Ethiek

Rond de Schrift

Signalen

geen berichten



 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Onze belijdenis een dode letter of ons hartelijk geloof? 2

 

Ds. P.L. Storm

15-06-19

 

Op 22 mei 2019 hield ds. P.L. Storm, predikant van GKv Vroomshoop, een avondlezing in Leusden. De avond was georganiseerd door het comité Samen Gereformeerd dat dienstbaar wil zijn aan broeders en zusters in de vrijgemaakt Gereformeerde kerken (hierna GKv) die zich zorgen maken over de koers van de GKv; zorgen omdat de gereformeerde identiteit van de GKv onder druk staat. Meer informatie over het comité  is te vinden op www.samengereformeerd.nl.

De tekst van de lezing wordt met toestemming van de auteur en het comité hier gepubliceerd. Vandaag publiceren het tweede en laatste deel van de lezing.

 

Redactie een in waarheid

 


 

Onze belijdenis een dode letter of ons hartelijk geloof? 2

 

Ds. P.L. Storm

 

Functieverlies

 

Dat is dus nogal wat bij elkaar. Helaas zijn onze belijdenisgeschriften deze functies snel aan het verliezen in de praktijk van ons kerkelijk leven. Ik spreek dan over de situatie binnen de GKv. We hebben een tijd gehad dat we als vrijgemaakten vrij massief en stoer konden zeggen: beoordeel ons niet op individuele uitingen, eenzijdigheden of uitglijers van deze of gene, maar op wat we samen belijden in de drie formulieren van eenheid. Beoordeel een kerkverband, ook ons kerkverband, op grond van onze kerkelijke papieren. En er kan met recht en reden zo gereageerd worden wanneer je in een situatie van kerkelijke samensprekingen door je gesprekspartner steeds weer om de oren krijgt: ja, jullie zeggen wel dat je de belijdenis handhaaft, maar we vertrouwen jullie niet. Want hoe zit het bij jullie wel goed zitten als het gaat om 'de religie van de belijdenis'? Is er bij jullie, ondanks jullie instemming met de belijdenis toch bijv. in de praktijk van jullie prediking geen sprake van verbondsautomatisme, waarbij de gedoopte gemeente aangesproken wordt als een gemeente van louter wedergeboren christenen die alleen nog maar aangesproken hoeven te worden op hun dagelijks bekering? U begrijpt, ik doel op een vroegere fase in de geschiedenis van de samensprekingen van de GKv met de CGK. Het is frustrerend en ook onrecht wanneer je van harte achter de belijdenis staat en daarop aanspreekbaar wil zijn en je wordt daarin niet vertrouwd. Dan zeg je terecht op een gegeven moment: kijk naar onze belijdenis, dit geloven we echt. Maar dan moet dat laatste ook inderdaad wel het geval zijn. Want er kan wel degelijk een fase aanbreken in je kerkelijk leven dat er steeds meer ruimte groeit tussen wat in je belijdenisgeschriften netjes op papier staat en wat in feite leeft in de prediking en het geloofsleven. En in zo’n fase zit de GKv volop, vrees ik.

 

Die tijd waarin de GKv zich op de genoemde manier tegen het wantrouwen verweerde of ze wel echt gereformeerd was, wordt nu in eigen kring steeds meer weggezet als een tijd van massieve zekerheden en ongevoeligheid voor de vragen en noden van eigen tijd en krampachtigheid in het omgaan met afwijkende opvattingen en leergeschillen. En dat moet en gaat gelukkig nu anders. Op 27 oktober vorig jaar berichtte het Nederlands Dagblad over een onderzoekje van twee Hbo-studenten onder een zevental millennials die dominee of kerkelijk werker zijn. Werkzaam in GKv of CGK. Ze bleken net als de onderzoekers zelf weg gegroeid van zekerheden, hebben vragen bij de belijdenis, maar zijn nog bang om daar echt in hun werk voor uit te komen. Ze staan progressiever in het leven dan de kerk waarin ze werken, zo heet het. Ze hebben vrede met een houding van: ik weet het niet precies. De conclusie van de onderzoekers is een pleidooi voor meer ruimte voor een open en veilige sfeer waarin je samen minder uitsproken hoeft te zijn. Omdat dit nog niet minder gelovig-zijn betekent. Anders zou het verstikkend in de kerk blijven. Veiligheid in de kerk is dus volgens hen grotere ruimte om openlijk afstand te nemen van je kerkelijke belijdenis tijdens je werk als ambtsdrager of kerkelijk werker. Dan leef je toch onderhand in de omgekeerde wereld, naar mijn idee. Want juist de binding aan de belijdenis wil in de kerk de veiligheid dienen, hoorden we.

