Ethiek

Uit het verleden

Signalen

DE EERSTE VROUW MAG PREKEN IN DE GKV!
GERRY BOS (60) UIT DRONTEN-ZUID heeft van classis Hattem preekconsent gekregen. Slecht ÉÉN kerk hield zich afzijdig. (ND 09-06-18)

Informatiebijeenkomst Den Bos
MAN/VROUW EN AMBT, NADER BEZIEN

Dr. P. Boonstra, predikant van de GKv Bussum-Huizen
Woensdag 20 juni 2018, 20.00 uur.
De Wederkomstkerk
Rijnstraat 20, 's-Hertogenbosch


 



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Steile nekharen en kromme tenen 4

 

D.J. Bolt

21-01-17

 

In de voorgaande afleveringen hebben we een globaal decor opgebouwd van ontwikkelingen en het klimaat in de GKv van de zestiger jaren. We willen dat nu leggen tegen het beeld dat het symposium Een steen op de maag, vijftig jaar scheuring werd gepromoot.
Op het symposium zijn in totaal zeven referaten gehouden. Het is teveel eer om ze allemaal te bespreken en het vraagt wellicht ook teveel van auteur en lezers. Bovendien, het klimaat op dit symposium kan heel goed worden ervaren door een tweetal lezingen dat we er uit gaan lichten. Zij laten zien welke geest er heerste, een geest die verraadt hoezeer de vrijgemaakte kerken veranderd zijn sinds de zestiger jaren, en naar wij menen, ook signaleert wat het voorland is van deze kerken.

 

In deze aflevering gaat het over De rol van de Theologische Hogeschool, door prof. dr. G. Harinck. Daarvan geven we een kernachtige samenvatting. De rede in extenso kunt u vinden in bijlage 1. Met aanhalingstekens in de samenvatting is aangegeven wat Harinck letterlijk heeft gezegd.

 


 

De rol van de Theologische Hogeschool

Samenvatting

 

Dr. G. Harinck

 

Toen de synodalen het neo-calvinisme (reformatie van het leven naar de Schrift, djb) als streven lieten vallen, zouden de vrijgemaakten "als laatsten van de Mohikanen" dat nu wel eens alléén waarmaken: "de vrijgemaakten tegen de rest van de wereld". En dat onder dwang van voorman "profeet" Jaap Kamphuis met zijn "totaal concept", gebaseerd op de "vrijmakingsideologie", namelijk dat "de Vrijmaking een werk Gods en daad van gehoorzaamheid was geweest". Hij en zijn aanhangers vonden dat het "Woord zó nabij was dat er geen licht meer zat tussen Gods handelen en dat van de vrijgemaakten. De vrijgemaakten en God, ze zaten op één lijn". En daarom was doorgaande reformatie daaruit voortvloeiend geen "liefhebberij" meer maar "morele verplichting" voor iedereen…

 

Naast deze ultieme bad guys waren er ook good guys, voorop prof. C. Veenhof die het breed en ruim zag en "alliantievorming op het orthodoxe erf", "openheid", "gesprek met andere kerken" en ook "actief blijven in christelijke organisaties", wilde. Echter daarvoor werd hij stiekem, "het kwam niet in de krant", "door de curatoren op het matje geroepen".

Maar Veenhof, samen met dr. De Jager, weerden zich dapper, zij "trokken hun eigen koers" en "lieten zich niet gelegen liggen aan de hogeschool". Ze gingen als "underdog" "recalcitrant" de barricaden op met "speldeprikjes" tegen "theologische radicaliteit en scherpslijperij". Daarin gesteund door "intellectuelen als Bremmer, Kees Veenhof en Jan Veenhof en Puchinger". Maar ze werden "in het frame geplaatst" van de "groeiende oecumene" elders, "om hun standpunten in een kwalijk perspectief te plaatsen".

En zo is de conclusie "dat er twee visies waren aan de Hogeschool: isoleren of alliëren".

 

Die tegenstellingen aan de School zijn te wijten aan het "soms bloedstollende" handelen "onder leiding van Kamphuis" daar. Kamphuis noemde als kern van de strijd "de waardering van de Vrijmaking". "Als De Jager de vrijmaking niet Gods werk noemde, of daar een vraag bij stelde, zette hij de hele gereformeerde leer op de tocht", en sloot zich daarmee aan bij het valse "oecumenisme", volgens Kamphuis, die "de senaat meetrok" met zijn "grootse plan".
Het verweer van de vredelievende Veenhof en Jager tegen de "in de strijd zoveel begaafder" Kamphuis, was maar zwakjes. In de senaat ging men met hen om "als een spelende kat met de halfdode muis". Ze werden "zet na zet verder in de hoek gedreven tot ze er geen gat meer inzien" en hijgend hoopten dat "ze het tot hun emeritaat zullen kunnen uitzingen". Terwijl ze zich alleen maar verzetten tegen "een cultuur van schorsen en afzetten"…

Toen de Open Brief door de generale synode van Amersfoort-West werd veroordeeld, zag Kamphuis dát als hét signaal om "zonder te willen wachten" "Veenhof en Jager tot een keuze te dwingen". En daarom, zo moet de conclusie tenslotte zijn, is "de hogeschool een instelling geworden die alleen mensen liet functioneren op basis van ideologische kijk op de vrijmaking als sleutel tot de gereformeerde traditie."
 


 

Tot zover een kernachtige weergave van Harincks verhaal ontdaan van retorische franje.

We veroorloven ons alvast een aantal kritische opmerkingen want Harincks verhaal knarst en piept van alle kanten in onze oren. En doet pijn in onze zielen. In een volgende aflevering hopen we nog wat dieper in te gaan op dit verhaal en andere zaken op het symposium.

 

Wat doet dr. Harinck eigenlijk in zijn verhaal? Hij schetst een soort ideologische klassenstrijd die Lenin niet zou hebben misstaan. Zijn verhaal is een typisch voorbeeld van framing. Het woord wordt tegenwoordig veel gebruikt om bewust een deel van de werkelijkheid te selecteren om doelbewust een negatief beeld te creëren van iets of iemand. Harinck gebruikt het begrip ook zelf waar hij prof. Kamphuis en de zijnen ervan beschuldigt dat zij de posities en overtuigingen van Veenhof c.s. in een negatief daglicht stelden door die te framen met 'valse oecumene activiteiten' (oecumenisme). "Alles moest in het frame [van Kamphuis, djb] passen", zegt hij in de beantwoording van een vraag.

 

We hebben geworsteld met de vraag hoe tegengif te bieden tegen dit in onze ogen schandstuk. Daarom hebben we de afgelopen weken heel veel gelezen over de jaren zestig en beleefden a.h.w. opnieuw de hitte van de strijd toen. Onze moeite was uit de overvloed aan informatie een sprekende selectie te maken en het leesbaar te houden.
Tenslotte besloten we prof. J. Kamphuis zelf aan het woord te laten. Dan kan ieder zelf oordelen over wat er op het symposium gebeurde. We doen dat door een referaat van de hoogleraar samengevat weer te geven, een verhaal waarvan de essenties van zijn overtuiging en optreden kunnen worden afgelezen. Zijn referaat bieden we ook in extenso aan in bijlage 2 voor degenen die bereid zijn om veel te lezen en ook van allerlei details te willen kennisnemen.

Maar voor we prof. Kamphuis aan het woord laten eerst iets anders nog.

 

Woordenwisseling

 

In het Nederlands Dagblad van 3 en 4 november 2016 stond een opmerkelijke woordenwisseling tussen Harinck en Barend Kamphuis, zoon van wijlen prof. J. Kamphuis.

Harincks verhaal op het symposium werd Barend (ook) te gek en hij probeerde zijn vader te verdedigen onder de titel De rol van Jaap Kamphuis, als volgt.

 

B. Kamphuis

‘Wij moeten afstand nemen van onze eigen verlekkerde hyperbolen, van onze verbale uitzinnigheden, de neiging alles en iedereen in dramatische termen te gieten, van onze zelfrijzende verontwaardiging en ontsteltenis.’ Dat schreef Bas Heijne zaterdag 29 oktober in de NRC. Het had een reactie kunnen zijn op het congres in de Nieuwe Kerk in Kampen een dag eerder, over de breuk in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) in 1967. Wat een grote woorden zijn daar, volgens het ND, gesproken door George Harinck over de rol van Jaap Kamphuis, mijn vader: in een hoek drijven, bloedstollend, onheus, doelbewust, ‘framen’. Kamphuis lijkt wel als enige verantwoordelijk voor de spanningen in die jaren die uiteindelijk leidden tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK).
 

Maar zo eenduidig ligt het niet. Om een voorbeeld te noemen: toen mijn vader in 1958 benoemd was als hoogleraar in Kampen werd hem door aanstaande collega’s als Veenhof en Jager uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij niet welkom was. Zijn ontvangst in Kampen was ijzig.

Bovendien waren er wel degelijk inhoudelijke punten van verschil. Mijn vader verdedigde bijvoorbeeld dat we in de Gereformeerde Kerken gebonden zijn aan de belijdenis, anderen pleitten voor veel meer vrijheid in dat opzicht. Dat speelde een belangrijke rol in de discussies in die jaren over de vraag of gestorven gelovigen naar de hemel gaan, omdat zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus dat uitdrukkelijk leert.

Er was, om iets anders te noemen, ook verschil over het gezag van de synode: kan een synode beslissingen nemen die voor alle kerken gelden, zoals mijn vader verdedigde, of kan iedere afzonderlijke kerkenraad zich aan de besluiten van de synode onttrekken?

Het gaat me nu niet om deze punten op zich, maar het gaat me erom dat het niet een pure machtsstrijd was, zoals het nu gepresenteerd wordt. De toenadering tussen GKv en NGK juich ik toe, om vele redenen. Ook voor onze onderlinge verzoening is het offer van Christus meer dan genoeg.

We hebben er echt geen zondebok voor nodig.

 

Een dag later reageerde Harinck met een ingezonden, ND 04/11/16

 

G. Harinck

Het commentaar van Barend Kamphuis (ND 3 november) bij het verslag van mijn lezing over ‘De rol van de Theologische Hogeschool’ in het vrijgemaakte kerkelijke conflict van de jaren zestig (ND 29 oktober) noopt mij tot enige verheldering over deze kwestie. Omdat hier een zoon voor zijn vader in het krijt treedt, is de zaak teer. Maar juist daarom hecht ik aan een juiste weergave van wat ik gezegd heb. Om te beginnen sprak ik niet over de spanningen in de kerken, maar aan de hogeschool en daarin speelde professor Jaap Kamphuis een hoofdrol. Er waren uiteraard meer spelers, maar in een korte lezing focuste ik daarom op hem.

Ten tweede is het rijtje grote woorden dat Barend Kamphuis noemt (‘in een hoek drijven’, ‘bloedstollend’, ‘onheus’, ‘doelbewust’, ‘framen’) óf niet door mij gebezigd in de lezing, óf ze sloegen niet op Jaap Kamphuis. Op één uitzondering na, en dat betreft het in de hoek drijven. Ik zei dat de zich zwak verwerende hoogleraren Jager en Veenhof door de veel begaafder Kamphuis iedere keer weer verder in de hoek werden gedreven. Kamphuis heeft dat natuurlijk nooit zo gezegd en Veenhof en Jager hebben niet gezegd dat ze zich zwak verweerden. Maar ik concludeer dat als historicus na bestudering van de notulen van de senaat – het college van hoogleraren – over de jaren 1958-1967 en van wat zij toen in de pers over en weer schreven. Jager en Veenhof konden eenvoudigweg niet tegen Kamphuis op, maar wilden zich niet gewonnen geven. Ik geef mijn weergave graag voor een betere, maar voorlopig zie ik nog niet in dat ik hiermee te grote woorden heb gebruikt of iemands rol vertekend heb.

In de lezing heb ik me beperkt tot de algemene opmerking dat de verhoudingen verziekt waren en heb geen schuldigen aangewezen. Ik heb niet gezegd dat in de senaat een pure machtsstrijd werd gevoerd. Ik heb het woord ‘macht’ zelfs niet gebruikt en ook het woord ‘schuld’ niet. Ik heb de twee inhoudelijke posities van de partijen belicht. Het was echter een strijd om de koers van de hogeschool en dat daarbij ook de machtsvraag in het spel was, lijkt mij buiten kijf.

Grote woorden zijn overbodig om het conflict van de jaren zestig te beschrijven; het is van zichzelf al heftig genoeg. Maar omgekeerd is het ook niet nodig de rol van de hoofdrolspelers te verkleinen, alsof er geen schuld bestaat.

