Printen

Verovering en vestiging. Jozua 9-13 en het archeologische onderzoek V

A.  Capellen
27-11-10
 

Noot redactie EIW

Onderstaand artikel is eerder gepubliceerd op EIW, namelijk in november 2010. Lang geleden, maar het is een heel belangrijk document dat het waard is om opnieuw onder aandacht te brengen. Want ook nu worden er allerlei vragen gesteld bij de betrouwbaarheid van de Schrift, vaak aan de hand van 'wetenschappelijke' bevindingen. Zo bijvoorbeeld bij de verwoesting van Jericho en Ai waarover de Bijbel spreekt als een historische gebeurtenissen, maar die nooit zouden hebben plaatsgevonden. En dat heeft heel verstrekkende consequenties…

Echter wij geloven dat de Schrift betrouwbaar is en we dus rustig kunnen aannemen dat deze steden wél verwoest zijn geworden zoals is geopenbaard. En dan is het ook mooi, zoals uit het artikel van br. Capellen zal blijken, dat historische feiten en archeologische vondsten dat bewijzen!

 

Het artikel is het laatste uit een reeks van vijf dat m.n. gericht was tegen opvattingen van dr. K. van Bekkum die zich in zekere zin leek aan te sluiten bij de ontkenning van de historiciteit van genoemde gebeurtenissen.

 

DJB


    

Aan het slot van het voorgaande artikel constateerden wij dat de tegenstrijdigheid die Van Bekkum constateert tussen tekst en artefact m.b.t. Jericho en Ai voortkomt uit zijn onjuiste datering van Uittocht en Intocht. In dit artikel willen we daar wat uitvoeriger op ingaan.
 

Jericho en Ai
Lange tijd werd er door archeologen niet getwijfeld aan de historische betrouwbaarheid van de beschrijving die de Bijbel geeft van de verovering van het land Kanaän. Vooral na de opgravingen van John Garstang bij Jericho leek het bewijs daartoe geleverd. Maar nadat Kathleen Kenyon daar opnieuw opgravingen had verricht en de conclusies van Garstang weersprak, won de gedachte steeds meer terrein dat Jozua 6 niet berust op werkelijke gebeurtenissen. Ook Van Bekkum sluit zich in zekere zin bij deze heersende consensus aan. Het archeologisch bewijs dat beide plaatsen ten tijde van de Intocht onbewoond waren acht hij sterk.1 De aanvaarding van deze opvatting impliceert dat Jozua langs een ruïne is getrokken. Dat de muren van Jericho gevallen zijn door het geloof van het volk Israël (Hebr.11:30) is dan natuurlijk niet meer te handhaven.
 

 

Dit is het beeld van de inname van Jericho zoals
ons dat uit de kinderbijbel vertrouwd is. Als
Van Bekkum gelijk heeft, is dit nooit zo gebeurd.

 

Het probleem dat Van Bekkum met Jericho en Ai heeft wordt voor een deel veroorzaakt door de resultaten van de archeologische opgravingen in Jericho en Ai. Die zouden niet te verenigen zijn met de manier waarop de Bijbel de gebeurtenissen beschrijft die hebben geleid tot de ondergang van deze steden.  Het is treurig te moeten constateren dat Van Bekkum in zijn overtuiging als gereformeerde belijder, bij de confrontatie met archeologische gegevens aan het wankelen wordt gebracht. Het Schriftwoord alleen zou voor hem toch genoeg moeten zijn. Maar het is wrang als blijkt dat deze twijfel ook nog eens wordt veroorzaakt door een onjuiste interpretatie van de archeologische gegevens.

 

Want heel het ‘probleem’ dat Van Bekkum als christen heeft met Jericho en Ai is gebaseerd op een foutieve datering van Uittocht en Intocht. Volgens hem vond de Intocht plaats rond 1220 v.Chr.2 Als we daarbij de veertig jaar in de woestijn optellen betekent dit dat de Exodus rond 1260 moet hebben plaatsgevonden. Deze datering van de Intocht komt volgens Van Bekkum overeen met archeologische vondsten zoals de plotselinge opkomst van IJzer I dorpen in het bergland, het taboe op varkensvlees en het gebruik van een bepaald soort voorraadkruik met kol, allemaal zaken die gezien kunnen worden als identity markers van het volk Israël.3 Het optreden van deze verschijnselen maakt het volgens hem aannemelijk dat er zich in het Centrale Heuvelland en in Boven Galilea een aparte materiële cultuur ontwikkelde die waarschijnlijk een etnisch element bevatte.4

 

Een eerder tijdstip van de Intocht acht Van Bekkum niet mogelijk. De reden daarvoor is dat in de Amarnabrieven van de late 14e eeuw de entiteit ‘Israël’ nog niet genoemd wordt.5 De eerste keer dat Egyptische bronnen hiervan melding maken is op de zogenaamde Israël-stèle die farao Merenptah in zijn vijfde regeringsjaar (1209 v.Chr.) liet opstellen6. Deze stèle doet verslag van een strafexpeditie tegen opstandige steden als Askelon, Gezer en tegen Israël. Als entiteit moet Israël dus toen al bestaan hebben. De combinatie van de Armarna brieven als terminus post quem en de Merneptah-Stèle als terminus a quo, samen met de archeologische gegevens, wijst er op dat de bewoners van de nieuwe dorpen in het heuvelland aan het einde van de dertiende eeuw benoemd werden als Israël.7 Hoewel Van Bekkum erkent dat het niet mogelijk is aan de hand van archeologische vondsten het precieze verloop van de gebeurtenissen vast te stellen, acht hij het hoogst waarschijnlijk dat de vernietiging van Hazor in de 13e eeuw heeft plaatsgevonden tijdens de veroveringen door Jozua, zoals beschreven staat in Jozua 11.8
 

