Ethiek

Schriftoverdenkingen

Signalen

Zie voor nadere gegevens hierboven Nieuwe artikelen


Drie annonceringen

11 mei LOGOS

'Is de Bijbel betrouwbaar?'
Programma over schepping en evolutie.

10.00 - 16.15 uur
Apeldoorn, GKv kerkgebouw De Voorhof
Gijsbertgaarde 101


23 mei Informatieavond Mariënberg
Spreker: Ds. H.W. van Egmond
'Gereformeerd zijn is dynamisch'

20.00 uur Sionskerk, Oudeweg 22, Mariënberg

5 juni Informatieavond Zwolle
Spreker: Ds. E. Heres, DGK Dalfsen
'De kerk van Christus is katholiek'

20.00 uur De Hoeksteen, Scheldelaan 141, Zwolle

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Anna, de profetes 2

 

F. Hoogland

12-01-19

 

Het tweede deel van de essay geschreven door ds. M.B. van ’t Veer over de profetes Anna, in het boek 'Het Hoogfeest naar de Schriften', studies over de vleeswording van het Woord.

 


 

Anna – uit Aser!

 

Anna komt dus op als 'een overblijfsel' uit het voormalig rijk der tien stammen. Juist door haar afkomst heeft ze niet minder een eigen plaats ontvangen in de erkenning van de Messias.

’t Is bekend, dat het huis van David de eenheid van de twaalf stammen niet heeft kunnen bewaren, maar door zijn zonde oorzaak was van de scheur, die Israël in twee rijken deed uiteen gaan. Zo heeft Davids huis moeten horen, hoe de tien stammen het lied der revolutie overnamen, dat in het hart van de opstandeling geboren was: 4)

 

'Wat deel hebben wij aan David? Wij hebben geen erfelijk bezit met de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Zorg nu voor uw eigen huis, David' (1 Kon. 12:16).

 

Maar daarbij is het niet gebleven. De tweede daad van de tien stammen was erger dan de eerste. Want ze zijn Jerobeam gevolgd op de heilloze weg van de onwettige eredienst. De afscheuring van Davids troon is gemaakt tot een afzondering van de tempel. En tegenover de tempel, die de twaalf stammen tevergeefs bleef oproepen, heeft Israël zich vergaderd om het sekte-altaar, dat slechts uit tien stenen kon worden opgetrokken. 5) Zelfs de vloek van de HEERE over dit altaar (1 Kon. 13) heeft niet kunnen verhinderen dat Israël zich in deze zonde bleef volharden.

 

Vragen

 

In het licht van deze ontwikkeling moet nu wel een aantal vragen opkomen:

Zal Israël, dat geen gezamenlijk erfelijk bezit meer begeerde met de zoon van Isaï, nu ook geen erfdeel ontvangen van Davids grote Zoon? Zal het revolutielied scheiding blijven maken op de dag waarop Vorst Messias het koningschap van vader David tot vervulling brengt? Zal Hij zijn eeuwig koninkrijk moeten opbouwen uit het overblijfsel van slechts twee stammen: Juda en Benjamin? En wat de afzondering van de tempel betreft: zal Israël dan nimmer de weg terugvinden naar het heiligdom van hun God? Zullen ze voor eeuwig worden afgesneden van de tempel van de HEERE? Zal de Messias op de dag van Zijn komst een tempel aanschouwen, die geen enkele band meer heeft aan de twaalf geslachten van Israël? Moet Hij Zijn tempelvolk niet vergaderen uit alle stammen van Israël?

 

Juda

 

Wanneer we zien wie er bijeengebracht worden bij de geboren Koning, zouden we al te snel geneigd zijn om deze vragen bevestigend te beantwoorden.