 

Ons commentaar

Ieder die Harincks referaat en zijn vragenbeantwoording (zie bijlage 1, na zijn referaat) heeft gelezen ziet dat hij hier maar wat zit te jokkebrokken, om geen andere woorden te gebruiken. Hij heeft wél de verschillende grote woorden gebruikt: naast "in een hoek drijven", ook "bloedstollend", "onheus" en "framen", zie bijlage 1 in rood en cursief aangegeven. Het woord "doelbewust" mist inderdaad in Hárincks verhaal, dat komt uit het verslag van journalist Gerard ter Horst in het ND:

 

… Hoe de sterke Kamphuis zijn zwakkere tegenstanders, met name de hoogleraar Cornelis Veenhof, doelbewust in de hoek dreef, stelde Harinck. ‘Dat is bloedstollend om te lezen.’ Kamphuis zette hen telkens neer als voorstanders van de oecumene. Dat was een zeer verdacht begrip onder rechtzinnige vrijgemaakten. Er school de suggestie in van het relativeren van de eigen kerk en het wegpoetsen van verschillen. Daarmee zou Gods kerk op losse schroeven komen te staan. Harinck beoordeelde Kamphuis’ aantijgingen als onheus en doelbewust, als het telkens negatief ‘framen’ van tegenstanders …

 

Deze ervaren journalist heeft echt goed geluisterd en correct geconcludeerd waar Harincks betoog zakelijk op neerkwam. We vinden het daarom een beetje laf en ook oneerlijk dat de hoogleraar er achter probeert weg te kruipen dat hij deze woorden "óf niet door mij zijn gebezigd in de lezing, óf ze sloegen niet op Jaap Kamphuis". We vermoeden dat het niemand in de kerkzaal is ontgaan dat Harinck bezig was J. Kamphuis' overtuiging en handelen grondig te framen. Zo werd deze broeder in het graf als schietschijf gebruikt, daar in de Nieuwe Kerk.

Hoezo, "de zaak is teer"?

 

Een ander geluid in Kampen

 

We geven nu graag het woord aan prof. J. Kamphuis zelf voor zijn referaat dat hij op 25 januari 1967 voor de Gesprekkring te Kampen hield onder de titel De Open Brief en de eenheid der gemeente.

De toespraak werd in drie afleveringen in De Reformatie geplaatst, 42 jrg. nummers 18-20. We geven er hier een samenvatting ervan. Het hele referaat is in bijlage 2 te vinden. Cursief is van djb. Aanhalingstekens "" geven citaten uit de Open Brief.

 


 

De Open Brief en de eenheid der gemeente

Samenvatting

 

Prof. J. Kamphuis

 

1 - In de Open Brief (verder OB) wordt met nadruk gesteld dat de vrijmaking van 1944 en volgend jaren, geen reformatie was, maar een "twist", een "vete" tus­sen broeders van eenzelfde huis. En wie spreekt van reformatie en de vrijmaking verbindt aan art. 28 NGB - de roeping van gelovigen om de eenheid der kerk te onderhouden - hangt een "vrijmakingsgeloof" aan. Geloof je dat de Here Jezus ondanks onze zonden een genadig werk van reformatie volbracht dan hang je een "ideologie" aan. Die voert onze kerken tot "ontbinding" en leidt zo gemakkelijk af "van het vertrouwen op de persoon van Jezus als Heer". Uit dat "kleine, vaderlandse gedoe" van "twisten en veten" roept Christus ons weg, dáárheen "dringt Christus' leiding ons" volgens de OB.

Maar de overtuigingen in de OB leiden tot het opzeggen van de christelijke en kerkelijke vrede en eenheid, ook met de broeders van de Afscheiding, Doleantie en Vereniging.

 

Hoe staat het met de eenheid in de GKv, in Kampen? De vraag van 'de eenheid en de OB' is er een van dodelijke ernst en niet te bagatelliseren. Want 25 broeders, meest ambtsdragers, komen met een principieel gefundeerd program van actie. Ze zeggen zeer nadrukkelijk dat de kerken tot "een beslissing" moeten komen op de punten die zij aan de orde stellen: is de vrijma­king een reformatie geweest, die de Here in Zijn gunst gewerkt heeft óf is het "een vete, een twist onder broeders"? Dáár gaat het om. Dáárop valt de beslissing. En niet bijvoorbeeld op de vraag of de synodale valse kerken genoemd moeten worden.    

 

De eenheid van de gemeente en de vereniging met haar, mag niet worden opgegeven omdat we ons door allerlei vreemde en nieuwe meningen, door de moeite en strijd, er niet meer in thuis zouden voelen. Dáárom geen afscheid van de kerken dus, ook niet van de gemeente in Kampen, want de eenheid van de gelovigen is van uitzonderlijke betekenis. Daar spreekt héél de Schrift van.

Zie bijvoorbeeld de strijd van Elia op de berg Karmel. Het altaar dat hij bouwde bestond uit twaalf stenen. Dat is vol symbolische profetie. Ondanks de politieke afzondering van de tien stammen hadden zij nog altijd de geestelijke eenheid met Juda en Benjamin te onderhouden. Het altaar roept terug ván de Baäldienst náár de eenheid van Israël, ontsproten uit de twaalf zonen van Jacob aan wie God zijn zegen had gegeven.

 

Hoe worstelt ook Paulus om de eenheid van de gemeente. Hij bezweert haar te blijven bij de eenheid van het lichaam van Christus (Ef. 4) want we horen bij elkaar en hebben elkaar nodig: Eén lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de éne hoop uwer roeping. Eén Here, één doop, één God en Vader van allen die is boven allen en door allen en in allen.

Het is dus niet maar 'een zaak van organisatie' maar eenheid in Gods heils­weldaden.
Voor die eenheid heeft de Heere intensief gebeden (Joh. 17): Bewaar hen in Uw naam, die Gij Mij gegeven hebt. En: Ik bid niet alleen voor dezen (de apostelen) maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij Vader in Mij en Ik in U, dat ook zij in ons zijn, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.

De Here Jezus strekt in zijn twaalf apostelen de handen uit naar heel Is­raël én de hele gemeente van het Nieuwe Verbond, het Israël Gods. In die éne apostolische eenheid van de kerk van alle eeuwen zijn ook de vrijgemaakte kerken, ook de gemeente van Kampen begrepen.

 

De eenheid der gemeente is dus van een hoge, uitzonderlijke beteke­nis die we alleen vanuit de heilige Schrift kennen. De kerk is géén vereniging of club waarvan het lidmaatschap vrijblijvend zou zijn, die je kunt verlaten als je je er eigenlijk niet meer zo thuis voelt. De Here wil dat wij de eenheid van het lichaam onderhouden zullen. Daarom spreken we vanuit de heilige Schrift over déze eenheid van de gemeen­te en de OB.

 

2 - Zo is er gesproken vanuit de Schrift bij de Vereniging 1892 van Afgescheidenen en Dolerenden. Een kerkelijke christelijke vrede werd ontvangen van de Heere Jezus Christus.

Er waren veel verschillen. Toch hebben de broeders van de Afscheiding niet gezegd: nu moet u ons gelijk geven op alle mogelijke punten. Maar ze vonden elkaar bij Gods Woord en de belijdenis der kerk en zagen dáárom de noodzaak te breken met de Ned. Herv. Kerk, zowel met haar bestuur als met haar leden.

 

Zo wordt er ook onzerzijds nooit een be­slissing afgedwongen, in deze zin bijvoorbeeld: je bent niet goed vrijgemaakt, of je hebt geen plaats in de vrijgemaakte kerken, als je de syno­dale kerken niet valse kerken noemen wilt, zoals prof. K. Schilder dat met even zoveel woorden deed.

Maar de broeders van de OB dwingen wél tot een nieuwe binding namelijk: dat de ootmoedige erkenning van de vrij­making als een genadig door de Here gewerkte re­formatie moet veroordeeld worden als een "ideologie", als een "vrijmakingsge­loof". Want de Vrijmaking was immers slechts een "twist", een "vete". Van die "ideologie" moeten alle broeders en zusters "weggeroepen worden" en de vrijgemaakte kerken daarvoor in een "beslissings­situatie" gebracht.

 

Maar kun je dit niet wat bagatelliseren? Het gaat toch in Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking slechts over kerkgeschiedenisfeiten waar je verschil van mening over kunt hebben? Is er bovendien niet een groot verschil met de Reformatie van de 16de eeuw die ons de drie formulieren van eenheid heeft gegeven? Díe binden ons samen en dat wordt door de OB niet bedreigd, toch?

 

Wij geloven dat níet.

Want wáárom ging het in de Afscheiding, de Doleantie en in de Vrijma­king? In de Afscheiding ging het om het be­waren van het reformatorische pand, de drie formulieren van eenheid. De Acte van Afscheiding: … betuigende bij dezen, dat wij ons in alles houden aan Gods heilig Woord en aan onze aloude formulieren van enigheid in alles op dat Woord gegrond, n.l. de Belijdenis des geloofs, de Heidelbergse Catechismus en de Canones van de Sy­node van Dordrecht gehouden in het jaar 1618 en 1619 …

De áárd van de Afscheiding was wederkeer tot het Woord van de Heere en zó tot de drie reformatorische formulieren van eenheid.
In de Doleantiestrijd ging het om het gróte, dat de belij­denis gezien werd als akkoord van kerkelijke ge­meenschap. Dus geen kerk als een wilde vermenging van gelovigen en ongelovigen, geen volkskerk, maar een gemeenschap van geloof-belijders. Kerken die leven bij het gelóóf dat in de drie formulieren van eenheid beleden wordt.

Juist Hendrik de Cock gaf de Leerregels van Dor­drecht opnieuw uit. En dr. A. Kuyper verzorgde een uitgave van de drie formulieren van eenheid. Dáárin ligt de band van geloofseenheid. Bij alle verschillen gaat het om wederkeer tot de belijdenis, ontvangen in een strijd van leven en dood.

 

In de Vrij­making is dat niet anders. Het ging om te blijven bij de aangenomen leer der Kerk. Uit de Acte van Vrijmaking:

 

… teneinde langs deze weg (de weg van de vrijmaking) te komen tot herstel van het ver­broken verband der gelovigen en der kerken in on­middellijke terugkeer tot de gehoorzaamheid van de gelovigen, in onmiddellijke terugkeer tot de gehoor­zaamheid van Christus, gelijk deze gehoorzaam­heid tot voor het jaar onzes Heren 1942 onder ons op grond van Gods Woord gekend en beleden wordt in de aangenomen formulieren van enigheid en van de Kerkenordening, en in deze alleen.

 

Zó houden wij elkaar vast.

Het gaat om het christelijk geloof, over de grondslag van de heilige, algemene, christelijke kerk. Dus ging het in de zestiende eeuw niet om maar wat nieuws bij Luther en Calvijn en Zwingli maar om terugkeer tot het geloof der Schriften en het zuivere verstaan daarvan zoals te vinden in de oecumenische belijdenisgeschriften. De Heere greep in om zijn kerk genadig van dwalingen te bevrijden. En daarin onderscheidt deze zich niet van de andere reformaties.

 

Het is ook dwaas te denken dat we in de twintigste eeuw in een totaal nieuwe situatie zijn gekomen met onze internationale contacten en communicatiemogelijkheden. Het geestelijk verkeer was in de zestiende eeuw zeker niet minder intensief dan nu. De gereformeerden van toen strekten de handen uit naar heel de kerk waar ze die maar konden bereiken. Dus geen "klein vaderlands gedoe", zoals de OB het noemt, maar de vaderen hadden contacten met Duitsland, Engeland en Frankrijk. Zo nemen ze bijvoorbeeld de Heidelbergse Catechismus over en zeggen tegelijk dat ze de Geneefse catechismus niet verachten. Men zag de kerk van de Heere als verspreid en verstrooid over de ganse wereld en was waarachtig oe­cumenisch bezig.

 

De liberalen in de negentiende eeuw probeerden de gereformeerde kerken stilletjes van haar gereformeerde grondslag te ontdoen. Een nieuwe ondertekeningsformule voor de proponenten deed de kwalijke suggestie dat de belijdenisgeschriften alleen onder­schreven werden voor zover ze in overeenstem­ming waren met Gods Woord, en niet om­dat ze met dat Woord in overeenstemming waren.
Maar het is de gena­de van de Heere geweest over onze vaderen én over ons, dat tegen het woeden van die hele Nederlandse we­reld in, op de weg van het oecumenische christelijke ge­loof in Afschei­ding, Doleantie én Vrijmaking mocht worden voortgegaan. Dáárom is het een radicaal mis­verstaan als wat de Heere gedaan heeft aan z'n volk wordt afgedaan met "twisten en veten", met "dat kleine vaderlands ge­doe". Als daar tegenover gesteld wordt: "nu worden we weggeroepen naar het niveau van die wereldkerk". Want als het hen écht ging om de wereldkerk met de grondslag van de heilige, algemene, christelijke kerk, dan zou men zich toch verbonden moeten weten met het geloof van de broeders en zusters van de zestiende en de negentiende eeuw?

