Ethiek

In de pers

Signalen

geen berichten



 

 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Signalen 46

 

R. Sollie-Sleijster

01-04-2017

 

Roeping en veelkleurigheid

Twee punten uit het deputatenrapport M/V en ambt

Nader Bekeken – maart 2017

 

Ds. Gert Treurniet kijkt terug op zijn eigen preparatoir examen (beroepbaarstellend onderzoek) zo'n 30 jaar geleden. Niet alleen werden kennis en theologische vaardigheden getest, maar ook de persoonlijke motivatie werd getoetst. 'Ben je geroepen?', was de eerste vraag hierbij. En zijn antwoord luidde: 'Ik hoop dat ik geroepen zal worden, maar ik ben het nog niet.' Hij wilde wel graag aan het werk als predikant, maar geroepen zou hij pas zijn als hij een beroep kreeg. Daar waren de broeders het van harte mee eens.

 

Roeping komt van buiten jou

Waarom deze terugblik? Omdat het deputatenrapport 'Samen dienen' over M/V en ambt heel andere dingen over roeping schrijft. Bijv. (p. 37):

 

'Bij roeping bedenken we dat vanouds onderscheiden is tussen inwendige en uitwendige roeping. Inwendig is de roeping die de gelovige in zijn hart opmerkt (–). Voor het daadwerkelijke dienen in een ambt moet daarbij komen dat de gemeente de gaven van de gelovige opmerkt en bevestigt door middel van roeping tot het ambt. Onder invloed van de evangelische beweging is in onze tijd meer ruimte gekomen voor de persoonlijk gevoelde roeping, waarin de stem van God gehoord wordt. Dat klinkt ook door wanneer gelovige vrouwen melden een innerlijke roeping tot predikant te hebben.'

Het deputatenrapport vervolgt: 'Deze stem mag gewicht krijgen in de overweging door de kerken, welke ruimte er is om zulke gelovige vrouwen in dienst van het evangelie aan te stellen' (p. 38).

 

Ds. Treurniet merkt op dat hij zeker 16 keer het begrip 'innerlijke roeping' in het rapport is tegengekomen. Zelfs bij de bespreking van artikel 31 NGB, terwijl dit artikel de term uitsluitend gebruikt voor roeping van buitenaf door God (via de gemeente).

De predikant acht het 'zeer verwarrend, om niet te zeggen manipulatief,' dat deputaten de term 'roeping' gebruiken voor het 'je geroepen voelen' zonder dat er sprake is van een werkelijk 'geroepen worden'. Zo kun je er als kerk bijna niet meer onderuit om die 'gevoelde roeping' te erkennen en te bevestigen. Hij concludeert:

 

 'Als we iets van de evangelische beweging willen leren, dan graag iets beters dan dit subjectivisme!'.

 

Gelijkwaardig

Een tweede punt waar ds. Treurniet de aandacht op vestigt, is de bewering van deputaten dat alle ambten gelijkwaardig zijn en dat daarom 'niet één ambt kan worden opengesteld dan wel gesloten blijven voor vrouwen' (p.39). Dit onder verwijzing naar een deputatenrapport van de CGK (niet naar een synode-uitspraak). Weliswaar kon in de GKv onder de nieuwe kerkorde de diaken zonder discussie over een principiële gelijkwaardigheid buiten de kerkenraad geplaatst worden, maar dit verhinderde niet de uitspraak van deputaten dat alle ambten gelijkwaardig zijn.

Hiermee geven de deputaten volgens de predikant aan dat zij voor zich de knoop hebben doorgehakt dat de Bijbel ruimte geeft voor vrouwen om in alle taken en bevoegdheden in de kerk te delen, maar zij plaatsen daarbij een frame van 'alles of niets'. Hoogstens zijn nog tijdelijke tussenstappen mogelijk. Dit had volgens de predikant anders gekund en ook anders gemoeten.

 

Profetie en preek niet op één lijn

ND 20/03/17

 

Zaterdag 25 maart, heeft de vrijgemaakte synode een besloten bezinningsbijeenkomst gehouden over man, vrouw en ambt. Ds. Pieter Boonstra vraagt naar aanleiding hiervan wat het wil zeggen dat in Hand. 2:17-18 wordt vermeld dat vrouwen mogen profeteren.

Het deputatenrapport 'Samen dienen' over man, vrouw en ambt vindt deze tekst aanleiding voor gemeenten om de gave van profetie aan vrouwen te erkennen. Dat wil volgens het deputatenrapport zeggen dat zowel mannen als vrouwen tot het ambt van predikant moeten worden toegelaten.

