Printen

Doorgaande revolutie

 

N. van Dijk

17-10-15

 

Bij de verschijning van het boekje ‘De doorgaande revolutie’ in 2013 zei de schrijver dr. Gerard Dekker niet verbaasd te zijn over het feit dat de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in datzelfde jaar ingingen op een uitnodiging van de PKN voor een gesprek over eenheid. Lange tijd zou dit ondenkbaar geweest zijn. De ontwikkelingen gaan hard. De publicatie vertelt over ingrijpende veranderingen binnen de GKv. De kerken veranderden van gesloten naar open, van groei naar afkalving, van nadruk op leer naar nadruk op leven. Thema’s als vrouw in ambt, echtscheiding, samenwonen, homoseksualiteit, tweede kerkdienst, hielden in de periode van 1950 – 1990 de toen synodaal gereformeerde kerken bezig, nu staan ze bij de GKv op de agenda.

 

In ‘De doorgaande revolutie’ schrijft Dekker dat de Bijbel in de GKv als vaststaand uitgangspunt werd genomen.

 

“Of het nu gaat om homoseksualiteit, zondagsrust, echtscheiding, steeds bevraagt men de Bijbel als het gaat om de wil van God in en voor ons leven. Maar ook binnen de vrijgemaakt-Gereformeerde Kerken treden er met betrekking tot de bijbel-opvatting geleidelijk veranderingen op. Het afgelopen jaar kwam het kritische geluid speciaal naar voren in het gesprek over de voorzienigheid van God en de doorgaande discussie over het gezag van de Schrift. Er komt meer aandacht voor de menselijke factor bij het ontstaan van de diverse Bijbelboeken en een grotere bewustheid van het feit dat het gezag van de bijbel zich niet laat verankeren in een theorie, maar ten diepste een geheim blijft”. (blz. 95, 96)

 

Ook in het Reformatorisch Dagblad verscheen onlangs een artikel over de ontwikkelingen binnen de GKv (RD 19 mrt). Daarin werd opgemerkt:

 

Nog geen jaar nadat de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt een rapport verwierpen dat positief oordeelt over de vraag of vrouwen kunnen dienen in de ambten, staat de eerste vrouw op de preekstoel en overweegt een gemeente vrouwelijke ambtsdragers aan te stellen. Een doorgaande ontwikkeling? Ze is weliswaar geen predikant, toch mag Ineke Baron-Janssen dit jaar twee keer preken in de gereformeerde kerk vrijgemaakt (GKv) in Haulerwijk, een dorp op de grens van Friesland en Groningen. Baron-Janssen, die een theologische opleiding volgt aan het Baptistenseminarie, moet in het kader van haar studie tweemaal een preek houden. Die kans krijgt ze in haar eigen gemeente, in een dienst die onder leiding staat van een predikant. Zowel in het geval van de preekbeurten van Baron-Janssen als bij het voornemen van de kerkenraad van Utrecht-Noord/West om vrouwen te benoemen in de ambten, gaan de kerkenraden niet over één nacht ijs. Gemeenten die de kerkelijke regels minder strak volgden, experimenteren al langer. Bekend voorbeeld is de Tituskapel in Amsterdam, een vrijgemaakt gereformeerde kerk waar mannen en vrouwen taken vervullen in huiskringen, al is daar formeel niet de term ”ambt” aan gekoppeld. Bovendien ging GKV-theologe Almatine Leene, in het verleden een van de deputaten m/v in de kerk, er al eens voor in een dienst”.

 

In een artikeltje ‘De synodalen achterna’ schrijft het RD over de opvallende gelijkenis met de (destijds) synodaal gereformeerde kerk wanneer het gaat over de eerste vrouw op de kansel:

 

“Vrijgemaakt gereformeerden gaan de ‘synodalen’, de vroegere Gereformeerde Kerken in Nederland, op veel punten achterna, óók als het gaat om de vrouw in het ambt. Dat constateert godsdienstsocioloog prof. dr. G. Dekker in 2013 in zijn studie ”De doorgaande revolutie”. Ook bij de synodaal gereformeerden ging de preekstoel niet zonder slag of stoot open voor vrouwen. De eerste vrouw die preekt doet dat, net als nu in de GKV, niet-ambtelijk. Het is Anneke Ravestein (1934-2005), later ds. A. Geense-Ravestein. Na haar theologiestudie wordt ze in 1960 predikantsassistent in Badhoevedorp. De kerkenraad in Badhoevedorp doet zijn best om de functie van predikantsassistent een officieel kerkelijk karakter te geven, maar vangt bot bij meerdere vergaderingen. In 1961 voert ‘Badhoevedorp’ de druk op: de dan 27-jarige Ravestein krijgt toestemming om voor te gaan in een kerkdienst, die officieel onder leiding staat van een (mannelijke) ouderling. De zaak wordt in de Gereformeerde Kerk hoog opgenomen, niet het minst omdat de kerkenraad van Badhoevedorp aan de generale synode van de kerk heeft gevraagd om een principiële uitspraak te doen over „de plaats van de vrouw in de dienst der kerk”. Zes jaar en diverse consultatierondes en rapporten verder, hakt de generale synode van de Gereformeerde Kerken een knoop door: vrouwen mogen voortaan dienen in alle ambten, zij het dat er tot 1985 voor gehuwde vrouwelijke predikanten nog beperkingen gelden. Ravestein trouwt in 1966 met de hervormde predikant A. Geense en wordt ziekenhuispredikant in Heidelberg, Duitsland. Na haar terugkeer in Nederland wordt ze in 1970 beroepbaar gesteld in de Gereformeerde Kerken. Nadien is ze onder meer ziekenhuispastor in Heemstede en gemeentepredikant in Groningen, Genève en in de Waalse gemeente in Haarlem. Ze overlijdt in 2005”.