Want lijkt het niet dat alleen Juda zich verblijdt in Christus? Van Jozef en Maria is het duidelijk, dat zij als nazaten van David, voortkwamen uit Juda. Zacharias en Elisabeth kwamen uit de stam van Levi. Zij verbonden zich aan de tempel in Juda en niet aan de offerdienst van Jerobeam die priesters aanstelde die niet tot de zonen van Levi (1 Kon. 12:31) behoorden. In Bethlehem-Juda is de Christus geboren en uit dit Efratha in Juda komen de herders Hem aanbidden. Christus' voorloper is voortgekomen uit het priestergeslacht, dat in Juda zijn plaats vond. En zie, nu in de tempel komt bij dit alles de lofzang van Simeon, 'de mens te Jeruzalem'.

Zal de scheur, die de zonde getrokken heeft, tot in eeuwigheid blijven bestaan, en de scheiding van Davids troon bij Davids Zoon worden tot eeuwige afsnijding? Want nu moet de breuk geheeld worden òf ze zal radicaal zijn en definitief. Indien de eenheid niet bij Christus hersteld wordt, dan komt zij er eeuwig niet!

 

Helen

 

Maar zie, - daar treedt Anna naar voren!

Anna, - uit de stam van Aser!

’t Is de Geest van Christus, die ook haar tot de Christus leidt. De profetes uit Aser, dat zich van 'troon en tempel' had afgescheurd. Christus' Geest doet samenstemmen in de erkenning van Hem, samen met 'de mens te Jeruzalem'.

Zo zijn zij tot een levende eenheid verbonden om de troon van Davids grote Zoon, én ook samengevoegd tot de éne levende tempel. Voordat de stenen tempel afgebroken wordt, mag hij de samenzang van Simeon en Anna nog horen: van Juda én Israël ter ere van Israëls Verlosser.

Ja, meer dan de tempel is hier!

Want Hij zal helen, wat door zonde gebroken was.

Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen (Jes. 11:13).

Hier is de grootste samen vergaderende kracht, die niet alleen samen brengt, maar ook tot in eeuwigheid samenhoudt!

 

Verbondszegen

 

Het is deze kracht van Christus, Die door Zijn Geest tot één weet te vergaderen wat door de zonde gebroken is. Dit schittert nog mooier als we bedenken dat Anna als vertegenwoordigster van het tienstammenrijk geroepen is uit Aser. In het geheel van Israëls stammen neemt Aser een eigen plaats in en heeft het leven in Aser z’n eigen stempel ontvangen. Maar het beeld van Aser is niet erg positief. De Schrift laat er geen twijfel over, dat deze stam het verwereldlijkte leven van het verbondsvolk van de HEERE  laat zien. Aser heeft de rijke gaven die het van Jahwe had ontvangen, niet zuiver benut als gaven van het verbond, maar aangewend voor eigen geluk en welvaart.

Rijk waren de zegeningen die vader Jacob op zijn sterfbed aan deze zoon van Lea’s slavin Zilpa, (Gen.30:12) toezei:

 

'Aser zijn brood is vet, en hij zal koninklijke lekkernijen opleveren.'(Gen. 49:20).

 

Deze profetie slaat op de welvaart en de rijkdom die later aan de stam Aser zal toevallen. Mozes bevestigt dit in zijn profetische afscheidsrede maar vermeldt ook, dat Aser in getalsterkte eveneens door Jahwe zou gezegend worden:

 

'Moge Aser gezegend zijn met zonen; laten zijn broers hem goedgezind zijn en hij zijn voet in olie dompelen. Uw grendels zullen van ijzer en brons zijn; laat uw kracht zijn overeenkomstig uw dagen.' (Deut. 33:24,25).

 

Deze beloften heeft de HEERE vervuld. Aser ontving zijn erfdeel in het Noord-Westen van Kanaän, van de Karmel tot de Phoenicische grens, ja ook het Phoenicische kustland (Jozua 19:24-30). Een gebied van Kanaän bekend om de vruchtbare bodem en de schatten, die in de bodem verborgen zijn.

Dat alles was verbondszegen.

Het was de vervulling wat Aser betreft, van de belofte over het land vloeiende van melk en honing.