Echter in de OB wordt zelfs "Gods Woord en de drie formulier­en" geringgeschat, gedegradeerd. Dat is maar "het historisch fundament van de Gereformeerde Ker­ken in Nederland". En: "ieder vraagt zich volgens hen af of dat historisch fundament van de Gereformeerde Ker­ken nu nog wel samenvalt met de grondslag van de éne heilige algemene christelijke kerk".

Dat is de nieuwe weg, die zij ons wijzen en waarop zij voorgaan.

 

3 - De OB is een officieel do­cument met een programma. Men is hiertoe "gedrongen", omdat men bij zich­zelf een ontwikkeling ziet en die met anderen wil delen.

Zo is de christelijke troost 'dat mijn ziel van stonden aan bij het sterven tot Christus haar Hoofd wordt opgenomen' (HC Zondag 22) bestreden, terwijl de bestrijders de hand boven het hoofd wordt gehouden, ook in de Kampen bijvoorbeeld door ds. G. Visee.

Er is gewrikt aan het Ondertekeningsformulier voor predikanten door het te benoemen als een 'be­treurenswaardig brok bevriezing' van het echte, levende, reformatorische geloof. Het is principieel bestreden en praktisch ontdoken, vergelijkbaar met de situatie van voor 1834 toen men opzettelijk dubbelzinnige terminologie schiep voor ruimte van afwijking van het Woord. Dáár sluiten de broeders van de OB zich bij aan.

In de loochening van de wezenlijke aard van de Vrijma­king en in zakelijke veroordeling van Afscheiding en Doleantie als reformatorische bewegin­gen heeft men tegelijkertijd een kritische afstand genomen tot de drie formulieren van eenheid. Zo breekt kritiek op het beleden geloof zich de baan van het zes­tiende-eeuwse libertinisme en het twintigste-eeuw­se oecumenisme.

 

Het gaat ons om de eenheid der gemeente. Van die gemeente ben je niet vrijblijvend lid. Tegelijk is zij geen concentratiekamp zonder de vrijheid om bij de Here als opperste Herder te blijven. De eenheid in Christus is een eenheid in geloof, hoop en liefde.

Vergelijk weer Elia op de Karmel. Hij schikt het offer op het altaar van de twaalf stenen ten tijde van het avondoffer. Dat is op het tijdstip van het avondoffer in Jeruzalem. Daarmee bindt hij de afgedoolde stammen van Israël aan wat de Heere doet in de tèmpel met zijn schaduw­achtige eredienst. Elia zoekt een eenheid in de waarheid.

Als Paulus zegt dat we één lichaam zijn, zoals er één doop is en één Heer, één God en Vader boven allen en in allen en voor allen, dan wordt die gemeente gekenmerkt door het éne Schriftgeloof. Eenheid in en bij de waarheid. Bij Jezus Christus, dé Waarheid.

 

De Here Jezus bidt om een een­heid zoals die er tus­sen Hem en de Vader is. Een eenheid van alle geslachten van de kerk op het fundament van de apostelen met Christus als Hoeksteen. Eenheid in Christus: 'Hei­lig ze in Uw waarheid, Uw Woord is de waarheid'. Dat gebed van Christus beheerst de geschiedenis van wereld en kerk.

Ondanks alle aanvechting van buiten en alle moeite van binnen, bleef de kerk door Jezus Christus bij het Woord der Waarheid. In geloofsverbondenheid met de vaderen werden dwalingen afgewezen. Zo is ook op de krachtige voorspraak van de Here Jezus Christus zijn volk in Nederland teruggevoerd naar de waarachtige oecumenische belij­denis. Zouden wij dan zijn voorspraak laten wegdrukken door de Vrijmaking een "twist", een "vete" te noemen?

 

De broeders van de OB vragen zich af of het "historisch fundament van de drie formulieren van eenheid wel samenvalt met de grondslag van de heilige, algemene christelijke kerk".

Zonder antwoord daarop worden we "weggeroepen naar het niveau van de wereldkerk".

Maar dat is een nieuwe weg, een vreemde weg. Niet de weg van de Here Jezus Christus, niet de weg van de re­formaties in vorige eeuwen en die van de Vrijmaking.

De OB verbrijzelt daarmee de een­heid van de gemeente.

Als wij met zoveel kracht worden weggeroepen van de weg der waarheid, blijft er maar één ding over: pleiten op Gods ont­ferming in onze Heiland Christus Jezus. Wij blijven niet bij elkaar door onze flinkheid of tactiek, of door een handige tegen­zet te doen. We blijven alleen één als we blijven onder het beschermende dak van de voorspraak van Christus Jezus: dat we blijven bij de waarheid, bij het geloof dat de heiligen is overgeleverd.

 



Tot zover prof. J. Kamphuis in 1967.

Zijn woorden ontroeren ons opnieuw want ze laten indringend zien waarop het aankwam tóen en waar het nóg op aankomt. Waarin ten diepste onze eenheid bestaat: in Jezus Christus én het Woord dat Hij ons gegeven heeft. Zó weten wij ons nauw verbonden met al Gods kinderen - die nu leven en die ons zijn voorgegaan - in de eenheid van het ware geloof, en in de strijd tegen dwalingen en ketterijen die altijd weer Christus' kerk en werk bedreigen.

 

We hopen de volgende keer nog weer op het een en ander terug te komen.

 

Wordt vervolgd

 

 

Bijlagen

 

Bijlage 1 - De rol van de Theologische Hogeschool

Prof. dr. G. Harinck (TUK/VU)

 

Waarom moesten de wegen aan de hogeschool scheiden? Het oordeel zat er al een decennium aan te komen. Het oordeel was al geveld. Het was wachten op de voltrekking daarvan. In deze lezing staat niet de uitvoering van het oordeel centraal, daar zal Joh. Schaeffer straks over spreken maar dat oordeel zelf: Waarom moesten volgens de winnende partij de wegen scheiden? Ik onderscheid voor de beantwoording van deze vraag drie aspecten:

 

- De veranderende omgeving van de hogeschool

- Het antwoord van de hoogleraren op die verandering

- De onderlinge verhoudingen in de senaat.

 

1 De veranderende omgeving van de hogeschool

 

Academisch gesproken had de hogeschool geen omgeving. Ze was in plaats daarvan volledig op het vrijgemaakte kerkelijke leven gericht. De context van dat kerkelijke leven was tot de jaren zestig ook al zeer beperkt en betrof hoofdzakelijk de synodaal-gereformeerde kerken (sGK).

Op de opleiding van deze kerken ging het roer beginjaren 60 om. De geschiedenis van de Oudestraat legt het keerpunt in de jaren 1961-63. Toen werd 'de spanning tussen behoud van het gereformeerde erfgoed en de openheid voor nieuwe contacten en gedachten opgegeven'. Hetzelfde gebeurde in de jaren 60 tot 66 aan de VU, beschreven in Maarten Aalders' boek over de theologische faculteit.

De blik werd in synodale kring beginjaren 60 definitief gewend van de vrijgemaakten naar de hervormden, en van interne gerichtheid naar openheid, naar de samenleving. Deze door vrijgemaakten veelal als verval getypeerde koerswijziging leidde tot gewijzigde verhoudingen in protestants Nederland. De kleine gereformeerde kerkgenootschappen kwamen afzijdig te staan. Terwijl de hervormde synodaal-gereformeerde samenwerking op gang kwam.
 

Zolang de vrijgemaakten in conflict leefden met de synodalen deelden ze met hen in elk geval de inzet voor de neo-calvinistische traditie[1]. Maar nu voor synodalen deze traditie niet langer bepalend was hadden de vrijgemaakten het bitterzoete gevoel dat ze alsnog het gelijk van 1944 haalden. Maar voelden ook omstreeks 1960 dat de verantwoordelijkheid voor de voortzetting van de neo-calvinistische traditie alleen op hun schouders rustte. Gereformeerde Bonders en CGK konden geen bondgenoten zijn. Hun bevindelijkheid spoorde niet met de neo-calvinistische programma voor de samenleving. En de vrijgemaakten hadden ook niet veel meer over. Christelijke organisaties als ARP en CNV gingen de breeveertien op, net zoals de synodale kerken. De vrijgemaakten hadden alleen nog de kerk over. Organisaties waren er nog nauwelijks. Zij waren de laatsten der mohikanen, zo voelden ze het.

 

Op dit smalspoor geraakt knaagde er bij sommige vrijgemaakten iets. Was voor velen van hen 1944-45 als bevrijding en als vernieuwing begon dreigde rond 1960 te eindigen in isolement en verdeeldheid. Het proces van vereenzaming en intensivering ging dus met aarzelingen en reserves gepaard. En dat is het beeld dat de hogeschool in de eerste helft van de jaren 60 biedt. Was de situatie wel zo antithetisch? Of was eerst nog meer bezinning nodig? In die context werden de uitdrukkingen als enerzijds trouw aan de belijdenis en anderzijds verdraagzaamheid jegens de ander shibbolets waaraan men kon aflezen hoe de ander stond.

 

Concluderend, de breuk met de neo-calvinistische traditie bij de synodalen heeft een grote katalyserende invloed uitgeoefend op de vrijgemaakte kerken. En op de discussie in vrijgemaakte kring over de houding en koers jegens andere kerken en jegens de samenleving. De vraag werd of en hoe het kerkelijke conflict van 1944 in deze nieuwe context actualisering moest krijgen.

 

2 - Het antwoord van de hoogleraren op die verandering

 

Discussie over koers heeft aan de hogeschool de onderlinge verhoudingen op scherp gezet. Wat was het antwoord van hoogleraren op de veranderingen in hun omgeving? Voor hoogleraar Kamphuis was duidelijk dat synodale gereformeerde omslag dwong tot het trekken van consequenties uit de sinds 1944 ingenomen kerkelijke standpunten. Hij trad op als een profeet. De ware kerk en de doorgaande reformatie konden niet langer speerpunten blijven in het conflict met de synodalen maar moesten het totaal concept worden van vrijgemaakte kerk en theologie. In eigen kring konden de kerkleer en de doorgaande reformatie niet langer een liefhebberij van sommigen blijven maar dienden overal en consequent toegepast te worden. Kamphuis maakte het zelf concreet in 1959 door zijn betrokkenheid bij het GPV afhankelijk te maken van de binding van de politieke partij aan de Vrijmaking. Hetzelfde gold wat Kamphuis betreft voor het onderwijs. Kerkleden waren moreel verplicht hun kinderen naar het vrijgemaakte basis- en middelbaar onderwijs te sturen. Het moest worden de vrijgemaakte kerken en organisaties tegen de rest van de wereld.

 

In reactie op deze ideologisch visie op de vrijmaking die door Kamphuis centraal wordt geplaatst aan de hogeschool, zochten sommige vrijgemaakten hun toevlucht bij Herman Bavinck. Maar Bavinck? Klaas Schilder had Bavinck nooit zo krachtig gevonden. En altijd betreurd dat de priesterlijke dogmaticus, zoals hij het zei, het profetisch element: 'in zachte schemering had gezet'. Zo schreef Schilder in 1950. Desondanks grepen diverse vrijgemaakten tegenover het ware kerk denken terug op Bavinck en wel om diens brede visie op kerk en christendom. Dit was een antwoord op de vrijmakingsideologie. Het waren intellectuelen als Rolf Bremmer, Kees Veenhof, Jan Veenhof, George Puchinger die in de polarisatie van de jaren 60 Bavinck voorzichtige bejegening van de medechristenen in andere kerken alsmede zijn katholieke visie op het christendom, beklemtoonden. Een synodaal predikant zag het met welgevallen aan: 'een bad in Bavinck betekent een krachtig tegengift voor allerlei theologische radicaliteit en scherpslijperij'. Zo zag hoogleraar Kees Veenhof het ook.

 

Onweersproken bleef de groeiende sympathie voor Bavinck niet. Ze werd zonder nuancering in de hoek van het oecumenisme geplaatst. Onder deze noemer viel vrijwel alles wat afweek van het ware-kerk-denken en van doorgaande reformatie. Vanaf de breuk met de christelijke organisatievorming tot aan de veranderende houding van synodaal-gereformeerden jegens de oecumenische raad van kerken in Nederland en de Wereldraad van kerken. De groeiende oecumene elders werd omstreeks 1960 in vrijgemaakte kring het frame waarmee de standpunten van Veenhof en de zijnen geplaatst werden. Zij bepleitten helemaal geen oecumene á la de Wereldraad maar dat was niet belangrijk. Het ging hun tegenstanders er om de standpunten van Veenhof cs in kwalijk perspectief te plaatsen.

