Ethiek

Rond de Schrift

Signalen

De bezinningsgroep Rijnsburg e.o. belegt D.V. op 26 september a.s. een voorlichtingsavond over:

Schriftgezag en hermeneutiek (Bijbeluitleg)

Spreker: dr. R.T. (Dolf) te Velde.

Plaats: kerkgebouw GKv Rijnsburg, Katwijkerweg 1a, 2231 SE Rijnsburg.
Aanvang: 20.00 uur.
Zie verder onder Nieuwe artikelen, click Schriftgezag en hermeneutiek

 


 

 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Twijfel en Mystiek

 

N. van Dijk

21-09-13

 

In Het Nederlands Dagblad van 14 juni vraagt ds. Bram Beute ( GKV Nunspeet) in een artikel ‘Mag ik het af en toe ook niét weten’, ruimte voor de positieve aspecten van de twijfel, van het niet-weten. “Het zou gemakkelijk zijn om tegenover niet-weten het christelijk geloof te stellen, waarin we de waarheid vinden. God komt juist in Zijn openbaring naar ons toe”. Maar, zo vraagt Beute zich af:

 

“Hoe zit het dan met de positieve kant van het niet-weten. Is er in het christelijk geloof zo nog ruimte voor openheid en nieuwsgierigheid? Of ligt alles vast? Zo lijkt het in sommige christelijke kringen wel te zijn. Op elke vraag die gesteld wordt is wel een antwoord en anders de dooddoener: dat moet je gewoon geloven. Zo’n manier van geloven leidt soms tot verstikkende vormen van gemeenschap waarin er bij voorbaat vanuit wordt gegaan dat we samen dezelfde ‘waarheid’ en ‘zekerheden’ delen. Omdat je christen bent, zul je ook wel vinden dat… de evolutietheorie belachelijk is, dat het homohuwelijk natuurlijk uit den boze is, dat het koningschap iets goeds is. Over veel van die zaken heb ik niet zo’n uitgesproken mening, al krijg ik wel de neiging om een tegenovergestelde mening te verdedigen, juist vanwege de vanzelfsprekendheden waarmee veel christenen dit soort ‘waarheden’ aanhangen”.

 

Beute stelt dan dat christenen niet weten hoe het zit, maar ze vertrouwen God. Juist het niet-weten in het geloof geeft ruimte om God te aanbidden.

 

“Niet-weten geeft ook ruimte voor de klacht en de verbijstering over wat er in deze wereld gebeurt en wat God er (niet) aan doet. Geloven is overgave aan God zonder houvast dan Hijzelf die mij vastgrijpt”.

 

In een reactie op dit artikel pleit ds. Matthijs Haak (GKv Delfshaven) voor de mystiek als antwoord op het niet-weten. Hij meent iets interessants waar te nemen in het agenderen van het ‘niet-weten’. Aan de ene kant staat er een generatie christenen op die op een positieve manier wil gaan voor het geloof, anderzijds zijn er christenen die diep kunnen worstelen met hun geloof.

 

“Mensen die ‘niet- weten’ voelen zich vaak buitengesloten of worden als probleemgevallen behandeld. De inspirerende artikelen van Beute doen je tegelijkertijd afvragen: waarom moeten wij zoveel moeite doe om ‘niet-weten’ te agenderen? En als dat echt zo waardevol is: welke plaats heeft het dan in het geloofsleven?”

 

Theologisch gezien kom je dan volgens Haak met ‘niet-weten’ uit bij de mystiek. Bij twijfel of geloofsworsteling verkrampen we, keren we in onszelf met het idee dat het nooit wat zal worden, “een mysticus zou zeggen: fijn dat het zover is, nu kan het echt gaan beginnen. Het hoeft niet langer te gaan over jouw geloof, twijfel. God kan centraal gaan staan”. Haak is gelukkig met een herwaardering van mystiek in de protestantse hoek. Dat zal de omgang met zaken als twijfel en gezonde geloofsontwikkeling ten goede komen. Hij zou het spijtig vinden “als gelovigen voor geloofservaringen moeten vluchten naar charismatische groepen enerzijds of de soms nogal vage spiritualiteit van theologen als Anselm Grün anderzijds”. Haak geeft wel toe dat de verhouding mystiek en protestantisme geen eenvoudige is.

 

Maar waarom wordt het antwoord op onze twijfel steeds minder gezocht in de trouw van de God van het verbond? Vooral wanneer ons geloof een aangevochten geloof is, dan put het geen troost en houvast uit onze beleving, maar wel uit de vaste beloften van Gods verbond.

Al eerder noemden we een serie artikelen over het verbond, geschreven door ds. W.M. van der Linden (HHK). God is vanaf het begin  bij Zijn kinderen met Zijn verbondsbeloften. God sloot Zijn verbond met Abraham en zijn zaad.