 

Maar daarom mochten die zegeningen nooit anders gezien worden dan in het licht van de gunst van de HEERE. En ook nooit tot doel, maar steeds als middel zijn voor de dienst van de HEERE.

Aser mocht ze nooit anders zien en gebruiken dan als 'blijken van Zijn gunst', waarmee hij tot de God van zijn verbond terugkeerde in het leven der dankbaarheid.

 

Val

 

Maar Aser struikelde.

De zegen is hem geworden tot een val. Met de andere stammen wijkt ook Aser af ten opzichte van het gebod om de Kanaänieten uit zijn erfdeel te verdrijven (Richt.1:31). Maar er is meer. Aser breekt door zijn gedrag de éénheid van het volk van het verbond. In Aser ligt de oorzaak van die gebrokenheid. Daardoor vervreemdt deze stam al meer van de dienst van de HEERE. Dat komt, doordat Aser de verbondszegen gebruikte voor een aardse weelde, die het niet dragen kon. Het begrijpt de oproep van de HEERE tot de heilige oorlog van Jahwe niet meer en weet niet meer van strijden tegen de vijanden van de HEERE en Zijn volk. Het isoleert zich van de actieve dienst in het leger van God en dit zijn isolement was zijn oordeel, en dus zijn zwakheid.

Daarom klaagt Debora over Aser en haar klacht is een aanklacht: 'Aser zat aan de kust van de grote zee en bleef rustig bij haar havens' (Richt. 5:17). Van Aser geldt evenals van Dan, dat

 

'zij verzaken de heilige broederplicht om in vadsige rust neer te zitten, of zich uitsluitend met hun onmiddellijke stoffelijke belangen te bemoeien. Aser bleef bij zijn vistuig aan de kust van de grote, d.i. Middellandse Zee met haar vele havens. Zό zeer had een geest van traagheid en gemakzucht, berekening en eigenbelang de gelaakte stammen overmeesterd en ze ten dele van de broederstammen vervreemd' 6).

 

In Aser leeft de zondige gedachte der autarkie [economische zelfvoorziening], die de banden van het verbond doorsnijdt en niet meer ziet, dat het heil van de HEERE alleen kan genoten worden in gemeenschap der heiligen. Daarmee heeft Aser in beginsel geloochend het grote Messiaanse heil, dat geheel Israël zoekt.

 

Gods Geest

 

Toch heeft de HEERE ook van deze stam een 'overblijfsel' bewaard. En dat 'overblijfsel' zoekt de tempel en de HEERE van de tempel. Dat blijkt als ijlboden van Hizkia alle stammen oproepen om in de weg van reformatie zich voor de HEERE te verootmoedigen, en gemeenschappelijk het Pascha naar de inzetting van de HEERE te Jeruzalem te vieren. Zij ontmoeten overal spot en hoon, maar toch zijn er enkele mannen, ook uit Aser, die horen en komen naar Jeruzalem (2 Kron. 30:11).

 

De HEERE heeft ook in het verwereldlijkte Aser enigen behouden, die worstelen om de eenheid van het volk en verlangen naar het heil van de Messiaanse eeuw.

De profetie van dit 'overblijfsel' vindt in Anna haar aanvankelijke vervulling. Want als naar de wil van de HEERE ook het rijk van de tien stammen Christus moet begroeten, legt de Geest van Christus beslag op Anna, de dochter van Phanuel uit de stam van Aser. Aser levert de profetes, die de tempel zoekt en in de tempel woont. Zij wacht op de Christus, Die uit alle stammen van Israël de Zijnen trekken zal en samenvoegen tot die levende eenheid, die de tempel te Jeruzalem niet had kunnen bewerken. Haar bezoek van de tempel is een bewijs, dat zij dag en nacht worstelde om de echte eenheid, die het wezenlijk kenmerk zal zijn van het Messiaanse heil dat alle breuken helen en alle scheuren genezen zal.