 

Toen Bremmer inzake de vrijgemaakte kerken van eind jaren 50 optimistisch vaststelde de tijd van het vechten met de rug tegen de muur was voorbij, rekende hij met de koerswijziging die synodaal gereformeerde ontwikkelingen teweeg brachten in vrijgemaakte kring. De vrijgemaakte synode van Assen 1961 bracht echter geen omslag, zoals Bremmer had gedacht maar deed een verwijzing naar de dreiging van het oecumenisme juist een schepje boven op. Deze synode sanctioneerde Kamphuis' visie; 'dat de vrijmaking en hetgeen daaraan vooraf ging een werk Gods en daad van gehoorzaamheid was geweest.' Het was voor de synode evident dat 'de Heere die alle dingen van eeuwigheid bekend zijn reeds door scheiding te brengen in 1944 en volgende jaren, begon te bewaren ook voor het meegezogen worden naar de maalstroom van het oecumenisme'. De spreuk van de hogeschool 'Nabij u is het Woord' kreeg hier zijn uiterste consequentie. Het Woord was zó nabij dat er geen licht meer zat tussen Gods  handelen en de vrijgemaakten. De vrijgemaakten en God, ze zaten op één lijn.

 

Terwijl Kamphuis kerkelijke afzondering in de zin van de synode van Assen voorschreef als de juiste opstelling van de vrijmaakten in de jaren 60, propageerde Veenhof samenwerking met orthodoxe protestanten uit allerlei kerken. Kamphuis kon op steun van de synode rekenen maar Veenhof won als opposant van die visie ook aan gewicht. En zijn standpunt sloot bovendien aan bij bredere alliantievorming op het orthodoxe erf in reactie op de moderne koers van de synodale kerken.

De senaat was in meerderheid wars van die bredere aansluiting. De verhoudingen waren aan de hogeschool zo dat indien Veenhof de mogelijkheid tot gesprek met andere kerken wilde open houden en actief blijven in christelijke organisaties hij op het matje werd geroepen bij de curatoren. Dat kwam niet in de krant. Maar Opbouw de spreekbuis van Veenhof murmureerde wel over deze vrijmakingsideologie. Veenhof en ook hoogleraar De Jager trokken tegenover Kamphuis hun eigen koers. En lieten zich steeds minder gelegen liggen aan wat men daar aan de hogeschool van vond. Kamphuis' visie won terrein aan de hogeschool. Maar zijn tegenstanders namen de positie in van underdog: recalcitrant zijn en speldenprikjes uitdelen.

 

Concluderend waren er aan de hogeschool twee visies op de vrijgemaakte koers in het veranderende kerkelijke en theologische landschap van de jaren 60. Isoleren of alliëren. Een markant standpunt innemen om een neocalvinistische traditie te behouden of die traditie in samenwerking met anderen een nieuwe vorm geven.

 

3 - De onderlinge verhoudingen in de senaat.

 

En daarmee komen we aan het laatste punt: de verhoudingen in de senaat. Die waren ernstig verstoord. Er was een meerderheid die een omlijnd plan steunde en daar waren Jager en Veenhof die er niet aan wilden. Het is soms bloedstollend om in de senaatstukken te lezen hoe onder leiding van de in de strijd zoveel begaafder Kamphuis, zich zwak verwerende Jager en Veenhof zet na zet verder in de hoek worden gedreven tot ze er geen gat meer inzien. En beroofd van al hun argumenten alleen nog maar kunnen hopen dat ze het tot hun emeritaat zullen kunnen uitzingen. Van samenwerking in de senaat was geen sprake, zei ik al. Niet tussen Kamphuis en Veenhof maar ook tussen de andere collega's niet, er waren nog veel meer conflicten. Het curatorium zweeg daarover in de richting van de kerken en gaf al die jaren een zonnig beeld van het werk aan de hogeschool. Aan de synode werd in 1961 bijvoorbeeld gemeld dat 'de Heere het goed heeft gemaakt met de Hoogeschool'. Drie jaar later bleek er opnieuw geen vuiltje aan de lucht. De vijf hoogleraren en de vier lectoren 'hebben hun beste krachten mogen geven in de arbeid aan de hogeschool'. Het bleek een rookgordijn.

[mist stukje, djb]

 

In 1965, door curatoren gevraagd naar zijn mening over de spanningen in de senaat, stelde Kamphuis dat de kern de waardering van de vrijmaking betrof. Dat Jager in 1961 in Opbouw de vraag had gesteld of de vrijmaking een reformatie was, betekende volgens Kamphuis dat deze in de mist werd gezet. Dat leidde niet alleen tot relativering van verschillen met de synodalen maar Kamphuis trok zoals reeds gezegd het verschil sinds 1960 breder, ook in de kwalificatie van het standpunt van opponenten. Jagers relativering sloot zijns inziens naadloos aan bij de moderne theologisch ontwikkelingen richting oecumenisme. Wie de vrijmaking niet Gods werk noemde, of daar een vraag bij stelde, zette de hele gereformeerde leer op de tocht. De samenhang tussen de wending bij de synodalen en de ontwikkelingen in de vrijgemaakte kring vormde de kern van Kamphuis analyse. Wat daar gebeurt dreigt ook hier te gebeuren. Jager en Veenhof ondermijnden z.i. met hun programmatisch verzet tegen de moderne ontwikkeling vanuit de hogeschool en bevorderden zo een klimaat 'waarin inzonderheid de jonge mensen wordt bijgebracht van het eigen kerkelijk leven niets te verwachten. Terwijl tegelijkertijd de aandacht gespannen wordt op allerlei ontwikkelingen buiten het eigen kerkelijk leven.'

Jager, meldden de curatoren desgevraagd, dat hij niet verwachtte dat de hoogleraren het nog eens zouden worden, een reële inschatting. Maar hij verzette zich tegen een cultuur van schorsen en afzetten. Zolang er geen ander evangelie werd verkondigd, en dat was volgens hem niet het geval, gold de regel 'wie niet tegen ons is is voor ons'.

 

Concluderend. De verhoudingen in de senaat worden verziekt en was de relatie van de meerderheid tot de minderheid als die van de spelende kat met de halfdode muis. Kamphuis had een groots plan met de kerken en trok de senaat daarin steeds verder mee. Ook omdat het verweer van de twee oudste leden van de senaat Jager en Veenhof het vijandbeeld en de strategie misten die de neo-calvinistische traditie zo eigen was.

Toen de kerken scheurden over de Open Brief die a.s. maandag 50 geleden verscheen was het niet meer dan logisch dat de partij van Kamphuis niet wilden wachten hoe de zaak zou uitpakken. Dat wist men al. De Open Brief bevestigde slechts het ideologische gelijk. De veroordeling van Open Brief 1969 was het verhoopte feit dat de senaat kon inzetten om Jager en Veenhof eindelijk tot een keuze te dwingen. De hogeschool was daarmee beïnvloed door de algemene kerkelijke context, de verdeeldheid door de tegengestelde visies op de verantwoordelijkheid van de kerkelijke samenleving en verscheurd door onderling verwijdering. De hogeschool was daarmee een instelling geworden die alleen mensen liet functioneren op basis van ideologische kijk op de vrijmaking als sleutel tot de gereformeerde traditie.

 

Vragen

 

Iemand

U zei helemaal niets over positie hoogleraren Schilder en Doekes. Kunt u wat zeggen waarom u dat doet?


Harinck

Ja, ik kan zeggen waarom ik dat doe. Ja, dat kan ik. Schilder en Kamphuis stonden het dichtst bij elkaar. Maar Kamphuis was de architect. En het ging mij nu even om de hoofdrol spelers. Maar tussen Kamphuis en Schilder zat niet veel verschil van mening als het ging om deze ideologische kijk op de Vrijmaking.

Doekes is een ander verhaal. Doekes zat in de senaat heel ingewikkeld want die had nog met Kamphuis een oud conflict over overname van redactie van de Reformatie, midden jaren 50. Doekes is bovendien niet een heel geprofileerde figuur in de senaat. Dat is ook de reden waarom ik hem niet naar voren heb gehaald en nu voor de eenvoud de twee hoofdrolspelers heb genoemd. Maar daar is veel meer over te zeggen, dat geef ik toe.

 

Ds. G. Geerts

Vindt u het niet een kleine belediging mensen die van de vrijmaking geloven dat de Here dat gedaan heeft en dat u dat als een ideologie bestempeld? En zo mensen te raken die de Vrijmaking van harte steunden en nog steunen?

 

Harinck
Ja, dat begrijp ik. Dat woord ideologie is natuurlijk een gevoelig woord. Ik bedoel met dat woord ideologie dat je een samenhangende visie hebt die functioneert als verklaring voor alles in de samenleving. Dus toegepast op het idee van vrijmaking: de Vrijmaking is het werk Gods en opdat het het werk Gods werk is heeft het consequenties voor alles en iedereen. In het begin voor de vrijgemaakte kerken maar de facto voor iedereen in heel Nederland. Heel Nederland zou moeten kiezen voor of tegen de vrijmaking. Nou, deze manier van hanteren van een kerkscheuring is, het hanteren er van is op een ideologisch manier. Je zet het in op elk terrein voor ieder doel. Ja, ik weet niet of het niet een belediging is voor de mensen die dat zo hebben gezien, maar ik zie wel dat op deze manier kon worden ingezet om mensen als Veenhof en Jager eruit te werken. Dus, zeg maar, als mensen zouden belijden dat Vrijmaking is een werk van God, ik neem die belijdenis precies als ze hem zeggen, ik neem dat serieus, maar ik neem aan dat je ook kunt aanvaarden dat een ander die naast je in de kerkbanken zit, dat die zegt: nou ja, ik zie het iets genuanceerder, of zoals Jager: ik heb daar wel een vraag bij. Daar was geen ruimte voor. Ook dat vind ik kenmerkend voor een ideologie. Alles moest in het frame passen.

 

Van der Weijde uit Gouda

U bent opgehouden bij de Open Brief maar de hogeschool is verder gegaan en heeft aan de studenten gevraagd of ze instemden met de kerkenraad die de Open Brief afwezen. Daarmee is ook de discussie in de kerken geworpen. Je bent voor of tegen de Open Brief. Die studenten werden ook geacht de Open Brief allemaal af te wijzen. Naar mijn gevoelen een enorme gewetensdwang in de kerken ontstaan.

Het attestenbesluit was echt fout omdat het gewetensdwang betekende. Moet dat niet teruggenomen worden? Is dat gebeurd of komt dat nog?

 

Harinck

Johan Schaeffer zal hier over spreken. Het attestenbesluit is genomen n.a.v. de uitspraken van GS Amersfoort-West. En dus is het niet zo dat de senaat, zeg maar, dit bedacht heeft dat de Open Brief, zeg maar, scheiding maakte. De senaat handelde in vervolg daarop en uitvoering daarvan. Het terugroepen van het attestenbesluit dat is denk ik keihard niet aan de orde want het is niet een kerkelijk besluit, maar een besluit van de senaat geweest met steun van de curatoren. Het attestenbesluit is op een gegeven moment buitenwerking gesteld. Het heeft een poosje gewerkt en hoe het heeft gewerkt zullen we zo meteen wel horen maar het is ook weer buitenwerking gesteld. Het werkt nu niet meer. Nederlands gereformeerde student aan TUK wordt niet geconfronteerd met het attestenbesluit. (hilariteit). Daar is veel meer over te zeggen. Dat wilt u nu ook maar dat gaan we niet doen.

 

Ad de Boer (later in de algemene discussie)

Hoe kan het dat Assen 1961 in overgrote meerderheid voor de lijn stemde. Ook veel mensen die later NGK zijn geworden. Dé schrijver van het rapport tegen de syn. kerken was ds. J.C. Janse. Er waren er veel meer op die synode die later NGK werden. Hoe verklaar jij dat dat zij toch op die synode met velen anderen front maakten tegen synodale kerken en een uitroepteken zetten de vrijmaking?

 

Harinck

Ik heb beklemtoond dat de ontwikkelingen in de synodale kerken heel bepalend zijn geweest voor wat in de jaren 60 in de vrijgemaakte kerk is gebeurd. Dus die context waarvan we zeggen ondanks alles het wegvallen van de syn. gereformeerde kerk als een bondgenoot tegen een seculariserende samenleving er ondanks alle conflicten, men was in conflict die een broeder was, die veranderende situatie was niet alleen voor Kamphuis een probleem, dat was een probleem van de vrijgemaakte kerken. Ze kwamen alleen te staan in de neocalvinistisch traditie. En het feit dat ook dingen als gereformeerden met later Nederlands gereformeerden meegewerkt hebben of ingestemd hebben met de besluiten van de synode van Assen geeft precies aan dicht die partijen bij elkaar zaten. Hoe onheus wat mij betreft ook is geweest dat die tegenstellingen op de spits zijn gedreven. Door mensen als Veenhof en Jager oecumenisme te verwijten plaats je ze veel te ver weg laat me zeggen van het neocalvinistische standpunt, het vrijgemaakte standpunt dat ze hadden.