Het moge zo zijn dat de late datering van de Intocht lijkt te passen bij de archeologische gegevens. Zij past echter niet bij wat de Bijbel ons leert. Een late datering heeft namelijk verstrekkende gevolgen voor de betrouwbaarheid van de Bijbelse geschiedschrijving. Want als Jericho al in puin lag toen Israël het land binnentrok, gaan er heel wat zaken schuiven. Dan komt bijvoorbeeld de figuur van Rachab in de lucht te hangen. In de brief van Jacobus (2:25) wordt zij dan ten onrechte opgevoerd als een bewijs dat men door het geloof wordt gerechtvaardigd. Ook haar vermelding in Hebr.11 als geloofsgetuige is dan een verzinsel. Nog ernstiger is het dat Rachab genoemd wordt als een van de stammoeders van de Here Jezus (Matth.1:5). Als zij een fictief figuur is, hoe kan dan het geslachtsregister van de Here Jezus betrouwbaar zijn?

Er staat dus nogal wat op het spel als de geschiedenis van de ondergang van Jericho niet historisch zou zijn. Ik twijfel er niet aan dat Van Bekkum persoonlijk niet twijfelt aan wat de Bijbel allemaal over Rachab vermeldt. Maar als hij werkelijk van mening is dat het archeologisch bewijs sterk is  dat Jericho ten tijde van de verovering van Kanaän niet meer bestond, en hij als christen daarmee een probleem heeft, dan heeft hij een veel groter probleem dan alleen maar met een historisch detail in Jozua 5:13-8:35.  Want dan is er sprake van een ingrijpende tegenspraak tussen die bewering en wat de Bijbel verder aan bijzonderheden vermeldt ten aanzien van Intocht en Verovering. Dan heeft hij een geloofsprobleem. Want dan staat het geloof aan de onfeilbaarheid van de Schrift ter discussie.
 

1 Koningen 6:1
Want er is meer te noemen. Volgens 1 Koningen 6:1 begon Salomo met de bouw van de tempel in zijn vierde regeringsjaar, het 480e jaar na de Exodus. Via de Assyrische chronologie is het mogelijk de regeringsjaren van Salomo te bepalen. Deze moet geregeerd hebben van 971-930 v.Chr., met een marge van een jaar. Het vierde jaar moet dus 966 of 967 v.Chr. zijn geweest. Dat betekent dat de Exodus dus moet hebben plaatsgevonden in het jaar 1446 of 1447 v.Chr.

Van Bekkum is het met deze redenering oneens. We moeten volgens hem het getal 480 niet letterlijk nemen maar zien als een twaalftal periodes van elkaar opvolgende groepen leidslieden die elk 40 jaar zouden hebben geduurd9. Het gaat dus om een geïdealiseerd getal. Daarmee zouden we recht doen aan het feit dat de chronologische beschrijvingen in de Bijbel ook een kunstwerk zijn, waarnaar gekeken moet worden, en niet alleen een historische aanduiding (dat ook!) waar doorheen gekeken moet worden naar de gebeurtenissen uit het verleden. Voordat de betekenis van een jaartal kan worden vastgesteld is het daarom nodig eerst het literaire vakmanschap en de genreconventies te bestuderen, voordat de waarheidsclaim daarvan kan worden vastgesteld. Als die eenmaal is bepaald kan deze vervolgens getoetst worden aan het artefactisch materiaal. We zien hier opnieuw hoe door de gekozen methodologie de Bijbeltekst in het gedrang komt. Die mag niet meer voor zichzelf spreken.
 

Van Bekkums keuze voor het getal 40 als aanduiding van een periode waarin de ene groep verantwoordelijke mensen de andere afwisselt, ontleent hij aan het boek Richteren. Daarin volgen steeds periodes van trouw en ontrouw elkaar af. Het zou volgens hem niet zozeer gaan om opvolgende generaties. Echter, in Richteren 2:10 wordt de ontrouw aan het verbond met de HERE wel sterk gekoppeld aan de vervanging van de ene generatie door de andere. De meeste uitleggers die het getal 480 niet letterlijk nemen beschouwen het als een symbolische aanduiding van 12 generaties van 40 jaar. Een symbolische aanduiding, want verzekeren zij ons, het getal 40 voor een generatie is arbitrair. De werkelijke duur van een generatie moet eerder rond de 25 jaar liggen. Daarom verlagen zij dit symbolische getal 40 naar 25,  zodat er niet 12x40, maar 12x25 jaar zouden zijn verstreken tussen de Uittocht en het begin van de tempelbouw onder Salomo. Dit zou neerkomen op 300 jaar. Dit getal opgeteld bij het vierde regeringsjaar van Salomo zou dus uitkomen op een Uittocht rond 1267, wat dus goed past bij Van Bekkums gebruikte chronologie. Wat voor de uitleg van Van Bekkum lijkt te pleiten is dat het getal 480 een afgerond getal is.
 