 

Nu was dit maar een klein onderzoekje, maar wel is het een duidelijk voorbeeld van wat eigenlijk steeds weer rondzingt: wees samen gelovig en laat de leer van de kerk maar eens wat verdergaand in het midden. En je scoort ermee wanneer je maar duidelijk zegt dat je nog maar weinig meer zeker weet, en dat je dat ook prima vindt, want je weet je nog steeds gedragen door God. In zo’n klimaat functioneert de belijdenis niet meer. En kan dat ook niet. Want de mogelijkheid dat je samen hetzelfde belijdt, dus samen hetzelfde zegt als je samen de Schrift hoort zeggen, wordt juist erg betwijfeld. En zelfs onhaalbaar, onwenselijk en beknellend gevonden. Dus moet je dan om het samen kerkelijk met elkaar uit te houden terug naar minder dan de belijdenis zegt. Vorig jaar verscheen de dissertatie van een Gereformeerde Gemeente dominee, J.M.D. de Heer, Spiegel en Spanningsbron. In zijn evaluatie van de invloed van het evangelische en charismatische denken op kerken van gereformeerde belijdenis constateert hij (p. 491): “dat de bronnen die gedurende eeuwen bepalend waren voor leer en geloofsbeleving van de kerkmensen, die positie verliezen. De onderlinge eenheid wordt dan vooral op gevoelsniveau beleefd, zonder uitdrukkelijke verwijzing naar de kernwaarden van het geloof, zoals die in de Reformatie opnieuw zijn ontdekt en beleden.”

 

Uit zo’n evaluatie spreekt de overtuiging dat we in de reformatorische belijdenisgeschriften niet met belijdenisinhouden te maken hebben waar we bij weg kunnen groeien zonder ook bij Gods Woord zelf weg te groeien. Ik deel die overtuiging. Maar een andere overtuiging maakt zich op het ogenblik steeds sterker. Namelijk dat de reformatorische confessies momentopnames zijn in een proces waarin de kerk onderhand dermate veel verder gegroeid is in inzicht en ook dermate sterk met andere vragen als kernvragen worstelen vandaag, dat het ook niet meer dan logisch is dat zij hun aloude functies niet meer kunnen vervullen.

 

In 2016 signaleerde prof. Ad de Bruijne dit proces al in een aandachttrekkende ND-column (ND 9 april 2016). Hij typeert het als het groeien van gereformeerd 1.0 naar 2.0. Terwijl hij gereformeerd 1.0 neerzet als een manier van gereformeerd zijn waarbij de confessie als meetlat gebruikt wordt om snoeihard af te kunnen rekenen met wie ervan afwijkt, omschrijft hij Gereformeerd 2.0 als ‘wat minder massief confessioneel’. Hij zegt: “De Reformatie vormde slechts een fase in de kerkgeschiedenis en haar producten weerspiegelen onherroepelijk de beperkingen van hun tijd. Met deze insteek ontstaat ruimte voor kritiek en alternatieve visies. Het kost minder moeite om tekorten en eenzijdigheden in de gereformeerde manier van geloven te erkennen en waardevolle elementen uit andere tradities te honoreren.” In Nederland bewegen de NGK zich al sinds de jaren zestig in deze lijn. Dat het nu zo is gaan boteren met de GKv komt omdat de GKv in de vertraging dezelfde ontwikkeling hebben doorgemaakt. Niet zij zijn veranderd, maar wij, aldus de Bruijne. En daarin heeft hij gelijk. De Bruijne zegt: “Vandaag klinken bijvoorbeeld in de vrijgemaakte kerken opvattingen over rechtvaardiging en heiliging, de plaats van de wet, of het karakter van God die niet echt soepel passen bij de belijdenis.” Terecht schrijft hij dat we ons van deze verschuiving meer bewust moet worden in plaats van naïef laten gebeuren. Anders dan hij vind ik het wel erg. Nog los van de vraag wie zich eigenlijk echt herkent in het nogal confessionalistisch ingekleurde Gereformeerd 1.0 is het vooral de vraag wat er nou eigenlijk zo gereformeerd is aan 2.0 wanneer het gereformeerde belijden zo gerelativeerd wordt.

