Ethiek

Ethiek

Signalen

 



 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Botsende geboden?

 

Redactie een in waarheid

28-11-20

 

In Persschouw van Weerklank, novembernummer 2020 geeft ds. E. Hoogendoorn onder deze titel aandacht aan een belangwekkend artikel van prof. dr. Jason P. van Vliet, hoogleraar Dogmatology (Dogmatiek) aan het Canadian Reformed Theological Seminary van de Canadian Reformed Churches te Hamilton. Het artikel geeft antwoorden op belangrijke geloofsvragen die ook onder ons leven.

Met toestemming van ds. Hoogendoorn nemen we zijn persschouw hier integraal over.

 


 

‘Botsing van plichten’ bij corona-epidemie?

 

Ds. E. Hoogendoorn

 

In de ethiek, de gedragsleer over wat goed en kwaad is, kennen we de figuur van wat wel genoemd wordt de ‘botsing van plichten’. Je krijgt daarmee te maken als je moet kiezen tussen twee of ook meer plichten waaraan je niet tegelijk kunt voldoen. Zo kun je bijvoorbeeld het gevoel hebben dat het ene gebod van God je in strijd brengt met het andere. Wat moet je dan kiezen?
 

In het oktobernummer van Lux Mundi, het magazine van de International Conference of Reformed Churches, troffen we een actueel artikel aan dat gewijd is aan zo’n botsing van plichten waarvoor je in de huidige coronaepidemie kunt komen te staan.
Het is van de hand van dr. Jason van Vliet, predikant bij de Canadian Reformed Churches. Hij is ook professor in de dogmatiek en momenteel rector van het Theologisch Seminarie van deze kerken. Het artikel, dat eerder gepubliceerd was in het juni-nummer van Clarion, heeft als kop:

 

More birds than believers in church

(Meer vogels dan gelovigen in de kerk.)
 

Uit de inhoud van dit artikel geef ik graag het een en ander door, meest vertaald en soms in een verkorte weergave.

Ds. Van Vliet vertelt hoe hij laatst in een kerkdienst in Hamilton, Ontario, mocht voorgaan. De gemeente ter plekke telt zo’n 450 leden.  Toen hij vlak voor de dienst arriveerde, was

 

"iedereen al in de kerk, drie gemeenteleden: een ouderling, een broeder die het geluid en de video verzorgde, en een zuster die piano speelde. Vele leden van de gemeente waren met ons verbonden via een livestream verbinding. Om verspreiding van COVID-19 te beteugelen was op dat moment door de overheid van Ontario niet toegestaan met meer dan vijf personen publiek te vergaderen. Daarom waren er maar vier van ons in de kerk."


Maar wat nu die vogels in het kopje boven het artikel?
Het bleek dat in de vergaderzaal (van een gymnasium) een klein gat in het dak zat waardoor de vogels naar binnen waren gekomen. Gezien het geluid tussen de balken waagde ds. Van Vliet het te gissen dat er meer vogels dan gelovigen in de kerk aanwezig waren.

 

Van Vliet vervolgt:


'In art. 27 van de Belgic Confession [onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, EH] verklaren wij dat de kerk is 'een heilige vergadering en verzameling van de gelovigen’. Wanneer meer vogels dan gelovigen zich hebben verzameld in een kerkgebouw, hebben we reden tot treuren.'

 

Gevangen tussen geboden?
 

'Tenminste drie goddelijke geboden kruisen elkaar in deze omstandigheid.
Als deel van het vierde gebod belijden wij dat we ‘trouw tot Gods gemeente moeten komen om Gods Woord te horen, de sacramenten te gebruiken, God de Here publiek aan te roepen en de armen christelijke offers te geven’ (Zondag 38).
Zolang je een goede internetverbinding hebt en jouw plaatselijke kerk een live-stream uitrusting, kun je de prediker nog zien en de preek nog heel goed horen. Op dezelfde manier kan de predikant ons voorgaan in publiek gebed, en door een elektronische overdracht te maken kunnen wij nog christelijke aalmoezen geven.
Maar er ontbreekt zoveel. In plaatsen waar de restricties strenger zijn is het schier onmogelijk om de sacramenten te bedienen. We zingen psalmen en gezangen in onze huizen, maar het komt zelfs niet in de buurt van de opbeurende ervaring van het zingen samen met honderden geloofsgenoten in een gebouw met een levendige akoestiek.
Kortom, ‘kwamen wij tot Gods gemeente’? Nou ja, iets van dien aard, maar niet echt. Psalm 122 klinkt ons in de oren en drukt op onze harten: ‘Ik was verheugd, toen men mij zei: ‘Laat ons naar ’t huis des H
EREN gaan’, niet blijven in onze eigen huizen.

 

Tegelijkertijd eist de Here van ons in het vijfde gebod onze overheden te respecteren en gehoorzamen. Denk aan de woorden van Romeinen 13: ‘Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over ons gesteld zijn, zodat hij die zich verzet tegen het gezag, tegen de instelling van God ingaat, en wie daartegen ingaan, zullen over zichzelf een oordeel halen’ (vs 1-2). Deze woorden zijn zowel ronduit als geïnspireerd.
 