Toch is dit maar schijn. Want in werkelijkheid zit er tussen de Uittocht en de bouw van de tempel 479 jaar en nog een onbekend aantal dagen. De tekst spreekt namelijk niet van 480 jaar na de Uittocht, maar van het 480e jaar.10 Dat er twaalf generaties zouden hebben geleefd tussen de Exodus en de tempelbouw is in ieder geval aantoonbaar onjuist. Uit 1Kron.6:33-37 weten wij dat er tussen Heman, die in de tijd van David leefde, en Korach, een tijdgenoot van Mozes, 19 generaties zaten. Uitgaande van 25 jaar per generatie zou dit dus 475 jaar opleveren (19x25=475) waarmee het getal van 479 wel akelig precies wordt genaderd. Natuurlijk is 25 jaar per generatie een gemiddelde. Met een enkele afwijking komen we dan al op de genoemde 479 jaar uit.

Een allegorische verklaring van het getal 480 voldoet daarom niet. De tekst van 1 Kon.6 bevat ook geen enkele aanwijzing dat we hier te maken hebben met een geconstrueerd getal. Wie dit standpunt verdedigd gaat daarmee voorbij aan het feit dat alle andere getallen in de boeken Koningen en Kronieken letterlijk bedoeld zijn. Alleen Schriftkritische geleerden als Wellhausen en zijn navolgers zijn van mening dat de regeringsjaren van de verschillende koningen niet-historisch zijn. Door Bijbelgetrouwe Schriftuitleggers wordt dit unaniem ontkend.11

 

De vraag is daarom gewettigd waarom we al deze getallen, inclusief het vierde regeringsjaar van Salomo wel letterlijk zouden moeten nemen, behalve het getal 480. Wie dit toelaatbaar acht, heeft geen verweer tegen een symbolisch opvatten van andere getallen in de Bijbel zoals de woestijntijd van 40 jaar, of de 40 dagen durende verzoeking van Jezus in de woestijn. De conclusie kan daarom niet anders luiden dat het symbolisch opvatten van het getal 480 berust op willekeur.12 Dat dit getal niet metaforisch bedoeld kan zijn, blijkt verder uit het feit dat het hier gaat om een rangtelwoord, niet om een hoofdtelwoord. Bij samengestelde getallen waarbij het kleine getal (80) eerder wordt genoemd dan het grote (400) gaat het bovendien altijd om technisch precieze cijfers, zo is uit onderzoek gebleken.13
 

Richteren 11:26 en andere Schriftgegevens
Ook Richteren 11:26 maakt duidelijk dat een Intocht rond 1250 v.Chr. niet klopt. Uit deze tekst blijkt dat Jefta zijn aanspraken op het gebied aan de overzijde van de Jordaan tegenover de Ammonieten verdedigt, door er op te wijzen dat de Israëlieten daar al gedurende 300 jaar wonen; dus lang voordat de onderdrukking door de Ammonieten begon. Jefta was er dus van op de hoogte dat de Israëlieten zich daar al drie eeuwen geleden gevestigd hadden (het getal 300 is waarschijnlijk een afronding, het gaat hier om spreektaal).14

Dit argument zou natuurlijk direct onderuit zijn gehaald door de koning van de Amorieten als de Israëlieten daar nog maar 150 jaar hadden gewoond, wat zo zou zijn als Van Bekkums datering juist is. Wanneer die Ammonitische onderdrukking precies begon is niet bekend, maar waarschijnlijk moet dat ergens rond het jaar 1100 v. Chr. zijn geweest. Dat zou betekenen dat de Verovering rond 1400 v. Chr. moet hebben plaatsgevonden, 150-180 jaar eerder dan Van Bekkum aanneemt.15
 

 

 

Jefta keert terug uit de strijd
 

Sommige auteurs menen dat er meer tijd verstreken moet zijn tussen de Exodus en de bouw van de tempel onder Salomo. De periode van de rechters zou een veel langere tijd in beslag hebben genomen dan 480-40 (woestijntijd) – 30 (Jozua leeftijd sterven 110 – leeftijd bij Jozua bij Intocht 80)- 40 (regering Saul)  – 40 (regering David) = 330 jaar.16

 

Toch hoeft dit niet zo te zijn geweest omdat niet alle rechters chronologisch op elkaar volgden, maar soms gelijktijdig in een ander deel van het land optraden.17
Dank zij Ezechiël 40:1 weten we dat het jaar 574 een jubeljaar was. Volgens Joodse bronnen als de Talmoed en de Seder ‘Olam  was dit het 17e jubeljaar. Het jaar waarop het begin van de cyclus van dit jubeljaar begon moet 622 v.Chr. zijn geweest. Rekenen we vanaf dat jaar 16x49 jaren terug dan komen we uit op 1406 v.Chr., het jaar waarop de Israëlieten de Jordaan overtrokken en Kanaän binnengingen, precies 40 jaar nadat de Israëlieten uit Egypte waren getrokken (Deut.1:3; Jozua 4:19, 5:10). Schriftgegevens maken duidelijk dat de priesters (waarvan Ezechiël er één was!) nauwgezet de cyclus van sabbatsjaren en jubeljaren hebben bijgehouden. Zo was het gebruikelijk om de wet voor te lezen en slaven vrij te laten in een sabbatsjaar (Jer.34:8-10; 2 Kon.23:2; 2 Kron.17:7-9). In het jaar dat Salomo met de bouw van de tempel begon, wisten de priesters dus dat dit het vijfde jaar was van de zevende sabbatscyclus van de negende jubeljaarcyclus. Een simpele rekensom volstond dus om te bepalen dat 439 jaar (8x49+47 jaar) waren verstreken sinds de eerste viering van het sabbatsjaar bij de Intocht in het land in 1406 v. Chr. Door de woestijntijd daarbij op te tellen kwamen zij op het 480e jaar sinds de Exodus.18
 