 

Terecht m.i. protesteert prof. W. van Vlastuin in zijn boek Katholiek vandaag (p. 293v.) tegen deze relativering die bij de Bruijne versterkt wordt door het historisch beleden geloof als een fase van het christelijk geloof te zien. Hij zegt: “Is dit katholiek? We hebben gezien dat het katholiek is om te geloven in de leiding van de Geest in de traditie. Daarom beginnen we ons inhoudelijk theologische gesprek niet blanco, maar in het kader van het ene geloof dat op verschillende momenten in de geschiedenis is uitgesproken. Zo zijn we via de belijdenis verbonden met voorgaande generaties, omdat er geen sprake is van een ander geloof, maar van hetzelfde geloof.” Dr. Arnold Huijgen merkt in een kritische bespreking van de Bruijne op: “De belijdenis is niet allereerst een papieren of juridische werkelijkheid, maar een existentiële, een zaak van het hart. Belijden is immers in Bijbels licht nooit alleen iets formeels” (ND 19 april 2016). Van Vlastuin spreekt in zijn genoemde boek ook de vrees uit dat Gereformeerd 2.0 parallel loopt aan de positie van de remonstranten in de 17e eeuw die een open discussie wilden over de heilsleer zonder uit te gaan van het reeds samen beleden geloof. Hij zegt: “Het is van belang om te blijven bij dit historische geloof, opdat de scherpe contouren van het dogma niet vervagen in de mist van de vernieuwing.”

 

Die mist zie je zich ook verspreiden via het document dat op het ogenblik dienen moet om leden van de GKv en de NGK warm te krijgen voor de zich voltrekkende kerkfusie. Ik bedoel het visiedocument “Verlangen naar een nieuwe kerk” dat o.a. gepubliceerd is in het ND van 17 januari van dit jaar. Daarin worden, volgens één van de opstellers – Ad de Boer in hetzelfde nummer – ‘de contouren geschetst van de nieuw te vormen kerk’. Een werkdocument heet het te zijn dat nog verder moet groeien en uiteindelijk niet een belijdenisgeschrift wil worden maar wel een soort statuut verglijkbaar met de preambule van het NGK Akkoord voor kerkelijk samenleven. Ik kan nu natuurlijk niet dat hele stuk bespreken. Maar in het kader van mijn onderwerp treft in dit stuk dezelfde benadering van de belijdenis als een vooral historisch document. De belijdenis komt twee keer kort ter sprake. De eerste keer in een opsomming van de dingen die horen bij de rijkdom die te vinden is in het verleden van de kerk. En de tweede keer als iets dat de kerk richting geeft zoals de kerkorde voor de nodige structuur zorgt. Gelijk volgt er een ‘maar’… “ Maar als gereformeerde kerken zijn we ook uit op vernieuwing, om het evangelie alle ruimte te geven. We staan daarom open voor wat naar inhoud en vorm nieuw en verrassend is, naast wat oud en beproefd is. We toetsen wat van God komt en wat niet.” Mooi, denk je dan. Maar speelt de belijdenis dan ook een beslissende rol bij die toetsing? Want de belijdenis wil toch meer en sterker functioneren dan alleen richtinggevend? En de belijdenis heeft toch ook zóveel zwaarder gewicht dan een kerkorde, dat je die twee niet zo parallel kunt stellen: de belijdenis richtinggevend en de KO structuur gevend. Want hét akkoord van samenleven voor de kerk is niet de KO, maar de belijdenis. En een KO bouwt dan voor de praktijk van het kerkelijke leven voort op wat grondleggend in de confessie over de aard van de kerk beleden wordt.
Het hele stuk ademt ook zo weinig wat onze belijdenis juist heel sterk doorademt als het gaat om het centraal stellen van de HERE en zijn eer in plaats van de mens met zijn geloofsbeleving en kerkbeleving. Het is zo’n merkwaardig vlak stuk geworden en ook behoorlijk vaag en meerduidig. En dat voor kerken die in hun belijdenis zo radicaal de rechtvaardiging van in zonde verloren mensen belijden. Vrij aan het begin van het document wordt gevraagd: “Wie verlangt er niet naar een kerk… waar verschillen geen barrières vormen maar bouwstenen zijn?” Nou, denk ik dan, mag ik eerst even horen welke verschillen u bedoelt? De belijdenis leert mij vanuit de Schrift nogal wat verschillen niet als bouwstenen te herkennen maar als sloopkogels te ontmaskeren.

 

Zou bijv. de opvatting van B. Telder over de tussentoestand die in strijd is met zondag 22 van de HC nu een verschil moeten gaan opleveren dat ik als bouwsteen moet gaan herkennen? Klaag nu niet, broeders en zusters, dat ik deze oude koe uit de sloot haal. Dat doet recent namelijk de NGK- predikant Geert van Dijk. In Onderweg van 13 april. Met kennelijke instemming haalt hij wijlen ds. G. van den Brink aan volgens wie het indertijd de verdienste van Telder en anderen was “dat zij het taboe doorbraken dat dikwijls ligt op de beperktheid van de confessie. Vandaag worden Bijbelteksten in de kring van GKv en NGK onbekommerd besproken, waarbij de belijdenis niet als een keurslijf fungeert.” En Van Dijks uitsmijter is: “Ik ben benieuwd welke ruimte er straks is in de Herenigde Gereformeerde kerken over de vragen die Telder stelde. Kunnen meerdere visies hierop, en op wat toen gebeurd is, naast elkaar bestaan in een verenigde kerk? Hoe kijken we aan tegen de belijdenis en haar bewoordingen? Hoe meer het vertrouwen in elkaar groeit, hoe groter de kans dat zulke vragen besproken kunnen worden zonder dat ze verwijdering geven” (p.33).