Dit gebod blijft ook van toepassing als de overheden onrechtvaardig of onwijs zijn. De apostel Petrus schreef, ‘wees uw meesters met alle ontzag onderdanig, niet alleen hun die goed en welwillend zijn, maar ook die verkeerd handelen’ (1 Pet 2:18). Maar daar is een grens aan, want dezelfde apostel zei tot het Sanhedrin, ‘Wij moeten aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen’(Hand.5:29).
Dienen wij het vijfde gebod te overtreden en ons niet te houden aan de beperkingen op publieke vergaderingen om het vierde gebod in acht te nemen en in de kerk bijeen te komen om God te aanbidden?

 

Het beantwoorden van die vraag is al ingewikkeld, maar daar komt nu ook nog het zesde gebod bij. Dit gebod verbiedt niet alleen doodslaan maar roept ons ook op ‘zijn [onze naaste] schade zoveel mogelijk te voorkomen’ (Zondag 40).
Wat nu? Als wij het vierde gebod volbrengen en tot Gods gemeente komen, overtreden wij dan (mogelijk) het zesde gebod doordat wij geloofsgenoten, en bij uitbreiding anderen waarmee zij contact kunnen hebben, in gevaar brengen?
Wij voelen ons gevangen tussen de geboden. Onze consciënties worden opgehangen aan de hoorns van een drievoudig dilemma. Wat moet een serieuze christen doen?

 

Een enkel historisch perspectief
 

Zoals de Prediker ons onderwijst is er niets nieuws onder de zon (Pred. 1:10). Zware pandemieën hebben eerder de wereld geteisterd. Omwille van de publieke gezondheid hebben regeringen eerder kerkgebouwen gesloten. Zo stierf bijvoorbeeld tussen 1576 en 1578 tijdens de pest in Milaan 15 procent van de stadsbevolking. Op de piek van de besmetting sloot de stad alle ‘niet-essentiële winkels’ en stelde een ‘algemene quarantaine’ in werking, wat ook betekende dat openbare erediensten niet waren toegestaan.
Een vertrouwd geluid?

 

De aartsbisschop, een zekere Carlo Borromeo, organiseerde in samenwerking met de lokale ambtenaren boekjes met boetvaardige Bijbelpassages, gebeden en liederen. Deze werden dan kosteloos verdeeld onder de burgers. Op gezette tijden, als de kerkklok luidde, kwam iedereen bij de deuren en ramen van hun huizen. Samen reciteerde de stad gebeden en zong liederen. De stenen straten van Milaan weergalmden nog meer van kerkelijk gezang dan het marmeren schip van zijn kathedraal. Kun je het je voorstellen?
 

Evenzo verwoestte in 1918 de zogenoemde Spaanse griep Philadelphia. Op 3 oktober sloten de plaatselijke autoriteiten alle scholen. Op 4 oktober sloten zij ook alle bars, theaters en kerken. In de loop van de maand doorleefde iedereen een complete lockdown, behalve wat noodzakelijk moest gebeuren zoals het van voedsel voorzien van hun families en de zorg voor de zieke, de stervende en de dode. Aan het eind van de maand daalde het besmettingsgetal echter en de dingen gingen weer open. Als een veilig teken van een ander tijdperk was ‘de eerste stap bij het opheffen van het verbod dat de kerken en synagogen werd toegestaan weer open te gaan’; hoewel, althans in het geval van de kerken, ‘… zonder zondagschool’.
 

De geschiedenis is interessant en leerzaam. We zijn zeker niet de eerste generatie die tijden als deze meemaken. Toch is de geschiedenis niet gezaghebbend. De vraag blijft: wat staat voor het aangezicht van onze God oprechte christenen te doen?

 

Ga niet de geboden rangschikken
 

Moeilijke omstandigheden kunnen ons uit elkaar drijven of ons samenbrengen. Laten we vurig bidden dat het juist het laatste zou zijn. Toch is het moeilijk onze geest tegelijkertijd gefocust te houden op al de geboden die erbij betrokken zijn.
De ene gelovige richt zich vlot tot het vierde gebod: God roept ons samen te komen voor de eredienst, dus móeten wij samenkomen voor de eredienst.

Het hart van het volgend kind van God wordt echter gegrepen door de waarheid van het vijfde gebod. God waarschuwt ons dat als wij ons verzetten tegen de overheden die Hij over ons gesteld heeft, wij het oordeel over ons heen zullen halen. Wij moeten dat zeker serieus nemen, nietwaar?
 