Ook Exodus 12:40 is in dit verband van belang. Daarin staat: “De tijd dat de Israëlieten in Egypte gewoond hadden, was vierhonderd en dertig jaar”. “Juist op de dag af”, zo vertaalt de NBG51 het erop volgende vers. Daarmee wordt gesuggereerd dat het hier een precies getal betreft. Dit laatste valt echter te betwijfelen. Het is niet de bedoeling van de schrijver om aan te geven dat Jakob en zijn zonen 430 jaar daarvoor op de veertiende dag van de eerste maand Egypte waren binnengetrokken. Veelmeer wil de schrijver benadrukken dat de Uittocht precies op de dag waarop het Pascha gegeten werd (de dag begint in de avond!) plaatsvond. Juist op die dag werd het volk uit Egypte bevrijd.19 Of het dus op de dag af 430 jaar was na de komst van Jakob naar Egypte is dus de vraag, maar het aantal jaren is niet twijfelachtig. Daarover is de schrijver van het boek Exodus duidelijk.
 

Tenslotte willen wij nog ingaan op de duur van het verblijf van de Israëlieten in Egypte. Verschillende teksten in de Bijbel stellen dat dit 430 jaar heeft geduurd. We noemden al Ex.12:41: “En na vierhonderd en dertig jaar, juist op de dag af, gingen al de legerscharen des HEREN uit het land Egypte”.

Maar er zijn ook teksten te noemen waar het ronde getal 400 wordt genoemd, zoals in Gen.15:13 en Hand.7:6.  Paulus daarentegen, noemt in de brief aan de Galaten weer het getal 430 als hij het heeft over de voorrang van de belofte boven de Wet. Abraham zou eerst de belofte hebben gekregen, terwijl de Wet pas 430 jaar later volgde (Gal.3:17).  Er bestaat geen overeenstemming tussen de uitleggers over de vraag of de genoemde 430 jaar begrepen moeten worden als de optelsom van het verblijf van de aartsvaders in Kanaän + Egypte, of dat deze periode alleen betrekking heeft op de tijd van Israëls verblijf in Egypte. Ik meen dat er goede gronden zijn om aan de tweede mening de voorkeur te geven. Het belangrijkste argument daarvoor is dat de belofte aan Abraham verschillende keren in Genesis is herhaald. De laatste keer dat dit gebeurde was bij Berseba, toen Jakob en zijn zonen Egypte binnentrokken (Gen.46:1-6). Toen eindigde de bedeling van de belofte die bij Abrahams roeping in Ur begonnen was. De 430 jaar moeten daarom vanaf dat moment worden gerekend tot aan de afkondiging van de Wet

op de Sinaï.20
 

Hoe dit ook zij, of we nu kiezen voor de eerste of de laatste uitleg, in beide gevallen komen we voor het tijdstip van de wetgeving op de Sinaï uit op een tijdstip ver vóór het jaar 1290 waarin volgens Van Bekkum dan de Uittocht  moet hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat men bij een keuze voor een late Uittocht dus nog meer in strijd komt met wat Paulus in de brief aan de Galaten schrijft. Op basis van wat de Schrift ons leert over de tijd van de Uittocht moet een late datering daarom zeker verworpen worden.
Al met al is het volkomen ten onrechte dat Van Bekkum het beroep op teksten als 1 Koningen 6:1 en Exodus 12:40 afdoet als een ‘luiaardsoplossing’.21 Niet alleen deze teksten, maar ook de andere door ons genoemde, wijzen zonder uitzondering in de richting van een vroege datering van de Uittocht. We kunnen dan ook niet anders concluderen dan dat Van Bekkum hier niet het laatste woord aan de Schrift heeft gelaten, maar zijn visie op de datering van Uittocht en Verovering heeft laten bepalen door archeologische argumenten. Die hebben in feite de doorslag gegeven.
 

Nogmaals Jericho en Ai
Zoals gezegd is het juist die onjuiste datering die leidt tot de door hem geconstateerde afstand tussen het Bijbelverhaal en de opgravingen van Jericho en Ai. Wij zagen al dat deze beide steden volgens veel archeologen rond 1400 (in het Laat-Brons) niet meer bewoond zouden zijn geweest. Ook merkten wij op dat deze consensus onder archeologen vooral het gevolg was van de aanvaarding van de conclusies die Kathleen Kenyon trok uit haar opgravingen in Tel-Es-Sultan, het vroegere Jericho.