Er is vanmorgen natuurlijk gezegd er is een verband tussen algemene kerkelijke ontwikkelingen in Nederland en wat er in de Open Brief aan de orde wordt gesteld. Ja, dat de vrijgemaakten waren niet gek, de vrijgemaakten wisten ook wel wat er in de wereld omging. Maar het is onjuist om de mening van die mensen gelijk te stellen aan wat er in de hervormde of gereformeerde kerken synodaal gebeurde. Ik heb net ds. Geerts gehoord die aankomt met ds. Schoep, die een boek van ds. Hoekendijk te schijnt te hebben gelezen en ik weet niet waarom dat erg is dat je dat leest, ik weet ook niet waarom het erg is dat je zijn standpunten gebruikt [ik hoop daar de volgende aflevering op terug te komen, djb], maar waar ik bezwaar tegen maak is dat net wordt gedaan als wat in de Open Brief gelijk is aan wat je in de Hervormde kerk en in de syn-gereformeerde kerk door een aantal theologen gebeurde, natuurlijk ook niet door die kerken helemaal. En dus mijn bezwaar is dat heb ik gezegd in mijn lezing ook, ze zijn geframed. En ik denk dat de Nederlands gereformeerden en de vrijgemaakten in de jaren heel dicht bij elkaar zaten. En dat verklaart voor mij ook het feit dat wij hier vandaag samen het congres hebben. We delen veel meer dan we waarover we verschillen. En ik kan u tien twintig kerkconflicten noemen waarin verschillende groepen niet met elkaar praten. Maar wij willen met elkaar praten. We vinden dat dat moet. Wij zitten heel dicht bij elkaar. En ik denk dat zaken ten onrecht op de spits zijn gedreven. En daar lijden we nu onder. En daar moeten we wat aan doen.

 

Bijlage 2 - De Open Brief en de eenheid der gemeente

 

Onder deze titel sprak prof. J. Kamphuis op 25 januari 1967 voor de Gesprekkring te Kampen. De toespraak werd in drie afleveringen in De Reformatie geplaatst, 42 jrg. Nrs 18-20.

 

De Open Brief en de eenheid der gemeente 1

 

Prof. J. Kamphuis

 

1 - We hebben de vorige keer over de inhoud van de bekende Open brief reeds heel wat gezegd in de toe­spraak Ware Kerk en judaïsme. (1) Ik wil dat nog e­ven kort samenvatten. Er wordt hier met nadruk gesteld, dat de vrijmaking van 1944 e.v.j. , geen reformatie was, maar een "twist", een "vete" tus­sen broeders van eenzelfde huis genoemd moet wor­den. En, zo zegt die Open brief, wie die vrijmaking van 1944 wél als een reformatie typeert, wie wél de vrijmaking verbindt aan art. 28 van de Nederl. Ge­loofsbelijdenis, waar over het ambt der gelovigen gesproken wordt, dat het de roeping der gelovigen is om de eenheid der kerk te onderhouden, hangt een "vrijmakingsgeloof" aan en alleen al die tèrm "vrijmakingsgeloof" wil nadrukkelijk zeggen: dat is wat anders dan hèt geloof. Dat "vrijmakingsge­loof" is wat anders dan het geloof in onze Here Jezus Christus.

 

Dat "vrijmakingsgeloof" zoekt steunsels buiten de Here Jezus Christus, buiten het Woord van het e­vangelie om. Dat vrijmakingsgeloof , dat dus de vrijmaking een genadig werk van reformatie zou zijn, door de Here Jezus Christus ondanks onze on­gerechtigheden volbracht, wordt in de Open brief, dan ook een" ideologie" genoemd, een ideologie, die staan zou tegenover het geloof. En die ideologie, zo zegt de Open brief, doet twee kwade dingen: zij voert in de eerste plaats onze kerken tot ontbinding en in de tweede plaats, leidt zij zo licht het hart af "van het vertrouwen op de persoon van Jezus als Heer". In dat laatste hoort u heel duidelijk ook weer doorklinken hetzelfde, wat eigenlijk zit opgeborgen in die term: "vrij­makingsgeloof!", in die ideologie zoekt het hart een steunsel buiten de Here Jezus Christus en buiten het evangelie van zijn genade om.

 

We hebben de vorige keer gezien, dat dat oordeel over de vrij­making: geen reformatie, maar een twist, een vete tussen broeders van hetzelfde huis, dat dat in feite óók geldt voor de Afscheiding van 1834 en voor de Doleantie van 1886. Dat alles behoort tot de veten onder de christenen, de veten van de broe­ders en zusters van eenzelfde huis. En die veten, die twisten vormen dan samen, wat de Open brief noemt "ons vaak klein vaderlands gedoe". En uit dat kleine, vaderlandse gedoe met die twisten en veten roept Christus ons weg. Dat is Christus' lei­ding in deze tijd. Christus roept ons weg naar het niveau van de wereldkerk. Dat is in korte schetslijn de inhoud van de Open brief, zoals die de vorige maal onze aandacht had.

Toen hebben wij op grond van wat hier te lezen staat gezegd :wanneer er zo gesproken wordt over de Vrijmaking van 1944 en wanneer er zakelijk zo ook gesproken wordt over de Afscheiding van 1834 en over de Doleantie van 1886, en wanneer dat ge­handhaafd wordt, dan, zo zeiden we letterlijk, is het tafellaken doorgesneden. We hebben ook enke­le malen gezegd, de overtuigingen die uitgedragen zijn in deze Open brief, betekenen het opzeggen van de christelijke en kerkelijke vrede met onze broe­ders en vaders die ons voorgegaan zijn op de weg van de Afscheiding (Hendrik de Cock is genoemd en de Acte van Afscheiding), die ons voorgegaan zijn op de weg van de Doleantie en de Vereniging van 1892. En zodoende brengt deze Open brief een radicale en fundamentele verdeeldheid.

U zult zich misschien herinneren, dat ik aanvankelijk zei: als deze overtuigingen gehandhaafd blijven dan bete­kent dat het doorsnijden van een "een tafellaken". Toen heb ik dat direct in de voortgang van die zin aangepunt en gezegd: ja, maar dat betekent dan ook hèt doorsnijden van het tafellaken. En volkomen te­recht is daaruit geconcludeerd, dat ik daarmee heb bedoeld het laken dat ligt op de tafel van het heilig Avondmaal des Heren. Zoals ik sprak, zo sprak de week daarna zijnerzijds prof. H. J. Schilder in de Reformatie.

 

Welnu, zo is de vraag gerezen, zo moest de vraag rijzen naar de Open brief en de eenheid der gemeen­te. De eenheid van de vrijgemaakte kerken en inzonderheid ook de eenheid van de gemeente hier in Kampen. Ik ben de vorige keer begonnen te zeggen dat ik sprak in een uur van ernst, van dodelijke ernst, Ik wil dat nu herhalen. Die vraag, de vraag naar de eenheid van de gemeente van de Here Je­zus Christus en dan onder het aspect van wat in de Open brief door de broeders, o.m., ook door ds. J. O. Mulder gezegd wordt, is van een hoge ernst, een ernst, waar wij ook niets van af mogen doen. Ook hier wil ik weer zeggen: het is een vraag van dódelijke ernst. Wij mogen de ernst van die vraag­stelling, die schuilgaat onder de titel 'De Open brief en de eenheid der gemeente' op geen enkele wijze verkleinen, we mogen hier op geen enkele wijze bagatelliseren.

Wij mogen b.v. naar mijn vaste overtuiging niet zeggen: och, die Open brief dat is een van de vele opstellen of artikelen die in de kerkelijke pers ver­schijnen en er verschijnen zoveel artikelen, je kunt zo'n artikel lezen of ook niet lezen en daarna over­gaan tot de orde van de dag. Tegen dat bagatelli­seren van de ernst van de Open brief en van de ernst van de crisis, waarin wij zijn gekomen, zou ik ernstig willen waarschuwen. Want het is niet waar, dat wij in deze Open brief te doen hebben met een artikel uit de vele duizenden artikelen, die er in de pers, ook in de kerkelijke pers verschijnen.

 

In de eerste plaats al niet om het nuchtere en door ieder te constateren feit dat we in de Open brief maar niet met een persoonlijk woord te doen hebben, maar dat hier een groep van broeders, een groep ook van ambtsdragers zich gezamenlijk tot alle kerken wen­den met de uitgesproken bedoeling alle kerken met wat zij nu in die Open brief te berde brengen te willen dienen. Daarmee krijgt dat woord van die Open brief al een ernstiger karakter dan wanneer het een artikel was dat vluchtig is geschreven. Er hebben hier vijfentwintig broeders overleg gepleegd en na beraad en in bezonnenheid hebben zij, zo mo­gen wij toch aannemen, gezamenlijk deze brief de wereld in gezonden. Zij zeggen het ook zelf nadruk­kelijk dat zij" zo duidelijk mogelijk" hebben ge­schreven.

 

En dan, dat in de tweede plaats, dat is nog betekenisvoller, de broeders komen in deze Open brief met een program. Ze brengen maar niet een vraag in het midden, ze leggen ons maar niet bepaalde moeilijkheden voor, waarover onderling gesproken zou kunnen of moeten worden, maar ze ontwikkelen heel duidelijk een program van actie dat een principiële fundering heeft. Zij wijzen een weg, en ze gààn zelf die weg en ze willen ons op die weg voorgaan.

Welnu, waar we hier met een programmatisch woord hebben te doen, daar moe­ten we ons er niet licht van afmaken door te zeg­gen: een artikel onder de vele artikelen en dan kunnen we verder overgaan tot de orde van de dag. Neen, want deze broeders zijn eerlijk geweest. Ze hebben gezegd, waardoor zij gedreven werden en waartoe zij anderen oproepen. Ze zijn eerlijk voor hun program uitgekomen. Als ze nu dat program ten uitvoer gaan leggen dan kunnen ze altijd zeg­gen: we hebben het toch gezegd? We hebben van tevoren gezegd dat we zo handelen en voorgaan zou­den? Ze zeggen zeer nadrukkelijk in de Open brief dat de kerken tot een beslissing moeten komen op de punten die zij aan de orde stellen. Tot een be­slissing komen moeten op dat punt: is de vrijma­king een reformatie geweest, die de Here in Zijn gunst gewerkt heeft of is het een vete, een twist onder broeders? Als zij nu naar die beslissing toewerken, tot die beslissing oproepen, te hunner tijd een beslissing forceren, dan kunnen ze altijd zeggen: maar we spraken er toch van in uw mid­den, en we hebben ons toch tot alle kerken in het publiek gewend? Zeker daarom zullen we ons van de ernst van de vraagstelling naar de eenheid der gemeente onder het licht van wat in die Open brief gezegd wordt, niet mogen afmaken.