 

Nu glanst te meer voor het geloofsoog de vergaderkracht van Jezus Christus. Aser had zich meer dan anderen in eigen vadsige rust opgesloten, de van God gewilde eenheid van het volk van het Verbond gebroken. Juist Anna uit deze stam getuigt van de Geest van Christus die de afzonderingsdrang heeft overwonnen. Want nooit mogen wij vergeten, dat Christus Zelf hier in Zijn Geest werkt. We belijden immers dat het eeuwige Woord ook al vóór Zijn vleeswording werkte door de kracht van zijn bijzondere openbaring om in Israël zijn weg te banen tot de volheid des tijds. We zien dan dat het Zijn wil was dat zowel Simeon uit Jeruzalem als Anna uit Aser op dit moment samenstemmen in het erkennen van Hem en loven van God.

Anna, geroepen en getrokken als eerstelinge uit één der verst gelegen stammen van het voormalig Noordelijk rijk, profeteert daarin van de rijke toekomst van het Messiaanse heil.

 

Eén kudde, één Herder

 

Ja, nu wordt Anna de profetes, al komt er geen profetie over haar lippen, tot een profetie gesteld. Haar naderen tot en belijden van Christus verkondigt, dat Hij echt uit alle stammen van Israël Zijn tempel zal bouwen, ja, dat Hij ook uit de verst gelegen en bijna geheel verwereldlijkte stammen toch Zijn volle getal van gekenden zal bijeenbrengen. Zo is zij waarborg dat door Christus’ kracht op deze eerstelinge een rijke oogst van voorspoed zal komen. Naast de andere stammen wordt ook Aser genoemd met zijn twaalf duizend verzegelden (Openb. 5:7 v.v.).

 

Zo mag nu Anna sterven met het gezicht op Hem, die gans Israël tot één zal vergaderen. Zij zelf is daartoe gesteld tot een profetie en garantie.

En wij zullen roemen in Christus. Die vergadert, wat de zonde heeft uiteengeslagen. Wij hebben in Anna Zijn grote kracht gezien en belijden, dat Hij van het begin tot het einde van de wereld uit het ganse menselijke geslacht Zijn Kerk vergadert, beschermt en onderhoudt.

Wij weten, dat het zal worden één kudde en één Herder. En dat Hij niemand verliezen zal van degenen, die de Vader Hem gegeven heeft. Want Zijn samenbindende kracht zal bij Zijn volk de ontbindende factoren der zonde overwinnen.

Wie zal verstrooien, als Hij vergadert?

De ambtsdienst van een profeet die geroepen wordt te profeteren 'op de Christus', gaat van karakter veranderen.

Zo is het ook Anna vergaan.

Vóór de komst van Christus woonde Anna als profetes in de tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag. Na haar ontmoeting met Christus ontvangt zij de taak 'ook de Heere te belijden en van Hem te spreken tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.' Naar deze vertaling heeft ze op het moment van ontmoeten Christus beleden en daarna de tempel verlaten om in Jeruzalem te prediken de vervulling van de beloften aan allen, die met haar om de Messiaanse verlossing hadden gebeden.

 

Verlossing

 

In beide tekstonderdelen is er echter een andere lezing, die op sterke gronden zich als de echte aandient. Neemt men met de meeste exegeten deze gevarieerde lezing als de juiste, dan zou Lucas niet zeggen, dat zij bij het zien van het Kind Jezus en het horen van Simeons jubel de Heere heeft beleden, maar Israëls God 7) in een lofprijzing als antwoord op Simeons getuigenis Hem heeft grootgemaakt. In wezen maakt het weinig verschil. Haar lof aan God involveert de belijdenis van de Christus, ja, doet nog sterker uitkomen, dat zij als profetes in Zijn komst de profetie van het Oude Verbond zag vervuld.

 

De tweede tekstvariant grijpt wel iets dieper in. Volgens deze zouden we moeten lezen, dat Anna daarna sprak tot allen, die de verlossing van Jeruzalem verwachtten. Van een uitgaan uit de tempel om in Jeruzalem de komst van de Messias te gaan melden, wordt dan niets gezegd. Integendeel, de gedachte treedt dan naar voren, dat Anna als daarvόόr in de tempel bleef, maar nu aan de bezoekers van de tempel, van wie ze wist, dat zij biddend uitzagen naar het Messiaanse heil, van de gekomen Messias sprak.