 

De laatste jaren is er echter gerede twijfel gerezen aan de juistheid van haar gevolgtrekkingen. Met name Bryant G. Wood heeft m.i. overtuigend aangetoond dat de opvatting dat Jericho en Ai tijdens Laat Brons niet meer bewoond waren, niet te verdedigen is. Kenyons opvatting zou volgens Wood vooral gebaseerd zijn geweest op het ontbreken van een bepaald soort luxe aardewerk.22

Maar het is een klassieke valkuil voor archeologen om in het ontbreken van bewijzen een bewijs te zien dat iets er niet is geweest. Ook Van Bekkum wijst op dit gevaar als hij stelt dat ‘absence of evidence’, nog niet betekent dat er ‘evidence of absence’ geconstateerd mag worden.23

 

Vanwege haar expertise op het gebied van veldarcheologie werden de conclusies van Kenyon echter door het merendeel van haar collega’s voetstoots aanvaard. Niettemin bevat het werk van Kenyon een aantal ernstige tekorten.

Allereerst trok zij haar opzienbarende conclusie lang voordat alle gegevens van haar opgraving waren verwerkt. De publicatie daarvan vond namelijk pas enkele jaren na haar dood plaats. Toen was het kwaad echter al geschied en was haar conclusie al algemeen aanvaard en had deze de status van onaantastbaarheid verkregen.

Opvallenderwijs is hier sprake van blindheid aan één oog. Want terwijl men de interpretaties van Kenyon op tal van andere terreinen inmiddels heeft losgelaten, staan haar conclusies m.b.t. Jericho nog pal overeind.24 Een op zijn zachtst gezegd opmerkelijke zaak die aantoont dat hier andere motieven in het spel zijn dan louter archeologische overwegingen.

 

Maar er is meer.

Zo had zij de grote hoeveelheden aardewerk veronachtzaamd, die Garstang en ook zijzelf (!) had opgegraven, en die onmiskenbaar afkomstig waren uit het Laat Brons, d.w.z. uit de tijd van de Verovering van Kanaän door Jozua. Ook had zij geen aandacht geschonken aan Egyptische amuletten die Garstang had gevonden in een nabijgelegen begraafplaats, en die aantoonden dat de plaats nog bewoond werd kort voor de val van de stad rond het jaar 1400 v.Chr. Geen enkele van de gevonden scarabeeën (amulet in de vorm van een mestkever) dateerde namelijk van na farao Amenhotep III (1412-1376). De enige plausibele verklaring voor het feit dat er geen enkele scarabee werd aangetroffen van die vele latere  farao’s tussen Amenhotep III en Ramses II (zeven in totaal) is dat Jericho sinds de regering van Amenhotep III een ruïne was en nog niet daarvoor. Kenyon concludeerde uit het feit dat er in de ingestorte muren wel potscherven van enkele eeuwen vóór 1400 v. Chr. gevonden werden, maar niet van rond 1400, dat Stad IV dus lang voor het jaar 1400 was verwoest.

 

Deze conclusie berust echter op een verkeerde veronderstelling, omdat deze muren immers al eeuwen daarvoor gebouwd moeten zijn. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat daarin geen sporen van een 14e eeuwse constructie werden aangetroffen.25 Verder mag het verwondering wekken dat Kenyon geen aandacht schonk aan wat zij zelf had opgemerkt:  stadsmuren die niet waren ingeramd, maar naar buiten toe waren ingestort. Muren, waarvan zij zelf had geconstateerd dat ze waren ingestort, vóórdat de stad door brand werd verwoest.26

 

Noordzijde van de sleuf I, gegraven door Kenyon.
Duidelijk is te zien hoe de leemstenen muur (rood) naar voren
is gestort en voor de steunmuur (zwart) is gevallen.

 

De ontdekking van grote hoeveelheden graan in de stad had haar eveneens opmerkzaam moeten maken dat er met Jericho iets bijzonders aan de hand was. Steden in de Oudheid werden immers zelden aangevallen vlak na de oogsttijd. Dan zou de belegering ervan veel te lang duren voordat honger de bewoners tot overgave zou dwingen. Maar deze graanvoorraden stemmen geheel overeen met de Bijbelse gegevens die immers duidelijk maken dat Jozua kort na de oogsttijd voor de muren van Jericho verscheen, en dat de stad slechts na een kort beleg van zeven dagen werd ingenomen. (Jozua 3:15; 5:11). Dat het graan in de stad achter werd gelaten, een bijzonderheid (!) stemt eveneens overeen met het duidelijke bevel van de HERE om alles met vuur te verbranden, behalve de metalen voorwerpen die bij de schat van het huis des HEREN mochten worden gevoegd (Jozua 6:24).

Tenslotte wijst ook onderzoek van een stuk houtskool met behulp van de C14-methode uit dat dit gedateerd moet worden in 1410 v.Chr.27  Al met al zijn er dus zwaarwegende redenen om de algemeen aanvaarde opinie dat Jericho al voor de Verovering van Kanaän tot een puinhoop was vervallen, te herzien.
 

De archeologische gegevens spreken dus de Bijbelse gegevens niet tegen, maar bevestigen deze juist. Ook andere bijzonderheden kloppen met het Bijbelverhaal. Zo is bij opgravingen gebleken dat Jericho omgeven was door een grote aarden wal die aan de buitenkant werd tegengehouden door een natuurstenen borstwering. Op de top van deze muur was weer een muur van leemstenen gebouwd. Eenzelfde leemstenen muur beschermde de bovenstad op de top van de heuvel. Daartussen lag de benedenstad. In deze benedenstad woonde het armere bevolkingsdeel. De huizen stonden tegen de buitenste leemstenen muur aangebouwd. In een van deze huizen moet Rachab gewoond hebben. Jozua 2:15 vermeldt dat zij woonde ‘aan de buitenzijde van de stadsmuur, op de muur’.