 

Wij moeten ons ook van de ernst van wat in de O­pen brief geschreven staat niet afmaken, niet la­ten afleiden door wat zakelijk gezien afleidings­manoeuvres zijn. Er is b.v. door ds. Visee in de Kamper Kerkbode gezegd: ja, er is altijd verschil van mening over allerlei geweest ook rond de vrij­making' ook bijvoorbeeld in de beschouwing van de synodale kerken. Prof. Greijdanus weigerde bijvoorbeeld perse om de synodale kerken valse kerk te noemen. En als nu de broeders van de Open brief eventueel een beschouwingswijze huldigen, die af­wijkt van die van de meerderheid van de vrijge­maakten, waarom zouden we ze daarover lastig vallen? We zijn er prof. Greijdanus toch ook nooit om lastig gevallen dat hij die synodale kerken geen valse kerken heeft willen noemen? Ik noem dat za­kelijk gezien een afleidingsmanoeuvre. Het is de vraag, of wat ds. Visee over prof. Greijdanus en zijn oordeel over de synodale kerken geschreven heeft juist is. Ik hoop daar breder op in te gaan in de Reformatie van deze week. (2)

 

Maar zelfs al zou dat juist zijn dan is de vraag er, wat doet dat hier ter zake bij dit punt in geding: was de vrijmaking een reformatie of was de vrijmaking een twist, een vete tussen broeders van hetzelfde huis? Wat doet die eventuele mening van prof. Greijdanus terzake bij die grote zaak, die de broeders van de Open brief aan de orde hebben gesteld dat de leiding van Christus ons uit ons kleine vaderlandse gedoe weg­roept naar het niveau van de wereldkerk? Want wilde men in dit geding prof. Greijdanus ter sprake brengen, dan zou men aan moeten wijzen dat hij de vrijmaking als een twist, een vete tussen broeders gekwalificeerd had. Dat hij gezegd had: daar waar ik nu mijn levensavond aan geef, daar waar ik voor op wil branden, dat is een twist; daar waar ik mijn laatste krachten aan geef, dat is nu een vete onder broeders van hetzelfde huis. Dan zou men bewij­zen moeten dat prof. Greijdanus zei ook in de laat­ste jaren van zijn leven: en nu hopen we op de dag dat Christus zo de wereldgeschiedenis zal gaan lei­den dat Hij ons uit dat "vaak kleine vaderlandse ge­doe" met z'n twisten en veten wégroept naar het ni­veau van de wereldkerk. Zie, dan zou de naam van prof. Greijdanus hier terzake zijn. Maar als dat niet aan de orde komt, als niet aan de orde komt, de kwesties die de broeders zelf in de Open brief stellen, dan is dat de aandacht afleiden van het hoofdgeding, waar de grote beslissing binnen de vrijgemaakte kerken en binnen de gemeente van Kampen vallen zaL

 

We mogen ons van de ernst van de vraagstelling die verscholen gaat in die titel: de 'Open brief en de eenheid der gemeente', ook niet afmaken door te zeggen: die eenheid van de gemeente is niet zo be­langrijk. Ik wil daar nadrukkelijk uw aandacht voor vragen. Want ook dat gevaar zou ons kunnen bedrei­gen. Het gevaar dat wij zeggen: ja, zoals de hele ontwikkeling nu geworden is, inzonderheid in de laatste jaren in de vrijgemaakte kerken met al die moeiten en strijd, we voelen ons er niet meer thuis. Het gevaar, dat we zouden zeggen: ja, met al die vreemde en voor ons nieuwe meningen die er voor­gedragen worden en uitgedragen worden in de vrij­gemaakte kerken, daar kunnen we ons onmogelijk mee verenigen en omdat we ons er niet mee vere­nigen kunnen, nu daarom geven we de eenheid van de gemeente maar op, en daarom nemen we maar afscheid van de vrijgemaakte kerken en van de vrij­gemaakte kerk van Kampen.

 

Dat is een uitzonderlijke bedreiging, broeders en zusters. Want de eenheid der christenen, de eenheid der ge­lovigen, de eenheid der gemeente is van een hoge, uitzonderlijke betekenis. Daar spreekt héél de Schrift van. Daar gaan ons profeten en apostelen in voor. De profeten van het Oude Verbond, de apostelen van het Nieuwe Verbond hebben die eenheid van de ge­meente van de Here Jezus Christus gezien als een kostbaar goed dat de Here Jezus zelf aan het kruis voor de Zijnen verworven heeft.

Ik denk al aan het Oude Testament. Als Elia op de Karmel in de strijd met de priesters van Baäl is gewikkeld, als hij strijdt om het behoud van Gods volk in de tien stammen en als hij na die razende stormloop die de Baäl­priesters ondernomen hadden om Baäl tot een won­der op te roepen, een altaar gaat stichten op de Karmel, dan staat er in 1 Kon. 18: 31 : "Elia nam twaalf stenen naar het getal der zonen van Jakob tot wien het woord des Heren gekomen was: Israël zal uw naam zijn".

In de stichting van het altaar van twaalf stenen verricht Elia een symbolische daad die vol van profetie is. Van de profetie tot de tien stammen dat de Here een volk van twaalf stammen heeft en dat de tien stammen ook in hun politieke afzondering toch altijd de geestelijke eenheid en de geestelijke gemeenschap met de twee stammen, met Juda en Benjamin, hadden te onderhouden en dat daar ook schuld lag dat ze de eenheid van Israël gebroken hadden door afzonderlijke erediensten in te stellen en dat er schuld lag in de zonde van Jerobeam, waarmee hij Israël zondigen deed. Dat was uitge­lopen op die Baäldienst. Dat altaar met de twaalf stenen op de Karmel roept Efraïm naar de een­heid van Israël terug, zoals die eenheid besloten lag in de zegen van God over Jakob, toen Hij hem Israël noemde en toen Hij hem twaalf zonen gaf, die samen het Israël van God vormden.

Dat is één voorbeeld uit het Oude Testament.

 

En dan de onderwijzing in het Nieuwe Testament met betrekking tot de eenheid der gemeente. Hoe­veel zou daar niet van te zeggen zijn; Hoe heeft de apostel Paulus niet geworsteld om de eenheid van de gemeente.
 

Ik denk aan wat in Efeze 4 staat, waar hij bezweert om te blijven bij de eenheid van het lichaam van Christus. Zo wordt de kerk trouwens in de brieven van deze apostel steeds weer genoemd: "lichaam van Christus". Dat betekent toch ook: we horen bij elkaar en geen deel van het lichaam kan tot een ander deel zeggen: ik heb u niet van node. In dat woord "lichaam" ligt al de roep tot de beleving van de eenheid der christgelovigen.

Hoe wordt dat aangedrongen ook in Efeze 4, waar de apostel zegt vanaf vers 3 dat de broeders zich hebben te beijve­ren de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede. "Eén lichaam en één Geest, gelijk gij ook ge roepen zijt in de éne hoop uwe r roeping. Eén Here, één doop, één God en Vader van allen die is boven allen en door allen en in allen".

Ge ziet, hoe hier de eenheid van de gemeente maar niet optreedt als een, zeg even een organisatorische kwestie, maar hoe die eenheid verankerd ligt in al de heils­weldaden van God. De éne doop, het éne geloof, de éne Geest, de ène God en Vader Die is boven allen, voor allen en in allen.

 

En, om nog één voorbeeld te noemen: hoe heeft de Here Zelf niet gebeden om de éénheid van de Zijnen, de eenheid van Zijn volk in Joh. 17. Ik bid voor hen. zegt dan de Heiland in de nacht, waarin Hij zal verraden worden, ik bid voor hen. Bewaar hen in Uw naam, vers 11, die Gij Mij gegeven hebt. "Dat zij één zijn zoals wij". En dan ziet de Here op de apostelen die daar voor hem staan. Maar dan gaat tegelijkertijd de blik van de Here naar de toekomst van alle eeuwen en dan om­sluit de voorspraak van de Here Jezus ook ons, ook de vrijgemaakte kerken, ook de gemeente van Kampen in de éne , apostolische eenheid van de kerk aller eeuwen. "En Ik bid niet alleen voor dezen, die apostelen, die daar voor Hem staan, zo zegt vers 20, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij Vader in Mij en Ik in U, dat ook zij in ons zijn, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt".

 

Ik denk ook hoe de Here twaalf apostelen gekozen heeft. Zoals Elia in het oprichten van een altaar van twaalf stenen als het ware naar héél Israël de han­den uitstrekte, zo strekt de Here Jezus in de vol­heid des tijds, als Hij twaalf apostelen kiest in die twaalf apostelen de handen uit naar het ganse Is­raël en naar de ganse gemeente, die in het Nieuwe Verbond zal komen, als naar het Israël Gods (Gal. 6: 16).

 

Dus van hoe hoge, van hoe uitzonderlijke beteke­nis is de eenheid der gemeente. Wij kennen die een­heid der gemeente in haar diepte, in haar heils­betekenis, naar haar wezenlijke aard, niet vanuit ons zelf, wij kennen die eenheid van de gemeente alleen vanuit de heilige Schrift, en de onderwijzing van de Here Jezus Christus en van de profeten en apostelen. Daaruit is ons toch meer dan duidelijk, dat de kerk geen vereniging is, een vereniging, waarvan het lidmaatschap vrijblijvend zou zijn, zo­dat je op een gegeven ogenblik zou kunnen zeggen: ik voel me er eigenlijk niet meer zo thuis en dus ga ik maar van die club af, of dus trek ik mijn lid­maatschap van die vereniging maar in. Neen, de Here heeft er ons gesteld, er ons gebracht, vaak op wonderlijke wegen. En de Here wil dat wij de eenheid van het lichaam onderhouden zullen. Onder dat licht vanuit de heilige Schrift spreken we dan over de Open brief en déze eenheid van de gemeen­te.

 

(1) Zie Reformatie van 7 en 14 jan. jl.

(2) Zie de Reformatie van de vorige week de drie-starren "Moeilijke gegevens?" I-III.

 

De open brief en de eenheid der gemeente 2

 

Dan wil ik in de eerste plaats zeggen, dat juist om­dat zo over de eenheid der gemeente in de heilige Schrift gesproken wordt, de vrede van 1892 tus­sen Afgescheidenen en Dolerenden getekend is. Als een kerkelijke en christelijke vrede, zoals die ont­vangen werd uit de handen van de Here Jezus Chris­tus.

Er was vee] verschil tussen de broeders van toen, maar toen ze elkaar vonden bij het noodza­kelijke, waar wij de vorige keer over gesproken hebben, dat het vanwege het Woord Gods en vanwe­ge de belijdenis der kerk noodzakelijk was om te breken met de Ned. Herv. Kerk, niet alleen met de besturen maar ook met de leden in corporatie­ve en plaatselijke zin, toen hebben de broeders aan de kant van de Afscheiding niet gezegd: nu persen we u ook tot een ons gelijk geven op alle mogelijke punten. Neen, toen kon men elkaar ook vinden bij veel verschil dat bleef, toen kon men elkaar vin­den bij het Woord van God en de belijdenis van de kerk.

Nu daarom ook wordt er onzerzijds geen be­slissing afgedwongen bijv. een beslissing in deze zin: je bent niet goed vrijgemaakt, of je hebt geen plaats in de vrijgemaakte kerken, als je de syno­dale kerken niet valse kerken noemen wilt, zoals prof. K. Schilder dat met even zoveel woorden deed. In die zin is, zeg maar even onzerzijds nooit tot een beslissing afgedwongen.

Maar van gindse zijde, van de zijde van de broeders van de Open brief roept men op tot een beslissing. Ds. Zemel heeft het volkomen terecht gezegd in het Kerkblad van Overijssel, Gelderland en Utrecht dat hier een nieuwe binding opgelegd wordt en dat nota bene door broeders die altijd tegen nieuwe bindingen zo hun stem verheffen. De nieuwe binding wordt hier opgelegd, dat de ootmoedige erkenning van de vrij­making als een genadig door de Here gewerkte re­formatie als een ideologie, als een vrijmakingsge­loof weg gescholden wordt. En dat alle broeders en zusters daar vandaan geroepen worden en dat de vrijgemaakte kerken hier gebracht worden tot een beslissing. Want we moeten in een "beslissings­situatie" komen, ook terzake van de synodale ker­ken en de verhouding tot de synodale kerken, een beslissingssituatie, dat het maar een vete, een twist tussen broeders en zusters van hetzelfde huis is. Die beslissing wil men ons afdwingen. Die be­slissing wil men ons opdringen.

 

In de tweede plaats, wil ik onder dat licht van de heilige Schrift, zoals die over de eenheid der ge­meente spreekt vervolgens zeggen: nu moeten we de ernst van de zaak, die onder ons aan de orde is ook niet bagatelliseren door te zeggen: kijk eens, er wordt nu wel druk gepraat over de Afscheiding 'van 1834 en over de Doleantie van 1886 en de Vrijmaking van 1944, maar dat zijn tenslotte maar fei­ten uit de verleden tijd, uit de kerkgeschiedenis, en de een denkt daar zus over en de ander denkt daar zo over, maar je hoeft toch niet over alle feiten van de kerkgeschiedenis, inzonderheid van de negen­tiende en twintigste eeuw, gelijk te denken om toch één te zijn in het geloof en één te blijven in de ge­meente van de Here Jezus Christus.

 

Dat wordt dan soms nog verder als volgt uitgewerkt: er is een groot verschil tussen énerzijds Afscheiding, Do­leantie en Vrijmaking, die bewegingen van de negen­tiende en de twintigste eeuwen anderzijds de refor­matie van de zestiende eeuw, want die reformatie van de zestiende eeuw heeft ons opgeleverd de drie formulieren van enigheid en dat is wat ons samen­bindt, de inhoud van de drie formulieren van enig­heid; de inhoud van het reformatorische en chris­telijke geloof. Maar dat is bij de Afscheiding, bij de Doleantie en bij de Vrijmaking van 1944 niet het geval. Dus we denken wél gelijk over de zestiende eeuw, maar misschien over onderscheiden zelfs wezenlijke punten niet gelijk over Afscheiding, Do­leantie en Vrijmaking. Maar omdat we gelijk den­ken over die drie formulieren van enigheid, over de inhoud van dat reformatorische en christelijke geloof, daarom wordt toch door de Open brief de eenheid der gemeente niet bedreigd?