Is deze lezing juist, dan wordt haar werkterrein niet verbreed van de tempel tot de stad, maar blijft zij binnen de grenzen van haar vroeger dienstbetoon. Maar ook wordt dan de verlossing waarover zij spreekt, nader gekwalificeerd als de 'verlossing van Jeruzalem.' Heeft Zacharias gezongen van de verlossing van Israël (Luc. 1:68), de dochter van Aser getuigt van de verlossing van Jeruzalem.

In het licht van de profetieën is daartussen geen verschil. Beiden grijpen naar de beloften, waarmee de profeten van het Oude Verbond het Messiaanse heil hebben verkondigd. En zij spreken door dezelfde Geest van Christus. Zacharias en Anna nemen samen het getuigenis over, dat de Geest van de HEERE gelegd heeft in de mond van Jesaja (52:9): de HEERE heeft Zijn volk getroost, (c.f. Luc.1:68). Hij heeft Jeruzalem verlost (c.f. Luc.2:38). Zo verkrijgen deze woorden ook alleen hun juiste inhoud uit het doel van de profetieën.

Er is een bewering dat de dagen van smadelijke onderwerping niet alleen onder Rome, maar nog meer onder de Idumeër Herodes, de vrome Israëlieten deed uitzien naar een herstel van Jeruzalem als zichtbare residentie van het Messiaanse rijk, dat men op aarde verwachtte. Maar dat kan ons geen verklaring meer geven van het rijke thema van Anna’s preek: de verlossing van Jeruzalem. De zin van deze woorden kan alleen verstaan worden uit de Schriften: alleen de Auteur (de Geest van Christus) kan Zijn eigen woorden zuiver interpreteren.

Ook de vraag, hoe Anna de 'verlossing van Jeruzalem' zich voorstelde, is dan van geen belang (trouwens, wie zal het ooit gegeven zijn de gedachten in Anna’s hart te lezen?). Van belang is alleen wat de Geest des HEEREN door de profetes uit Aser ons zegt van deze verlossing van Jeruzalem. En dan kan er geen twijfel zijn bij geloof aan de eenheid van de profetieën, dat getuigenis gegeven wordt aan het machtige feit, dat nu het Messiaanse heil gekomen is. De nieuwe dag is aangebroken en de waarachtige verlossing van het volk van God in Christus is gegeven.

 

Predikster Nieuwe Verbond

 

Anna de profetes spreekt tot allen, die de verlossing van Jeruzalem verwachten. Als profetes van het Oude Verbond is zij opeens bevorderd tot predikster van het Nieuwe Verbond. Het profeteren naar de orde van de oude dag is veranderd in het 'profeteren' naar de wet van de nieuwe dag, waarin al Gods volk profeten zijn. Haar bidden en vasten om de komst van de Messias moet nu wijken voor het blijmoedig spreken van de gekomen Messias.

Het schijnt eerst wel tegen de van God gestelde orde, dat we van Anna, de profetes, geen profetie meer horen, terwijl de 'mens te Jeruzalem' wel een profetisch vergezicht ontvangt. Van Anna echter horen we alleen dat zij Christus erkent en haar God lovend belijdt.

 

Maar goed bezien, is het toch wel 'in stijl.' Want Anna, profetisch ambtsdrager van de oude dag, vindt hier het doel (telos) van deze profetische dienst. Zij ontvangt de zoveel rijker opdracht om nu in profetisch belijden mee in te stemmen met de lofzang van de nieuwe dag. Zij heeft als profetes uit de vόόr-Messiaanse tijd geen taak meer, als zij de Christus voor ogen ziet, maar ontvangt met de anderen de roeping het heil van de Messiaanse eeuw, de vervulling der profetieën te verkondigen.