Het waren deze leemstenen muren die instortten, en aan de buitenzijde van de borstwering vielen en een helling vormden, waardoor iedere Israëliet, ‘recht voor zich uit’ (Jozua 6:20), de heuvel kon bestormen (lett. ‘klimmen’)en de stad innemen. Opvallend is dat deze muren over de hele linie zijn ingestort, maar dat aan de noordzijde één gedeelte is overeind blijven staan. Het is aannemelijk dat hier Rachab moet hebben gewoond. Dit gedeelte van Jericho ligt ook het dichtst bij de heuvels van de Judese woestijn waar de verspieders zich drie dagen schuilhielden.28 Zo kloppen alle details die het boek Jozua noemt met de archeologische gegevens.
 

           
 

Getekende weergave van de stadsmuren van     Voorraadpotten van aardenwerk met daarin verkoold graan.
Jericho met de twee lemenmuren, waarvan       Gevonden door John Garstang in Jericho.
de buitenste gebouwd is op de natuurstenen
borstwering met daartussen de benedenstad.

 

De heersende opvatting over Ai is eveneens aan revisie toe. Een belangrijke reden daarvoor is dat Et-Tel, waarmee Ai vanouds werd geïdentificeerd, niet overeenkomt met de geografische gegevens die in het boek Jozua genoemd worden.29 In feite heeft men dus Ai op een verkeerde plaats gelokaliseerd.

Ook Van Bekkum gaat uit van deze verkeerde plaatsbepaling.30 De gegevens die de opgravingswerkzaamheden van deze heuvel hebben opgeleverd, kunnen dus niet dienen als falsifiëring van wat in Jozua beschreven staat. De plaats die wel voldoet aan de geografische vereisten van Jozua’s Ai is Kh. El-Maqatir. Deze plaats met het archeologische nummer 85 ligt dichtbij Beth-aven (Beitin) en ten oosten van Bethel (El Bireh) wat overeenstemt met de beschrijvingen in Jozua 7:2 en 12:9.

Ook is er een hoge heuvel in de buurt die door Jozua gebruikt kan zijn als commandopost van het hoofdleger (Jozua 8:11) en een ondiepe vallei waarin hij de nacht kan hebben doorgebracht (Jozua 8:13-14). Bryant G. Wood heeft hier gedurende enkele jaren opgravingen verricht. De uitkomsten daarvan maken het zeer waarschijnlijk dat het hier opgegraven fort inderdaad het Bijbelse Ai is.31
 

