalspoor bewandeld heeft, maar in andere situaties moet het onderwijs en vermaan langer worden voortgezet. Het is de taak van de kerkenraad daarin goede afwegingen te maken.

Voorstel : commissie Holland-Zuid

 

Materiaal:

brief van de Particulier Synode Gelderland-Flevoland d.d. 22 december 2010 met het verzoek “om ten aanzien van de gereformeerde leer over de doop, tot een besluit te komen of overdopen een grond is van feitelijke onttrekking”. De brief heeft als bijlage een nota van de kerk te Zeewolde inzake het kerkenraadsbeleid met betrekking tot gemeenteleden die zich in een andere gemeente opnieuw laten dopen.

 

Voorstel : commissie Holland-Zuid

 

Materiaal:

brief van de Particulier Synode Gelderland-Flevoland d.d. 22 december 2010 met het verzoek “om ten aanzien van de gereformeerde leer over de doop, tot een besluit te komen of overdopen een grond is van feitelijke onttrekking”. De brief heeft als bijlage een nota van de kerk te Zeewolde inzake het kerkenraadsbeleid met betrekking tot gemeenteleden die zich in een andere gemeente opnieuw laten dopen.

 

Besluit:

uit te spreken:

  1. dat zgn. overdoop in strijd is met wat de Schrift leert (Matt. 28: 19; Rom 6: 3 en 4; I Korinte 12: 13; Gal. 3: 27; Kol. 2: 12 en Ef. 4: 5) en de kerken belijden (Geloofsbelijdenis van Nicea, NGB art. 34);
  2. dat de door de PS genoemde ‘feitelijke onttrekking’ noch in de kerkorde noch in generale bepalingen is geregeld.;
  3. dat waar overdoop de bewuste keuze van het betrokken gemeentelid inhoudt van een overgang naar de gemeente waar de doop plaats vindt, de kerkenraad de tijd neemt om zich te overtuigen van het bewuste karakter van deze keuze van het gemeentelid en er ook ruimte is voor bekering;
  4. dat in alle andere gevallen van overdoop bijbels onderwijs, zo nodig gevolgd door vermaan, nodig is.

 Gronden:

  1. de doop bevestigt en verzegelt de inlijving van de dopeling in het lichaam van Christus, is als zodanig een uitspraak over het gehele leven van de dopeling (een overgang tot een andere staat des levens) en naar de aard der zaak niet herhaalbaar;
  2. onttrekking aan de gemeente is noodzakelijk een daad van een gemeentelid die hij zelf moet stellen in woord of (bewuste) daad; zolang er contact met het gemeentelid mogelijk is kan onttrekking door een kerkenraad niet worden geconstateerd zonder instemming van het gemeentelid;
  3. wanneer een zich opnieuw laten dopen voor een gemeentelid niet de betekenis heeft van onttrekking en overgang naar een andere gemeente (maar bijvoorbeeld die van bevestiging van geloofsvernieuwing) blijft het gemeentelid dus lid van de gemeente en heeft hij recht op vermaan en goed onderwijs over de doop.

 

Bijlage 3 - Aangenomen voorstel 'overdoop'

 

Besluit:

te antwoorden:

  1. dat zgn. overdoop in strijd is met wat de Schrift leert (Matt. 28: 19; Rom 6: 3 en 4; I Korinte 12: 13; Gal. 3: 27; Kol. 2: 12 en Ef. 4: 5) en de kerken belijden (Geloofsbelijdenis van Nicea, NGB art. 34);
  2. dat de door de PS genoemde ‘feitelijke onttrekking’ noch in de kerkorde noch in generale bepalingen is geregeld.;
  3. ook in het geval van overdoop kan de constatering van een onttrekking alleen volgen uit een bewuste overgang naar een andere gemeente;
  4. dat in andere gevallen van overdoop Bijbels onderwijs, zo nodig gevolgd door vermaan, nodig is.

Gronden:

  1. de doop bevestigt en verzegelt de inlijving van de dopeling in het lichaam van Christus, is als zodanig een uitspraak over het gehele leven van de dopeling (een overgang tot een andere staat des levens) en naar de aard der zaak niet herhaalbaar;
  2. onttrekking aan de gemeente is noodzakelijk een daad van een gemeentelid die hij zelf moet stellen in woord of (bewuste) daad; zolang er contact met het gemeentelid mogelijk is kan onttrekking door een kerkenraad niet worden geconstateerd zonder instemming van het gemeentelid;
  3. wanneer een zich opnieuw laten dopen voor een gemeentelid niet de betekenis heeft van onttrekking en overgang naar een andere gemeente (maar bijvoorbeeld die van bevestiging van geloofsvernieuwing) blijft het gemeentelid dus lid van de gemeente en heeft hij recht op vermaan en goed onderwijs over de doop.

 

Bijlage 4 - Voorstel schorsen en afzetten

 

Voorstel: commissie Holland-Zuid

 

Materiaal:

brief van de Particuliere Synode Gelderland-Flevoland d.d. 15 februari 2011 met het verzoek of het niet gewenst is dat er een protocol komt ten dienste van classes die te maken krijgen met procedures van schorsen en afzetten (art. 79/80 KO). De PS geeft ook enkele overwegingen van de provinciale deputaten appèlzaken door.

 

Besluit:

deze brief in handen te geven van de deputaten herziening kerkorde.

 

Grond:

in het kader van de herziening van de kerkorden worden ook allerlei regelingen nader bezien. De brief van de PS Gelderland-Flevoland bevat een aandachtspunt dat door deputaten herziening kerkorde bij hun werk kan worden betrokken.