 

We vragen: is dat waar? Dat is de vraag, waarop naar ik meen, willen wij tot een duidelijke situatie­tekening komen een duidelijk antwoord gezocht moet worden. Is dat waar, dat de aard van de Afscheiding en de Doleantie en de Vrijmaking zó verschillend is van die van de Reformatie van de zestiende eeuw? Dat er onderscheid is, zal niemand betwisten. Maar is dat onderscheid zo groot, zo fundamenteel, dat je voor wat de Reformatie van de zestiende eeuw betreft, wel eenstemmig wezen moet en feitelijk ook bent, maar dat je voor wat de aard, het eigen­lijke, het wezen van Afscheiding, Doleantie en Vrij­making wél verschillen kunt? Als je dan terzake van de drie formulieren van enigheid maar een­stemmig bent.

Wij geloven dat niet.

Wij willen daar ook rekenschap van afleggen. Want waarom ging het in de Afscheiding van 1834, in de Doleantie van 1886, waarom ging het in de Vrijma­king van 1944? Nu, dat is volkomen duidelijk.

 

In de Afscheiding van 1834, die in bloed en tranen plaatsvond en zich voortzette, ging het om het be­waren van het reformatorische pand, van de re­formatorische belijdenis, het bewaren van de drie formulieren van enigheid. Dat zegt de Acte van Afscheiding zeer nadrukkelijk, nadat de afscheidings­formule in die Acte gevallen is, wordt er nadruk­kelijk gezegd: "betuigende bij dezen, dat wij ons in alles houden aan Gods heilig Woord en aan onze aloude formulieren van enigheid in alles op dat Woord gegrond, n.l. de Belijdenis des geloofs, de Heidelbergse Catechismus en de Ganones van de Sy­node van Dordrecht gehouden in het jaar 1618 en 1619". M.a.w. de aard van de Afscheiding was de wederkeer tot het Woord des Heren en mitsdien tot de drie formulieren van enigheid, zoals de kerk der Reformatie die ons in de zestiende eeuw ge­schonken heeft.

 

En met de Doleantie lag dát niet anders. De Doleantie heeft juist tegen de organi­satie van het Ned. Herv. Kerkgenootschap gevoch­ten om dit grote: dat het er om gaat, dat de belij­denis gezien wordt als "accoord van kerkelijke ge­meenschap". Dat de kerk niet een wilde vermenging mag zijn van gelovigen en ongelovigen, dat de kerk niet mag zijn een volkskerk, waarin na-gist alles wat de tijd opbrengt, maar dat de kerk moet zijn een gemeenschap van belijders en dat de kerk hier in Nederland het geloof heeft zoals dat uitgespro­ken is in de drie formulieren van enigheid. En dan valt in de strijd van de Doleantie dat woord, dat ik zojuist al noemde en dat zo'n zware nadruk krijgt juist in de tijd van de Doleantie, dat de belijdenis is "accoord van kerkelijke gemeenschap".

En als er dan die tweede uitgang, die tweede exodus uit de Ned. Herv. Kerk plaatsvindt in 1886, dan is dat opdat er een kerkverband zal zijn, opdat er ker­ken zullen zijn, die leven bij de drie formulieren van enigheid, bij het gelóóf, dat daarin wordt be­leden.

Het is dan ook niet voor niets, het is maar niet toevallig, dat het juist Hendrik de Cock is, die vlak voor de Afscheiding de Leerregels van Dor­drecht opnieuw heeft uitgegeven, die tot onbekend­heid vervallen waren in de Ned. Herv. Kerk van die dagen. Het is niet voor niets dat dr. A. Kuyper een uitgave van de drie formulieren van enigheid verzorgd heeft. Want hij wist: daar ligt de band van de enigheid, in het geloof, dat dààr beleden wordt.

 

Dat is de aard van de Afscheiding, de aard van de Doleantie bij alle verschil tussen die twee: een wederkeer tot de belijdenis, zoals de Kerk die ge­sproken had bij het licht van de brandstapels, zo­als de Kerk die uitgesproken had in een strijd op leven en dood, de drie formulieren.

En met de Vrij­making is dat niet anders, broeders en zusters.

Bij de Vrij­making van bovenschriftuurlijke bindingen en on­goddelijke schorsingen ging het om te blijven bij de aangenomen leer der Kerk. Ik denk hier aan de Acte van Vrijmaking, waarin nadrukkelijk ge­zegd wordt: "teneinde langs deze weg (de weg van de vrijmaking) te komen tot herstel van het ver­broken verband der gelovigen en der kerken in on­middellijke terugkeer tot de gehoorzaamheid van de gelovigen, in onmiddellijke terugkeer tot de gehoor­zaamheid van Christus, gelijk deze gehoorzaam­heid tot voor het jaar onzes Heren 1942 onder ons op grond van Gods Woord gekend en beleden wordt in de aangenomen formulieren van enigheid en van de Kerkenordening, en in deze alleen". Dat is wat Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking verbindt, het gaat om een blijven bij het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is. Dat is de weg die zich aftekende vanaf 1834 over 1886 en 1892, de weg die zich aftekende ook na 1944 : daarom zou het gaan, daarbij vonden wij elkaar, daarbij zouden wij elkaar vasthouden.

 

Nu nog een stap verder, als ik spreek over die drie formulieren van enigheid, die in de zestiende eeuw geformuleerd zijn, het reformatorische geloof, dan spreek ik tegelijk over het christelijk geloof. Ik spreek over de grondslag van de heilige, algemene, christelijke kerk, om de termen van de Open brief te bezigen. Want het ging in de zestiende eeuw niet om wat nieuws bij Luther en Calvijn en Zwingli en al die andere reformatoren, ondanks al hun onder­ling verschil, maar het ging bij hen om te blijven bij en weder te keren tot het evangelische geloof, tot het geloof der Schriften; om weder te keren tot het zuivere verstaan daarvan, zoals we dat vinden in de oecumenische belijdenisgeschriften. Ze wor­den dan ook in art. 9 van de Nederlandse Geloofsbelij­denis opgesomd. En de drie formulieren van enig­heid doen niet anders dan tegenover dwalingen van Roomse en van doperse en ook nog wel van andere zijde die oecumenische christelijke belijdenis te verklaren en te bewaren. Dat is de weg, zoals die zich aftekent vanaf de zestiende eeuw.

 

Zo greep de Here genadig in. En daarin is de aard van de Refor­matie van de zestiende eeuw niet onderscheiden van de aard van Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking, zoals het in de Afscheiding, de Doleantie en de Vrij­making er om ging om bij de Here en Zijn Woord te blijven en bij de leer der kerk, zo ging het daarom ook in de reformatie van de zestiende eeuw.

Van­daar dan ook dat het een dwaasheid is, om te zeg­gen: het is nu in de twintigste eeuw eerst dat er in­ternationale contacten komen, b.v. Korea en Spanje en dat we daarom in een totaal nieuwe situatie zijn. Laten we a.u.b. nuchter wezen. Al hadden ze in de zestiende eeuw geen televisie, wat dacht u, dat de communicatie, dat het verkeer in de zestiende eeuw, ik bedoel het geestelijk verkeer, het verkeer in de kerk, dacht u dat dat minder intensief zou zijn ge­weest dan nu in de twintigste eeuw? Geen denken aan! Juist in de zestiende eeuw, juist als de drie formulieren worden geformuleerd, waarvan de Open brief zegt: dat is "het historisch fundament van de Gereformeerde Kerken in Nederland", dan ziet ge de gereformeerden in Nederland internationa­le contacten hebben, ge ziet ze de handen uitstrek­ken naar héél de kerk, voor zover zij die kunnen bereiken. Het is niet zo, dat ze daar met een natio­nale zaak bezig zijn, met een Nederlandse aange­legenheid, voor mijn part met een provinciale aan­gelegenheid, "klein vaderlands gedoe", maar als ze de drie formulieren aan het formuleren zijn, dan ziet ge ze contact hebben met Frankrijk, met Ge­nève, met Engeland, met Duitsland.

Op de eerste synode van Emden 1571 zegt men nadrukkelijk als het gaat om de onderschrijving van de Nederlandse Ge­loofsbelijdenis, dat de broeders daar op de syno­de ook de Belijdenis van de broeders in Frankrijk onderschrijven zullen tot een teken van de een­drachtigheid, zoals zij ook hopen dat de broeders van Frankrijk de Geloofsbelijdenis van de broeders van Nederland onderschrijven zullen.

En ge ziet het ook bij de Catechismus. Ze zijn maar niet met een nationale zaak bezig, "klein vaderlands gedoe", ze nemen trouwens ook de Heidelbergse Catechis­mus. Maar als ze de Heidelbergse Catechismus ne­men dan houden ze de band vast met de broeders van elders. Dan zeggen ze rustig: maar dat wil niet zeggen dat de Catechismus van Genéve bij ons in verachting zou zijn.

 

Ik wil maar aanwijzen, dat men in de zestiende eeuw de kerk des Heren zag zoals die verspreid en verstrooid is over de ganse wereld en dat men toen zo geformuleerd heeft. Dat geldt ook die dikwijls aangevochten Leerre­gels van Dordrecht. Men was toen waarachtig oe­cumenisch bezig en heeft zo geformuleerd. Zo heeft de weg van de kinderen Gods zich afgetekend in de zestiende eeuw.

 

Nu ging het de liberalen in de negentiende eeuw er om, om stil aan de gereformeerde kerken van die grondslag af te schuiven. Daarvoor die organisa­tie van 1816, daarvoor een nieuwe ondertekeningsformule voor de proponenten. Daarvoor moest het wankel gesteld worden of de belijdenisgeschriften wel in alles overeenkwamen met het Woord van God. Daarvoor werd de kwalijke suggestie ingedragen dat de belijdenisgeschriften alleen maar onder­schreven werden voor zover ze in overeenstem­ming waren met het Woord van God, maar niet om­dat ze met dat Woord in overeenstemming waren. Toen heeft die weg van de zestiende eeuw zich vér­der voortgezet, en dat is nu de kracht van de gena­de des Heren geweest over onze vaderen en over ons, die weg van het oecumenische christelijke ge­loof tegen het woeden van die hele Nederlandse we­reld in; die weg heeft zich voortgezet in Afschei­ding en Doleantie en heeft zich ook voortgezet in de Vrijmaking.

 

Daarom is het een radicaal mis­verstaan van wat de Here gedaan heeft aan z'n volk als dat wat de vorige eeuwen deze eeuw te zien gegeven heeft in Afscheiding, Doleantie en Vrijma­king, wordt afgedaan met: "twisten en veten". Als dat afgedaan wordt met: "dat kleine vaderlands ge­doe". En als daar tegenover gezegd wordt: en nu worden we weggeroepen "naar het niveau van die wereldkerk". Want als het nu echt om dat niveau van de wereldkerk ging, als het echt ging om die grondslag van de heilige, algemene, christelijke kerk, nu, dan zou men zich toch in de verbonden­heid van het geloof met de broeders en zusters van de zestiende en van de negentiende eeuw moeten we­ten?

Maar daar merkt men niets van die verbonden­heid van het geloof waarmee Hendrik de Cock we­derkeerde tot de drie formulieren van enigheid, die verbondenheid van het geloof waarvoor A. Kuyper zich inzette toen hij sprak over de belijdenis als accoord van kerkelijke gemeenschap. Maar men merkt iets heel anders. Men merkt dat die drie for­mulieren, zelfs "Gods Woorden de drie formulier­en", naar beneden worden gedrukt in de Open brief. Ze worden gedeprecieerd, gedegradeerd. Dat is "het historisch fundament", zeggen de broeders. "Het historisch fundament van de Gereformeerde Ker­ken in Nederland" en ieder vraagt zich volgens hen af, dus zeker ieder van de ondertekenaars, of dat "historisch fundament van de Gereformeerde Ker­ken" nu nog wel samenvalt met de grondslag van de éne heilige algemene christelijke kerk.

Dat is de nieuwe weg, die de broeders ons wijzen en waarop de broeders ons voorgaan. De nieuwe weg.

 

De open brief en de eenheid der gemeente 3

 

Als wij onze aandacht concentreren op de Open brief, doen we dat omdat we hier een officieel do­cument hebben, waarin een programma ontvouwd wordt. Maar we moeten niet vergeten dat dit niet uit de lucht komt vallen. Er is hierheen gewerkt. Men is hierheen gedrongen, omdat men bij zich­zelf een ontwikkeling ingezet en bij anderen heeft wakker gemaakt die hierheen leiden moet.

 

Hoe is onder ons helaas de troost der christenen bij het sterven' al niet aangevochten, zoals die beleden is in de drie formulieren van enigheid, "dat mijn ziel van stonden aan bij het sterven tot Christus haar Hoofd wordt opgenomen". En hoe is de bestrijding van die vertroostende leer der zaligheid niet de hand boven het hoofd gehouden.