NOTEN
____________________________________________________________
 

1 Zie interview ND. Van Bekkum gaat niet zover dat hij de beschrijving van de verwoesting van Jericho en Ai afdoet als een verhaal. Hij wil juist van die tegenstelling tussen ‘verhaal’ en ‘geschiedenis’ af. Hij vindt dat een uiting van empiricisme, waarbij iets óf geschiedenis, óf fictie is. De Bijbelse geschiedschrijving zou volgens hem beide bevatten. Koert van Bekkum, From Conquest to Coexistence, p.30. Het standpunt van van Bekkum zadelt de lezer echter wel op met de vraag hóe een verhaal dan toch geschiedschrijving kan zijn. En wat er dan met Jericho en Ai gebeurd is, als deze beide steden niet door Jozua verwoest zijn. En hoe dit alles te rijmen valt met het geloof in de betrouwbaarheid van de Schrift. Ik deel zijn mening dat het verschil tussen feit en fictie niet bepaald mag worden door de ideologische bevangenheid van de onderzoeker, zodat het feit dat deze niet meer in wonderen gelooft, op zichzelf hierin beslissend kan zijn. Zo onderschrijf ik zijn standpunt dat objectiviteit en subjectiviteit niet per definitie elkaars tegenstelling hoeven te zijn. (a.w., p.28) Een beschrijving van de geschiedenis vanuit een partijdig standpunt, kan wel degelijk respect tonen voor de historische feiten. Men hoeft slechts een hoofdstuk van Groen van Prinsterers historisch werk te lezen om het bewijs daarvoor geleverd te krijgen. Maar de vraag naar het verschil tussen feit en fictie acht ik legitiem. Het is daarom onontkoombaar dat Van Bekkum antwoord geeft op de vraag of de beschrijving van de ondergang van Jericho in Jozua 6 nu wel of niet is gebeurd. Of dit nu een feit of een verzinsel is. Uit dit dilemma kun je je niet bevrijden door dit te labelen als ‘empiricistisch’ of door het introduceren van het onderscheid tussen ‘verhaal’ en ‘geschiedenis’. Want ook al beschrijft de geschiedschrijver de geschiedenis in verhalende vorm,  zodra hij zich losmaakt van de feiten, begeeft hij zich op het terrein van de fictie en mag hij geen aanspraak meer maken op de titel van historicus. De tegenstelling ligt dus niet zozeer tussen ‘verhaal’ en ‘geschiedenis’, maar tussen ‘feit’ en ‘verzinsel’.
2 Koert van Bekkum, From Conquest to Coexistence, p.474.. Ook wordt door hem een datering halverwege de 13e eeuw genoemd. Koert van Bekkum, Datering Intocht in 13e eeuw v.C. In: BAR, aug.2010, p12
3 Koert van Bekkum, From Conquest to Coexistence, p.560.
4 Koert van Bekkum, From Conquest to Coexistence, p.488-9.
5 Koert van Bekkum, Datering Intocht in 13e eeuw v.C. In: Bijbel, Geschiedenis en Archeologie, aug.2010, p12. De Amarnabrieven is een verzameling correspondentie van Egypte met buitenlandse vorsten. Ze dateren uit de 14e eeuw en zijn in de stad Amarna gevonden, wat in de tijd van de ‘ketterkoning’ Echnaton de hoofdstad was. De Amarnabrieven zijn kleitabletten, geschreven in het Akkadisch. Dank zij deze correspondentie weten we veel af van de betrekkingen tussen Egypte en Babylonië, het Hethietenrijk, Assyrië, Syrië en Palestina.
6 Volgens Manfred Görg, emeritus professor aan de Ludwig-Maximilians-Universität München, zou er al sprake kunnen zijn van een vermelding van Israël in Kanaän op de voet van een zuil (Berlijn-fragment no.21687) uit de tijd van Ramses II (1294-1279). Deze tekst zou zijn gekopieerd van een eerdere namenlijst uit de tijd van Amenhotep II die regeerde in 1453-1419 of 1427-1401 v.Chr., afhankelijk van welke Egyptische chronologie men gebruikt. Als Görg gelijk heeft dan is er dus al een aanwijzing voor de aanwezigheid van Israël in Kanaän rond de tijd van de Verovering. Bryant G. Wood, Extra Biblical Evidence for the Conquest. Bible and Spade, Fall 2005.
7 Koert van Bekkum, From Conquest to Coexistence,  p.559. Deze gegevens kunnen ook anders worden geïnterpreteerd. Zo maakt de Merneptah stèle er melding van dat “Israël verwoest is en geen zaad meer heeft, en dat Khurru (= Syrië/Kanaän) tot weduwe is gemaakt”. Deze uitspraak is stellig een overdrijving, zoals wel meer voorkwam op gedenktekens in Egypte. Maar het is veelzeggend dat beweerd wordt dat de nederlaag van Israël zulke gevolgen had voor de hele streek. Dat bewijst het belang van Israël op dat moment. Deze positie zal Israël niet over een nacht hebben verkregen. Dat wijst er op dat Israël dus al langere tijd vóór de Merneptah-expeditie zich in Kanaän had gevestigd. Ook het feit dat alleen Israël als volk wordt genoemd, terwijl van de andere verslagen vijanden alleen de stadsnaam wordt genoemd wijst er op dat Israël qua militaire macht het sterkst was. Zie hiervoor: Bryant G. Wood, Extra Biblical Evidence for the Conquest. Bible and Spade, Fall 2005. De begrippen terminus post quem en terminus ante quo duiden het vertrekpunt en het eindpunt aan waartussen een bepaalde gebeurtenis zich moet hebben afgespeeld. In dit geval zou het bestaan van Israël als volk in Palestina ergens moeten liggen tussen de Armarnabrieven (14e eeuw) en de Merneptahstèle (12e eeuw).
8 Koert van Bekkum, From Conquest to Coexistence, p.494.