 

“Aan heel Israël dat uit Egypte uitgevoerd werd, werd de belofte gedaan, dat de HEERE hun dat land geschonken had. De Heere is waarachtig in Zijn spreken. Tot heel Israël heeft Hij het in Psalm 81: 11b gezegd: ‘Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen’, maar in Ps. 81: 12: ‘Maar Mijn volk luisterde niet, Israël wilde niet van Mij weten’. De HEERE komt in het OT tot Abraham en zijn zaad, in het NT zijn het de gelovigen en hun kinderen”.

 

Wel is er het bevel van bekering en geloof, dit zal moeten doorklinken in de preken. Door het werk van de Heilige Geest 

 

“mag het verbondskind zich met recht een aangenomen kind van God weten. Hij mag God zijn Vader noemen en delen in de erfenis. Op deze manier komt er ook een echt leven uit het verbond. Door de eeuwen heen hebben de gelovigen troost ontvangen door te leven vanuit de beloften van het verbond. Er is geen tegenstelling tussen verbond en bevinding. Wat een houvast heeft de Kerk aan Hem, die Zijn verbond in eeuwigheid gedenkt. Dat geeft ook telkens stof om de HEERE als Verbondsgod te roemen (Psalm 31). Gods beloften hangen niet aan onze ervaringen, maar onze ervaringen hangen aan Gods beloften”. Vooral bij een aangevochten geloof kan dit troost en houvast geven. Ook Luther wist zich in zijn aanvechtingen een gedoopt kind van God. “Zo is er voor de gelovige een leven uit de vastheid van Gods verbond. Want  rusten in het Woord van Gods belofte, is rusten in God Zelf, door onze Here Jezus Christus!”

 

De ramen in de GKV zijn wijd opengezet, er is aandacht en toenemende ruimte voor geloofstwijfel. Stond vroeger de vraag ‘hoe krijg ik een genadige God’ centraal, nu dringt de vraag zich op : ‘bestaat God wel?’

In een bespreking in het Nederlands Dagblad van Reinier Sonnevelds nieuwste boek ‘De stilte van God’ merkt Klaas Wieringa op:

 

“Geloven, dat is stellig weten en vast vertrouwen. Dit weten en vertrouwen hebben wel een inhoud nodig: iets weten en erop vertrouwen dat iets het geval is, of dat iemand betrouwbaar is. En toch worden het werkwoord en het daarmee verwante woord ‘geloof’ nogal eens zonder vermelding van het object ervan in de mond genomen. Geloven heeft zich losgezongen van zijn inhoud”.

 

Hij merkt op dat nergens in het boek van Sonneveld zondag 7 van de Heidelbergse Cathechismus wordt aangehaald, hoewel die een christen veel goeds voorhoudt:

 

“zeker weten dat de Bijbel betrouwbare informatie geeft en erop vertrouwen dat Christus voor jou is gestorven. Of, in de woorden van Paulus: erkennen dat Christus je meester is en met je hart geloven dat God hem uit de dood heeft opgewekt. Is het moeilijk om dat te geloven? Dat is alleen het geval als je meent dat Lucas, Paulus en andere contribuanten aan de Bijbelse bundel onbetrouwbaar zijn. Wie de leer verwaarloost, belandt in het drijfzand van zijn gevoel. Gebrek aan kennis leidt tot de ondergang van het geloof”.

 

In een artikel over twijfel in ‘Nader Bekeken’ van 6 juni eindigt ds. Kees van Dijk zijn kroniek:

 

“Twijfelaars hebben ontferming nodig. De genade van God en de genade van mensen die hen weer tot de Heer en de vastheid van zijn beloften terugvoeren, want het kan echt misgaan.

In onze dagen is dat een tegendraads woord. Want twijfel is in. Zekerheid is uit. Wie het zeker weet op de religieuze markt, heeft de postmoderne boot gemist. En wat erger is: hij zal de postmoderne twijfelaar minder aanspreken. Vandaag wil ik mezelf dan maar troosten met het besef dat de Here me heeft aangesteld om vanuit de vastheid van zijn beloften te spreken. Gelegen of ongelegen. Of het nu uitkomt of niet (2 Tim. 4). Zou het kunnen dat we de tijd al hebben bereikt waarvan de apostel spreekt? ‘Want er komt een tijd dat de mensen de heilzame leer niet meer verdragen, maar leraren om zich heen verzamelen die aan hun verlangens tegemoetkomen en hen naar de mond praten. Ze zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzinsels. Jij echter moet in alles nuchter zijn, je lijden aanvaarden, je werk als verkondiger van het evangelie doen, je dienende taak vervullen’.

Kijk, dat zijn nu de woorden die ik met aarzeling, met twijfel overschrijf”.