Wel blijft ze (naar de andere lezing) nog in de tempel – maar deze tempel heeft op dit moment nog zijn rechtmatige plaats in Israël behouden. In deze tempel woont nog de HEERE: het gordijn is nog niet gescheurd en de dienst der schaduwen is nog niet vervallen verklaard. De volle vervulling der schaduwen is met het Kerstfeit nog niet gekomen.

 

Tijdelijke tempel

 

Dus mag Anna nu nog wonen in het 'huis van God': Hij woont nog tussen de cherubijnen. Maar toch moet de tempel nu reeds door Anna zien, dat zijn laatste dagen zijn gekomen en zijn uren zijn geteld. Wee de tempel, als hij zich daarover niet verheugt! Er is immers toch wel een machtig ding veranderd, nadat Jezus als Kind van veertig dagen de tempel is binnengedragen! Van die dag af heeft de tempel geen enkele nieuwe Messiaanse profetie meer ontvangen. Vanaf dat moment heeft de tempel niet meer het bidden gehoord of de HEERE de hemel scheuren zou en de grote Zoon van David zenden. Nu is in waarheid de stem der Oud-Testamentische profetie niet verstomd maar overgegaan in de blijde jubel om haar vervulling. De tempel hoort dan nu dagelijks de prediking over de Christus van haar, die eerst profeteerde op de Christus!

 

Zo grijpt de hand van de HEERE reeds naar het gordijn, dat Hem van de wereld afzondert. Nu komt er grote haast. De laatste dagen van de tempel zijn aangebroken. Als de profetie haar vervulling belijdt, kan de tempel van de ceremoniën als deel der profetie, geen vaste grond meer vinden.

Daarom is een predikende Anna die zich nog houdt binnen de omgrenzing van de tempel, slechts mogelijk in een tijd van overgang. Slechts een interim-toestand kan het rechtvaardigen. Ze kan er alleen blijven, zolang de HEERE er nog woont. Maar als Deze straks weggaat, trekt Hij Zijn predikend volk en Zijn profeten van de nieuwe dag, mee de wereld in en zet de grenzen uit tot het uiterste der aarde.

 

Pinksteren

 

Anna’s spreken in de tempel over de verlossing van Jeruzalem is het preludium op het Pinksterfeit, waarop Gods 'profeterend' volk van de nieuwe dag uitgaat om overal van deze verlossing te spreken.

Anna naast Simeon – om de Heer van de tempel te begroeten als Hij voor het eerst binnen de tempel verschijnt!

Zij heeft op dat moment toch inderdaad wel een eigen taak te vervullen gekregen.

De gemeente van de nieuwe dag ziet Anna alleen op dat éne ogenblik waarop zij geen 'eigen woord' meer spreken mag, opdat daardoor zoveel mooier gezien zal worden het Woord dat vlees geworden is.

 

NOTEN

  1. Hier en ook wel bij andere teksten wordt de vertaling weergegeven, die men vindt in de serie 'Korte Verklaring'. [vervangen door de HSV].
  2. Zo is de opvatting van Calvijn, Zahn, e.d.
  3. K. Bornhäuser: Die Geburts- und Kindheidsgeschichte Jesu, p. 115
  4. Bedoelde is Seba, de zoon van Bichri, een 'Belialsman' die tegen David opstond, toen deze na de dood van Absalom weer naar zijn residentie terugkeerde (2 Sam. 20:1 v.). De tien stammen namen bij de afscheiding dit revolutionaire lied over.
  5. Herinnering aan het feit, dat de Heere meerdere malen een altaar van twaalf stenen liet oprichten, naar het getal der twaalf stammen. (Exodus 24:4; c.f. ook Jozua 4:3; 1 Kon. 18:31).
  6. C.J. Goslinga: 'Richteren' in de 'Korte Verklaring' I., p.106. (vet door mij).
  7. Het lidwoord voor 'God' duidt aan: de waarachtige God, Israëls God, Jahwe.