Vervolgens is er dan weer een andere broeder of zuster in de Here die de last van het zesde gebod voelt, omdat hij of zij bezorgd is de gezondheid van iemand anders ernstig in gevaar te kunnen brengen. Asymptomatische overdracht is tenslotte een realiteit.
Verschillende mensen benadrukken verschillende geboden, en als zij het ook nog agressief doen kunnen zij ons onbedoeld uit elkaar drijven. We zullen geduld moeten hebben met elkaar en voorzichtig moeten zijn met elkaars gewetensbezwaren.
Maar afgezien daarvan kunt u er zeker van zijn dat er geen drievoudig dilemma in het Woord van God is. Net zo zeker als dat de Schrift niet gebroken kan worden (Joh. 10:35), kan het ook niet onder elkaar gerangschikt worden. Heel de wet is vervuld in één sleutelwoord: liefde (Matth. 22:37-40; Gal.5:14; Zondag 2). Met elkaar verweven liefde voor God en onze naaste zal ons het verenigende vertrekpunt voor ons allen verschaffen.

 

Wandel in de liefde
 

‘Ik heb de HERE lief’ (Ps. 116) en ‘Ik heb uw heiligen lief’ (Ps. 16) zijn de twee motoren van heilig verlangen die ons uit ons bed stuwen, in onze auto’s en naar onze kerkgebouwen twee keer per zondag. Echt? Maar dat pluche fauteuil in mijn huiskamer is comfortabeler dan de eiken bank in de kerk, nietwaar?  En een extra uur slaap op zondagmorgen is ook best aardig, nietwaar?
De Here kan en zal de COVID-19 pandemie gebruiken om onze met liefde vervulde loyaliteit aan Hem te verfijnen, en te verbranden al het afval van gewoonte, bijgeloof of hypocrisie in onze gehoorzaamheid aan het vierde gebod. Als onze zielen ernaar verlangen om terug te keren naar de voorhoven van onze God met onze geloofsgenoten (Ps. 84), dan komt onze God zijn belofte na om het kwaad weg te nemen en het ons ten goede te keren.

 

Vervolgens, het vierde en zesde gebod bij elkaar houden is al vertrouwd terrein voor ons. Ik verlang ernaar om naar Gods gemeente te komen, maar als ik ernstig ziek ben met een besmettelijke ziekte, moet ik thuisblijven of andere voorzorgsmaatregelen nemen zodat ik anderen geen kwaad kan doen. In zo’n geval overtreed ik het vierde gebod niet om het zesde te houden. Waarom niet? Omdat in Gods wet liefde voor Hem en voor de naaste niet concurreren met elkaar, maar elkaar aanvullen.
Bijvoorbeeld, als in het OT sommigen van zijn eigen volk ernstige ziektes hadden, plaatste God zelf hen ‘buiten de legerplaats’ en hield hen daarmee ook weg van de openbare eredienst (Lev. 13 en 14). Denk eraan, deze wetten waren meer dan een kwestie van volksgezondheid. Zij hielden ook andere, diepere, geestelijke lessen in. Maar als een liefhebbend Vader, onze God, ook die openbare eredienst beveiligde, zouden die bijeenkomsten geen voedingsbodem worden voor de verspreiding van ernstige ziekten. Onder bepaalde omstandigheden betekent het liefhebben van zowel God als onze naaste dus dat we misschien weg moeten blijven van de openbare eredienst.

 

Deze Bijbelse principes zijn ook van toepassing als wij te maken hebben met COVID-19.  Aan de ene kant mag buitensporige angst voor virussen ons er niet van weerhouden om samen te komen voor de eredienst. De Heilige Geest onderwijst ons dat de wijze niet geïmmobiliseerd zal worden door ongegronde angst voor leeuwen op de weg of – om het even uit te breiden – voor virussen in de banken (Spr. 26:13).
Aan de andere kant, liefde voor de naaste en voor onze hemelse Vader die de gezondheid van onze naaste hooghoudt, zal ons dwingen alle nodige voorzichtigheid te betrachten. Kortom, liefde en wijsheid effenen een weg die het vierde en zesde gebod in harmonie houdt.
Het vervullen van het vijfde gebod is in deze huidige omstandigheden een grotere uitdaging maar niet onmogelijk.”

 

Met verwijzing naar wat Calvijn en Theodoor Beza opmerken bij Rom. 12:1-2 herinnert dr. Van Vliet aan de mogelijkheid om in geval dat overheidsinstanties met hun maatregelen onwijs of oneerlijk richting de kerken handelen, deze in beroep kunnen gaan bij andere instanties. Daarbij mogen de kerken dankbaar gebruik maken van kerkleden die – als God dat geeft - binnen deze instanties werkzaam zijn.

 

Het doel zal zijn dat, onder de zegen van de Here, zodra het veilig is de omvang van de openbare bijeenkomsten te vergroten, de kerk de eerste in de rij zal zijn die hiervan profiteert, niet de laatste. Deze benadering houdt ook het vierde en vijfde en zesde gebod bij elkaar.”
 

Hij besluit het artikel met:


“Moge onze God snel de dag brengen waarop de gelovigen weer met veel meer dan de vogels in de kerk zijn. En moge ons koor van gemeentezang hun mooie kleine getjilp spoedig overstemmen met een machtig geluid dat de grond doet schudden (Psalm 150, Book of Praise)!”.

 

Ds. Hoogendoorn besluit:

 

"Ik denk dat wij allen met dr. Van Vliet daarnaar uitzien."
 

En ook daar sluiten we ons graag bij aan.