 

In  een reactie van drs. J. Ophoff en prof. dr. Roel Kuiper op het betreffende artikel noemen zij het schrijven tendentieus en de formulering zou een sterke suggestieve signaalfunctie hebben, als zouden de GKv in navolging van de synodalen schriftkritisch worden en niet meer confessioneel betrouwbaar (RD 21 mrt). Ze vinden dat er een boodschap wordt uitgezonden die niet samenbindt, maar verdeelt. Ze pleiten voor ruimte binnen de gereformeerde gezindte om gesprekken te voeren over eigentijdse kwesties en vragen om diversiteit te respecteren, ook met het oog op het verlangen samen met de TUA een Gereformeerd Theologisch Instituut te vormen.

 

In een volgend artikel (RD 24 mrt) noemt ds. J.R. Visser de stelling dat de GKv niet de synodalen achterna zouden gaan onjuist en naïef. Men zou volgens Ophoff en Kuiper nu integere bedoelingen hebben en gereformeerd willen blijven, dit wilden de destijds Gereformeerde Kerken (synodaal) niet.

 

“Het is echter altijd heel gevaarlijk om te argumenteren op basis van het al of niet integer zijn van mensen. Als je naar de geschiedenis kijkt, is het beeld bovendien onjuist. Laat ik het samenvatten in de woorden van prof. J. van Bruggen in zijn advies aan onze laatste synode over het rapport over vrouw in het ambt. Hij schrijft:

 

„Suggereer ik nu kwade wil? Nee, wel ondoordachtheid. Wellicht hebben sommigen de illusie dat we alleen maar voor het onderwerp man/vrouw even afscheid kunnen nemen van enkele paulinische teksten. Meer niet, denkt u misschien. Maar dat is zeer ondoordacht. Er liggen minstens twee grote scheepswrakken op het strand die ons een baken in zee moesten zijn. Toen de (synodaal) Gereformeerde Kerken alle ambten openstelden voor de vrouw met een bijna vergelijkbare redenering als van uw deputaten, had men echt niet de bedoeling om daarmee de Schriftkritiek in te voeren of de Bijbel buiten werking te stellen. De verontwaardiging was dan ook groot toen prof. dr. H. M. Kuitert direct verklaarde dat zijn synode nu de Schriftkritiek had gelegaliseerd. Toch heeft hij gelijk gekregen: wat ondoordacht gedaan werd, heeft later velen berouwd.”

 

In een column in het Kerkblad van de Hersteld Hervormde Kerk  ‘Baken op zee’ schrijft ook B.J. van der Vlies over het gevaar van het toegeven aan de tijdgeest. Hij schreef geschokt te zijn door een interview met dr. H.M. Kuitert in het Nederlands Dagblad van 28 febr. Vanwaar die schok, terwijl  Van der Vlies toch wist hoe Kuitert dacht?

 

“Door zijn antwoord op de vraag: Stel dat u na uw dood er achter komt dat God toch een realiteit is? ‘Lachend: Dan heb ik pech gehad… Laatst wandelde ik met iemand de straat uit naar het park. Hij zei bezorgd dat mij een treurig lot wachtte. Stel dat ik naar de hel zou gaan. Dat moet dan maar, zei ik. Het is voor mij geen gok, hoor. Er is geen leven na de dood. Ik werd niet verdrietig om die uitspraak. Het raakt mij niet’." (letterlijk citaat).

 

Van der Vlies herinnert zich het enthousiasme bij docenten van de school waaraan hij werkte in de jaren zeventig van de vorige eeuw over een boek van Kuitert. In dat boek werd precies vertolkt wat veel synodaal-gereformeerden toen dachten.

 

“Veel collega’s werden door de inhoud van dat boek ‘verlost uit het strakke gereformeerde keurslijf’, waarin ze vonden gevangen te zitten. Er was in de gereformeerde wereld heel wat aan voorafgegaan. Men onderging veel invloed van de in die tijd vooraanstaande Zwitserse theoloog Karl Barth, met zijn dialectische visie. In die visie bevindt de waarheid zich in het midden tussen ja en nee. Met als gevolg een betrekkelijk waarheidsbegrip. Er werden meer vraagtekens dan uitroeptekens geplaatst bij de waarheid van het Woord van God. In het proefschrift van Kuitert (1962) over ‘de mensvormigheid Gods’ ontdekte hij dat de manier waarop de Bijbel over God spreekt zeer menselijk is.”

 

En hoewel Berkouwer, zijn promotor, aanvankelijk de conclusies wat afzwakte volgens Kuitert, tekende zijn latere theologische en geestelijke ontwikkeling zich al af. En wat die ontwikkeling is, kwam naar voren in het interview.

 

“Als gezegd, dat is schokkend. Schokkend maar ook sterk ontdekkend. Niet minder dan een baken op zee. Te vrezen valt dat Kuitert velen heeft meegesleept. Daar staan wij ook bloot aan. Modern theologische ontwikkelingen gepaard aan de postmoderne tijdgeest verslaan nog altijd tienduizenden. Bakens geven de veilige vaarroute aan op zee, gevaarlijke plaatsen worden ermee omzeild. Laten we dan ook ernstig zijn gewaarschuwd! Het is verre vanzelfsprekend dat we in eigen kracht bij de waarheid blijven, die ons in opvoeding en kerkelijke gemeente is of wordt voorgehouden. Ook onder ons en in ons woelen vragen naar wat waarheid is, of God bestaat”.

 

Van der Vlies roept op Gods Woord tot ons te laten spreken en te bidden om de leiding van Zijn Geest, en zo  Zijn Woord te onderzoeken.

 

“Er blijft dan verwondering over. Dat gunnen we Kuitert ook van harte”.