 

Een nieuwe kerk bedenken … zo luiden de eerste woorden van het visiedocument. En dat is inderdaad wat er op het ogenblik gebeurt. Het is een ander kerkverband dan de Gereformeerde kerken de afgelopen eeuwen om Christus’ wil meenden te moeten zijn. Echt anders als het gaat om haar belijdende karakter en om het katholieke karakter van haar belijdenissen. Het is het verdrietige resultaat van een langer lopend proces van feitelijk functieverlies van de gereformeerde belijdenisgeschriften. Is in de NGK de catechismusprediking al een heel aantal jaren geleden praktisch verdwenen. De GKv is hard aan het volgen. Er is en wordt met van alles geëxperimenteerd om mensen naar de middagdiensten te lokken. Ook in het kader van leerdiensten en themadiensten. Maar de ontwikkeling gaat ondertussen hard richting het helemaal verdwijnen van de middagdienst. Ik kan het niet anders zien als een heel geslaagde aanval van de satan op de ruggengraat van een gereformeerde kerk: het regelmatige onderwijs in de leer van de Schrift die ons hart toch hoort te hebben. De bestudering van de inhoud van de confessie is goeddeels verdwenen uit gezamenlijk studiewerk van verenigingen, kringen of wat dan ook. In de catechese is de rol van de belijdenis steeds meer teruggebracht en wordt zelfs het stellen van leerdoelen en het proberen kennis bij te brengen steeds meer onder kritiek gesteld. Je mag als dominee als authentiek gelovige nu samenop lopen met jongeren die hun eigen overtuiging moeten zien te vormen. Maar hoe moeten zij dat doen zonder kennis die hen echt wordt aangereikt en bijgebracht? Hoe zullen ze dan ooit hun hartelijke persoonlijk overtuigde ja kunnen gaan inbrengen in de koorzang van het gezamenlijke ja van Christus’ gemeente? Het eenstemmige amen op de waarheid die ons heus gegeven is door Gods Geest.
Ondertussen ondergaan de kerkmensen via wat ze te lezen krijgen – als ze nog lezen – een bombardement aan uiteenlopende geloofsopvattingen en vrijmoedige aanvallen op de leer van de kerk. Let maar eens op hoe vaak tegenwoordig vrijmoedig getuigd wordt dat het geloof in het bestaan van de hel is opgegeven. Denk aan een ronduit botte aanval als van de veelgelezen Reinier Sonneveld op het hart uit onze belijdenis: de verzoening in het plaatsvervangend sterven onder Gods oordeel over onze zonde door Christus. We herdenken de opstelling van de Dordtse Leerregels. Maar een gereformeerde predikant kan rustig in een interview in de krant komen vertellen hoe hij zijn twijfels met een kring van zijn gemeente deelde over wat de DL over de verwerping zeggen.

 

En zo zou ik nog wel even door kunnen gaan, verdrietig genoeg, om te illustreren hoezeer de gereformeerde belijdenissen aan ernstig functieverlies zijn gaan leiden binnen de GKv. We zijn steeds meer plurale kerken geworden waarin je voortdurend onder druk gezet wordt om die pluraliteit te begroeten als prachtige diversiteit waar je mee moet leren omgaan. Wat ik in deze zelfde kerken ooit geleerd heb is dat een plurale kerk een kerk is die niet meer de belijdenis als akkoord van samenleven heeft, maar feitelijk alleen een organisatorische eenheid is. Want een plurale kerk heeft een ‘plurale bijbel’, naar een woord van prof. Trimp. Een plurale bijbel maakt belijden onmogelijk. De keus van een kerk zelf om op deze manier kerk te zijn, beschadigt de katholiciteit van de kerk. Want het ondermijnt de apostoliciteit van de kerk.

 

En daarom vond ik het zo’n treffende samenvatting van wat ik vanavond probeerde te zeggen wat ik aanhaalde van ds. G. Boer en nu nog maar eens herhaal: “Alles wat in de belijdenis voorhanden is en wat niet, of nog niet of niet meer in de prediking van nu wordt verkondigd als de schat van het Evangelie, dat wordt – kerkelijk gezien – slapend bezit. Wanneer dit zich uitbreidt, wordt het vergeten bezit. Daarbij blijft het niet. Want slapend en vergeten bezit, wordt bestreden bezit en straks geëlimineerd bezit.”

 

De Heer van de kerk verhoede dat het zover zal komen!