Is het niet waar, dat onder ons gezegd is, ook in de Kamper Kerkbode, ja ze­ker, de bestrijding van Zondag 22 eerste gedeel­te dat is inderdaad wel bestrijding van de belijde­nis, de leringen van ds. Telder zijn inderdaad wel in strijd met de belijdenis (zo ds. G. Visee), maar laat ons toch rustig discussiëren en voortstuderen.

 

Hoe is onder ons praktisch niet gewrikt aan het Ondertekeningsforrnulier voor de predikanten als men de bestrijding van de belijdenis, ik spreek niet over een bezwaarschrift tegen een bepaald punt van de belijdenis, dat op regelmatige wijze aan de ker­kelijke vergaderingen is voorgelegd, maar als men de bestrijding van de belijdenis in het publiek de hand boven het hoofd hield. Als men zei: dat On­dertekeningsformulier voor predikanten is een "be­treurenswaardig brok bevriezing" van het echte, levende, reformatorische geloof.

Daaraan zie je dat je, zo is er onder ons gezegd, al in de nada­gen van de reformatie komt, dat er zo'n Onderte­keningsformulier komt in Dordrecht 1618/19, waar­in de predikanten vastgelegd worden op die drie for­mulieren van enigheid. Principieel is dat Onder­tekeningsformulier bestreden en practisch is het ontdoken. Daarin vertoont helaas de situatie in de Geref. Kerken van de laatste jaren een droeve over­eenkomst met de situatie van voor 1834, toen men ook het oude Ondertekeningsformulier terzijde had geschoven en men met een nieuwe ondertekenings­formule kwam, een ondertekeningsformule, waar­in, zoals ik al gezegd heb, niet de overeenstemming met de belijdenis omdat ze met Gods Woord over­eenstemt werd gevraagd, maar voor zover ze met Gods Woord overeenstemt. Tenminste: via een opzettelijk - dubbelzinnig - gehouden terminologie hield men de weg daarvoor open.

Bij die beweging van de negentiende eeuw, waar Afscheiding en Do­leantie zich tegenover opgesteld hebben, hebben de broeders van de Open brief zich aangesloten. In de loochening van de wezenlijke aard van de Vrijma­king en in zakelijke veroordeling van de Afscheiding en van de Doleantie als reformatorische bewegin­gen is men tegelijkertijd gekomen tot een kritische afstand tot de drie formulieren van enigheid. Daar ziet ge het in de feiten bevestigd, dat men geen on­derscheid maken kan: enerzijds Afscheiding, Do­leantie en Vrijmaking en anderzijds de zestiende eeuw.

En over dat "enerzijds" verschillen we dan misschien, maar over dat "anderzijds" verschil­len we niet. Want dat is niet waar. Het ging in Af­scheiding, Doleantie en Vrijmaking om die drie formulieren. En in de negatie, in de bestrijding, in de verloochening, in de diskwalificatie van wat werkelijk Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking is geweest ziet ge tegelijkertijd baan breken een kri­tiek op het geloof, zoals de Kerk dat vanuit de Schrif­ten heeft beleden, een kritiek, waarvoor het hart huivert, omdat we komen op de baan van het zes­tiende-eeuwse libertinisme en het twintigste-eeuw­se oecumenisme.

 

Zó gaat het ons om de eenheid der gemeente. Want inderdaad, de gemeente is geen organisatie, geen vereniging, geen club waar je vrijblijvend lid van bent. Maar het is ook niet zo, dat je in de ge­meente in een concentratiekamp van mensen bent, waarin de vrijheid van de gelovigen om bij de Here als opperste Herder te blijven verspeeld zou zijn. De eenheid der gemeente is een eenheid van de ge­meente in geloof en hoop en liefde. De eenheid der gemeente is de eenheid in de Here Jezus Christus. Ook daar zijn de Schriften van het Oude en van het Nieuwe Verbond vol van.

 

Ik wijs op dat 1 Kon. 18 dat ik aangehaald heb toen ik sprak over Elia en het altaar met de twaalf stenen. Als Elia dat altaar op­gericht heeft dan schikt hij daar het offer, zo staat er in 1 Kon. 18: 36 "ten tijde van het avondoffer" . Een hele kleine aantekening, waar ik toch even uw aandacht voor vraag. Ten tijde van het avondoffer, dat is ten tijde van het avondoffer in Jeruzalem. Het gaat hem om de éénheid der gemeente, maar hij bindt die afgedoolde stammen Israëls aan wat de Here in de tèmpel doet. Hij bindt aan die schaduw­achtige eredienst en de beloften die daardoor afge­beeld worden en het heil dat daardoor geschonken wordt aan het volk. Daar ziet ge dat de eenheid, die Elia zoekt een eenheid in de waarheid is.

 

Is dat ook niet zo in Efeze 4, waar we de apostel Pau­lus hoorden spreken over de eenheid der gemeente? Ja, want daar stàat in Efeze 4 dat we één lichaam zijn, zoals er één doop is en één Heer, één God en Vader boven allen en in allen en voor allen. Maar daar staat in Efeze 4 ook in diezelfde teksten die we gelezen hebben dat die éne gemeente gekenmerkt wordt door het éne geloof. En dan zegt prof. Greij­danus, in de korte Verklaring: daarmee wordt maar niet bedoeld het geloof als" zielewerkzaamheid". Prof. Greijdanus bedoelt daarmee te zeggen: het gaat er maar niet om dat je subjectief gezien wel een gelovige bent zonder dat de vraag er toe doet wat je gelooft, maar, zegt prof. Greijdanus: het gaat om de inhoud van dat geloof, zoals dat door de Here ons geschonken is in de openbaring van de heilige Schrift.

 

Eenheid in de waarheid, eenheid bij de waarheid, eenheid bij de Waarachtige, dat is Jezus Christus en God, Die Hem gezonden heeft. Is daar het gebed dat de Here gebeden heeft in de nacht waarin Hij werd verraden niet vol van?

Als de Here bidt om de eenheid van de Zijnen dan bidt Hij toch dat ze één zullen zijn, zoals Gij, Va­der en Ik één zijn? Hij bidt maar niet om een een­heid zo zonder meer, een eenheid zo op zichzelf, maar Hij bidt om die eenheid zoals die er ook is tus­sen Hem de Gezondene en de Vader Die de Zender is.

En dan zegt Hij trouwens ook verder op, als Hij bidt voor degenen die later komen zullen, dan noemt Hij hen, die door hun, het apostolisch, woord in Mij geloven zullen. Opdat zij allen, de apostelen als het fundament met Christus als Hoeksteen en alle latere geslachten der Kerk één zijn. Dan ziet ge die eenheid weer in de apostolische en oecume­nische waarheid die de Here ons geschonken heeft verankerd, zoals Christus trouwens ook bidt: "hei­lig ze in Uw waarheid, Uw Woord is de waarheid". Daar ziet ge, wat de bede om de eenheid van Gods volk bij de Here Jezus Christus is. Hij bidt om de eenheid op die weg der waarheid.

 

Dat gebed van de Here Jezus Christus beheerst de geschiedenis van de wereld en kerk. Daarom bleef de kerk, ondanks alle aanvechting van buiten, ondanks alle moeite van binnen, uit kracht van de voorspraak van Jezus Christus reeds in de eerste eeuwen tegen alle ketterij in bij het Woord der Waarheid. Zo zijn de oecumenische belijdenisge­schriften gekomen aangaande de drie Personen van het ene goddelijke Wezen, aangaande de twee na­turen van onze Zaligmaker, de Here Jezus Christus. Omdat de voorspraak van de Here Jezus Christus krachtig was over de Zijnen alle eeuwen door, want Hij bidt voor de Zijnen, daarom is in de zes­tiende eeuw een wederkeer gegeven tot die oecu­menische belijdenis, daarom is hier in Nederland uit de voorspraak van de Here Jezus Christus, die kracht verkregen heeft uit Zijn offerande voor ons, eveneens in de negentiende en in de twintigste eeuw de weg terug gevonden, de weg terug naar de waar­heid der Schriften, de weg terug in de geloofsverbondenheid met de vaders die ons voorgingen in de eerste eeuwen en in de zestiende eeuw.

Daarom, omdat de voorspraak van de Here Jezus Christus krachtig was over Zijn volk in Nederland, is er een Vrijmaking gekomen in een hongerjaar en heeft de Here de Zijnen teruggevoerd en gehouden bij die oecumenische, die waarachtige oecumenische belij­denis. Zouden wij de voorspraak van de Here Jezus Christus, zoals die gezegd is in de nacht, waarin Hij verraden werd, zouden wij die achter de hori­zon weg laten drukken voor ons geloofsoog, door die Vrijmaking een "twist", een "vete" te noemen onder broeders van één en hetzelfde huis? Want die voorspraak van de Here Jezus Christus heeft de eeuwen door de kerk gehouden bij de eenheid.

 

En als er dan broeders komen die zeggen: dat is een "historisch fundament", die drie formulieren van enigheid en het is de vraag nog maar, het is een open vraag of dat samenvalt met de grondslag van de heilige, algemene christelijke kerk (het staat zo letterlijk in de Open brief te lezen) en zo, onder die vraagstelling worden we weggeroepen naar het niveau van de wereldkerk, dan is dat een nieuwe weg, een vreemde weg. Het is niet de weg van de Here Jezus Christus, het is niet de weg van de re­formatie van de zestiende eeuwen van de Afschei­ding, de Doleantie en de Vrijmaking van de negen­tiende en de twintigste eeuw. Het is de nieuwe weg van het vlees, het vlees dat rebelleert tegen de voorsprekende Heiland, Christus Jezus, Wiens voorspraak machtig is over Zijn volk van alle tij­den, omdat er een offer op Golgotha is gebracht.

 

Daarom, als het gaat om de Open brief en de een­heid van de gemeente, dan zeg ik, ziende op de in­houd van de Open brief: voor zover het in de macht van mensen ligt, die verbrijzelt de eenheid van de gemeente. Die slaat de eenheid van de gemeente stuk. En wie zijn wij?

Maar de voorspraak van de He­re Jezus Christus ook over de kerk zoals we die ken­nen in de vrijgemaakte kerken in Nederland, de vrijgemaakte gemeente van Kampen, de voorspraak van de Here Jezus is er. Daar blijft maar één ding over als wij met zoveel macht, met zoveel kracht weggeroepen worden van de weg der waarheid: niet steunen op wat in ons is, maar pleiten op Gods ont­ferming in deze Heiland Christus Jezus, ook als alles wat voor ogen is tegen schijnt te zijn, pleiten op deze voorspraak van de Here Jezus Christus voor. Zijn gemeente. Want we blijven niet bij elkaar uit kracht van onze flinkheid, uit kracht van onze tactiek, uit kracht van nu nog éven een handige tegen­zet doen en dan houden we de boel bij elkaar. We blijven alleen één als we blijven onder het dak, het beschermende dak van de voorspraak van Christus Jezus: dat we blijven bij de waarheid.

Dan wordt gena van waarheid blij ontmoet;

de vrede met een kus van 't recht gegroet.

Dan, zal de Heer voor de gemeente van Kampen en voor de vrijgemaakte ker­ken,

ons 't goede weer doen zien,

maar dat goede dat is dat we blijven bij het geloof, dat de heiligen overgeleverd is,

ook in deze laatste tijd.

 


NOTEN

[1] Versie van de antithese en een sterke oriëntatie op voorgegeven structuren in de schepping. Dit gedachtegoed ontplooide zich organisatorisch op tal van terreinen: dat van de christelijke politiek (Antirevolutionaire partij), de christelijk-sociale beweging, het onderwijs, de theologie (Klaas Schilder, Gerrit Cornelis Berkouwer) en de filosofie (reformatorische wijsbegeerte). De moderne, bevindelijk-gereformeerde  en door Karl Barth geïnspireerde critici van de ‘neogereformeerden’, beklemtoonden het rationele en activistische karakter van neocalvinisme en de afstand tot de theologie van Johannes Calvijn.

Het neocalvinisme kende een dynamisch begin. Daarop volgden in de eerste helft van de twintigste eeuw bloei en uitbouw van de beweging tot in Noord-Amerika en Zuid-Afrika. Tegelijk traden in de jaren twintig en dertig consolidatie en verstarring op. De jaren vijftig en zestig kenmerkten zich door de ontmanteling van het neocalvinisme onder invloed van de vrijmaking, de theologie van Barth, het moderne bijbelonderzoek en de ontzuiling. Gedurende de tweede helft van de twintigste eeuw bleef het neocalvinisme invloedrijk in christelijk Nederland, al hield de gedachte van de antithese stand binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de aan deze kerk gekoppelde organisaties zoals het Gereformeerd Politiek Verbond van, Nederlands Dagblad en het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond. In de jaren negentig werden deze organisaties echter ook opengesteld voor andere christenen.

Auteur: Koert van Bekkum uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)