Ds. Boonstra wijst deze redenering af. De gave van het preken is een andere gave als die van het profeteren. Bij het profeteren ging het om een spreken door de Geest. Maar dat moest dan wel beoordeeld worden voordat de gemeente het kon aanvaarden (1 Cor. 14). De profetie moest 'in overeenstemming zijn met het geloof, met wat God al eerder had geopenbaard en met het onderwijs van de apostelen. De oudsten/opzieners hadden als opdracht om als herders de kudde te wijden en toe te zien dat de waarheid niet verdraaid werd. Dat vroeg gehoorzaamheid en onderdanigheid van de gemeente.'

Ds. Boonstra wijst erop dat het bij een preek niet gaat om nieuwe profetie, maar om verwerking van profetie, van een Bijbelgedeelte, in de zin van wat dit Woord nu concreet voor ons vandaag betekent.

 

Volmacht

Ds. Boonstra stelt de vraag: Wie is gemachtigd om te preken? Deze vraag was niet aan de orde bij profetie, dat was immers een gave van de Geest. Maar bij preken is de vraag wie het ambt der verzoening mag bedienen en daar volmacht toe heeft. Paulus verbindt dit rechtstreeks met het ambt. Het gaat om de verantwoordelijkheid te waken over de gemeente in het onderwijzen, leren en vermanen. De woorden van de ambtsdrager zijn gezaghebbend, mits ze overeenkomen met de Bijbel en de leer van de apostelen. De predikant wijst erop dat we dit verschil al op de eerste Pinksterdag zien: de gemeente profeteert wat de Geest ingeeft, maar Petrus preekt. Met gezag doet hij een dringend beroep op zijn hoorders: 'keer u af en laat u redden!'

Omdat preken en profeteren niet op één lijn staan is het niet mogelijk Handelingen 2:17-18 te gebruiken als Bijbelse onderbouwing voor de vrouw in het ambt, zo sluit ds. Boonstra zijn weerlegging af.

 

Bijbellezers en bijbelschrijvers: beschrijvende en voorschrijvende teksten in het deputatenrapport Samen dienen

Eerste blog door dr. Wolter Rose (via site dr. Dolf te Velde) - 25/01/17

 

In dit eerste blog zoomt dr. Rose in op twee problemen uit het rapport.

 

Vertellers

Allereerst wijst hij op de manier waarop het rapport het onderscheid voorschrijvend-beschrijvend hanteert. Het rapport gaat ervan uit dat beschrijvende teksten kritiekloos moreel problematische zaken vermelden, omdat die zouden passen binnen de aanvaarde cultuur. Maar je kunt er niet van uitgaan dat als vertellers geen goed- of afkeuring lieten blijken over bepaald gedrag, het daarom binnen de cultuur van die dagen paste. In de tijd van het Oude Testament spraken historievertellers gewoonlijk geen moreel oordeel uit. Of het gedrag al dan niet binnen de cultuur van die dagen paste, moet op andere wijze worden vastgesteld.

 

Bijbelschrijvers

Het tweede probleem is dat in het rapport het onderscheid tussen bijbellezers en bijbelschrijvers vervaagt. Als voorbeeld noemt Rose Petrus, als apostel aangesteld, die een beschrijvende tekst over Sara als voorschrijvend leest. De suggestie in het rapport is dat hij in dezelfde valkuil als bijbellezers zou stappen (vgl. p.9). Maar Rose wil als bijbellezer leerling zijn van Petrus, een bijbelschrijver. Net zoals hij dat wil zijn van Paulus wanneer hij de volgorde in de schepping als argument gebruikt voor het gedrag van vrouwen. (1 Tim. 2:12-13). En net zoals in Matt. 19:5, waar Jezus woorden uit Gen. 2:24 voorschrijvend leest: “Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één worden.”

 

Niet representatief

Paulus draagt Titus op om 'In elke stad oudsten aan te stellen, onberispelijke mannen, die maar één vrouw hebben' (Titus 1:5, 6). Ook hier een voorschrijven: 'in elke stad' (vgl. Hand.16:23). Bij de eisen voor geschiktheid lezen we 'mannen die maar één vrouw hebben' (Titus 1:6). Paulus gebruikt het woord 'presbuteros' voor oudste, terwijl een 'gewone' oude man een 'presbutes' (Titus 2:2) is en een oude vrouw 'presbutis'.

Aan deze passage wordt in het rapport geen aandacht gegeven. Evenmin speelt een vergelijkbare voorschrijvende passage uit 1 Tim. 3 een rol van betekenis.

 

In het tweede deel van zijn blog noemt Rose nog enkele tekstgedeelten die buiten beeld zijn geraakt. Het gaat daar over het kiezen van 12 apostelen, alle mannen, en de namen van de 12 stammen van Israëls zonen op de twaalf poorten van de stad (Op. 21:12).

Het rapport kan niet alle tekstgedeelten bespreken, maar als je een selectie maakt, moet die wel representatief zijn. Helaas blijkt dat niet het geval, zo constateert Rose.