9 Koert van Bekkum, Datering intocht in 13e eeuw v.C. In: Bijbel, Geschiedenis en Archeologie, aug.2010, p.9. Zie bijvoorbeeld het volgende citaat: “De 480 jaar van 1 Koningen 6:1 hebben dus een functie in een heilshistorisch plot: de ongehoorzaamheid van het volk dwingt God tot de weg van de verkiezing van David, zodat Hij zijn doel, Sion, bereikt. Betekent dit dat de 480 jaar ook historisch bedoeld zijn? In zekere zin natuurlijk wel. Het lijkt erop dat de Bijbelschrijvers bewust gebruik gemaakt hebben van precieze getallen die uit bronnen of verhalen bekend waren. Tegelijk heeft het gehele schema toch iets kunstmatigs. Het geeft een schatting, een indruk. Je kunt het getal lezen als twaalf keer schuld, voordat de Tempel er kwam”. N.a.v deze uitspraak vallen de nodige vragen te stellen. Waar is er in de Bijbel sprake van zo’n schema? Welke aanwijzing bevat het boek Koningen dat het hier inderdaad om een getal gaat dat twaalf keer van schuld spreekt? Is hier geen sprake van ‘inlezing’ bij Van Bekkum? Hoe kan het getal 480 aan de ene kant een precies getal zijn en aan de andere kant toch niet meer dan een schatting? Kortom: heel deze passage getuigt van willekeur. Van Bekkum noemt de 40 jaar “de periode van gehoorzaamheid of van ongehoorzaamheid.”(p.9). Maar een dergelijke schematisering gaat voorbij aan het feit dat in het boek Richteren soms ook veel langere of kortere perioden van rust worden genoemd (zie Richt.3:30; 10:2,3; 12:6; 16:20).
10 Vergelijken we Ex.12:1 en Num.33:3 met 1 Kon.6:1, dan blijkt er een aantal maanden tussen te zitten. De Israëlieten trokken weg uit Egypte in de eerste maand van het eerste jaar op de 15e dag. Terwijl Salomo de tempel begon te bouwen in de tweede maand van het 480e jaar daarna, is er in totaal 479 jaar en 30-45 dagen verstreken.
11 Edwin R. Thiele heeft dit in zijn studie The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings op overtuigende wijze aangetoond.
12 Bryant G. Wood & Rodger Young, A Critical Analysis of the Evidence from Ralph Hawkins for a Late-Date Exodus-Conquest. BAR, 16-03-2009, p.7.
13 Douglas Petrovich, Amenhotep II and the Historicity of the Exodus Pharaoh.  Petrovich beroept zich voor deze opvatting op de studie van Umberto Cassuto, The Documentary Hypothesis and the Composition of the Pentateuch, Jeruzalem, 1961, p.52. BAR 04-02-2010.
14 Jefta zelf moet ongeveer als richter zijn opgetreden tussen 1130 en 1073 v.Chr. Zie hiervoor: Bryant Wood, The Rise and Fall of the 13th Century Exodus-Conquest Theory en de genoemde literatuur in noot 22. Artikel op internet.
15 De gedachte van Kenneth A. Kitchen dat het zou gaan om een propagandistische hyperbool van een ‘onwetend man’, zal misschien door Van Bekkum niet worden gedeeld, maar zijn opvatting dat het getal 300 niet letterlijk hoeft te worden genomen leidt wel tot de conclusie dat we hier geen conclusies aan mogen verbinden m.b.t. de datering van de Intocht. Kenneth A. Kitchen, On the Reliabiblity of the Old Testament, Eerdmans, Grand Rapids, 2003, p.209.
16 Zie voor verantwoording van de leeftijd van Jozua bij de Intocht, C.J. Goslinga, Jozua (KV), p.35-6.
17 ”It is important to note that the oppression by the Ammonites (Judg 10:8–12:14) and the oppression by the Philistines (Judg 13:1–16:31) occurred simultaneously, one on the east side of the Jordan and the other on the west. Thus the forty-seven years of the Ammonite oppression does not continue the chronology since it fits into the narrative of the Philistine oppression featured in the first Book of Samuel”. Holman Bible Handbook, Nashville, 1992, p.144. Ook W.H. Gispen wijst op deze mogelijkheid. Exodus, KV, p.21.
18 Bryant G. Wood & Rodger Young, A Critical Analysis of the Evidence from Ralph Hawkins for a Late-Date Exodus-Conquest. BAR, 16-03-2009, p.12.
19 De NBV wekt nog sterker deze indruk. Daar wordt dit vers aldus vertaald: “Na precies vierhonderddertig jaar – geen dag eerder of later – trok het volk van de HEER, in groepen geordend, uit Egypte weg”. Zie echter: Douglas K. Stuart, The New American Commentary. Exodus, p.305.
20 Uitleg van Galaten 3:17 door R. Jamieson, A.R. Fausset, D. Brown, Commentary Critical and Explanatory on the Whole Bible.  Ook Walvoord, J. F., Zuck, R. B., & Dallas Theological Seminary. (1983-). The Bible knowledge commentary : An exposition of the scriptures (Ga 3:17–18). Wheaton, IL: Victor Books, kiezen voor deze opvatting. Zo ook W.H. Gispen, Exodus (KV), p.134-5. Dr. S. Greijdanus, Galaten (KV),p.95, daarentegen kiest voor de eerstgenoemde exegese, die overeenkomt met de lezing van de LXX.
21 Koert van Bekkum, From Conquest to Coexistence, p.33.
22 Bryant G. Wood, Did the Israelites Conquer Jericho? A New Look at the Archaeological Evidence. BAR 01-05-2008.
23 Koert van Bekkum, From Conquest to Coexistence, p.427. Van Bekkum wijst er N.B. zelf op dat uit het ontbreken van aardewerk uit een bepaalde periode nog niet geconcludeerd mag worden dat er daarom geen sprake is geweest van bewoning. (p.43). Niettemin sluit hij zich wel aan bij de visie van Kenyon, terwijl dit ontbrekende aardewerk een belangrijk argument was voor haar stelling dat Jericho in de tijd van Jozua al in puin lag.
24 Hershel Shanks, “The Mistress of Stratigraphy Had Clay Feet”. BAR, maart/april 1985.
25 Gleason Archer, New International Encyclopedia of Bible Difficulties, Grand Rapids, 1982, p.156.
26 Scott Ashley en Jerold Aust, Jericho: Does the Evidence Disprove or Prove the Bible? Het artikel is te vinden op internet.
27 Bryant G. Wood, Did the Israelites Conquer Jericho? A New Look at the Archaeological Evidence. BAR, 01-05-2008, p.10. In het artikel Carbon 14 dating at Jericho, enkele maanden later gepubliceerd, is Wood echter voorzichtiger. De betrouwbaarheid van dergelijke metingen wordt door hem in dit artikel sterk gerelativeerd. De C14-metingen zouden veel inconsistenties en onzekerheden vertonen. Om die redden zouden zijn college-archeologen meer gewicht toekennen aan historische data. Wood sluit zich bij deze mening aan. BAR, 07-08-2008.
28 Bryant G. Wood, The Walls of Jericho. BAR 09-07-2008, p.6-7.
29 Zie bijvoorbeeld Peter Briggs, Testing the factuality of the Conquest of Ai Narrative in the book of Joshua. Briggs toont op grond van 14 verschillende parameters de onhoudbaarheid van de traditionele identificatie van Et-Tel en Ai.
30 Koert van Bekkum, From Conquest to Coexistence,  p.559.
31 Bryant G. Wood,  Researching Ai. Bible and Spade 2009.